[795] Van de kwade gezindheid der Engelschen tegen de Nederlandsche

walvischvaarders in den zomer van 1618 getuigen de brieven, door

sommige kapiteins op Spitsbergen aan andere Engelschen geschreven en

door Purchas (Pilgrimes. III p. 732-38) bewaard. „We haue reasonable

good quarter with the Flemmings,” schreef kapitein Salmon 24 Juni,

kort voor het gevecht aan kapitein Sherwin, „for we are merry aboord

of them, and they of vs; they haue good store of Sacks (jenever),

and are very kinde to vs, proffering vs any thing that we want. I am

very doubtfull of making a voyage this yeere („the Flemmings are too

many for vs to make a voyage,” schreef hij ook) the Company must

take another course the next yeere: if they meane to make any

benefit of this Country, they must send better ships that must beat

these knaues out of this Country; but as farre as I can vnderstand

by them, they mean to make a trade of continuance of it: we will let

them rest this yeere, and let who will take care the next yeere, for

I hope not to trouble them.” Salmon vond bij zijnen vriend Sherwin

volkomen instemming: den 29 Juni schreef deze uit Bell-sound

(Purchas l. c. III p. 733): „As for the Flemmings let them all go

hang themselves, and although you be not strong enough to meddle

with them, yet the worst wordes are too good for them, the time may

come you may be reuenged on them againe. The Captaine wishes they

would come all into Bell-sound and beat vs out, and carry vs for

Holland; here is a great fleet of them in this Country. Here came in

two Flemmings, but wee handled them very honestly but for feare of

after-claps, or had it beene the latter part of the yeere, we would

haue handled them better; now they be gone for Horne-sound, I would

that they had all of them as good a paire of horns growing on their

heads, as is in this Country.” De gemoedelijke Purchas zag dit alles

met leedwezen. „I had thought to haue added,” dus schrijft hij

(Pilgrimes. III p. 734), „a large Discourse of occurrents betwixt

the Dutch and English in Greenland this yeare 1618 and had prepared

it to the Presse. But hauing alreadie giuen some Relation thereof

from Captaine Edge, and seeing the insolencies of some of the Dutch

were intolerable to English spirits, which then suffered, or

hereafter should reade them, I chose rather to passe them by

aduising my Countrimen not to impute to that Nation what some frothy

spirit vomits from amidst his drinke, but to honer the Hollanders

worth, and to acknowledge the glorie of the Confederate Prouinces,

howsoeuer they also have their sinks and stinking sewers (too

officious mouthes such as some in this businesse of Greenland,

beyond all names of impudence against his Maiestie, and his Leege

people, as others elsewhere haue demeaned themselves) whose

lothsomnesse is not to be cast as an aspersion to that industrious

and illustrious Nation. Euerybody hath its excrements, euery great

House its Vault or Iakes, euery Citie some Port exquiline and

dunghils, euery Campe the baggage; the World it selfe a Hell: and so

hath euery Nation the retriments, scumme, dregs, rascalitie,

intempered, distempered spirits, which not fearing God nor

reuerencing Man, spare not to spue out that to the dishonor of both,

which sauing the honor of both can scarsly be related after them. A

difference is to be made of relation (Nationall?) and personall

faults, of which we haue said enough in the East India quarrels,

twixt ours and the Dutch.” Zoo weinig ons dit breedsprakige staaltje

doet verlangen den bekwamen man van den kansel te hooren, zoo

merkwaardig schijnt mij dit kleine preekje voor de Nederlanders als

een bewijs, hoe diep de animositeit tusschen beide volken reeds toen

wortel geschoten had.

[796] Zie over de reis van 1618 en het daarbij voorgevallene:

Mémoire de la Comp. Septentrionale, bij: Muller, Mare Clausum. p.

371.--Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C., in: Noordsche

togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Arrest v. de H. Raad van 31 Maart

1635.--Req. der Zeeuwsche N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 22 Aug. 1624,

in: Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R.-A.--Engelsche

schaderekening met het getuigenis van Leversteyn, in: Lias loopende

1618. R.-A.--Mémoire et Relation veritable, bij: Muller, Mare

clausum. p. 373 vlg.--Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas,

Pilgrimes. III p. 468, 69.--Brieven van Salmon, Sherwin en

Beversham, bij: Purchas l. c. III p. 733.

[797] R. S.-G. 24 Dec. 1620, 4, 5, 13, 14, 20, 22, 26, 27 Jan., 12

Febr., 4, 27 Mrt. 1621.--N. Z. 9 Mrt. 1621.--Corte Deductie ende

Remonstrantie der N. C., in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C.

R.-A.--Zie over de restitutie van het geschut aan de Nederlanders en

het daarbij voorgevallene: Corte Deductie ende Remonstrantie der N.

C., l. c., en: Muller, Mare Clausum. p. 160 Noot 1.

De verontwaardiging aan het Engelsche hof over deze onverwachte

stoutmoedigheid der Nederlanders was niet gering. Carleton kreeg van

zijnen vorst dadelijk last om daarover te klagen, en toen hij den 3

October 1618 in de vergadering der Staten-Generaal verscheen om op het

zenden eener ambassade naar Engeland aan te dringen, liet hij zijne rede

voorafgaan door de voorlezing van de »informations sur les violences,

robberies et assasinats commis hostilement par les Hollandais sur les

navires, biens, et personnes des Anglais aux quartiers du Nort,” een

stuk, dat de blijken droeg, dat het »exploict” der Nederlanders »jn

Engelant ten quaetsten gerapporteert ende met veele onwaerachtige

lasteringen ende logenen geexaggereert” was[798]. De verontwaardiging

van den gezant was door het gedrag van het Haagsche gepeupel niet

verminderd: »nous auons eu ces iours passez”, dus voerde hij den Staten

op hevigen toon te gemoet, »la nouuelle chantée icy à la Haye, a bouche

ouverte et visage asseuré, dans la Court, et par les rues, avec les

particularitez tant des pieces d’artillerie, et des tonneaux d’huyle

prises et divisées en mer, comme des hommes tuez et blessez, et le tout

receu avec grand applaudissement et triumphe, comme d’une victoire

gaignée sur les ennemis. Eo audaciae perventum est.” Carleton stelde het

gebeurde op Spitsbergen zóó voor, alsof de Nederlanders den Engelschen

het visschen aan het eiland hadden willen beletten, en verweet den

Staten-Generaal het ongerijmde van zulk een gedrag na de lange

vertoogen, die zij bij verschillende gelegenheden voor de vrijheid der

zee hadden gehouden. Hij eindigde zijne lange rede, waarin hij ook over

andere grieven der Engelschen klaagde, met het nadrukkelijk verzoek, dat

de Staten-Generaal de ambassade, die reeds zoolang aan koning Jakob

beloofd was, zonder uitstel zouden zenden, voorzien van volkomen last om

ook over deze zaak te onderhandelen.[799]

[798] Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C., in: Noordsche

togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

[799] R. S.-G. 3 October 1618.

Na lange aarzeling kwam het eindelijk daartoe. Den 7 December 1618

kwamen de heeren Van Goch, Van der Dussen en Liens als ambassadeurs der

Staten-Generaal te Londen aan. Hunne Instructie verdedigde het bezoeken

der IJszee door de Nederlanders met een beroep op de vrijheid der zee,

maar tevens door te wijzen op de ontdekking van Spitsbergen door

Nederlanders, en op het feit, dat de Engelschen, zelfs al hadden zij het

eiland in 1553 ontdekt, in ieder geval hunne ontdekking weder kennelijk

verlaten hadden. Het gebeurde van den vorigen zomer werd gerechtvaardigd

door de deductie, dat de Nederlanders niet om de Engelschen te

verdrijven, maar alleen uit zelfverdediging tot geweld waren overgegaan.

Om dergelijke voorvallen voor het vervolg te voorkomen, werd het maken

van een reglement aanbevolen, waartoe de gezanten gemachtigd werden

eenige voorslagen te doen.

Lang duurde het, eer de onderhandelingen over dit punt aanvingen. Eerst

den 16 Maart 1619 kwamen wederzijdsche gedeputeerden bijeen, om over de

zoogenaamde Groenlandsche zaken te beraadslagen. Van beide zijden begon

men met klachten over de schade, door de tegenpartij toegebracht; van

beide zijden werd vergoeding verzocht. Twee memoriën werden gewisseld,

waarbij men voornamelijk de wederzijdsche grieven besprak en de daden

van den vijand in het hatelijkste daglicht stelde. Zooveel bleek echter

reeds dadelijk, dat de Engelschen evenmin als in 1615 geneigd waren,

over de aanspraken van hunnen koning op Spitsbergen te twisten. Zij

beriepen zich op hun recht als eerste walvischvaarders, die zich zee en

visscherij hadden toegeëigend, en eischten daarop de buitensporig hooge

vergoeding van £ 22.636-1/2 voor directe schade en £ 43.800 voor

winstderving. De Nederlanders namen van hunne zijde een niet minder

ongerijmd standpunt in; zij beriepen zich voornamelijk op hunne

ontdekking van Spitsbergen in 1596, waaruit zij hun recht op de

walvischvangst afleidden. De handelwijze hunner landgenooten was volgens

hen uiterst liberaal; niettegenstaande hun recht waren zij volkomen

bereid de Engelschen op Spitsbergen toe te laten en slechts tot

zelfverdediging en als schadevergoeding waren zij tot het aanvallen en

berooven van het Engelsche schip overgegaan; toch waren zij volkomen

bereid de genomen goederen terug te geven, mits de Engelschen, die de

eerste aanvallers waren geweest, met de restitutie begonnen[800].

[800] Eene schaderekening leverden de Nederlanders niet in: de

Zeeuwsche kamers weigerden hunne schade op te geven. (Miss. der

Stn.-Gen. aan de Gecommitt. Raden v. Zeeland dd. 29 Apr. 1619, in:

Lias loopende 1619. R.-A.) Toch was eene Zeeuwsche schaderekening

van het jaar 1617 in het archief der Stn.-Gen. aanwezig. (Zie deze

in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.) Het bestaan daarvan

schijnt echter vergeten te zijn en hoewel de ambassadeurs gedurig om

de begrooting der schade schreven (zie de bovenvermelde missive der

Stn.-Gen.), ontvingen zij die eerst te laat. (Muller, Mare Clausum.

p. 159 Noot 4.)

Het komt mij voor, dat beide partijen in deze onvruchtbare discussie

ongelijk hadden: geen van beide had m. i. op Spitsbergen eenig recht. De

Engelschen schijnen nu reeds zelve ingezien te hebben, dat de beweerde

ontdekking van Spitsbergen door Willoughby niet te bewijzen was; maar

ook al nam men deze ontdekking aan, het stond vast, zooals de

Staten-Generaal zeer juist opmerkten, dat het ontdekte land weder

verlaten en dus alle aanspraak daarop vervallen was. Beter recht

schijnen de Engelschen aan hunne reizen naar Spitsbergen sinds 1610 te

hebben kunnen ontleenen. Zij hadden in dat jaar het woestliggende eiland

als het ware op nieuw ontdekt: de aandacht van de beschaafde wereld had

zich eerst toen daarop gevestigd. Jaarlijks hadden zij het sedert dien

tijd bezocht en zich in alle voor de walvischvangst geschikte baaien

gevestigd; slechts wanneer het barre jaargetijde de noordsche streken

onbewoonbaar maakte, vertrokken zij vandaar. Men kon dus aannemen, dat

zij volgens het ieder toekomende recht als eerst aankomenden van eene

niemand toebehoorende zaak hadden bezit genomen. Maar hun recht had toch

eene zeer zwakke zijde. Bij de groote wisselvalligheid der

walvischvangst was het niet meer dan natuurlijk, dat de Engelschen

vooral in de eerste jaren niet altijd al de zeven groote baaien, die

Spitsbergens westkust aanbiedt, bezochten. Wel hadden zij zich in allen

beurtelings met de visscherij beziggehouden, maar die visscherij was

lang niet overal geregeld gedreven. En de verlatenheid, waarin dus

sommige vischplaatsen jarenlang bleven, was te bedenkelijker in eenen

tijd, toen de bezitters van Spitsbergen nog bijna geheel niet als in

latere jaren door het bouwen van woonhuizen en andere inrichtingen op de

door hen bezette stranden blijk gegeven hadden van hun voornemen om over

korter of langer tijd op de ingenomen plaats terug te komen. De

vestiging der Engelschen in eene baai droeg daardoor het karakter van

een voorbijgaand bezoek, een gebruiken en weder verlaten eener plaats,

dat volstrekt geen recht kon verleenen. Van hunne bedoeling, om de zeven

baaien als eene bezitting der Moscovische Compagnie te beschouwen, was

bovendien nooit iets gebleken. De Engelschen zelven gevoelden deze

leemte in hun rechtstitel zeer goed; zoodra de Nederlanders zich aan

Spitsbergen vertoonden en verklaarden met hen te willen concurreeren,

begonnen zij ijverig met het inbezitnemen van alle reeds bekende en

nieuw ontdekte baaien. Zeer onverstandig echter! Hunne handelwijze toch

kon niet anders dan de aandacht vestigen op hunne vroegere nalatigheid,

terwijl zij, nu hun feitelijk bezit door de Nederlanders gestoord was,

alle recht misten, de ook door dezen bezochte plaatsen aan het verkeer

te onttrekken. Veiligheidshalve beriepen zij zich nu dan ook niet op hun

bezit van Spitsbergen zelf krachtens de vestiging der Moscovische

Compagnie, maar gaven de voorkeur aan het beweren van hersenschimmige

eigendomsrechten op zee en visscherij krachtens de toeëigening der

walvischvaarders,--rechten, die reeds toen door vele leeraars van het

volkenrecht op goede gronden bestreden werden. Hadden zij als heeren van

Spitsbergen de Nederlanders met volle recht uit de baaien en de

territoriale zee kunnen weren, de nu op den voorgrond gestelde bewering

gaf den Nederlanders gelegenheid, om zich zeer terecht op de vrijheid

der zee en hare onvatbaarheid voor toeëigening te beroepen. Ongelukkig

voor dezen belette echter de houding, door hen zelven in de

Oost-Indische zaken tegenover Engeland aangenomen, dat zij van die

gelegenheid gebruik maakten; zij moesten zich nu beperken tot het

aanvoeren van aanspraken op Spitsbergen als ontdekkers van 1596, eene

bewering, waarop volkomen de aanmerking paste door henzelven op het

recht van den zoogenaamden Engelschen ontdekker gemaakt. Het was niet te

loochenen, Nederlanders hadden Spitsbergen ontdekt, maar zij hadden het

dadelijk weder voor jaren verlaten; eerst toen de Engelschen op het

belang van het eiland waren opmerkzaam geworden en er zich hadden

gevestigd, kwamen de Nederlanders zelve weder terug in de langvergeten

gewesten[801].

[801] Reeds Purchas merkte op bij de beschrijving der Nederlandsche

reis van 1596/7: „They are said to haue touched in this Nauigation

on Greene-land. How-euer that be, they continued no trade nor

Discouerie thither, till the English diuers yeeres after had made a

new Discouerie, and found there a profitable Whale-fishing.”

(Purchas, Pilgrimes. III p. 815.)

De twistende partijen zelve zagen echter in, dat de rechtsquaestie hier

eigenlijk bijzaak was. Handelsnaijver was de oorzaak van den twist:

Engelschen noch Nederlanders wilden hunne visscherij opgeven en het

scheen zeker, dat beide natiën te zamen niet vreedzaam op Spitsbergen

konden verkeeren. De Nederlanders grepen daarom het eenige middel aan om

aan de zaak een einde te maken en deden volgens hunne Instructie drie

voorslagen voor een reglement, dat de verhouding der beide twistende

partijen op Spitsbergen zou regelen. 1^{o} Engelschen en Nederlanders

zouden met een gelijk aantal schepen aan het eiland visschen; de baaien

zouden bij loting verdeeld worden. 2^{o} Beide natiën zouden overal bij

Spitsbergen met even veel en even groote schepen visschen. Een reglement

zou de tusschen hen ontstane oneenigheden moeten beslissen. 3^{o} Men

zou Spitsbergen in twee gelijke deelen verdeelen door eene lijn van Cape

Cold op Prince Charles’ foreland naar het oosten getrokken; over het

bezit van elk dier gedeelten zou voor 8, 10 of 12 jaren tusschen beide

volken geloot worden. Zij, die de grenslijn overschreden, zouden

gestraft worden.

Het liet zich voorzien, dat de Engelschen met deze voorslagen, die de

gelijke rechten van beide natiën stilzwijgend aannamen, geen genoegen

zouden nemen. Zoo men er toe overging, de Nederlanders op Spitsbergen

toe te laten, zoo spraken zij, zou dat immer slechts bij oogluiking en

als gunst kunnen geschieden; men meende zelfs, dat het nieuw ontdekte en

voor de walvischvangst zoo gunstig gelegen Jan Mayen-eiland den

Nederlanders gelegenheid genoeg gaf, om hun bedrijf ongestoord te

oefenen. Tot het verleenen van rechten op de visscherij bij Spitsbergen

aan de Nederlanders wilden de Engelschen niet overgaan; zij meenden, dat

dit een gevaarlijk praecedent zou zijn tegenover andere volken, die het

eiland ook bezochten. Toen de Nederlanders er echter bij bleven, dat zij

er niet aan dachten hun recht op te geven en slechts gekomen waren om

middelen te beramen tot vreedzame oefening van hun bedrijf, werden de

conferentiën afgebroken en men besloot, dat beide partijen zich tot den

koning zouden wenden.

Het resultaat der onderhandelingen met Jakob I zelven was twijfelachtig.

Eene overeenkomst over de rechten op Spitsbergen weigerde Z. M. bepaald

nu te sluiten, maar hij vond goed de onderhandelingen over deze zaak tot

het najaar van 1622 uit te stellen en de Nederlanders onderwijl rustig

op Spitsbergen te laten visschen. Na eenige samensprekingen over den zin

van ’s konings uitspraak werd aan dat uitstel echter de voorwaarde

verbonden, dat binnen drie maanden na dato den Engelschen herstel van

alle direct nadeel gegeven en de overige beweerde schade binnen drie

jaar vergoed zou worden. De quaestie der restitutie van de door de

Engelschen den Nederlanders op last van den koning ontnomen goederen zou

natuurlijk eerst ter sprake kunnen komen, wanneer er over het recht

beslist was. Met dit bescheid keerden de gezanten 9 Augustus 1619 naar

het vaderland terug[802].

[802] Zie over deze ambassade zeer uitvoerig: Muller, Mare Clausum.

p. 136-165.

De Noordsche Compagnie was met ’s konings beslissing maar weinig

ingenomen. Het was te verwachten, dat de Engelschen de in 1618 ondergane

beleediging niet ongewroken zouden laten en reeds in het voorjaar van

1619 had de Noordsche Compagnie den Staten-Generaal dan ook

voorgehouden, dat de handel op Spitsbergen zou moeten worden opgegeven,

zoo de compagnie niet krachtige hulp tegen de Engelschen verkreeg[803].

Dien zomer was de vijandige gezindheid hunner mededingers den

Nederlanders op Spitsbergen maar al te zeer gebleken[804]; directe

vijandelijkheden waren slechts door hunne overmacht voorkomen.[805] Nu

de koning zijne vergunning aan de compagnie afhankelijk gesteld had van

het vergoeden der schade, was het dus twijfelachtig, hoe de

Nederlandsche schepen op Spitsbergen ontvangen zouden worden: aan

restitutie der geroofde Engelsche goederen toch dacht de compagnie niet.

Zij wendde zich daarom tot de Staten-Generaal met het verzoek haar op de

eene of andere wijze de zekerheid te verschaffen, die zij zoozeer

behoefde[806]. De regeering was met de zaak blijkbaar verlegen; zij

durfde niet door te tasten. Den weg in te slaan, dien de Noordsche

Compagnie zelve had aangewezen, namelijk van Jakob I of zijnen Raad eene

»naerder verclaringe” of een »gebot van Vrede” te verzoeken, dit waagden

de Staten niet: het was zaak de quaestie der restitutie niet op te

rakelen. Maar ook de dan eenig mogelijke zekerheid werd niet aan de

compagnie verleend: slechts éen konvooischip stonden de Staten haar

toe[807]. Gelukkig was de vrees der Nederlanders voor aanvallen van

Engeland ongegrond; de Moscovische Compagnie zelve had in de laatste

jaren zulke groote sommen bij de walvischvangst verloren, dat zij er een

oogenblik zelfs aan dacht het verkeer met Spitsbergen op te geven. De

oude reeders ter walvischvangst verklaarden zich ongezind, hun geld

verder aan zulke wisselvallige kansen te wagen; slechts de wakkere Edge

had den moed met eenige andere leden der compagnie eene nieuwe

uitrusting te beproeven[808]. Uit den aard der zaak waren echter hunne

krachten gering, en hoewel men in Engeland de Nederlandsche ambassade

van 1621 herhaaldelijk lastig viel over het betalen der

schadevergoeding[809], hoewel de Engelsche walvischvaarders zelve luide

klaagden over den last hun door de Nederlandsche concurrenten

aangedaan[810], tot dadelijkheden kwam het voorloopig niet.

[803] R. S.-G. 23, 28 Mrt., 15 Mei 1619.

[804] Salmon Jr. schreef 5 Juli 1619 aan Heley (Purchas, Pilgrimes.

III p. 735): „I doubt not but we shall call the Dutch to account of

how many tunnes of Oyle they haue made, as they did call vs the last

Voyage to account: my loue is such vnto them, that I protest I could

wish with all my heart that we might goe and see them, and to spend

my best bloud in the righting of our former wrongs.”

[805] Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 469.

[806] Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 27 Mrt. 1620, in:

Noordsche togten 2. Admiraliteit. 1618-24. R.-A.--Miss. v. de

Gecommitt. Raden v. Zeeland dd. 4 Febr. 1620, in: Lias loop. 1620,

en als bijlage achter de N. Z.--R. S.-G. 15, 18 Febr. 1620.--N. Z. 4

Febr. 1620.

[807] R. S.-G. 15, 18 Febr., 23, 27 Mrt., 9, 10, 11, 13 April

1620.--Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 27 Mrt. 1620, in:

Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R.-A.

[808] Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 469.

[809] Muller, Mare Clausum. p. 178, 80, 82, 83, 84, 85.

[810] Brieven v. Catcher, Salmon, Fanne en Goodlard, bij: Purchas,

Pilgrimes. III p. 735-37.--De Engelschen meenden, dat God, vertoornd

over het storten van bloed in 1618, de zeeën om Spitsbergen door de

walvisschen had doen verlaten. „I doe verily perswade my selfe,”

schrijft Salmon 6 juli 1621, „that God is much displeased for the

blood which was lost in this place, and I feare a perpetuall curse

still to remaine yet.” „Our harbour,” dus verhaalde ook Catcher 29

Juni 1623, „manie say still, is vnpossible to make a Voyage by

reason that the Flemmings shed bloud there, which I pray God to take

that plague from vs.”

Des te meer drong Jakob I er echter op aan, dat de zaak der restitutie

in der minne werd afgehandeld. Was hij slechts met moeite overgehaald

aan de Nederlandsche ambassadeurs van 1621 uitstel te verleenen tot de

maand Juni van dat jaar[811], aan Carleton zond hij weldra den last om

de Staten-Generaal met nadruk te vermanen, aan de gezanten, die op het

einde van 1621 gereed stonden om naar Engeland te vertrekken, volmacht

te geven om deze aanstootelijke zaak voor goed ten einde te brengen. De

gezant volbracht dit bevel met onvermoeiden ijver[812]. De Staten konden

niet weigeren en machtigden hunne ambassadeurs, om de zaak der

restitutie af te doen des noods door middel van arbiters; mocht men hun

van eene regeling voor het vervolg spreken, dan moesten de gezanten

dezelfde voorslagen doen, die in 1619 de Engelschen zoo weinig behaagd

hadden. Zonder uitdrukkelijken nieuwen last der Staten mochten zij

daarvan niet afwijken.

[811] Muller, Mare Clausum. p. 184.

[812] R. S.-G. 10 Apr., 18 Mei, 29 Juli, 24 Nov. 1621.--R. H. verg.

v. 25 Mei-26 Juni (p. 105, 115, 116, 124, 133), 20 Sept. 1621.

Spoedig bemerkten de gezanten (de heeren Van Aerssen, Bas en Tuyll Van

Serooskercke), dat de Groenlandsche zaak den koning na aan het hart lag.

Weinige weken na hunne aankomst werd er reeds van gesproken, en onder de

vele scherpe verwijten, die de oude koning hun bij verschillende

gelegenheden deed, nam deze zaak steeds eene eerste plaats in. Toch

duurde het tot December 1622 eer het tot bepaalde onderhandelingen

hierover kwam; de ambassadeurs hadden gedurig middelen weten te vinden

om de behandeling der quaestie uit te stellen. Ook toen echter werd de

zaak door de Engelschen zeer onhandig aangevat. De rechtsquaestie, die

immers volgens ’s konings uitspraak in het najaar van 1622 weder in

behandeling zou komen, werd geheel ter zijde gelaten en men drong alleen

aan op de teruggave der geroofde goederen. Zoowel de koning als de Raad

hielden vol, dat de ambassadeurs van 1619 de beslissing dier zaak aan Z.

M. hadden overgelaten en dat dus diens uitspraak de Nederlanders

verbonden had om op den bepaalden tijd (drie maanden en drie jaar na

dato), die reeds lang verstreken was, de geëischte som te betalen. De

gezanten ontkenden dit natuurlijk, en den Engelschen was het niet

mogelijk eene akte van submissie te toonen. De strijd over deze

quaestie, waarin Z. M. zelf zich nu en dan mengde, was even heftig als

onvruchtbaar. Het kwam tot ergerlijke tooneelen en de Nederlanders

eindigden met hun afscheid te verzoeken voordat er iets besloten was,

onder belofte hunne volmacht aan Caron te zullen overdragen. De koning

nam daarmede genoegen en de gezanten vertrokken[813].

[813] Zie over deze ambassade zeer uitvoerig: Muller, Mare clausum.

p. 188-203.

Geschiedenis der Noordsche Compagnie · 第 26 / 52 段