naam „Lounges Forland” is misschien eene verbastering van „Youngs
Foreland,” evenals „Rudsons point” volgens Asher van „Hudsons
point;” beide namen worden door Asher (Hudson the Navigator, p.
CXCII) tot de ontdekking van 1608 teruggebracht.--Vgl. ook:
Wassenaer, Hist. verh. X fol. 106. („D’Engelschen noemden het
Trinite.”)
[714] Poole, Relation of a Voyage to Greenland in 1612, bij:
Purchas, Pilgrimes. III p. 714.--Zie eenige bizonderheden over deze
reis by: Fotherby, A Voyage of Discouerie to Greenland, in: Purchas
l. c. III p. 724-26.
Jean Vrolicq, een Baskisch walvischvaarder, beweerde in 1629, dat hij
den 3 Juni 1612 op 71-1/2° NB. ontdekt had een eiland, Pico genaamd. Hij
zou dit »l’Isle de Richelieu” genoemd hebben en verzocht nu op grond
zijner ontdekking octrooi daarvoor van den kardinaal de Richelieu. Deze
ontdekking van Jan Mayen-eiland, waarover ik in het achtste hoofdstuk
uitvoeriger hoop te spreken, is blijkbaar later verzonnen. Jean Vrolicq
had langen tijd in dienst der Noordsche Compagnie gevaren en was daarna
waarschijnlijk kort voor 1629 op Jan Mayen-eiland geweest, dat hij op
zijne reizen met de Nederlandsche walvischvaarders zal hebben leeren
kennen[715].
[715] Request der N. C. aan de Stn.-Gen. van 1633 of 34 en het
daarbij gevoegde octrooi van Richelieu, in: Noordsche togten. 4.
Loop. N. C. R.-A.
Den 18 Juni 1614 ontdekte een schip van eene Duinkerksche reederij, als
wier vertegenwoordiger een Engelsch koopman John Clarke optrad, Jan
Mayen-eiland op nieuw[716]. Een proces, door hem met de Noordsche
Compagnie daarover gevoerd, eindigde met de erkenning van zijn recht. Ik
zal hierover later (hoofdstuk VIII) uitvoeriger spreken.
[716] Zie o. a. R. S.-G. 8 Jan. 1619.--Het is niet onmogelijk, dat
deze ontdekking identiek is met de tweede hierboven vermelde: John
Clarke kan zeer goed uit Hull afkomstig geweest zijn. Dit wordt te
waarschijnlijker daar de Engelsche gezant in Den Haag in 1621, dus
na het afstaan van Jan Mayen-eiland aan die van Hull door Jakob I,
voor Clarke bij de Staten-Generaal in de bres sprong. (R. S.-G. 4
Jan. 1621.)
»~’t Eylant is in ’t jaer 1614 door de Hollanders, onder welcke was
Schipper Jan Jacobsz. May, wiens naem het in ’t gemeen heeft,
ontdeckt.~” Dus verhaalt ons Blaeu in zijn groote atlas als bijschrift
van de kaart van Jan Mayen-eiland. Reeds Tiele[717] vestigde de aandacht
op deze mededeeling. Ik ben in staat te zeggen, dat zij volkomen juist
is[718] en hoop dit in het negende hoofdstuk nader te bewijzen. Eenige
bizonderheden omtrent de hier vermelde reis van Jan Jacobsz. May deelde
ik mede op p. 167-169.
[717] Tiele, Mém. s. l. journ. des navigat. Neerl. p. 70 Noot 2.
[718] Request der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 29 Aug. 1615, in:
Noordsche togten. 3. Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.
In hetzelfde jaar bereikte een ander schip der Noordsche Compagnie, »het
cleyne Swaentgen” van Delfshaven, kapitein Jan Jansz. Kerckhoff, het
eiland eveneens. Ditmaal werd het onderzocht en het volgende jaar deed
Kerckhoff een tweede reis daarheen voor de zoogenaamde kleine Noordsche
Compagnie. In 1615 beweerde deze dan ook op 71-1/2° NB. gevonden te
hebben een onbekend eiland, dat zij als voor de walvischvangst geschikt
in bezit genomen en Mauritius genoemd had[719]. Dat dit Jan Mayen-eiland
was, zal uit het negende hoofdstuk blijken. De beweerde ontdekking was
niets anders dan eene reis, door kapitein Kerckhoff ter walvischvangst
naar het hem sinds het vorige jaar reeds bekende Jan Mayen-eiland
gedaan.
[719] Req. der kleine Noordsche Comp. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Sept.
1621, in: Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R.-A.
In hetzelfde jaar 1615 ondernam Robert Fotherby met het schip Richard op
kosten der Moscovische Compagnie eene reis naar het noorden. Omstreeks
20 Juli stuitte hij ten westen van Spitsbergen op 73°50´ NB. op eenen
ijsdam. »We stood out againe”, dus verhaalt hij verder, »and coasted the
Ice still to the Westwards Southerly, but could see no Land, as I
expected to haue done, vntill wee came vnder the latitude of 71 degrees
thirtie minutes, and then we espyed a snowie Hill very high in the
cloudes, for this day was very cleere at Sea, but the fogge was not yet
cleered from the Land, so that we could see no part of it, but only the
top of a snowie Mountayne, which appeared very high although wee were
fourteene or fifteene leagues distant from it, bearing off vs South-east
and by South.--Then I stood in for the shoare, supposing it had beene
part of the Mayne of Groynland: for the fogge lay on each side of this
Mount, as if there had beene a great Continent vnder it, but it proued
otherwise, for as we came neerer to it, the fogge dispersed more and
more, and when wee were fiue leagues distant, the Land appeared in forme
like an Iland.--When I came neerer the shore, I could find no Harbor to
anchor in. Notwithstanding, the weather being faire and calme, I hoist
out my Boat and went ashore with three men more, and set vp the Kings
Armes: then we searched a sandie Beach, which was abundantly stored with
drift wood, but yeelded no other fruits, that we could find worth the
taking vp, so I returned aboord againe, and sent ashoare my Boat to
fetch some wood. But before the men had laid into her the little
quantitie that she was able to carrie, they came aboard againe, for the
wind began to blow hard, and the Sea to goe loftie, so that here was no
place for vs to abide any longer, otherwise I was purposed to haue
searched further alongst the shoare, but this gale of winds comming
Northerly I stood from hence to the Westwards, being desirous to see
more Land or finde a more open Sea.” Zuidwestelijk zeilde Fotherby toen
langs het ijs, maar werd door tegenwind genoodzaakt naar Spitsbergen
terug te keeren. Hij was van plan onderweg langs de zuidoostelijke zijde
van het nieuw ontdekte land te zeilen, om te zoeken naar goede havens
en naar eene gelegenheid om eenig voordeel te maken. »I stood away,” dus
verhaalt hij verder, »East and by South, and being neere the foresaid
Iland, the winde came to the West and blew a very hard gale, where with
I passed alongst the South-east side of the Iland vnder a paire of
courses, but without that satisfaction which I expected: for the winde
blowing so stormie, and the Sea growne very great, I was forced to stand
further from the shoare then willingly I would haue done, and besides
there was a thicke fogge vpon the Land, whereby I could not be satisfied
what Harbours or Roads were about it, yet might we see three or foure
Capes, or Head-lands, as if there went in Bayes betwixt them. I sayled
about it, and then stood to the Northward againe, and being now assured
that it was an Iland, I named it Sir Thomas Smiths Iland.--This Iland is
about ten leagues in length, and stretcheth North-east and South-west;
it is high Land, and at the North end of it there is a Mountayne of a
wonderfull height and bignesse, all couered with Snow, which I called
Mount Hackluyt; the base or foot of it on the East side is almost foure
leagues long, it hath three such sides the base lying out to the Sea,
and from the fourth side doth the rest of the Iland extend it selfe
towards the South-west which is also, as it were, a place fortified with
Castles and Bulwarkes, for on each side there bee three or foure high
Rockes which stand out from the Land, appearing like Towres and Forts,
It lyes in the parallel of 71 degrees, where the Needle varieth from the
true Meridian Westwards eight degrees.[720] The land is generally so
farre as I haue seene, Rockie and very barren, and worse than the Land
that I haue seene in King James his New Land[721], vnder eightie
degrees, for there is no grasse but mosse, and where I first landed vpon
low ground, all the stones were like vnto a Smiths sinders both in
colour and forme[722], the sand is generally mixed with a corne like
Amber; the Beaches are abundantly stored with drift wood and many
stones, light like Pumis, which will swimme on the water. I saw many
traces of Foxes and the footing of Beares, but not any signe of Deere or
other liuing creatures, and very small store of Fowle.”[723] Dat het
ontdekte eiland geen ander dan Jan Mayen-eiland was, is na de
beschrijving, die Fotherby van de ligging en het voorkomen van het land
en vooral van den Beerenberg (Mount Hackluyt) geeft, niet in het minst
twijfelachtig. Het kwam mij belangrijk voor, deze uitvoerige
beschrijving van een nog geheel onbekend bezoek aan dit zelden betreden
eiland in zijn geheel op te nemen.
[720] Zie over deze wijze van lengtebepaling zeer uitvoerig: De
Jonge, Opkomst. I p. 86-88.
[721] Engelsche naam van Spitsbergen.
[722] Deze en de volgende verschijnselen laten zich zeer goed
verklaren door de ontdekking, dat de grond van Jan Mayen-eiland
vulkanisch is. (Zie: Scoresby, Account of the arctic regions. I p.
161, 66.--Vgl. ook: Wassenaer, Hist. verh. X fol. 106, XII fol. 8.)
[723] Fotherby, A voyage anno 1615 for Discouerie, bij: Purchas,
Pilgrimes. III p. 729, 30.
Het eiland, zoo dikwijls ontdekt en zoo dikwijls door de ontdekkers aan
anderen betwist, heeft door al die lotwisselingen verschillende namen
gekregen. Behalve onder de bovenvermelde namen Hudsons Touches,
Trinity-island, Lounges Foreland, Pico, Isle de Richelieu, Jan
Mayen-eiland, Mauritius en Thomas Smiths island is het in de
geschiedenis bekend als »Mr. Ioris Eylant”[724]--naar Mr. Joris Carolus,
stuurman op een der schepen, die in 1614 het eiland ontdekten,--als »het
Eylant in questie”[725]--naar de geschillen daarover tusschen de
Noordsche Compagnie en hare mededingers, de Nederlandsche ontdekkers van
1615, ontstaan;--en eindelijk als »den Hoogen berg.”[726] In Nederland
heette het eiland in de eerste jaren na de ontdekking meestal »het
Eylant in questie”, somtijds ook Mauritius, een enkele maal in
tegenoverstelling van Spitsbergen ook Groenland[727]; in latere tijden
werd de naam Jan Mayen-eiland meer algemeen, een naam waaronder het
eiland later ook door geheel Europa bekend gebleven is.
[724] Carolus, Nieuw vermeerde Licht des Zeevaerts. p. 148.
(Pascaerte van de Custen van Oudt-Groenlandt enz.)
[725] R. S.-G. 24 Aug. 1618, ook o. a. 3 Oct. 1616.
[726] Bijschrift bij de kaart van Jan Mayen-eiland in Blaeu’s
grooten atlas. Blaeu schijnt blijkens het bijgevoegde „&c” nog meer
namen van het eiland dan de door hem opgenoemde gekend te hebben.
[727] Vander Brugge, Journael van Seven Matroosen. p. 3.--Sent. v.
de H. R. in zake Lampsius c. Clarcque dd. 31 Juli 1620.--N. Z. 15
Oct. 1616.
Dit is hetgene ik over de geschiedenis der ontdekking van Jan
Mayen-eiland heb kunnen opsporen; wij zullen later zien, dat het eiland
de twistappel bleef, waarover Nederlanders en vreemdelingen voortdurend
oneenig waren. Nog meer dan die van Spitsbergen is de geschiedenis van
Jan Mayen-eiland eene aaneenschakeling van strijd. Spitsbergen werd
alleen door Engelschen en Denen aan de Nederlanders betwist; over Jan
Mayen-eiland procedeerden niet alleen Franschen en Zuid-Nederlanders met
de inwoners der Zeven Provinciën, ook dezen onderling streden hardnekkig
om het bezit.
HOOFDSTUK VI.
ENGELSCHE MEDEDINGERS.
Wij hebben in het tweede hoofdstuk uitvoerig verhaald, hoe men er toe
kwam de IJszee in het begin der zeventiende eeuw op nieuw tot ver in het
noorden te bevaren,--hoe de walrusjacht aan Beeren-eiland gedurende
eenige jaren voor de Moscovische Compagnie een bron van groote
voordeelen was,--hoe daarna de groote uitbreiding, die aan deze jacht
gegeven werd, leidde tot de uitroeiing dezer dieren op Beeren-eiland en
het zoeken van nieuwe plaatsen tot de vangst geschikt,--hoe de
Engelschen daarop Spitsbergen onderzochten en daar de walvischvangst
vestigden, en hoe eindelijk de groote voordeelen der Engelschen de
Nederlanders aanlokten om hun spoor te volgen. Ons blijft nu over, meer
in bizonderheden uiteen te zetten, hoe de Engelschen zich tegenover
hunne mededingers gedroegen.
Toen Poole en Russell den 3 Mei 1612 bij hunne aankomst op Beeren-eiland
het Nederlandsche schip ontmoet hadden, waarop de Engelschman Allan
Sallowes stuurman was[728], werd er dadelijk ernstig beraadslaagd om dit
verraad, door een vroegeren dienaar der Moscovische Compagnie aan zijn
land gepleegd, te straffen door hem gevangen naar Engeland over te
brengen. Gelukkiger dan zijn landsman Nicholas Woodcocke, die een
Biscaaisch schip naar Spitsbergen had geleid, ontkwam Sallowes dit lot.
De redenen van deze toegevendheid der Engelschen zijn ons onbekend. Toen
Sallowes echter daardoor moed vattende het waagde zijne landslieden op
hunnen tocht van Beeren-eiland naar Spitsbergen te volgen en
niettegenstaande alle wendingen van Poole daarin volhardde, verdroot dit
den Engelschen en zij verboden het nadrukkelijk. De Nederlanders hielden
af en vonden hunnen weg te zamen met een Engelschen »interloper” zelven
naar Spitsbergen. Tweemaal ontmoetten zij daar de schepen der
Moscovische Compagnie en weder was de handelwijze der Engelschen
weifelend. Terwijl Poole de Nederlanders rustig liet visschen en zelfs
Sallowes aan zijn boord ontving, verbood Edge, de commies van het andere
schip, hem bepaaldelijk Spitsbergen te bezoeken[729]. Waarschijnlijk
hadden de Engelsche bevelhebbers geene machtiging aanvallenderwijze te
werk te gaan: ook het vorige jaar had de Moscovische Compagnie met
verlof van den Geheimen Raad haren schippers bevolen, aan alle
~Engelsche~ »interlopers” het visschen te verbieden, de vreemdelingen
echter slechts te keer te gaan wanneer zij aanvallers werden[730].
[728] Zie hiervóor p. 72.
[729] Zie over deze reis: Poole, Relation of a Voyage to Greenland
in 1612, en: Edge, Dutch, Spanish, Danish disturbance, bij: Purchas,
Pilgrimes. III p. 713, 466.
[730] Comm. der Mosc. Comp. voor Edge 1611, bij: Purchas, Pilgrimes.
III p. 710.
Toen nu echter in 1613 van alle zijden berichten van nieuwe groote
uitrustingen door Nederlanders, Franschen, Spanjaarden en inwoners der
Spaansch-Nederlandsche provinciën in Engeland aankwamen, voelde de
Moscovische Compagnie haren handel bij eene mededinging op zoo groote
schaal niet meer veilig. Zij reedde ditmaal zeven schepen tot de
walvischvangst uit en hiermede niet tevreden verzocht zij van Jakob I
een bewijs van haar uitsluitend recht om op Spitsbergen te varen. Om te
meer klem aan dit verzoek bij te zetten verkondigde de compagnie nu voor
het eerst de onjuiste, in ieder geval onbewijsbare theorie, dat zij als
ontdekster van Spitsbergen recht had op den uitsluitenden eigendom
daarvan. De ontdekking van het eiland door Heemskerck en Rijp werd wel
niet bepaald ontkend, maar men beweerde, dat, lang voordat dezen er aan
gedacht hadden den steven noordwaarts te wenden, de Engelschman
Willoughby Spitsbergen gezien en aan de beschaafde wereld bekend gemaakt
had[731]. Volgens de toen in Engeland heerschende begrippen was niet
alleen met den eigendom van het land het recht verbonden om de
nabijgelegen zeeën voor ieder te sluiten, maar gaf ook het bevaren der
zee aanspraak op den eigendom van den ruimen oceaan zelven. Koning
Jakob, de ijverige verdediger van deze rechten, aarzelde dan ook geen
oogenblik en verleende aan de compagnie een patent onder het groote
zegel van Engeland, waarbij zij gemachtigd werd alle schepen, vreemde of
Engelsche, die niet voor de Moscovische Compagnie voeren, van
Spitsbergen te verdrijven, en om tevens voor den koning in bezit te
houden en zelf te bevaren alle landen, ontdekt of onontdekt, die zich in
de IJszee omtrent Spitsbergen bevonden[732]. De compagnie haastte zich
van dit patent gebruik te maken; zij gaf aan Spitsbergen den nieuwen
naam van King James’ Newland en hield zich in de eerstvolgende jaren
gedurig bezig met het plaatsen van palen voorzien van ’s konings wapen
op de kusten van Spitsbergen en andere eilanden, die zij langzamerhand
ontdekte[733].
[731] De onwaarschijnlijkheid dezer theorie blijkt reeds uit het
feit, dat de Engelschen zelven het niet eens schijnen geweest te
zijn, wanneer Willoughby Spitsbergen ontdekt zou hebben: Purchas
zelf, de „insolent defender of this erroneous idea,” is niet zeker.
(cf. de beide hieronder aangehaalde kantteekeningen.) Terwijl men
vrij algemeen aannam, dat het dusgenaamde Willoughby-land
Spitsbergen zou zijn, iets wat bepaald onjuist is, teekent Purchas
aan, dat het door den reiziger eerst 23 Augustus 1553 ontdekte land
(hoogstwaarschijnlijk een gedeelte der Russische kust) het bewuste
eiland is. (Vgl. Rundall, Voyages towards the North-west. Introd. p.
VII, VIII.) Het is dan ook nagenoeg zeker, dat de theorie eerst
omstreeks 1613 als wapen tegen de Nederlanders is uitgevonden. (Ten
minste in 1608 wist Hudson evenmin als de Moscovische Compagnie er
nog iets van. Zie: Asher, Hudson the Navigator. p. 40.--Vgl. echter:
Van Meteren, Comment. ofte memor. fol. CXXV, waar de schrijver
verhaalt (in 1608), dat Willoughby „verseylde ~in Groenlant~, daer
hy vervroos.”) Asher (l. c. p. CLIX) wil zelfs bepaaldelijk het jaar
1612 aannemen en houdt zekeren Samuel Daniel voor den uitvinder der
theorie. Zijne gronden zijn echter m. i. niet overtuigend; in ieder
geval was niet de dichter Samuel Daniel, maar een cartograaph John
Daniel de bedoelde persoon. (Hist. du pays de Spitsberghe. p. 12.)
Dat Plancius in zijne „Repliques” ook niet op een Engelsch boek,
maar in het algemeen op de beweringen van sommige Engelschen
antwoordde, blijkt m. i. overtuigend uit de inleidende woorden van
Hessel Gerritsz. voor dat stuk: „Les propositions de leur Iustice ou
preeminence,” zegt hij (Hist. de Spitsb. p. 26), „sont celles cy.
Qu’ils sont les premiers qui l’ont trouvée avec le Chevallier
Willoughby, l’An 1553 et que c’est Groenland, lequel vouloit estre
soubs la puissance de Noruegues, parquoy ils font annuellement
recognoissance d’une bonne somme de livres a la Majesté de
Denemarcque. A l’encontre desquelles le tresdocte Cosmographe D. P.
Plancius a faict les repliques suivantes.” Het springt dunkt mij in
het oog dat de beide geheel ~tegenstrijdige~ beweringen, dat
Spitsbergen Groenland is, en dat het door Willoughby ontdekt zou
zijn, niet in éen boek vereenigd kunnen geweest zijn. Beide
meeningen waren wel in Engeland gangbaar; de Groenlandsche hypothese
schijnt echter in Nederland ontstaan te zijn.
[732] Edge, Dutch, Spanish, Danish disturbance, bij: Purchas,
Pilgrimes. III p. 466.--Detectio freti. ed. 1613 F. 3.--Vlg. de
Histoire de Spitsberghe (p. 22) strekte het patent zich uit over
„tous Pays et terres desja trouvées, et celles qui se pourroyent
encore trouver, comprinses dans un rin de vent de Nordoest, et une
de Nordest, sortans d’un Compas mis en leur Carte au milieu d’entre
Dronten et Islande.”
[733] De Moscovische Compagnie zond bijna jaarlijks een of meer
schepen ter ontdekking uit. De resultaten waren aanmerkelijk. Zoo
ontdekte men in 1613 Hope-island en eenige omringende eilanden
(Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. p 466; de
ontdekking wordt door velen ten onrechte aan de Nederlanders
toegeschreven); in 1614 werd de noordkust van Spitsbergen verkend
tot Sir Thomas Smiths-inlet (de Wijde Baai) (Fotherbye, Voyage of
Discouerie, bij: Purchas l. c. III p. 720-28); in 1615 ontdekking
van Sir Thomas Smiths-island (Jan Mayen-eiland) (Fotherby, Voyage
anno 1615 for Discouerie, bij: Purchas l. c. p. 729), 1616 van
Edges-island en 1617 van Witches-island, het onlangs weergevonden
König Karlsland. (Purchas l. c. III p. 732.--Vgl. hiermede de kaart
van Spitsbergen in: White, Spitzbergen and Greenland, p. 253.)
De mededingers der Moscovische Compagnie ondervonden dadelijk de
gevolgen van de vergunning van Jakob I. De vereeniging gevoelde zich
krachtig genoeg om van haar recht gebruik te maken. Nadat de commandeur
Joseph de visscherij geregeld had aan de noordpunt van Prince Charles’
foreland, waar zich eene soort van vestiging der Engelschen van het
vorige jaar bevond, begaf hij zich met eenige schepen langs de kust en
overviel de in verschillende havens verspreide schepen der vreemden.
Terwijl Franschen en Duinkerkers over het geheel met zekere
toegevendheid behandeld werden, verjoegen de Engelschen de Spanjaarden
met onverbiddelijke gestrengheid en vervolgden de Nederlanders, na hun
het visschen verboden te hebben, zelfs langs de kust. De Nederlanders
mochten zich met de Fransche schepen vereenigen en ook met de
Duinkerksche op goeden voet staan, de overmacht der Engelschen was te
groot, dan dat hunne verspreide en verdeelde mededingers met goed gevolg
hadden kunnen weerstand bieden en de aanvallers behaalden dus overal
eene gemakkelijke overwinning. Wij zullen de lotgevallen der
Nederlanders meer in bizonderheden nagaan.
De commandeur Van Muyden, met zijne beide schepen den 27 Mei op
Spitsbergen aangekomen[734], had zich bij de zuidpunt van Prince
Charles’ foreland gevestigd en was 13 Juni de walvischvangst in
Behouden-haven (de »Pooppy-Bay or Nickes Cove” der Engelschen) begonnen.
Bij hem bevonden zich drie Fransche schepen en aan de tegenoverliggende
zijde van Ice-sound waren twee schepen (een van Duinkerken en een van
St. Sebastiaan in Spanje) in Greenharbour bezig met visschen. Nauwelijks
had de Engelsche commandeur Benjamin Joseph bericht van de aanwezigheid
der vreemden gekregen of hij begaf zich derwaarts en hield zich van 16
tot 19 Juni bezig met het door list en geweld verjagen zijner vijanden.
Van Muyden toonde den Engelschen zijne commissie van graaf Maurits, die
hem machtigde vrijelijk aan Spitsbergen te visschen en zich tegen alle
aanvallen te verdedigen, maar Joseph beriep zich op den last, hem door
de Moscovische Compagnie gegeven, en gebood Van Muyden nadrukkelijk te
vertrekken zonder verder aan het eiland te visschen. De kapitein moest
toegeven; de opbrengst zijner vangst werd een prooi der Engelschen. De
overige schepen, die in Ice-sound waren, werden gedeeltelijk verjaagd,
gedeeltelijk tegen zeer hooge belasting tot de vischvangst toegelaten.
[734] Zie over de uitrusting van dit en de andere schepen hiervóor
p. 73, 74.
Van Muyden liet zich niet afschrikken; hij stevende dadelijk naar
Bell-sound (20 Juni), waar hij zich, vereenigd met een groot schip van
St. Jean de Luz in het uitsluitend bezit der visscherij wist te
handhaven tot 21 Juli[735]. Dien dag naderden hem echter drie Engelsche
schepen op nieuw, ditmaal geheel tot een gevecht uitgerust. Toen het
Biscaaische schip zich dadelijk overgaf bleef er voor de Nederlanders
geen keus: zij volgden het voorbeeld van hunnen medgezel. Het schip van
Boots, Van Muyden’s onderbevelhebber, werd dadelijk van de vangst
beroofd en naar huis gezonden; Van Muyden hielden de Engelschen tot 28
Juli bij zich en lieten hem toen met een klein geschenk in ruil voor de
achttien hem ontnomen walvisschen naar huis vertrekken. Tot 9 Augustus
zwierf de verjaagde kapitein nog op de kust rond; maar zonder eenig
aanmerkelijk voordeel moest hij toen de terugreis aannemen. De schade
zijner reeders bedroeg minstens ƒ 130,000[736].
[735] Van Muyden trachtte eerst in Low-sound te visschen, waarom die
baai nog op de kaart van Spitsbergen in: Begin ende Voortgangh van
de O.-I. C. p. 13 den naam van „Willems van Muyden haven” draagt.
Toen het hem daar mislukte vertrok hij naar Bell-point, de
Recherche-baai van latere kaarten.
[736] De begrooting der schade werd tot over de ƒ 200,000
opgedreven.--Zie de verschillende opgaven bij: Muller, Mare Clausum.
p. 120 Noot 4.--Vgl. ook het rapport van Joachimi aan de Stn. v.
Zeeland in: N. Z. 19 Mrt. 1614, en: Resol. Adm. Amst. 23, 27 Aug.
1613. (De som van ƒ 100,000, daar door de reeders opgegeven, is
echter geen zuivere maatstaf: Van Muyden was toen met het grootste
schip nog niet binnen. Resol. Adm. Amst. 31 Aug. 1613.)