walvischvaarders in den zomer van 1618 getuigen de brieven, door
sommige kapiteins op Spitsbergen aan andere Engelschen geschreven en
door Purchas (Pilgrimes. III p. 732-38) bewaard. „We haue reasonable
good quarter with the Flemmings,” schreef kapitein Salmon 24 Juni,
kort voor het gevecht aan kapitein Sherwin, „for we are merry aboord
of them, and they of vs; they haue good store of Sacks (jenever),
and are very kinde to vs, proffering vs any thing that we want. I am
very doubtfull of making a voyage this yeere („the Flemmings are too
many for vs to make a voyage,” schreef hij ook) the Company must
take another course the next yeere: if they meane to make any
benefit of this Country, they must send better ships that must beat
these knaues out of this Country; but as farre as I can vnderstand
by them, they mean to make a trade of continuance of it: we will let
them rest this yeere, and let who will take care the next yeere, for
I hope not to trouble them.” Salmon vond bij zijnen vriend Sherwin
volkomen instemming: den 29 Juni schreef deze uit Bell-sound
(Purchas l. c. III p. 733): „As for the Flemmings let them all go
hang themselves, and although you be not strong enough to meddle
with them, yet the worst wordes are too good for them, the time may
come you may be reuenged on them againe. The Captaine wishes they
would come all into Bell-sound and beat vs out, and carry vs for
Holland; here is a great fleet of them in this Country. Here came in
two Flemmings, but wee handled them very honestly but for feare of
after-claps, or had it beene the latter part of the yeere, we would
haue handled them better; now they be gone for Horne-sound, I would
that they had all of them as good a paire of horns growing on their
heads, as is in this Country.” De gemoedelijke Purchas zag dit alles
met leedwezen. „I had thought to haue added,” dus schrijft hij
(Pilgrimes. III p. 734), „a large Discourse of occurrents betwixt
the Dutch and English in Greenland this yeare 1618 and had prepared
it to the Presse. But hauing alreadie giuen some Relation thereof
from Captaine Edge, and seeing the insolencies of some of the Dutch
were intolerable to English spirits, which then suffered, or
hereafter should reade them, I chose rather to passe them by
aduising my Countrimen not to impute to that Nation what some frothy
spirit vomits from amidst his drinke, but to honer the Hollanders
worth, and to acknowledge the glorie of the Confederate Prouinces,
howsoeuer they also have their sinks and stinking sewers (too
officious mouthes such as some in this businesse of Greenland,
beyond all names of impudence against his Maiestie, and his Leege
people, as others elsewhere haue demeaned themselves) whose
lothsomnesse is not to be cast as an aspersion to that industrious
and illustrious Nation. Euerybody hath its excrements, euery great
House its Vault or Iakes, euery Citie some Port exquiline and
dunghils, euery Campe the baggage; the World it selfe a Hell: and so
hath euery Nation the retriments, scumme, dregs, rascalitie,
intempered, distempered spirits, which not fearing God nor
reuerencing Man, spare not to spue out that to the dishonor of both,
which sauing the honor of both can scarsly be related after them. A
difference is to be made of relation (Nationall?) and personall
faults, of which we haue said enough in the East India quarrels,
twixt ours and the Dutch.” Zoo weinig ons dit breedsprakige staaltje
doet verlangen den bekwamen man van den kansel te hooren, zoo
merkwaardig schijnt mij dit kleine preekje voor de Nederlanders als
een bewijs, hoe diep de animositeit tusschen beide volken reeds toen
wortel geschoten had.
[796] Zie over de reis van 1618 en het daarbij voorgevallene:
Mémoire de la Comp. Septentrionale, bij: Muller, Mare Clausum. p.
371.--Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C., in: Noordsche
togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Arrest v. de H. Raad van 31 Maart
1635.--Req. der Zeeuwsche N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 22 Aug. 1624,
in: Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R.-A.--Engelsche
schaderekening met het getuigenis van Leversteyn, in: Lias loopende
1618. R.-A.--Mémoire et Relation veritable, bij: Muller, Mare
clausum. p. 373 vlg.--Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas,
Pilgrimes. III p. 468, 69.--Brieven van Salmon, Sherwin en
Beversham, bij: Purchas l. c. III p. 733.
[797] R. S.-G. 24 Dec. 1620, 4, 5, 13, 14, 20, 22, 26, 27 Jan., 12
Febr., 4, 27 Mrt. 1621.--N. Z. 9 Mrt. 1621.--Corte Deductie ende
Remonstrantie der N. C., in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C.
R.-A.--Zie over de restitutie van het geschut aan de Nederlanders en
het daarbij voorgevallene: Corte Deductie ende Remonstrantie der N.
C., l. c., en: Muller, Mare Clausum. p. 160 Noot 1.
De verontwaardiging aan het Engelsche hof over deze onverwachte
stoutmoedigheid der Nederlanders was niet gering. Carleton kreeg van
zijnen vorst dadelijk last om daarover te klagen, en toen hij den 3
October 1618 in de vergadering der Staten-Generaal verscheen om op het
zenden eener ambassade naar Engeland aan te dringen, liet hij zijne rede
voorafgaan door de voorlezing van de »informations sur les violences,
robberies et assasinats commis hostilement par les Hollandais sur les
navires, biens, et personnes des Anglais aux quartiers du Nort,” een
stuk, dat de blijken droeg, dat het »exploict” der Nederlanders »jn
Engelant ten quaetsten gerapporteert ende met veele onwaerachtige
lasteringen ende logenen geexaggereert” was[798]. De verontwaardiging
van den gezant was door het gedrag van het Haagsche gepeupel niet
verminderd: »nous auons eu ces iours passez”, dus voerde hij den Staten
op hevigen toon te gemoet, »la nouuelle chantée icy à la Haye, a bouche
ouverte et visage asseuré, dans la Court, et par les rues, avec les
particularitez tant des pieces d’artillerie, et des tonneaux d’huyle
prises et divisées en mer, comme des hommes tuez et blessez, et le tout
receu avec grand applaudissement et triumphe, comme d’une victoire
gaignée sur les ennemis. Eo audaciae perventum est.” Carleton stelde het
gebeurde op Spitsbergen zóó voor, alsof de Nederlanders den Engelschen
het visschen aan het eiland hadden willen beletten, en verweet den
Staten-Generaal het ongerijmde van zulk een gedrag na de lange
vertoogen, die zij bij verschillende gelegenheden voor de vrijheid der
zee hadden gehouden. Hij eindigde zijne lange rede, waarin hij ook over
andere grieven der Engelschen klaagde, met het nadrukkelijk verzoek, dat
de Staten-Generaal de ambassade, die reeds zoolang aan koning Jakob
beloofd was, zonder uitstel zouden zenden, voorzien van volkomen last om
ook over deze zaak te onderhandelen.[799]
[798] Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C., in: Noordsche
togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[799] R. S.-G. 3 October 1618.
Na lange aarzeling kwam het eindelijk daartoe. Den 7 December 1618
kwamen de heeren Van Goch, Van der Dussen en Liens als ambassadeurs der
Staten-Generaal te Londen aan. Hunne Instructie verdedigde het bezoeken
der IJszee door de Nederlanders met een beroep op de vrijheid der zee,
maar tevens door te wijzen op de ontdekking van Spitsbergen door
Nederlanders, en op het feit, dat de Engelschen, zelfs al hadden zij het
eiland in 1553 ontdekt, in ieder geval hunne ontdekking weder kennelijk
verlaten hadden. Het gebeurde van den vorigen zomer werd gerechtvaardigd
door de deductie, dat de Nederlanders niet om de Engelschen te
verdrijven, maar alleen uit zelfverdediging tot geweld waren overgegaan.
Om dergelijke voorvallen voor het vervolg te voorkomen, werd het maken
van een reglement aanbevolen, waartoe de gezanten gemachtigd werden
eenige voorslagen te doen.
Lang duurde het, eer de onderhandelingen over dit punt aanvingen. Eerst
den 16 Maart 1619 kwamen wederzijdsche gedeputeerden bijeen, om over de
zoogenaamde Groenlandsche zaken te beraadslagen. Van beide zijden begon
men met klachten over de schade, door de tegenpartij toegebracht; van
beide zijden werd vergoeding verzocht. Twee memoriën werden gewisseld,
waarbij men voornamelijk de wederzijdsche grieven besprak en de daden
van den vijand in het hatelijkste daglicht stelde. Zooveel bleek echter
reeds dadelijk, dat de Engelschen evenmin als in 1615 geneigd waren,
over de aanspraken van hunnen koning op Spitsbergen te twisten. Zij
beriepen zich op hun recht als eerste walvischvaarders, die zich zee en
visscherij hadden toegeëigend, en eischten daarop de buitensporig hooge
vergoeding van £ 22.636-1/2 voor directe schade en £ 43.800 voor
winstderving. De Nederlanders namen van hunne zijde een niet minder
ongerijmd standpunt in; zij beriepen zich voornamelijk op hunne
ontdekking van Spitsbergen in 1596, waaruit zij hun recht op de
walvischvangst afleidden. De handelwijze hunner landgenooten was volgens
hen uiterst liberaal; niettegenstaande hun recht waren zij volkomen
bereid de Engelschen op Spitsbergen toe te laten en slechts tot
zelfverdediging en als schadevergoeding waren zij tot het aanvallen en
berooven van het Engelsche schip overgegaan; toch waren zij volkomen
bereid de genomen goederen terug te geven, mits de Engelschen, die de
eerste aanvallers waren geweest, met de restitutie begonnen[800].
[800] Eene schaderekening leverden de Nederlanders niet in: de
Zeeuwsche kamers weigerden hunne schade op te geven. (Miss. der
Stn.-Gen. aan de Gecommitt. Raden v. Zeeland dd. 29 Apr. 1619, in:
Lias loopende 1619. R.-A.) Toch was eene Zeeuwsche schaderekening
van het jaar 1617 in het archief der Stn.-Gen. aanwezig. (Zie deze
in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.) Het bestaan daarvan
schijnt echter vergeten te zijn en hoewel de ambassadeurs gedurig om
de begrooting der schade schreven (zie de bovenvermelde missive der
Stn.-Gen.), ontvingen zij die eerst te laat. (Muller, Mare Clausum.
p. 159 Noot 4.)
Het komt mij voor, dat beide partijen in deze onvruchtbare discussie
ongelijk hadden: geen van beide had m. i. op Spitsbergen eenig recht. De
Engelschen schijnen nu reeds zelve ingezien te hebben, dat de beweerde
ontdekking van Spitsbergen door Willoughby niet te bewijzen was; maar
ook al nam men deze ontdekking aan, het stond vast, zooals de
Staten-Generaal zeer juist opmerkten, dat het ontdekte land weder
verlaten en dus alle aanspraak daarop vervallen was. Beter recht
schijnen de Engelschen aan hunne reizen naar Spitsbergen sinds 1610 te
hebben kunnen ontleenen. Zij hadden in dat jaar het woestliggende eiland
als het ware op nieuw ontdekt: de aandacht van de beschaafde wereld had
zich eerst toen daarop gevestigd. Jaarlijks hadden zij het sedert dien
tijd bezocht en zich in alle voor de walvischvangst geschikte baaien
gevestigd; slechts wanneer het barre jaargetijde de noordsche streken
onbewoonbaar maakte, vertrokken zij vandaar. Men kon dus aannemen, dat
zij volgens het ieder toekomende recht als eerst aankomenden van eene
niemand toebehoorende zaak hadden bezit genomen. Maar hun recht had toch
eene zeer zwakke zijde. Bij de groote wisselvalligheid der
walvischvangst was het niet meer dan natuurlijk, dat de Engelschen
vooral in de eerste jaren niet altijd al de zeven groote baaien, die
Spitsbergens westkust aanbiedt, bezochten. Wel hadden zij zich in allen
beurtelings met de visscherij beziggehouden, maar die visscherij was
lang niet overal geregeld gedreven. En de verlatenheid, waarin dus
sommige vischplaatsen jarenlang bleven, was te bedenkelijker in eenen
tijd, toen de bezitters van Spitsbergen nog bijna geheel niet als in
latere jaren door het bouwen van woonhuizen en andere inrichtingen op de
door hen bezette stranden blijk gegeven hadden van hun voornemen om over
korter of langer tijd op de ingenomen plaats terug te komen. De
vestiging der Engelschen in eene baai droeg daardoor het karakter van
een voorbijgaand bezoek, een gebruiken en weder verlaten eener plaats,
dat volstrekt geen recht kon verleenen. Van hunne bedoeling, om de zeven
baaien als eene bezitting der Moscovische Compagnie te beschouwen, was
bovendien nooit iets gebleken. De Engelschen zelven gevoelden deze
leemte in hun rechtstitel zeer goed; zoodra de Nederlanders zich aan
Spitsbergen vertoonden en verklaarden met hen te willen concurreeren,
begonnen zij ijverig met het inbezitnemen van alle reeds bekende en
nieuw ontdekte baaien. Zeer onverstandig echter! Hunne handelwijze toch
kon niet anders dan de aandacht vestigen op hunne vroegere nalatigheid,
terwijl zij, nu hun feitelijk bezit door de Nederlanders gestoord was,
alle recht misten, de ook door dezen bezochte plaatsen aan het verkeer
te onttrekken. Veiligheidshalve beriepen zij zich nu dan ook niet op hun
bezit van Spitsbergen zelf krachtens de vestiging der Moscovische
Compagnie, maar gaven de voorkeur aan het beweren van hersenschimmige
eigendomsrechten op zee en visscherij krachtens de toeëigening der
walvischvaarders,--rechten, die reeds toen door vele leeraars van het
volkenrecht op goede gronden bestreden werden. Hadden zij als heeren van
Spitsbergen de Nederlanders met volle recht uit de baaien en de
territoriale zee kunnen weren, de nu op den voorgrond gestelde bewering
gaf den Nederlanders gelegenheid, om zich zeer terecht op de vrijheid
der zee en hare onvatbaarheid voor toeëigening te beroepen. Ongelukkig
voor dezen belette echter de houding, door hen zelven in de
Oost-Indische zaken tegenover Engeland aangenomen, dat zij van die
gelegenheid gebruik maakten; zij moesten zich nu beperken tot het
aanvoeren van aanspraken op Spitsbergen als ontdekkers van 1596, eene
bewering, waarop volkomen de aanmerking paste door henzelven op het
recht van den zoogenaamden Engelschen ontdekker gemaakt. Het was niet te
loochenen, Nederlanders hadden Spitsbergen ontdekt, maar zij hadden het
dadelijk weder voor jaren verlaten; eerst toen de Engelschen op het
belang van het eiland waren opmerkzaam geworden en er zich hadden
gevestigd, kwamen de Nederlanders zelve weder terug in de langvergeten
gewesten[801].
[801] Reeds Purchas merkte op bij de beschrijving der Nederlandsche
reis van 1596/7: „They are said to haue touched in this Nauigation
on Greene-land. How-euer that be, they continued no trade nor
Discouerie thither, till the English diuers yeeres after had made a
new Discouerie, and found there a profitable Whale-fishing.”
(Purchas, Pilgrimes. III p. 815.)
De twistende partijen zelve zagen echter in, dat de rechtsquaestie hier
eigenlijk bijzaak was. Handelsnaijver was de oorzaak van den twist:
Engelschen noch Nederlanders wilden hunne visscherij opgeven en het
scheen zeker, dat beide natiën te zamen niet vreedzaam op Spitsbergen
konden verkeeren. De Nederlanders grepen daarom het eenige middel aan om
aan de zaak een einde te maken en deden volgens hunne Instructie drie
voorslagen voor een reglement, dat de verhouding der beide twistende
partijen op Spitsbergen zou regelen. 1^{o} Engelschen en Nederlanders
zouden met een gelijk aantal schepen aan het eiland visschen; de baaien
zouden bij loting verdeeld worden. 2^{o} Beide natiën zouden overal bij
Spitsbergen met even veel en even groote schepen visschen. Een reglement
zou de tusschen hen ontstane oneenigheden moeten beslissen. 3^{o} Men
zou Spitsbergen in twee gelijke deelen verdeelen door eene lijn van Cape
Cold op Prince Charles’ foreland naar het oosten getrokken; over het
bezit van elk dier gedeelten zou voor 8, 10 of 12 jaren tusschen beide
volken geloot worden. Zij, die de grenslijn overschreden, zouden
gestraft worden.
Het liet zich voorzien, dat de Engelschen met deze voorslagen, die de
gelijke rechten van beide natiën stilzwijgend aannamen, geen genoegen
zouden nemen. Zoo men er toe overging, de Nederlanders op Spitsbergen
toe te laten, zoo spraken zij, zou dat immer slechts bij oogluiking en
als gunst kunnen geschieden; men meende zelfs, dat het nieuw ontdekte en
voor de walvischvangst zoo gunstig gelegen Jan Mayen-eiland den
Nederlanders gelegenheid genoeg gaf, om hun bedrijf ongestoord te
oefenen. Tot het verleenen van rechten op de visscherij bij Spitsbergen
aan de Nederlanders wilden de Engelschen niet overgaan; zij meenden, dat
dit een gevaarlijk praecedent zou zijn tegenover andere volken, die het
eiland ook bezochten. Toen de Nederlanders er echter bij bleven, dat zij
er niet aan dachten hun recht op te geven en slechts gekomen waren om
middelen te beramen tot vreedzame oefening van hun bedrijf, werden de
conferentiën afgebroken en men besloot, dat beide partijen zich tot den
koning zouden wenden.
Het resultaat der onderhandelingen met Jakob I zelven was twijfelachtig.
Eene overeenkomst over de rechten op Spitsbergen weigerde Z. M. bepaald
nu te sluiten, maar hij vond goed de onderhandelingen over deze zaak tot
het najaar van 1622 uit te stellen en de Nederlanders onderwijl rustig
op Spitsbergen te laten visschen. Na eenige samensprekingen over den zin
van ’s konings uitspraak werd aan dat uitstel echter de voorwaarde
verbonden, dat binnen drie maanden na dato den Engelschen herstel van
alle direct nadeel gegeven en de overige beweerde schade binnen drie
jaar vergoed zou worden. De quaestie der restitutie van de door de
Engelschen den Nederlanders op last van den koning ontnomen goederen zou
natuurlijk eerst ter sprake kunnen komen, wanneer er over het recht
beslist was. Met dit bescheid keerden de gezanten 9 Augustus 1619 naar
het vaderland terug[802].
[802] Zie over deze ambassade zeer uitvoerig: Muller, Mare Clausum.
p. 136-165.
De Noordsche Compagnie was met ’s konings beslissing maar weinig
ingenomen. Het was te verwachten, dat de Engelschen de in 1618 ondergane
beleediging niet ongewroken zouden laten en reeds in het voorjaar van
1619 had de Noordsche Compagnie den Staten-Generaal dan ook
voorgehouden, dat de handel op Spitsbergen zou moeten worden opgegeven,
zoo de compagnie niet krachtige hulp tegen de Engelschen verkreeg[803].
Dien zomer was de vijandige gezindheid hunner mededingers den
Nederlanders op Spitsbergen maar al te zeer gebleken[804]; directe
vijandelijkheden waren slechts door hunne overmacht voorkomen.[805] Nu
de koning zijne vergunning aan de compagnie afhankelijk gesteld had van
het vergoeden der schade, was het dus twijfelachtig, hoe de
Nederlandsche schepen op Spitsbergen ontvangen zouden worden: aan
restitutie der geroofde Engelsche goederen toch dacht de compagnie niet.
Zij wendde zich daarom tot de Staten-Generaal met het verzoek haar op de
eene of andere wijze de zekerheid te verschaffen, die zij zoozeer
behoefde[806]. De regeering was met de zaak blijkbaar verlegen; zij
durfde niet door te tasten. Den weg in te slaan, dien de Noordsche
Compagnie zelve had aangewezen, namelijk van Jakob I of zijnen Raad eene
»naerder verclaringe” of een »gebot van Vrede” te verzoeken, dit waagden
de Staten niet: het was zaak de quaestie der restitutie niet op te
rakelen. Maar ook de dan eenig mogelijke zekerheid werd niet aan de
compagnie verleend: slechts éen konvooischip stonden de Staten haar
toe[807]. Gelukkig was de vrees der Nederlanders voor aanvallen van
Engeland ongegrond; de Moscovische Compagnie zelve had in de laatste
jaren zulke groote sommen bij de walvischvangst verloren, dat zij er een
oogenblik zelfs aan dacht het verkeer met Spitsbergen op te geven. De
oude reeders ter walvischvangst verklaarden zich ongezind, hun geld
verder aan zulke wisselvallige kansen te wagen; slechts de wakkere Edge
had den moed met eenige andere leden der compagnie eene nieuwe
uitrusting te beproeven[808]. Uit den aard der zaak waren echter hunne
krachten gering, en hoewel men in Engeland de Nederlandsche ambassade
van 1621 herhaaldelijk lastig viel over het betalen der
schadevergoeding[809], hoewel de Engelsche walvischvaarders zelve luide
klaagden over den last hun door de Nederlandsche concurrenten
aangedaan[810], tot dadelijkheden kwam het voorloopig niet.
[803] R. S.-G. 23, 28 Mrt., 15 Mei 1619.
[804] Salmon Jr. schreef 5 Juli 1619 aan Heley (Purchas, Pilgrimes.
III p. 735): „I doubt not but we shall call the Dutch to account of
how many tunnes of Oyle they haue made, as they did call vs the last
Voyage to account: my loue is such vnto them, that I protest I could
wish with all my heart that we might goe and see them, and to spend
my best bloud in the righting of our former wrongs.”
[805] Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 469.
[806] Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 27 Mrt. 1620, in:
Noordsche togten 2. Admiraliteit. 1618-24. R.-A.--Miss. v. de
Gecommitt. Raden v. Zeeland dd. 4 Febr. 1620, in: Lias loop. 1620,
en als bijlage achter de N. Z.--R. S.-G. 15, 18 Febr. 1620.--N. Z. 4
Febr. 1620.
[807] R. S.-G. 15, 18 Febr., 23, 27 Mrt., 9, 10, 11, 13 April
1620.--Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 27 Mrt. 1620, in:
Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R.-A.
[808] Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 469.
[809] Muller, Mare Clausum. p. 178, 80, 82, 83, 84, 85.
[810] Brieven v. Catcher, Salmon, Fanne en Goodlard, bij: Purchas,
Pilgrimes. III p. 735-37.--De Engelschen meenden, dat God, vertoornd
over het storten van bloed in 1618, de zeeën om Spitsbergen door de
walvisschen had doen verlaten. „I doe verily perswade my selfe,”
schrijft Salmon 6 juli 1621, „that God is much displeased for the
blood which was lost in this place, and I feare a perpetuall curse
still to remaine yet.” „Our harbour,” dus verhaalde ook Catcher 29
Juni 1623, „manie say still, is vnpossible to make a Voyage by
reason that the Flemmings shed bloud there, which I pray God to take
that plague from vs.”
Des te meer drong Jakob I er echter op aan, dat de zaak der restitutie
in der minne werd afgehandeld. Was hij slechts met moeite overgehaald
aan de Nederlandsche ambassadeurs van 1621 uitstel te verleenen tot de
maand Juni van dat jaar[811], aan Carleton zond hij weldra den last om
de Staten-Generaal met nadruk te vermanen, aan de gezanten, die op het
einde van 1621 gereed stonden om naar Engeland te vertrekken, volmacht
te geven om deze aanstootelijke zaak voor goed ten einde te brengen. De
gezant volbracht dit bevel met onvermoeiden ijver[812]. De Staten konden
niet weigeren en machtigden hunne ambassadeurs, om de zaak der
restitutie af te doen des noods door middel van arbiters; mocht men hun
van eene regeling voor het vervolg spreken, dan moesten de gezanten
dezelfde voorslagen doen, die in 1619 de Engelschen zoo weinig behaagd
hadden. Zonder uitdrukkelijken nieuwen last der Staten mochten zij
daarvan niet afwijken.
[811] Muller, Mare Clausum. p. 184.
[812] R. S.-G. 10 Apr., 18 Mei, 29 Juli, 24 Nov. 1621.--R. H. verg.
v. 25 Mei-26 Juni (p. 105, 115, 116, 124, 133), 20 Sept. 1621.
Spoedig bemerkten de gezanten (de heeren Van Aerssen, Bas en Tuyll Van
Serooskercke), dat de Groenlandsche zaak den koning na aan het hart lag.
Weinige weken na hunne aankomst werd er reeds van gesproken, en onder de
vele scherpe verwijten, die de oude koning hun bij verschillende
gelegenheden deed, nam deze zaak steeds eene eerste plaats in. Toch
duurde het tot December 1622 eer het tot bepaalde onderhandelingen
hierover kwam; de ambassadeurs hadden gedurig middelen weten te vinden
om de behandeling der quaestie uit te stellen. Ook toen echter werd de
zaak door de Engelschen zeer onhandig aangevat. De rechtsquaestie, die
immers volgens ’s konings uitspraak in het najaar van 1622 weder in
behandeling zou komen, werd geheel ter zijde gelaten en men drong alleen
aan op de teruggave der geroofde goederen. Zoowel de koning als de Raad
hielden vol, dat de ambassadeurs van 1619 de beslissing dier zaak aan Z.
M. hadden overgelaten en dat dus diens uitspraak de Nederlanders
verbonden had om op den bepaalden tijd (drie maanden en drie jaar na
dato), die reeds lang verstreken was, de geëischte som te betalen. De
gezanten ontkenden dit natuurlijk, en den Engelschen was het niet
mogelijk eene akte van submissie te toonen. De strijd over deze
quaestie, waarin Z. M. zelf zich nu en dan mengde, was even heftig als
onvruchtbaar. Het kwam tot ergerlijke tooneelen en de Nederlanders
eindigden met hun afscheid te verzoeken voordat er iets besloten was,
onder belofte hunne volmacht aan Caron te zullen overdragen. De koning
nam daarmede genoegen en de gezanten vertrokken[813].
[813] Zie over deze ambassade zeer uitvoerig: Muller, Mare clausum.
p. 188-203.