schepen, door de Zaandamsche reederij uitgerust, was wel is waar het
eene beladen met het spek van 200 in Bell-sound[737] gedoode walrussen,
die men uit vrees voor de Engelschen niet tot traan had durven kooken,
reeds 25 Juni naar huis gezonden; maar het andere was in Bell-sound
gebleven en deelde daar in de algemeene plundering van 21 Juli. Het
moest verder van zijne geheele vangst beroofd de Engelschen dienen.
Eerst in het begin van Augustus zond commandeur Joseph het met een klein
geschenk van spek naar huis.
[737] Waarschijnlijk heet daarnaar de later als Van Keulen-baai
bekende inham op de kaart in: Begin ende Voortgangh van de O.-I. C.
p. 13: „Sardammer-riuier.”--In het werkje „Detectio freti” (ed. 1613
F 3) verhaalt de schrijver, dat het schip eenige „Hippopotami” zou
gevangen hebben. De vergissing is zeker nog al zonderling, maar niet
onverklaarbaar: op sommige oude Nederlandsche platen heeft de walrus
werkelijk eenige overeenkomst met het nijlpaard.
Nog slechter was het Enkhuizer schip behandeld. Het had zich met een
Fransch schip vereenigd om gezamenlijk in Horn-sound te visschen; drie
Spaansche schepen oefenden daar ook de walvischvangst, terwijl het
Duinkerksche schip zich nadat het uit Greenharbour verdreven was bij hen
gevoegd had. Den 23 Juni ondergingen ook deze schepen het algemeene lot.
Op bevel van den naderenden Engelschen commandeur kwamen alle kapiteins
bij hem aan boord en onderwierpen zich. Alleen Bonner, de kapitein van
het Enkhuizer schip, zelf een Engelschman en met eene bemanning,
waaronder zich twintig Engelschen bevonden, waagde het niet voor Joseph
te verschijnen en beproefde zich te verdedigen. Eenige kanonschoten
dwongen hem echter weldra zich over te geven, en zooals hij verwacht had
werd hij zwaarder gestraft dan zijne metgezellen. Bonner en de
Engelschen werden gevangen genomen, de verdere bemanning van het schip
over de Engelsche schepen verdeeld, terwijl het Nederlandsche schip zelf
met Engelschen onder kapitein Marmaduke bemand, voor de overwinnaars in
Fairhaven visschen en ontdekkingsreizen ten zuiden van Spitsbergen doen
moest. Commandeur Joseph nam het volgeladen mede naar Engeland, loste
het daar en terwijl de lading in handen der Moscovische Compagnie bleef,
kon het schip ledig naar huis keeren[738].
[738] Zie de berichten van Bonners reisgenoot Symon Van der Does,
den zoon van den Amsterdamschen schout Willem Van der Does, in:
Detectio freti, ed. 1613 F 3.
Ook de Nederlanders, die in vreemde dienst naar Spitsbergen gekomen
waren, kwamen er niet beter af. Het Hoornsche schip, dat voor eene
reederij te La Rochelle voer, moest reeds 19 Juni naar de Noordkaap
vertrekken; kapitein Claes Martensz. van Hoorn, bevelhebber op de bij
het Duinkerksche schip behoorende pinas, mocht het als eene groote gunst
beschouwen, dat hij op het groote schip van Duinkerken vertrekken mocht
en niet als zijne Engelsche tochtgenooten gevangen gehouden werd[739].
[739] Vgl. over deze reis: Baffin, Iournall of the Voyage to
Greenland in 1618, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 716.--Hist. du
pays de Spitsb. p. 11, 20.--Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas l.
c. p. 466.--Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C., in:
Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Mémoire der N. C., bij:
Muller, Mare Clausum. p. 369.
De Engelschen waren over den uitslag hunner reis zeer voldaan. Wel had
de jacht op de vreemdelingen hun eigen voordeel doen vergeten en was de
reis voor ditmaal slecht geweest[740], maar toch prees men Joseph, »who
without bloudshed disappointed those Strangers, ready to reape that
which others had sowne, and either had not at all discouered, or wholly
giuen over the businesse[741].” Anders dachten de Nederlanders over de
zaak. De stemming der natie was zeer oorlogzuchtig[742]: de reeders
zelven, hoewel voorzichtiger, toonden zich niet minder verontwaardigd.
Reeds voordat Van Muyden met zijn schip thuis was gekomen, klaagden de
Amsterdammers op de berichten, door Boots met het schip de Fortuyne
aangebracht, aan de Staten-Generaal. Zij beweerden, dat Spitsbergen een
onbeheerd en vrij land was, waarop de Nederlanders als ontdekkers in
ieder geval meer aanspraak hadden dan de Engelschen; zij verdedigden de
zeer juiste stelling, dat de zee en de vaart daarover voor ieder vrij
moesten geacht worden en brachten die in praktijk door van alle
»preferentie” uit kracht van hunne ontdekking af te zien. Zij
verklaarden, dat zij zich niet als verschillende andere natiën hadden
willen vernederen tot het betalen eener belasting uit vrees voor het
misnoegen der regeering[743] en zij verzochten de Staten-Generaal op al
deze gronden te zorgen: 1^{o}. dat zij onverwijld vergoeding kregen van
de Engelschen, 2^{o}. dat hun voortaan de vaart op Spitsbergen
onverhinderd bleef openstaan, en 3^{o}. dat op de schepen van den
commandeur Joseph na zijne aankomst in Engeland beslag gelegd werd[744].
[740] Vlg. Edge (Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p.
467) bedroeg de schade der reeders wel £ 3 à 4000.
[741] Purchas, Pilgrimage. p. 815.--Vgl. Detectio freti, ed. 1613 F
3.
[742] Hessel Gerritsz. durfde in het najaar van 1613 openlijk
schrijven: „Fortasse sequenti anno nostrates Mercatores periculum
facient armis, an penes nostrates sit ibi ius piscandi, qui primum
deteximus, an penes Anglos, qui primum piscati sunt: quod faxit
Deus, in patriae nostrae commodum!” (Detectio freti. ed. 1613, F 3.)
De reeders waren echter met dergelijke openbare uittartingen minder
ingenomen: „satis acriter eum reprehenderunt,” en Gerritsz. was
genoodzaakt hetgeen hij gezegd had openlijk als „temere et
inconsiderate” te brandmerken. Hij verklaarde toen, dat de reeders
met eerbied voor Jakob I niet anders verwachtten dan hunne
handhaving door Z. M. tegen zijne eigene onderdanen; gebeurde dit
niet, dan verklaarden zij toch nooit tot geweld hunne toevlucht te
zullen nemen, hoewel hun recht duidelijk was, zooals uit de
daarbijgevoegde „refutatio” van Plancius bleek. (Detectio freti.
G.--Deze 4 bladzijden zijn in sommige exemplaren later bijgevoegd.)
[743] De Staten-Generaal besloten reeds dadelijk, dat de
Nederlanders geen licent mochten betalen. Tweenhuysen c. s. hadden
verklaard „te meenen, dat oock dese natie by voorgaende versochte
licentie ofte by avonture eenighe gedane recognitie by den Koningh
van Engelant ofte voorszeide Compagnie soude worden geadmitteert,
maer dat sy Supplianten niet en wisten ofte haere Groot-Mo: Ed:
aengenaem soude sijn te geschieden.” (Wassenaer, Hist. verh. VIII
fol. 89.) De Staten-Generaal bevalen dan ook Caron, bij het
overhandigen van het request aan Jakob I „vuyt te laten de
presentatie die de Supplianten doen by denseluen Requeste van eenige
submissie ende erkentenisse aen zyne Ma^{t}. te doen voor het
toelaten vande voirszeide visscherye, ~ouermits de zeer~ (?)
~preiudiciabel consequentie voirden Staet van tlant daerjnne
gelegen~.” (R. S.-G. 26 Aug. 1613.)
[744] Zie dit request afgedrukt bij: Wassenaer, Hist. verh. VIII
fol. 88.
De Staten-Generaal besloten dadelijk aan het verzoek der Amsterdammers
te voldoen. Aan den Engelschen ambassadeur Winwood en aan Caron, den
gezant der Staten te Londen, beiden werd opgedragen, om Jakob I »te
verthoonen het ongelyck, dat niet alleene de voirszeide Supplianten,
maer oyck by consequentie dese landen daerby is geschiet”, en om te
bewerken, dat den klagers »volgende het Jus gentium” hun goed werd
teruggegeven[745]. Maar te vergeefs! Winwood gaf wel goede hoop, dat
niet alleen restitutie gegeven, maar ook maatregelen genomen zouden
worden om de herhaling van zulke ergerlijke tooneelen te voorkomen; doch
niettegenstaande den aandrang van Caron kwam het daartoe niet[746]. De
Moscovische Compagnie had nadrukkelijk geprotesteerd tegen het
openstellen van Spitsbergen voor Nederlanders. Zij voelde zich door hare
beweerde ontdekking van 1553 tot zulk eene houding gerechtigd, en al
verklaarden de Staten-Generaal dan ook herhaaldelijk, dat het hunne
meening niet was de Engelschen door het op den voorgrond stellen der
reis van Heemskerck en Rijp van de walvischvangst uit te sluiten, het
laat zich begrijpen, dat de compagnie op haar meer bekrompen standpunt
niet met zulk een aanbod tevreden was[747].
[745] R. S.-G. 26, 31 Aug. 1613.
[746] R. S.-G. 25, 26 Oct., 2 Nov. 1613.
[747] Muller. Mare Clausum. p. 123 Noot 4, 5.
De Staten-Generaal besloten dan ook met de illiberale inzichten der
Moscovische Compagnie te rekenen; zij wenschten aan te toonen, dat ook
volgens deze beschouwing het recht der Engelschen allen redelijken
grondslag miste. De Amsterdamsche reeders werden uitgenoodigd al hunne
bewijsstukken naar Den Haag te zenden, ten einde de redeneeringen der
Moscovische Compagnie op meer afdoende wijze te beantwoorden dan een
diplomaat als Caron dat doen kon[748]. Nauwelijks werd dit verlangen der
Staten bekend, of het regende stukken, die allen ten doel hadden de
ongegrondheid der Engelsche pretensiën te bewijzen. Ook de geleerde
Plancius, zeker de daartoe meest bevoegde persoon, zond eene
wederlegging van de geographische ketterijen der Engelschen naar Den
Haag[749]. Hij bewees daarin kort maar overtuigend: 1^{o}. dat het door
de Engelschen dusgenoemde Willoughby-land op de door de kaarten
aangewezene plaats niet bestond en dus elders gezocht moest
worden[750],--dat, ook al kon men de juiste ligging van dit land
aanduiden, het volkomen zeker was, dat het volstrekt niet hetzelfde was
als het later ontdekte Spitsbergen,--dat, ook al ware dit zoo, het door
Willoughby geziene land niet door hem was in bezit genomen,--en
eindelijk dat Sir Hugh ook op zijne verdere reis na de ontdekking van
Willoughby-land Spitsbergen niet bereikt had. Met een enkel woord werd
daarop vermeld, dat de beweerde identiteit van Groenland en Spitsbergen
reeds voldoende wederlegd was[751] en daarop uit al het voorgaande de
conclusie getrokken, dat Heemskerck en de zijnen de ware ontdekkers van
het eiland waren. 2^{o}. trachtte Plancius te bewijzen, dat de
Engelschen ook als domini maris geen recht hadden om de vaart naar
Spitsbergen te verbieden. Dit dominium maris toch, dat zich volgens de
Engelschen ook over de IJszee uitstrekte, gaf geen recht op Spitsbergen
zelf, hetgeen reeds daaruit bleek, dat dichter bij de Britsche eilanden
gelegene landen, als Groenland, IJsland enz. aan Denemarken
behoorden[752]. Maar ook al kwam Spitsbergen zelf aan Engeland toe, de
regel van het volkenrecht luidde, »dat ofschoon eenigh vast lant ofte
Eylandt yemanden toebehoorde dat nochtans de Zee-vaert ende visscheryen
na het algemeyne Recht van allen volcken eenen yegelijcken even na is
ende vry open staet[753].”
[748] R. S.-G. 2 Nov. 1613.--Grotii Epistolae. p. 20. Ep. 59.
[749] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 94.
[750] De ware ligging van Willoughby-land kende Plancius echter
niet. Hij meende, dat het identiek was met „de Willebordts eylanden”
(eene verbastering van Willoughby-eilanden?), waarmede hij schijnt
te hebben willen aanduiden het op oude Nederlandsche kaarten
voorkomende „Matsyn id est plurimae insulae,” een „Doppelgänger” van
Mathys-land, zooals Willoughby-land was van de Ganzenkust op
Novaya-Zemlya.
[751] Het is mij niet gebleken, dat de Engelschen deze bewering in
éen officiëel stuk ter bekrachtiging van hun recht gebruikt hebben.
Wel noemden zij Spitsbergen Greenland, maar dat zij zeer goed
wisten, dat het niet hetzelfde was als het van ouds bekende
Groenland, blijkt uit het feit, dat zij dit met den naam Groneland
of iets dergelijks aanduidden. (De bewering van den schrijver der
„Histoire de Spitsberghe” (p. 26), dat de Engelschen het recht om
bij Spitsbergen te visschen van Denemarken zouden gekocht hebben,
schijnt mij geheel onjuist.)--Terwijl men dus reeds lang vóor 1613
aannam, dat Spitsbergen geen gedeelte van Groenlands oostkust was
(de Nederlandsche ontdekkers zijn misschien door hunne onbekendheid
met middelen om de lengte op zee te bepalen in deze dwaling
vervallen) schijnt men echter eerst verscheidene jaren later
volledige zekerheid hierover erlangd te hebben. Die zekerheid was
natuurlijk eerst te verkrijgen door het bewijs, dat Spitsbergen een
eiland was. De omzeiling door Rijp was vergeten en Fotherby zegt dan
ook in 1615, dat Spitsbergen „is ~most like~ to be an Iland.”
(Purchas, Pilgrimes. III p. 730.) Purchas verhaalde in 1625, dat
„Greenland is now ~almost~ altogether discouered to bee an Iland, or
rather many Ilands and broken grounds.” (Purchas, Pilgrimes. p.
816.) Evenwel „~gheloofde~” Joris Carolus nog in 1634 „niet, dat het
landt van Out-Groenlandt aen Spitsberghen vast en is, vermits de
stroomen langhs Spitsbergen al uyt den Noorden comen” (Carolus,
Nieuw vermeerde Licht des Zeevaerts. p. 147), en Vander Brugge
schreef in datzelfde jaar (Journael der Seven Matroosen. p. 4): „Of
Spitsbergen een Eylandt, of vast aan-een-palent landt sy, is tot
noch toe onbekent.” Christiaan IV van Denemarken sprak echter reeds
in 1631 van „die Grönländische ~Insull~ Spitzbergen.” (Miss. v. Chr.
IV aan de Stn.-Gen. dd. 28 Dec. 1631, in: L. D. 1632).
[752] Dat dit argument onjuist is, blijkt uit: Muller, Mare Clausum.
p. 121 Noot 6.--De rechtsgrond, door de Engelschen voor hun dominium
maris in de IJszee aangevoerd, was hunne occupatie als eerste
reizigers in de IJszee. Ook deze bewering trachtten de Nederlanders
echter te weerleggen. Zie de daartoe strekkende betoogen bij:
Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 89 vlg.
[753] Zie dit stuk van Plancius in: Hist. de Spitsb. p. 27, en bij:
Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 93.
De Staten-Generaal toonden zich met het werk van Plancius ingenomen en
zonden het aan Jakob I om hem van het goed recht der Nederlanders te
overtuigen. Maar de eigenzinnige vorst was de man niet, om zich spoedig
van eene eens opgevatte meening te laten terugbrengen: hij gaf gaarne
gehoor aan de »andere informatien” der Moscovische Compagnie, en »al
wast dat het teghendeel duydelyck genoegh aenghewesen was,” hij kon of
wilde het niet aannemen. »Of nu sulcke groote verstanden tot
consideratien van so kleyne dingen niet konnen descenderen, of dat sy
yets ons onbekent daer mede voor hebben, is swaerlijck te oordeelen,”
merkt Wassenaer ironisch op[754]. Zeker is het echter, dat de compagnie
voor de walvischvangst op maatregelen zon om den koning op nadrukkelijke
wijze te beduiden, dat de Nederlandsche natie niet geneigd was van de
pas begonnen vaart op Spitsbergen af te zien. Hoofdzakelijk steunende op
het feit, dat de Engelschen hen niet goedschiks op Spitsbergen wilden
toelaten, verzochten zij van de Staten-Generaal octrooi om met
uitsluiting van alle andere Nederlanders op Spitsbergen te mogen varen.
Eerst door vereeniging van alle krachten hoopte men in staat te zijn, de
aanvallen der Engelschen te weerstaan en tevens de groote kosten der
uitrusting vergoed te krijgen. Wij hebben gezien, dat de Staten-Generaal
het octrooi verleenden[755]. Zij betoonden aan de nieuwgevormde
compagnie nog verder hunne gunst door haar op haar verzoek tegen
betaling eener belasting met eenige oorlogschepen bij te staan. Ook de
vereeniging zelve rustte hare schepen tot den strijd toe en het liet
zich aanzien, dat het jaar 1614 niet zonder bloedige botsingen in het
noorden zou voorbijgaan[756].
[754] Wassenaer, Hist. verhael. VIII fol. 94.
[755] Zie hiervóor p. 74-77.
[756] R. S.-G. 4 April 1614.--Wassenaer, Hist. verh. VIII fol.
94.--Resol. Adm. Amst. 18, 19, 24 Apr., 2, 5 Mei 1614.
Toch bleef het dit jaar op Spitsbergen rustig. Weldra bleek het, dat de
Nederlanders den verstandigsten maatregel genomen hadden, die in de
gegeven omstandigheden te nemen was. Nooit werd de spreuk »si vis pacem
para bellum” schitterender bevestigd. Hoewel Jakob I den Staten-Generaal
na de oprichting der Noordsche Compagnie zijn ernstig ongenoegen over de
volharding der Nederlanders had te kennen gegeven[757], kwam het niet
tot een gevecht. De Engelschen hadden na ongewone krachtsinspanning
behalve een schip, dat onder kapitein Fotherby ter ontdekking
uitzeilde[758] dertien schepen en twee pinassen naar Spitsbergen
gezonden, maar de Nederlanders waren toch sterker: zij kwamen met
veertien groote schepen vergezeld van drie wel-toegeruste
oorlogschepen, die de Staten-Generaal hun hadden medegegeven. Al waren
dus de Engelschen niet minder dan het vorige jaar geneigd tot
gewelddadige handelingen[759], »het een mes hielt het ander in de
schede” en het bleef vrede. »The Dutch stayed and fished for the Whale
perforce, they were farre stronger then the English,” verhaalt Edge
wrevelig. De commandeur Joseph, ook nu weder de aanvoerder van de
schepen der Moscovische Compagnie, was zelfs zoo ontmoedigd, dat hij den
19 juni/2 juli met den Nederlandschen commissaris-generaal Antonie
Monier eene overeenkomst sloot voor een jaar, waarbij hij hem alle hulp
in zijne visscherij aanbood, mits hij aan de Engelschen de reeds toen
door hen bezeten baaien Bell-sound, Ice-sound, Fair foreland (of Sir
Thomas Smiths-bay) en Fairhaven alleen overliet[760]. Op dien voet
verkeerden partijen in vrede naast elkander, maar de groote menigte der
schepen was oorzaak, dat de vangst aan beide zijden slecht was.[761]
[757] R. S.-G. 19 Mei 1614.
[758] Zie zijn journaal bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 720.
[759] Tegenwind alleen weerhield o. a. Fotherby, twee vreemde
schepen uit Maudlen-sound te verjagen. (Fotherbye, Voyage of
Discouerie to Greenland, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 724.)
[760] De Engelsche verhalen maken van dit contract natuurlijk geene
melding. Zie echter de „Memoire” der N. C. bij: Muller, Mare
Clausum. p. 371.--De overeenkomst is afgedrukt bij: Wassenaer, Hist.
verh. fol. 94.--Ook met den zoo gehaten Marmaduke van Hull was de
Moscovische Compagnie dit jaar „in termes of consortment;” „but
nothing was concluded”, voegt Fotherby (Voyage of Discouerie, bij:
Purchas, Pilgrimes. III p. 727), zinspelende op de overeenkomst met
de Nederlanders, dadelijk daarbij.
[761] Zie over deze reis: Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas,
Pilgrimes. III p. 466.
Was het misschien in de overtuiging, dat zulk eene overspanning van
krachten als in 1614 had plaats gehad, op den duur voor beide natiën
onvoordeelig ja onhoudbaar moest zijn, zeker is het, dat de Noordsche
Compagnie zelve de eerste was, die niettegenstaande de meer voorkomende
houding, door de Engelschen dit jaar aangenomen, op pogingen tot een
vergelijk met hen aandrong. Het was op haar verzoek, dat de
Staten-Generaal 20 November 1614 Caron aanschreven om moeite te doen,
dat de Engelsche ambassade, die eerstdaags in Den Haag verwacht werd tot
regeling der Oost-Indische geschillen, last medekreeg om ook de quaestie
der vaart en visscherij in de IJszee te schikken[762]. Koning Jakob
toonde zich daartoe niet ongeneigd. Hij voorzag zijne gezanten Wotton,
Edmonds, Middleton en Abbot van commissie om over de zaak te
onderhandelen. Maar deze commissie beloofde weinig goeds: reeds
de uitdrukking, dat men zou spreken over de »piscationes in mari
Boreali prope Groenlandiae littora ~nobis solum et nostris jure
acquisitas~, ab Incolis et Inhabitatoribus Vnitarum Provinciarum tamen
interruptas,”[763] bewees, dat de vorst zijn vermeend recht bleef
handhaven. Werkelijk bleek het dan ook weldra, dat de Engelschen aan
geen toegeven dachten. De ambassadeurs hadden zich bereid verklaard de
zaak te bespreken na afloop der Oost-Indische onderhandelingen[764] en
zoodra nu Hugo De Groot door de Staten-Generaal op aandringen der
Noordsche Compagnie[765] tot hen gezonden werd om hun gevoelen te
vernemen (8 April 1615), leverden zij eene nota over, waarin zij met
nadruk verklaarden, dat Jakob I van zijn recht op Spitsbergen en de
aangrenzende wateren volstrekt niet dacht af te zien[766]. De
Staten-Generaal benoemden nu dadelijk eene commissie, om met
gebruikmaking van de bescheiden, die onder de Noordsche Compagnie
berustten, de Engelschen te weerleggen[767]. Het antwoord, dat De Groot
en zijne mede-commissarissen opstelden, werd reeds 16 April aan de
gezanten overgegeven. Het ving aan met de opmerking, dat »dese Landen,
zynde van seer cleyne extensie, iegens de macht van haere openbaere,
ofte bedeckte vyanden nyet en souden connen bestaen nochte dienstich zyn
aen haere vrunden, ten waere de zee suppleerde t’ gunt aen t’ landt is
ontbreeckende, sulcx dat de hoochdringende noot de Ingesetenen van dese
landen heeft bewogen, om verscheyden nauigatien te soecken, ende haer
seluen alsoo ten deele door trafficque, ten deele oock door de
Visscherie te onderhouden.” Uitvoerig werd daarna gewezen op de oudheid
der Nederlandsche visscherijen, en werden de bekende tochten der
Nederlanders naar de IJszee verhaald. Nogmaals werd aangedrongen op
herstel van de schade der Amsterdamsche reeders; nadrukkelijk verdedigde
men het verleenen van octrooi aan de Noordsche Compagnie door een beroep
op de natuurlijke vrijheid der zee. Onder protest, dat de Staten hunnen
onderdanen bepaald verboden hadden, aan de Engelschen of eenige andere
natie direct of indirect de visscherij op Spitsbergen te beletten, werd
eindelijk aangedrongen op het maken van »eenige goede ordre ende
reglement, waerdoor de visscherie vande walvisschen, walrussen, ende
andere zeemonsters ontrent de voorseide custen, met affweeringe van alle
confusien ende misverstanden, ten meesten proffijte van de ondersaten
van zyne Ma^{t}. ende vande ingesetenen van dese landen mocht werden
gebeneficieert, ende het different vande voorgaende schaden tot redelyck
contentement affgedaen.” Een bepaalden voorslag daartoe deden de
commissarissen in strijd met de opdracht der Staten-Generaal nog
niet[768].
[762] R. S.-G. 20 Nov. 1614.
[763] Zie de commissie in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[764] R. H. verg. v. 4-17 Mrt. 1615. p. 5.
[765] Zie haar request aan de Stn.-Gen. dd. 1 April 1615, in:
Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[766] Muller, Mare Clausum. p. 129.
[767] cf. R. S.-G. 8, 10, 15 Apr. 1615.
[768] R. S.-G. 16 Apr. 1615.--Zie de memorie afgedrukt bij: Muller,
Mare Clausum. p. 363.
Overtuigend als deze geschiedkundige uiteenzetting zijn mocht, de
Engelsche pretensie werd er niet door weerlegd. Bij de overhandiging van
het stuk aan de ambassadeurs werd echter deze leemte voldoende
aangevuld. Een vrij hevig dispuut, waarin De Groot een zeer hoogen toon
voerde, schijnt toen tusschen de wederzijdsche gevolmachtigden ontstaan
te zijn; het verdedigende standpunt, dat in de memorie zeer verstandig
was ingenomen om den lichtgeraakten vorst van Groot-Britannië niet te
kwetsen, werd in de hitte van het debat verlaten en men liet zich
onvoorzichtig tot eenen aanval op de zoogenaamde Engelsche kroonrechten
verleiden. De Nederlanders weerlegden nu de beweerde ontdekking van
Spitsbergen door Willoughby breedvoerig en staafden de door hen in hunne
memorie aangevoerde feiten over de ontdekking door Heemskerck nog nader.
Maar vooral werd er in deze bijeenkomst op gewezen, dat het geschil over
het bezit van het eiland eigenlijk nutteloos was: de zee toch, meenden
de Nederlanders, was en bleef gemeen goed van allen, de walvisschen
behoorden aan niemand en konden dus door ieder vrijelijk worden
gevangen. Toen bleek het duidelijk, dat het de Engelschen met eene
schikking geen ernst was: volmondig erkenden zij, dat zij de stukken ter
weerlegging dezer redeneering niet bij zich hadden. Ook was dit volgens
hen in het geheel niet noodig: elke schikking tusschen beide natiën
toch, dus beweerden zij op hoogen toon, moest vóor alles beginnen met
eene erkenning van Jakob I als heer van Spitsbergen; wilden de
Nederlanders den vorst beleedigen door het in twijfel trekken van zijn
recht, dan was ook alle onderhandeling nutteloos[769]. Men scheidde dus
met de nietszeggende belofte, dat de ambassadeurs rapport van het
gehoorde aan hunnen koning zouden doen, die later aan Caron zijn besluit
zou mededeelen[770]. Weinige dagen later vertrokken de gezanten weder
naar Engeland[771].
[769] Grotii Epistolae. p. 19, 20. Ep. 59.
[770] R. S.-G. 4 Mei 1615.
[771] R. S.-G. 6 Mei 1615.