walvischvangst in die streken niet bedoeld schijnt te zijn, was echter
de Noordsche Compagnie niet gezind zich het monopolie van landbezit in
de poolstreken, dat zij zoo langen tijd bijna ongestoord bezeten had, te
laten ontwringen. Zoo zij zelve zich tot nog toe tot de walvischvangst
bepaald had, hare beginselen waren te exclusief dan dat zij het zou
gedoogd hebben, dat anderen zich zelfs tot het drijven van den
pelterijhandel of het ontginnen der reeds lang gezochte goudmijnen bij
straat Davis in het noorden vestigden. Dadelijk verzocht zij dan ook de
Staten-Generaal, de requesten van beide kooplieden, voordat daarover
eene beslissing genomen werd, in hare handen te doen stellen om ze nader
te onderzoeken. De Staten-Generaal wenschten echter de beslissing aan
zich te houden en besloten (11 November), de drie partijen voor eene
daartoe benoemde commissie nader te doen hooren[677].
[677] R. S.-G. 11 Nov. 1624.
De beide requestranten schijnen daardoor in groote verlegenheid gebracht
te zijn: reeds den 21 November werden partijen gelast tegen den 25 voor
de commissarissen te verschijnen[678], en toch hadden de beide
mededingers nog in Februari zoo weinig afdoende bewijzen van hun recht
ingeleverd, dat de Staten-Generaal op verzoek der bewindhebbers van de
Noordsche Compagnie besloten, Leversteyn en Van der Zee te gelasten, dat
zij toch »rechte openinge” zouden doen van de ligging der door hen
ontdekte landen om te beslissen of die al dan niet onder het octrooi der
Noordsche Compagnie vielen, en zoo neen of zij door de schepen der
compagnie vroeger waren bevaren[679]. De zaak bleef slepen[680]: het
schijnt de taktiek der partijen geweest te zijn, de beraadslagingen
over deze zaak te rekken, totdat zij op nieuw het bewuste land hadden
bevaren en afdoende bewijzen voor hun recht konden bijbrengen.
[678] R. S.-G. 21 Nov. 1624.
[679] R. S.-G. 27 Febr. 1625.
[680] Wassenaer (Hist. verh. IX fol. 44) verhaalt, dat Leversteyn c.
s. „na lange Oppositie” in April 1625 octrooi voor vier jaar
gekregen hebben. De R. S.-G. zwijgen daarover en het door Wassenaer
zelven (l. c. IX fol. 124) verhaalde strijdt er mede.
Het bleef dan ook niet bij vertoogen aan de Staten-Generaal. Dadelijk
zond de Amsterdamsche kamer der Noordsche Compagnie in het volgende jaar
(1625) een scheepje van 40 à 50 last naar het noorden[681]. De
bevelhebber dezer expeditie kreeg last om het bewuste land te bezeilen
en daarna straat Davis of Hudsons-straat en de naar hem genoemde baai (
»syn ghevonden Zee,” zegt Wassenaer) te onderzoeken, »met hoope om
aldaer oock wat raers of nieus t’ ontdecken.” De kapitein van het jacht
was Jan Jansz.[682], de bemanning bestond uit vijftien koppen. Men wilde
dit jaar de kusten verkennen en in het najaar terugkeeren: het volgende
jaar zou de Noordsche Compagnie dan »met ernst daer op equipperen[683].”
De schepelingen hielden zich allereerst bezig met het onderzoeken der
door Leversteyn gezochte »passagie” (door Cumberlands-bay), maar vonden
die »ghestopt met lant.” Iets meer naar het zuiden kwamen zij aan eenen
inham, reeds vroeger door Europeanen bezocht (Frobisher-straat), maar
dien een eind wegs opzeilende, kwamen zij verder dan hunne voorgangers
geweest waren. De bewoners, even roofzuchtig als de Groenlanders,
toonden zich bereid tot ruilhandel; zij boden wapens, kleedingstukken,
schuitjes en al wat zij hadden ter ruil aan, maar de zooveel belovende
pelterijen, waarvan Leversteyn gesproken had, kregen de Nederlanders
niet te zien. Ontevreden keerden zij terug en na eene rampspoedige reis,
door nevel, storm en ijs gehinderd, kwamen zij in het vaderland
aan[684]. Voor de ontdekking van verschillende baaien, rivieren,
eilanden en volken tusschen 60° en 68-1/2° NB. verzochten zij, aan hun
systeem van uitsluiting getrouw, echter dadelijk aan de Staten-Generaal
octrooi[685].
[681] Wassenaer (Hist. verh. IX fol. 43) zegt, dat de compagnie in
dit voornemen „is belet.” Zie echter Wassenaer (l. c. IX fol. 124)
en de R. S.-G. 16 Dec. 1625.
[682] Jan Jarisz. bij Wassenaer (Hist. verh. IX fol. 124) is zeker
een drukfout voor Jan Jansz.
[683] Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 124.
[684] Wassenaer, Hist. verh. XI fol. 58.
[685] R. S.-G. 16 Dec. 1625.
Maar ook Leversteyn had onderwijl niet stilgezeten. Hij had met zijne
deelgenooten in Mei 1625 niet minder dan drie schepen van 100 last
uitgezonden, waarschijnlijk weder onder bevel van Marten Arendsz. van
Den Briel als opperstuurman[686], om op de ontdekte landen handel te
drijven en den doortocht nader te onderzoeken[687]. Zij verkregen een
gunstig resultaat en ontdekten in straat Davis »seecker Lant bewoont met
menschen, noyt voor dato vandien by eenige ingesetenen der Vereenichde
Nederlanden bevaren[688].” De beide mededingers verschenen dan ook op
het laatst van 1625 weder voor de Staten-Generaal en verzochten octrooi
voor hunne ontdekkingen. De regeering stelde beide requesten in handen
eener commissie om partijen zoo mogelijk in der minne tot eene
overeenkomst te brengen[689]. De uitslag dezer bemoeiingen wordt niet
gemeld.--Eene poging van Van der Zee, om nog in 1627 den naar het
schijnt toen reeds bijna vergeten strijd over de ontdekkingen op
Groenlands westkust weder te verlevendigen door nogmaals octrooi voor
zijne beweerde ontdekking van 1624 te vragen, schijnt even onbeslist
gebleven te zijn[690]. Het blijkt echter, dat ook in 1626 straat Davis
door Nederlanders bevaren is[691].
[686] Zie hiervóor p. 181 Noot 2{[671]}.
[687] Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 43, 44.
[688] R. S.-G. 10 Oct. 1625.
[689] R. S.-G. 10 Oct., 16 Dec. 1625.
[690] R. S.-G. 15 Febr., 6 Mrt. 1627.
[691] R. S.-G. 24 Dec. 1626, 24 Febr. 1627.--Het schip behoorde aan
Joost Adriaensz. Van Colster en Mr. Cornelis Musch, „Secretaris tot
Rotterdam”. Het doel der uitrusting wordt niet gemeld.
Ook het zoeken van den noordoostelijken doortocht naar Oost-Indië was
door de Noordsche Compagnie onderwijl weder opgevat. De ongelukkige reis
van schipper Simon Willemsz. had haar echter van het volgen van de
richting door het hooge noorden afgeschrikt en zij keerde dus terug tot
de oude plannen der zestiende eeuw, die bij de onbekendheid van het
hooge noorden met groote voorzichtigheid aanrieden, op eenigszins
primitieve wijze eenvoudig de lijn der kust te volgen. Daartoe rustte de
Amsterdamsche kamer der compagnie nu een spiegelschip van 90 last, »de
Cat” genaamd, uit voor eene lange reis. Het werd bemand met 24 koppen,
van proviand voorzien voor 2-1/2 jaar en schipper Cornelis Teunisz.
Bosman van Amsterdam aan het hoofd der onderneming gesteld, terwijl
Willem Joosten Glimmer hem als commies vergezelde[692]. De algemeene
aandacht schijnt zich op deze onderneming gevestigd te hebben; er waren
aan de uitrusting geheimzinnige inrichtingen verbonden, die aan de reis
grootere kans van slagen verzekerden dan aan eenige vorige[693]. De
Noordsche Compagnie, als altijd zeer voorzichtig, waar zij met hare
Oost-Indische zuster in botsing dreigde te komen, verzocht evenals in
1615 van de Staten-Generaal »opene patente, daerby alle uytheemsche
Coningen ende potentaten mitsgaders alle gouverneurs ende bevelhebberen
van wat conditie off qualiteyt die souden mogen syn, versocht ende
respective bevoelen wierden,” het schip te laten heen- en teruggaan
zonder eenige verhindering. (25 Maart 1625.) Het verzoek der compagnie
werd dadelijk toegestaan en haar tevens op haar verzoek afschrift
verleend van de resolutie van 1596, waarbij de premie van ƒ 25,000
door de Staten was uitgeloofd[694]. Het schip schijnt nog eenigen tijd
opgehouden te zijn en vertrok eerst 24 Juni van Texel. Het plan der reis
was geheel hetzelfde als in 1594: men wilde langs de Russische kust de
straat van Nassau doorzeilen naar den Ob, kaap Tabin trachten te
bereiken en door straat Anian den weg naar Cathay, China en Japan
zoeken, om het volgende jaar langs denzelfden weg terug te keeren en
octrooi voor het vinden van den weg aan te vragen[695]. De uitslag
beantwoordde echter geheel niet aan de hooge verwachtingen, die men van
de onderneming koesterde. Eerst 24 Juli voorbij het eiland Kolgojev
gezeild, bereikte men 28 Juli Novaya-Zemlya op 70°55´ NB. en werd reeds
daar zoozeer door het drijfijs gehinderd, dat men dagenlang in eene baai
moest blijven liggen. Eerst 10 Augustus kon de straat van Nassau
ingezeild worden. Den 13 Augustus kwam het schip ook behouden voor het
Staten-eiland ten oosten van Vaigatsch ten anker, maar nauwelijks was
men 17 Augustus van daar vertrokken of een harde vorst deed de zeilen
stijf bevriezen, terwijl de wind de ijsschotsen met zulk een geweld op
het vaartuig aandreef, dat men wel genoodzaakt was in straat Nassau
terug te keeren. Bosman was nog daar, toen een hevige storm hem onder
sneeuw en hagel van zijne ankers sloeg en hem tot den terugtocht deed
besluiten. De berichten van eenige Russische visschers, die hij
ontmoette, hadden de reeds ontmoedigde reizigers in hun voornemen
bevestigd. Zij verhaalden, dat straat Nassau slechts eens om de twee of
drie jaar open was en dat dan nog alleen laat in den tijd het drijfijs
den toegang vrijliet; zij, die gewoon waren jaarlijks met drie of vier
kleine scheepjes tusschen Pechora en Vaigatsch de vischvangst te
beproeven, waren dan ook dikwijls genoodzaakt zich tot de ondiepten in
de straat van Nassau zelve te bepalen[696]. Hoe onmogelijk het dus voor
de expeditie scheen verder te gaan, in het vaderland was men, toen
Bosman in het begin van September onverrichter zake terugkwam, niet zeer
tevreden over zijn beleid. Men schijnt hem gebrek aan volharding en moed
verweten te hebben; men schijnt het hem ten kwade geduid te hebben, dat
hij reeds op het gezicht van het drijfijs teruggekeerd was zonder zich
daarin te wagen. »Het staet alsoo met de vaert door ’t Ys, naer
ghelegentheyt vande winden,” schrijft Wassenaer, die veel van de reis
gehoopt had, »d’eene wint dryft u al het Ys op ’tlijf dat ontrent u is,
die wint veranderende, drijft al ’t Ys van u of, en ghy hebt eenen vryen
pas; die wat ondersoecken wil, moet niet schroom en hem in ’t Ys te
begheven, en daer eenighe daghen in te blyven legghen, en dryven, en
daer nae weder los werden; die soo niet doet sal niet uytrechten, als
desen voorghevallen is[697].”
[692] Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 123.--Gelijkheid van jaar en
plan zouden reeds voor het vereenzelvigen van de reizen van Teunis
Cornelisz. (volgens Wassenaer) en van Cornelis Bosman (volgens
Witsen) pleiten. Van Dam (Gesch. der O.-I. C. R.-A.) neemt echter
allen twijfel weg door den schipper Cornelis ~Teunisz.~ Bosman te
noemen, daardoor bewijzende, dat Wassenaer bij vergissing Teunis
Cornelisz. voor Cornelis Teunisz. schreef.
[693] De schepelingen hadden behalve de proviand bij zich zekere
„andere nootdruftigheden, om redenen willen niet verhaelt.” Ook
waren zij „met twee stooven int Schip versien” en „op eenich
renconter wel met Cruyt en Loot versien.” (Wassenaer, Hist. verh. IX
fol. 123, XI fol. 58.)
[694] R. S.-G. 25 Maart 1625.
[695] Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 44, 123.--R. S.-G. 25 Maart
1625.
[696] Bizonderheden over deze reis vindt men bij: Van Dam, Gesch.
der O.-I. C. I cap. I 5. (MS. R.-A.), die een uittreksel uit het
journaal van Bosman gebruikte. Daarmede stemmen overeen Witsen
(Noord- en oost-Tartarye. p. 906, 7) en Berghaus. (Wat men van de
aarde weet. I p. 229.) In bizonderheden wijkt deze laatste echter
van het verhaal der anderen af zonder zijne autoriteit te noemen.
[697] Wassenaer, Hist. verh. XI fol. 58.--Twee andere
„wel-ghemonteerde” schepen der N. C. zeilden dit jaar nog „op een
ander noyt bevaeren plaets om yets t’ ontdecken.” (Wassenaer l. c.
IX fol. 124.)
Dit zijn de laatste berichten, die ons omtrent ontdekkingsreizen naar
het noorden, door of ten tijde van het bestaan der Noordsche Compagnie
door Nederlanders ondernomen, zijn overgebleven. De ongelukkige uitslag
schijnt van verdere pogingen te hebben afgeschrikt en de Noordsche
Compagnie heeft zich zeker meer en meer op de walvischvangst toegelegd,
die ook zonder de ontdekking van nieuwe vaste uitgangspunten juist in
deze jaren overvloedige winsten afwierp[698]. Voordat wij echter over de
ontdekkingen der Noordsche Compagnie zwijgen, blijft ons over iets mede
te deelen omtrent de ontdekking van Jan Mayen-eiland, waarover zeer
verwarde verhalen in omloop zijn.
[698] Gedurende het bestaan der Noordsche Compagnie bepaalde men
zich verder dan ook tot het onderzoeken der kusten van Spitsbergen.
Men moet echter voorzichtig zijn met het toeschrijven van
ontdekkingen aldaar aan Nederlanders: de Hollandsche namen zijn
daarvan volstrekt geen bewijs, daar de Nederlanders zich niet
ontzagen de namen door Engelschen gegeven op hunne kaarten te
vertalen, b. v. Klok-baai, Kijk-uit enz. (Bell-sound, Look-out.)
Toen de Noordsche Compagnie in 1642 werd opgeheven, ondernamen
natuurlijk nu en dan Nederlandsche walvischvaarders tochten om
nieuwe kusten te vinden, terwijl Spitsbergen meer en meer verlaten
werd. Maar toch niet dan zelden was dit het geval: weldra werd de
overtuiging algemeen, dat, zoo de walvisch uit de zee om Spitsbergen
langzamerhand verdween, andere wateren nog minder door die
begeerlijke prooi bezocht werden. Ook de berichten omtrent die
tochten zijn schaarsch en onsamenhangend. Over de reizen van Willem
Vlaming en de beide zonen van Jelmer Cock (in 1663 of 64, 1669 en
1688) vindt men een en ander bij: Witsen, Noord- en oost-Tartarye.
p. 900, 2, 3, 4, 23, 24, 25, 26, bij: Van Dam, Gesch. der O.-I. C. I
cap. I 5, bij: Valentijn, Ond en nieuw O. I. I p. 113, bij:
Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 136, en bij: De Jonge, Nova-Zembla.
p. 24-26,--over de reis van Cornelis Pietersz. Snobbeger (1675),
bij: Witsen l. c. p. 918,--van Teunis Ys: ald. p. 901, 2, 4, 51,
52,--van Cornelis Roule: ald. p. 920,--over ontdekkingsreizen door
Nederlanders in 1664 en 66 ondernomen: ald. p. 907, 62,--over de
plannen van den commandeur ter walvischvangst Jan Pietersz. Haay
(1650), bij: Van Dam, Gesch. der O.-I. C. I cap. I 5 (cf.
Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 320),--over de ontdekking van
verschillende punten van Groenlands oostkust (1654. Gale Hamkesland
en baai op 73°-75° NB.--1655. Broer Ruysland ontdekt door Gerrit
Ruisch op 73°.--1655. Edamsland op 77° of 78° NB.--1665. Bontekoe’s
eiland op 73°30´ (?).--1670. Lambertsland op 78°30´): in de atlassen
van Colom, Goos en Doncker, en op de kaart van Van Keulen. (Vlg.
Witsen l. c. p. 904 is Groenlands oostkust in de 17^{e} eeuw nooit
bereikt.)--over de ontdekking van Gillis-land op 80° NB. ten oosten
van Spitsbergen door Cornelis Gillis: in den atlas van Van
Keulen;--over de ontdekking van het problematische Jelmersland:
Witsen l. c. p. 902, en van het niet bestaande Witsen-eiland: ald.
p. 923.--De O.-I. C. schijnt in het midden der 17^{e} eeuw nog
enkele reizen tot het zoeken van den N.-O. doortocht van O.-I. uit
te hebben doen ondernemen. Zie daarover: Philosophical Transactions
of the Royal Society. IX, X p. 197, 417.--Zorgdrager, Groenl.
vissch. p. 137.--Scoresby, Account of the arctic regions. I App. p.
62.--Over plannen om voor het zoeken van den N. doortocht nog in
1664 een monopolie te verkrijgen vergelijke men: Van Dam, Gesch. der
O.-I. C. I cap. I 5.
* * * * *
Jan Mayen-eiland is volgens de gewone overlevering ontdekt door Jan
Cornelisz. May op zijne reis naar het noorden in 1611. Dit verhaal,
reeds door Zorgdrager medegedeeld[699], is na hem door alle schrijvers,
die het eiland vermelden, overgenomen[700]. Het is niet moeielijk de
redeneering na te gaan, die het heeft doen ontstaan. Jan Mayen-eiland
was natuurlijk ontdekt door Jan May, de naam zelf reeds wees het aan;
zekere Jan May was in 1611 naar het noorden geweest, dus was hij de
ontdekker. Toch mocht het zonderling heeten, dat zulk eene belangrijke
plaats in het octrooi der Noordsche Compagnie van 1614 niet genoemd
werd; toch berichtte de heer De Jonge, dat in het zeer uitvoerige
journaal van de reis van Jan Cornelisz. May geene melding van het eiland
gemaakt werd[701]. Nasporingen op het Rijks-Archief en elders hebben mij
nu in staat gesteld, de ware geschiedenis der ontdekking uitvoerig te
verhalen. Dat zij ingewikkeld is blijkt reeds uit de feiten, dat niet
minder dan ~zevenmaal~ terecht of ten onrechte op de eer en het voordeel
der ontdekking van Jan Mayen-eiland als van een nieuw land is aanspraak
gemaakt,--dat over die ontdekking niet minder dan drie processen door
Nederlanders en vreemdelingen tegen de Noordsche Compagnie gevoerd
zijn,--dat het eiland onder twaalf verschillende namen in de
geschiedenis bekend is,--dat degene, die geacht wordt zijn naam aan het
eiland gegeven te hebben, zelfs van het bestaan daarvan geheel onkundig
was,--en dat de werkelijke naamgever de eigenlijke ontdekker niet is. In
de volgende bladen hoop ik al deze vreemdklinkende beweringen te
bewijzen: voorloopig zal ik mij bepalen tot een kort verhaal der
verschillende zoogenaamde ontdekkingen.
[699] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 101.
[700] O. a. door den schrijver van: De walvischvangst (II p. 62),
Moll (Zeetogten der Nederl. p. 95), Bennet en Van Wijk (Nederl.
ontdekk. p. 54), Asher (Hudson the Navigator. p. 257), Berghaus (Wat
men van de aarde weet. p. 335), Barrow (Voyages into the arctic
regions. p. 227.) Alleen Scoresby (Account of the arct. reg. I p.
154) twijfelt, maar op zeer dwaze gronden.
[701] De Jonge, Opkomst. I p. 30.
»~In the yeere~ 1608,” dus verhaalt Edge in zijn »Northerne
Discoueries of the Muscouia Merchants,” »~the said fellowship set forth
a Ship called the Hope-well, whereof William Hudson was Master, to
discouer to the Pole, where it appeareth by his Iournall, that hee came
to the height of 81 degrees, where he gaue Names to certayne places,
vpon the Continent of Greenland formerly discouered, which continue to
this day, namely, Whale Bay, and Hackluit Headland, and being hindred
with Ice, returned home without any further vse made of the Countrey,
and in ranging homewards, hee discouered an Iland lying in 71 degrees,
which hee named Hudsons Tutches.~”[702] Asher[703] heeft m. i.
overtuigend bewezen, dat Hudsons Tutches niets anders is dan Jan
Mayen-eiland[704], en dat dit laatste in Engeland nog in 1618 onder den
naam van »Hudson’s Touches” bekend was[705]. Het mag ons echter van een
scherpzinnig geleerde als Asher verwonderen, dat hij met geen enkel
woord de reden opgeeft, waarom hij den naam William Hudson stoutweg in
Henry Hudson veranderd heeft. Edge was iemand, die volkomen op de hoogte
der beschreven zaken zijn kon[706] en dus niet lichtvaardig van
vergissingen mag verdacht worden. En er zijn in het verhaal van dien
goed ingelichten schrijver verschillende bezwaren tegen het
identificeeren van de door hem beschreven reis en den eersten tocht van
den beroemden Henry Hudson. 1^{o}. Het jaar van Hudsons eerste reis is
1607; hier wordt gesproken van 1608. 2^{o}. Hudsons voornaam was, zooals
bekend is, Henry; Edge noemt zijnen reiziger William Hudson. 3^{o}. In
de verhalen, die van Hudsons eerste reis overig zijn (waaronder een
journaal, geheel aan dat van Hudson ontleend en misschien gedeeltelijk
door hem zelven geschreven) wordt van het geven van de namen Whale-bay
en Hakluyts Headland aan twee plaatsen der kust niet gesproken. 4^{o}.
Evenmin wordt daarin van de zoo gewichtige ontdekking van een nieuw
eiland op 71° gesproken. 5^{o}. Jan Mayen-eiland lag volstrekt niet in
Hudsons weg; ook Asher maakt het niet duidelijk, hoe de reiziger daar
kan gekomen zijn[707].--Op deze gronden geloof ik, dat Asher al te
spoedig tot het veranderen van den naam William Hudson in Henry Hudson
is overgegaan,--eene verandering, waarop in ieder geval de aandacht had
moeten gevestigd worden; of de bezwaren echter gewichtig genoeg zijn, om
tot het aannemen eener afzonderlijke van elders niet bekende reis naar
Spitsbergen door zekeren William Hudson in 1608 te doen besluiten, durf
ik niet beslissen. Ik geef de verschillen der verhalen voor wat ze zijn:
een bevoegder beoordeelaar beslisse. Ondertusschen zij opgemerkt, dat
het niet onwaarschijnlijk is, dat de Moscovische Compagnie een der
zonen[708] of broeders[709] van den verdienstelijken reiziger Hudson in
dienst genomen heeft om den noordelijken doortocht op nieuw te zoeken.
[702] Purchas, Pilgrimes. III p. 464.
[703] Asher, Hudson the Navigator. p. CXCI, CXCII, 146 Noot 1.
[704] In éene zaak echter geloof ik, dat Asher hier dwaalt. Hij
vindt een bewijs zijner stelling in den naam „Rudson’s point”,
volgens hem eene verbastering van: Hudsons point. Ik durf zeggen,
dat de afleiding geheel verkeerd is. Op de mij bekende kaarten heet
de bedoelde plaats niet „Rudson’s point” maar eenvoudig „Rudsen.”
Met dezen naam worden dunkt mij de klippen bedoeld, die daar in zee
liggen. (Rudsen, rudzig, oud-Hollandsch voor: rotsen, rotsig.)
[705] Het stuk, waarop Asher doelde, is in eene Fransche vertaling
afgedrukt bij: Muller, Mare Clausum. p. 376.
[706] Asher, Hudson the Navigator. p. XIX.
[707] Asher, Hudson the Navigator. p. CXCIV en p. 20 Noot 1.
[708] Hudson had behalve den met hem omgekomen zoon John (dien
Asher, Hudson the Navigator, p. 122 Noot 2 verkeerdelijk niet voor
eenen zoon houdt. Zie ald. p. 142) verschillende kinderen (Murphy,
Hudson in Holland. p. 10, 35), o. a. een zoon, die in 1614 in dienst
der Engelsche O.-I. C. voor het eerst uitvoer. (Markham, Treshold of
the Unknown Region. p. 39 Noot.)
[709] De naam William was in de familie Hudson niet ongewoon. (Read,
Henry Hudson. p. 46.)
»~Jan Mayen Island,~” zegt Scoresby[710], »~was also discovered by the
whalers of Hull about the same time~ (i. e. 1611 of 12)~, and named
Trinity Island; in consequence of which, when the Russia Company
attempted to monopolize the fishery of the whole of the Polar countries,
this island was granted by the King to the Corporation of Hull, on their
petition in the year 1618, as a fishing station.~” Hetzelfde zegt ook
Macpherson[711], die het waarschijnlijk met alle andere berichten van
dien aard aan Purchas ontleend heeft. Waarom Scoresby echter
Trinity-island identificeert met Jan Mayen-eiland (terwijl Macpherson
dit niet doet) meldt hij ons niet; geen autoriteit wordt door hem
hiervoor opgegeven. Macpherson beschrijft het door de Hullers ontdekte
eiland als »the isle of Trinity, lying in the north sea towards
Spitzbergen.” Is dit juist, dan kan het bezwaarlijk Jan Mayen-eiland
zijn; wat ook daarom onwaarschijnlijk is, omdat de Moscovische Compagnie
in hetzelfde jaar 1618, toen koning Jakob I Trinity-island aan de
Hullers afstond op grond, dat zij het ontdekt en het eerst daar gevischt
hadden, zeer goed blijkt geweten te hebben, dat Jan Mayen-eiland als
Hudsons Touches door Hudson ontdekt was[712]. Maar toch kan
Trinity-island bijna niets anders dan Jan Mayen-eiland zijn.
Waarschijnlijk lag het toch niet dicht bij Spitsbergen, want het was
juist om twist tusschen de Moscovische Compagnie en de Hullers te
vermijden, dat Jakob I Trinity-island aan de laatsten afstond. Ook was
het waarschijnlijk eene plaats, waar de walvischvangst zeer voordeelig
was, daar de gift eene schadevergoeding moest zijn voor het ontzeggen
aan de Hullers van het recht om bij Spitsbergen te visschen. Eene
bevestiging dezer meening vind ik op eene oude Nederlandsche kaart[713],
waarop aangeteekend staat: »Lounges Forland ~ofte Trinitie Eylandt~, nu
Ian Mayen Eylandt.” Zoo Trinity-island dus Jan Mayen-eiland is, dan kan
het o. a. ontdekt zijn door Thomas Marmaduke van Hull, die volgens Poole
in 1612 met het schip »the Hope-well” eene ontdekkingsreis deed in het
noorden en zelfs tot 82° NB. kwam[714].
[710] Scoresby, Account of the arctic regions. I p. 154.
[711] Macpherson, Annals of commerce. II p. 292.
[712] Zie het bovenvermelde verhaal der Moscovische Compagnie bij:
Muller, Mare clausum. p. 376.