Het was te verwachten, dat ook nu de argumenten der Nederlanders en de

voorstellingen van Caron weinig indruk op Jakob I zouden maken. Weldra

kwam dan ook in Den Haag het bericht, dat de koning overwoog, zijne

onderdanen door den bijstand van twee oorlogschepen in staat te stellen,

hunne beweerde rechten met kracht te handhaven, en dat ook de

Moscovische Compagnie beraadslaagde over nog krachtiger uitrusting dan

het vorige jaar[772]. In deze onzekerheid meenden de Staten-Generaal de

Noordsche Compagnie nogmaals te moeten bijstaan. Zij schreven aan Caron

om voor het laatst te beproeven eene botsing te voorkomen[773], maar

tevens namen zij krachtiger maatregelen. De Noordsche Compagnie werd

aangeschreven »haer in goede ordre tot de Nauigatie ende Neeringe te

willen tydelyck praepareren ende het selve doende naer behooren, ten

minsten als in den voorleden jare is gedaen, dat in dien gevalle haer

gelycke assistentie ende faveur ghedaen soude worden als in den

voorleden jare was gheschiet, maer anders en by gebreck van haer eygen

devoir niet[774].” Meer dan de tusschenkomst van Caron baatte deze

krachtige houding: terwijl de Noordsche Compagnie elf schepen onder

Adriaen Block[775], begeleid door drie oorlogschepen naar Spitsbergen

zond[776], verschenen de Engelschen tegen de verwachting dit jaar

slechts met twee groote schepen en twee pinassen. Waarschijnlijk had de

slechte vangst der beide laatste jaren eene crisis onder de reeders ter

walvischvangst doen ontstaan, en was daardoor de uitrusting geringer dan

zij vorige jaren geweest was[777]. Hoe dit ook zij, de Nederlanders

»stayed vpon the coast of Greenland perforce” en bezochten ook de door

de Engelschen het vorige jaar gereserveerde baaien. Zij gingen zelfs

over tot het bouwen van eene loge in Bell-sound om hunne gereedschappen

voor het volgende jaar te bewaren[778].

[772] Miss. v. Caron aan den koning dd. 6/16 Mei 1615, in: L. E.

1615.--R. S.-G. 16 Mei 1615.--Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 1

Apr. 1615, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

[773] Muller, Mare Clausum. p. 130 Noot 5.

[774] R. H. verg. v. 4-17 Mrt. 1615. p. 5.

[775] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 95.--Block is bekend door

zijne reis naar Nieuw-Nederland in 1614. (Wassenaer, Hist. verh.

VIII fol. 85, IX fol. 44.--Zie meer bij: De Jonge, Opkomst. I p.

33.)

[776] Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 467.

[777] Edge (Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 469)

verhaalt, dat de leden der Moscovische Compagnie, die zich op de

walvischvangst toelegden, in 1619 „dissolued ~againe~.”

[778] Mémoire de la Comp. Septentrionale, bij: Muller, Mare Clausum.

p. 371.--Instr. v. de Stn.-Gen. voor Schrobop dd. 23 Mei 1616, art.

8, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

In den zomer van 1616 keerden echter de kansen; de Engelschen kwamen met

acht groote schepen en twee pinassen op Spitsbergen, terwijl de

Nederlanders reden hadden om ook eenige Deensche oorlogschepen met

vijandige bedoelingen daar te verwachten. Tegen deze overmacht kon de

Noordsche Compagnie, door de groote uitrusting van het vorige jaar

uitgeput, niet meer dan zes schepen overstellen, waarvan zij om goede

redenen[779] nog eenige naar het pas ontdekte Jan Mayen-eiland moest

zenden. De Staten-Generaal hadden daarentegen het hunne gedaan om de

vereeniging met kracht bij te staan: een konvooi van vijf oorlogschepen

werd ter harer beschikking gesteld, terwijl aan den commandeur daarvan

Jan Jacobsz. Schrobop bevolen werd om geene vreemde natiën in de

walvischvangst te hinderen, maar dan ook eventueele aanvallen krachtig

te keer te gaan[780]. Maar toch voelde de Noordsche Compagnie zich niet

krachtig genoeg: zij schijnt ernstig beraadslaagd te hebben, de

walvischvangst aan Spitsbergen voor goed op te geven en zich met de

voordeelige visscherij aan Jan Mayen-eiland tevreden te stellen. Althans

daarheen was het dat dit jaar de geheele uitrusting der vereeniging

gezonden werd. De Engelschen maakten van deze gelegenheid gebruik: in de

afwezigheid der Nederlanders wreekten zij zich over de concurrentie van

vroegere jaren door het vernielen der nieuwgebouwde loge. Vier schepen

der Noordsche Compagnie, die later in het jaar aan Spitsbergen kwamen,

moesten zich in verschillende baaien verspreid schuil houden. Zij hadden

eene slechte vangst, terwijl de Engelschen ongeveer 100 walvisschen

vingen en zooveel traan kookten, dat zij nog een gedeelte daarvan op het

eiland moesten achterlaten tot het volgende jaar[781].

[779] Zie over die redenen: Hoofdst. IX.

[780] Zie de Instructie in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

[781] Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 466,

67.--Mémoire der N. C., bij: Muller, Mare clausum. p. 371.--Purchas,

Pilgrimage. p. 816.

Het blijkt niet, of de Staten-Generaal met de verplaatsing der

Nederlandsche walvischvangst naar Jan Mayen-eiland genoegen genomen

hebben, maar men zou bijna geneigd zijn dit aan te nemen, wanneer men

ziet, dat juist in 1617 de regeering bezwaar maakte het gewone konvooi

aan de compagnie te verleenen, eene spaarzaamheid, die de vereeniging

misschien zou kunnen noodzaken in haar voornemen te volharden. Het is

waar, er kunnen andere redenen voor deze handelwijze der regeering

bestaan hebben: de Engelschen hadden, niettegenstaande de verdeeling der

Nederlandsche krachten hun het laatste jaar eene uitnemende gelegenheid

tot wraak aanbood, sinds 1613 hunne aanvallen op de walvischvaarders

niet herhaald; de Noordsche Compagnie, die toch in ieder geval een paar

goede reizen gemaakt had, kon in staat geacht worden om zich zelve te

beschermen: maar toch, de weinige onderstand, dien de vereeniging in

deze crisis verkreeg, schijnt er op te wijzen, dat de regeering huiverig

was den strijd met de Engelschen openlijk te aanvaarden. Hoe dit zij, de

Staten-Generaal vermaanden de walvischvaarders in het voorjaar van 1617,

zelven »sterck te reeden ende vuyt te varen opte Neringe ende

Visscherie.”[782] De Noordsche Compagnie sloeg dien wenk niet in den

wind en deed het uiterste om zich te versterken, al moet het haar veel

gekost hebben. Den 19 Maart 1617 trof zij eene overeenkomst met eene

Zeeuwsche compagnie, die zich onlangs ook op de walvischvangst had

beginnen toe te leggen. Men kwam overeen over het aandeel, dat ieder in

de winst zou hebben, men beloofde elkander wederkeerig hulp en

bescherming[783]. Dus versterkt hoopte men den Engelschen het hoofd te

kunnen bieden.

[782] Muller, Mare Clausum. p. 131 Noot 5.

[783] Zie het contract in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

Maar toen het contract eenmaal gesloten was, schijnt de Noordsche

Compagnie berouw gehad te hebben. Jan Mayen-eiland, van de gemeenschap

uitgesloten, omdat de Hollanders als ontdekkers daarop uitsluitende

rechten deden gelden,--bleef een door de afwezigheid der Engelschen

aanlokkelijk verblijf. Al had de walvischvangst daar in 1616 niet aan de

verwachting beantwoord, de verleiding was groot en de hulp, die de

Zeeuwen konden leveren, schijnt niet aan de verwachting der Noordsche

Compagnie beantwoord te hebben. Toen de tijd van uitvaren gekomen was,

schoot dan ook de moed der vereeniging te kort en tegen de bepaling van

het pasgesloten contract in zond zij in 1617 hare geheele uitrusting

naar Jan Mayen-eiland. Toen dus op het laatst van Mei drie Vlissingsche

schepen, »de Arke Noë” kapitein Jan Verelle, »de Peerle” kapitein

Huybrecht Cornelisz., en »de Vos” kapitein Cornelis De Cock, op

Spitsbergen aankwamen, waren zij volkomen onbeschermd. De Moscovische

Compagnie daarentegen, die dit jaar veertien groote schepen en twee

pinassen naar het noorden had gezonden, waarvan slechts éen Spitsbergen

op eene ontdekkingsreis verliet, was gereed tot krachtige maatregelen.

Reeds voordat de Zeeuwen Spitsbergen bereikten, ontmoette De Cock den

Engelschen commandeur Edge, die hem, toen hij vernam dat de Moscovische

Compagnie dit jaar op Spitsbergen de sterkste was, onder beroep op de

commissie van Jakob I het visschen verbood, terwijl hij alle

Nederlanders gelastte zich dadelijk van de kust te verwijderen met de

bedreiging hun anders hunne vangst te zullen ontnemen. Niet ontmoedigd

beproefde De Cock met zijne beide medgezellen daarop de walvischvangst

in Horn-sound, maar toen een daar aanwezig Engelsch kapitein, Harry

Smith geheeten, dadelijk den commandeur van hunne aankomst bericht gaf,

en de Hollanders, die te hulp geroepen waren, bleken niet in Bell-sound

te zijn, voelden de drie Vlissingers zich te zwak om het herhaalde

verbod der Engelschen te weerstaan en besloten aan Beeren-eiland hun

geluk te beproeven. Maar de vangst was daar uiterst onvoordeelig en op

aanstoken van den bekenden kapitein Marmaduke, die sinds 1611 jaarlijks

met zijne Hullers ter walvischvangst op Spitsbergen kwam en de

Moscovische Compagnie trotseerde[784], keerden zij naar Spitsbergen

terug. Het geluk diende hun ook toen niet. In Horn-sound vonden zij

behalve Smith nu nog een ander schip der Engelsche compagnie. De

kapitein James Beversham liet hun wel toe te visschen, maar zond in het

geheim naar Edge in Bell-sound om bijstand tot het verdrijven der

indringers. Gelukkig kregen de Zeeuwen hiervan nog tijdig kennis en zij

besloten nu Cornelisz. en De Cock dadelijk met een paar onderweg

gevangen walvisschen naar huis te zenden, maar Verelle kon niet zoo

spoedig gereed komen en moest dus nog eenigen tijd in Horn-sound

achterblijven. Terwijl hij nog bezig was zijne gereedschappen van de

kust te halen, kwam William Heley, de Engelsche onderbevelhebber, daar

aan om hem te verjagen. Heley, een jong man die aan groote bekwaamheid

een vurigen inborst paarde[785], viel Verelle dadelijk aan, nam hem niet

alleen de weinige door hem gevangen walvisschen af, maar beroofde hem

ook van al zijne gereedschappen voor de walvischvangst. Uit vrees voor

represailles werd den Zeeuwen ook hun geschut en kruit ontnomen. Wel was

de directe schade der Zeeuwen niet groot, maar daar zij dit jaar

nagenoeg niets mede naar huis brachten, waren de kosten der uitrusting

geheel verloren[786]. De Nederlandsche verhalen zijn dan ook eenstemmig

in klachten over de behandeling van Heley, dien zij »een Jonck ende

outrequidant persoon sich zeer violentelyck comporterende” noemen. De

Moscovische Compagnie maakte daarentegen dit jaar weder zulk eene goede

reis, dat zij een gedeelte van hare vangst van 150 walvisschen voor het

volgende jaar op Spitsbergen moest achterlaten[787].

[784] Hoewel aan de Hullers in 1618 verboden werd Spitsbergen te

bezoeken en hun als schadeloosstelling de visscherij bij Jan

Mayen-eiland werd opengesteld (Macpherson, Annals. II p. 292),

vinden wij nog in 1631 twee Hullsche walvischvaarders afgescheiden

van de schepen der Moscovische Compagnie op Spitsbergen. (Pellham,

Gods power, in: White, Spitzbergen and Greenland. p. 281, 82.) Van

hunne aanwezigheid op Jan Mayen-eiland blijkt daarentegen nooit

iets.

[785] Heley vervaardigde verscheidene gedichten op de walvischvangst

der Engelschen. (Purchas, Pilgrimes. II p. 738.)

[786] Zie de schaderekeningen der Zeeuwsche reeders, in: Noordsche

togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--De Engelschen achtten de geroofde

goederen zeer gering. (Edge, Dutch disturbance, en: Brief van Heley

aan Deicrowe, in: Purchas, Pilgrimes. III p. 468, 732.)

[787] Zie de Nederlandsche voorstelling dezer zaak uitvoerig in de

getuigenissen van De Cock c. s., D’Hallegorey c. s., Gasteloser c.

s. en Verelle c. s., en in: Corte Deductie ende Remonstrantie der N.

C. in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Vgl. ook: Mémoire der

N. C., bij: Muller, Mare Clausum. p. 371.--R. S.-G. 9 Nov.

1617.--Miss. v. Gecommitt. Raden v. Zeel. aan Caron dd. 21 Dec.

1617, als bijlage achter de N. Z.--De Engelsche verhalen van Edge

(Dutch disturbance) en Heley (brief aan Deicrowe) staan afgedrukt

bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 467, 68, 732. (Edge geeft het

verhaal tweemaal; slechts bij aandachtige lezing ontdekt men, dat de

uitvoerigste beschrijving volgt onder 1618.)

Dadelijk bij hunne thuiskomst klaagden de Zeeuwen aan de

Staten-Generaal. Tegelijk zonden zij een persoon met aanbevelingsbrieven

der Staten aan Caron naar Engeland om daar hunne belangen voor te staan.

De zending beloofde aanvankelijk veel goeds. Wel werden de geroofde

goederen der Zeeuwen onder de oogen van hunnen gevolmachtigde in het

openbaar verkocht[788], maar het ontnomene geschut werd dadelijk

teruggegeven en de Zeeuwsche zendeling maakte van zijne tegenwoordigheid

te Londen gebruik om te trachten op andere wijze het doel der

Nederlanders, de onverhinderde visscherij op Spitsbergen, te bereiken.

Sir John Cunningham[789] en eenige Schotten hadden juist in dien tijd

van koning Jakob een patent verzocht om nevens de Moscovische Compagnie

op de IJszee te mogen varen; Engelschen, waarschijnlijk inwoners van

Hull, voegden zich bij hen, en ook de te Londen aanwezige Zeeuwen, die

van hunne compagnieschap met de Hollanders niet veel voordeel gehad

hadden, werden nu in de vereeniging opgenomen[790]. De koninklijke

toestemming werd verleend en de nieuwe compagnie beijverde zich de

bekwaamste stuurlieden van hare mededingster te onderhuren en provisiën

op groote schaal in te slaan. Reeds maakte zij zich gereed in de ruime

winsten, die de Moscovische Compagnie in de laatste jaren gemaakt had,

te deelen, toen een maatregel van hare mededingster al deze plannen

verijdelde. De Moscovische Compagnie, van den nood eene deugd makende,

kwam met hare Oost-Indische zuster overeen, dat beiden voortaan

gezamenlijk de kosten der uitrustingen voor de walvischvangst zouden

dragen. Door buitengewone krachtsinspanning hoopte men de concurrentie,

die nu ook van nabij dreigde, te overvleugelen. De nieuwe compagnie zag

dadelijk in, dat zij tegen zulk eene kolossale vereeniging van kapitalen

niet zou kunnen opwerken en ging uiteen. Verheugd dat de zaak zich zoo

schikte, was de Moscovische Compagnie gaarne bereid voor grof geld de

door hare mededingers opgedane voorraad over te nemen, al was die voor

haar ook nutteloos[791]. Zoo eindigde dit incident, dat echter

medewerkte om de fondsen der Moscovische Compagnie uit te putten en aan

de Engelsche uitrustingen ter walvischvangst op den duur een gevoeligen

slag toebracht. Voorloopig was daarvan echter nog geen quaestie: de

Moscovische Compagnie, sterk door haar bondgenootschap met de

Oost-Indische, reedde dertien schepen en twee pinassen naar Spitsbergen

uit onder bevel van den ervaren Thomas Edge.

[788] Mémoire de la Compagnie Septentrionale, bij: Muller, Mare

clausum. p. 371.--Corte Deductie ende Remonstrantie vande Noortse

Compagnie, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Miss. v.

Zeeland dd. 21 Dec. 1617, achter de N. Z. 1621.

[789] Sir John Cunningham had lang in Deensche dienst op de IJszee

gevaren. Hij was in 1605 en 1606 kapitein geweest op het

admiraalschip van de expeditiën van Lindenau naar Groenland, waarop

de bekende James Hall stuurman was. (Barrow, Voyages into the arctic

regions. p. 169, 73.) In 1615 kwam hij als kapitein van een der drie

Deensche oorlogschepen op Spitsbergen. (Brief v. Fotherby aan Edge

dd. 15 juli 1615, by: Purchas, Pilgrimes. III p. 731.--Vgl. hierna

Hfdst. VII.)

[790] In Londen was destijds ook gevestigd Willem Courten, compagnon

van zijnen broeder Pieter, die een der voornaamste Zeeuwsche

handelaars op de IJszee was. (Mémoire et Relation veritable der

Mosc. Comp., bij: Muller, Mare Clausum. p. 374, 75.--N. Z. 11 Mrt.

1619.) Waarschijnlijk werd ook hij in de nieuwe compagnie opgenomen.

[791] Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 468.

De Nederlanders waren echter niet gezind zich straffeloos te laten

mishandelen. Vertoornd over de behandeling van het vorige jaar, waarvoor

zij geene vergoeding hadden kunnen krijgen,--teleurgesteld door het

uiteengaan der Schotsche compagnie, sloten de verschillende kamers der

Noordsche Compagnie den 2 Maart 1618 weder eene overeenkomst om elkander

tegen de Engelschen te verdedigen. De Staten-Generaal stonden de

compagnie twee oorlogschepen als konvooi toe, en eene ongewoon groote

walvischvloot vertrok dit jaar naar Spitsbergen. Daar aangekomen

verdeelden de drie en twintig walvischvaarders zich volgens afspraak in

vier afdeelingen: de Rotterdammers bezetten Horn-sound onder konvooi van

een oorlogschip; die van het Noorderkwartier namen in Bell-sound hun

verblijf, terwijl het voor hen bestemde tweede oorlogschip achterbleef,

daar het door de Amsterdammers weder naar Jan Mayen-eiland gezonden was;

de Zeeuwen en die van Delfshaven verzamelden zich onder bevel van

Abraham Dircksz. Leversteyn in Sir Thomas Smiths-bay[792]; aan de

Amsterdammers eindelijk viel de Mauritius-baai ten deel[793]. Ook de

Engelschen waren over het geheele eiland verspreid; de meeste schepen

waren echter te zwak voor een gevecht. De commandeur Edge bevond zich

met eenige schepen in Bell-sound en de onderbevelhebber Heley met een

paar andere in Sir Thomas Smiths-bay.

[792] Volgens de getuigenis van den commandeur Leversteyn (op de

Engelsche schaderekening in: Lias loopende 1618. R.-A.) gebeurde het

hieronder verhaalde in Fairhaven. Zoowel uit Engelsche als

Nederlandsche bronnen blijkt echter, dat Leversteyn ongelijk had,

toen hij stoutweg verklaarde: „Is gelogen, want hebben daer geen van

allen geweest.” Nog de groote kaart van Van Keulen noemt eene kleine

baai in den Foreland-fjord, waarschijnlijk naar het in 1618

voorgevallene, „Zeelands baay.”

[793] R. S.-G. 4 Nov. 1622.

De Amsterdammers, die weder voor zich het best gezorgd hadden, vischten

dit jaar ongestoord; maar slecht verging het de onbeschermde schepen van

het Noorderkwartier. In Bell-sound aangekomen, beval hun Edge dadelijk

de baai te verlaten; hij was niet van plan hen te berooven of te

hinderen, maar hij toonde door daden, dat hij zijn bevel gehoorzaamd

wenschte te zien. De in het nauw gebrachte schepen zochten hulp bij de

Rotterdammers in Horn-sound, maar het oorlogschip was daar tot

handhaving der rust hoognoodig, en die van het Noorderkwartier moesten

dus naar hunne broeders in Sir Thomas Smiths-bay wijken. Na hun vertrek

wreekten zich de Engelschen door het vernielen der pas weder opgebouwde

Nederlandsche loge in Bell-sound.

De aankomst der beide door de Engelschen verjaagde schepen van Hoorn en

Enkhuizen in Sir Thomas Smiths-bay was het sein tot eene losbarsting van

woede. Den geheelen zomer was daar de verhouding zeer gespannen geweest.

De Engelschen, die hier slechts met éen schip »the Pleasure” en een

pinas »the Prudence” waren, hadden de vier schepen van Delfshaven, Veere

en Vlissingen dadelijk na hunne aankomst in deze door hen vroeger nooit

bezochte baai het visschen verboden, en sinds dezen geweigerd hadden aan

dit bevel te voldoen werd hunne tegenwoordigheid door de Engelschen, die

zich te zwak gevoelden om hen te verjagen, slechts noode geduld.

Aanvankelijk hadden de Nederlanders, weldra door twee schepen van

Middelburg versterkt[794], gepoogd met de Engelschen eene overeenkomst

over de visscherij te sluiten, en toen dit aanbod gemelijk verworpen

was, bleven zij zich even voorkomend als vroeger gedragen. Hunne

vijanden zelven erkennen, dat hun gedrag niets te wenschen overliet,

maar het stemde dezen niet beter: zij bleven steeds het plan koesteren

om hunne mededingers zoo spoedig mogelijk te verdrijven en beleedigden

ze bij elke voorkomende gelegenheid[795]. Zulk eene behandeling moest

de Nederlanders op den duur verdrieten; De Cock en Cornelisz., die hier

beiden tegenwoordig waren, herinnerden zich met steeds klimmende woede

de behandeling, den hunnen het vorige jaar door denzelfden Heley

aangedaan, die thans het bevel voerde. Reeds had een twist over een der

door de Engelschen het vorige jaar geroofde traanketels tot

onaangenaamheden aanleiding gegeven; van weerszijden had men grieven,

die licht tot een breuk aanleiding geven konden. Daar brachten de uit

Bell-sound verjaagde schepen de tijding van het gebeurde. Spoedig daarop

liet Heley den Nederlanders weten, dat commandeur Edge hem bevolen had,

de Zeeuwen uit de baai te verdrijven; weigerden zij, dan wilde hij zelf

komen en hen erger behandelen dan hunne landgenooten in Bell-sound. In

allerijl werd nu door de Nederlanders beraadslaagd, wat hun te doen

stond. Zij hadden zich voor hun vertrek van eene commissie van Zijne

Excellentie voorzien, die hen machtigde elken aanval met geweld te

keeren; de vraag was, of hier aan zelfverdediging kon gedacht worden.

Overwegende echter, dat die van het Noorderkwartier door de Engelschen

verjaagd en dus niet in de gelegenheid geweest waren hunne reis te

doen,--dat de ondervinding hen alle pogingen om schadevergoeding van de

Engelschen te krijgen als nutteloos had leeren beschouwen,--en vooral,

dat het zaak was de vereeniging van Edge en Heley te voorkomen, ten

einde den aangekondigden aanval te ontgaan, besloten de Nederlanders, al

werden zij niet direct aangevallen, van hunne commissie gebruik te

maken. Stemde ook het Enkhuizer schip niet met dit besluit in, de twee

schepen van Vlissingen, die van Veere, van Hoorn en van Delfshaven

tastten door en sommeerden Robert Salmon, den kapitein van Heley’s schip

»the Pleasure” tot de overgave. Deze weigerde op hoogen toon en poogde

te ontsnappen. De Nederlanders lieten hem tijd om zich te bedenken, en

namen eindelijk den 19 Juli 1618 het schip met geweld. Ook de pinas werd

van alles beroofd. Het geschut en de in het schip gevonden traan en

walvischbaarden werden naar Nederland gevoerd, om te dienen als

gedeeltelijke schadevergoeding voor het den Nederlanders in 1613 en 1617

ontnomene. De goederen werden volgens het voorschrift, hun door Maurits

bij zijne commissie gegeven, ter beschikking der admiraliteit gesteld,

die ze tusschen de vier kamers, voor wie de aanvallende schepen

uitgezeild waren, verdeelden[796]. Voor het geschut werd in het begin

van 1621 op aansporing van Carleton aan de bevelhebbers der beide

beroofde schepen, Robert Salmon en een Schot, de som van ƒ 3600

uitgekeerd. De Noordsche Compagnie zwichtte hierin voor den billijken

aandrang der Staten-Generaal: ook het in 1617 door de Engelschen genomen

geschut was haar, hoewel op zeer onaangename wijze, door de Moscovische

Compagnie teruggegeven[797].

[794] Deze schepen, aan den Middelburgschen koopman Courten,

bewindhebber der N. C. behoorende, vertrokken echter waarschijnlijk

spoedig weder. Althans Courten overtuigde later Carleton, dat zíjne

schepen onschuldig waren aan het berooven der Engelschen (Carleton,

Lettres. II p. 355); uit andere, zoo Engelsche als Nederlandsche

verhalen blijkt ook, dat ze daarbij niet tegenwoordig waren.

Waarschijnlijk vertrokken de schepen van Spitsbergen naar Groenlands

oostkust, waar ze dit jaar eene kust ontdekten, die zij

Nieuw-Zeeland noemden. (R. S.-G. 8 Jan. 1619.--Vgl. hiervóor p.

179.)

Geschiedenis der Noordsche Compagnie · 第 25 / 52 段