doortocht naar Oost-Indië niet had doen ontdekken, verflauwde bij de
Noordsche Compagnie de lust naar het zoeken daarvan voor geruimen
tijd[652]. De weg langs Novaya-Zemlya was reeds vroeger opgegeven; toen
dus ook de nieuwe wegen, die in den laatsten tijd beproefd waren,
niettegenstaande de groote hoogte, die de schepen bereikt hadden, geen
resultaat opleverden, meende men geene verdere pogingen meer te moeten
doen. Geen weg was meer ondoorzocht; de moedeloosheid was algemeen en
Maurits zelf, eens zoo ijverig voor het zoeken van den doortocht,
verklaarde nu ronduit, »qu’il tient que c’est peine perdue de s’y
trauailler d’auantage.”[653] Men meende, dat het vasteland, dat zich
veel verder naar het noorden uitstrekte dan Amerika’s zuidpunt naar de
zuidpool, steeds te veel moeielijkheden zou blijven aanbieden voor eenen
doortocht; immers reeds in de straat van Magellaan en in straat Le Maire
op 52° en 56° ZB. hinderde het ijs de reizigers altijd zeer[654]. Hoewel
er zeker op deze redeneering vrij wat viel af te dingen, had de
ondervinding toch voldoende geleerd, dat de noordelijke doortocht, ook
als hij gevonden werd, vele moeielijkheden zou blijven opleveren. En bij
dit bezwaar voegde zich een andere reden, die de Nederlanders minder
ijverig maken moest tot het zoeken van den weg. De eens zoozeer begeerde
ontdekking was niet langer het doel, waarnaar bijna allen, die geene
leden der Oost-Indische Compagnie waren, met goedkeuring der regeering
zelve streefden. »Je ne voy pas,” schreef de Fransche gezant Du Maurier
op het laatst van 1618 aan een zijner bekenden, »qu’en cette Republique,
quand bien il se pourroit, ils desirent la decouuerture dudict passage,
pour les raisons que je vous ay marcquées cy deuant, tellement que cette
consideration faisant en quelque sorte cesser l’Espoir de la recompense,
cessera quant et quant le courage et l’Enuie de se hasarder pour
cela.”[655] Het is zeker jammer, dat de redenen, die Du Maurier daarvoor
opgaf, niet bewaard zijn gebleven, maar het is niet moeielijk ze ten
minste eenigermate te gissen. De Oost-Indische Compagnie was meer en
meer het lichaam geworden, waarnaar de natie zich gewend had op te zien
als het stevigste bolwerk in den op nieuw dreigenden oorlog met Spanje.
En dat lichaam, dat dus voor ’s lands vrijheid een vereischte geworden
was, verkeerde niet meer in den bloeienden toestand, waarover men zich
in de eerste jaren van zijn bestaan zoozeer verheugd had. Meer en meer
waren misbruiken in het beheer openbaar geworden, het gemompel over den
slechten stand der zaken was toegenomen, in Indië zelf had men met de
Engelschen reeds lang onaangenaamheden, die gedurig toenamen. Nu dus
eenmaal het behoud der Oost-Indische Compagnie eene nationale zaak
geworden was, zou het zonderling geweest zijn met haar te gaan
concurreeren. De regeering kon de wedijver niet meer aanmoedigen, de
natie zelve moest haar belang inzien en de vertoornde participanten
konden toch ook niet anders dan concurrentie vreezen. Nog slechts
éenmaal vernemen wij dan ook in de eerstvolgende jaren van eene poging
om den doortocht naar Oost-Indië te vinden: een Nederlandsch schipper
stevende in 1618 weder met dat doel naar het noorden. De reis had
trouwens niets te beduiden; toen de kapitein in December terugkeerde kon
hij zich niet beroemen op de bereikte hoogte (65° NB.), en hij
vergenoegde zich dus hoog op te geven van de gevonden schatten, die in
eenige roode en groene jaspissteenen bestonden. Hij meende, dat uit de
groote rotsen, die hij van dien steen gezien had, groote kolommen te
vervaardigen waren, die gemakkelijk gepolijst en tot versiering der
huizen gebruikt konden worden, maar de gewaande schatten van het
noordwesten hadden reeds te veel zeelieden bedrogen dan dat men naar den
schipper geluisterd hebben zou[656].
[652] Dit schijnt te blijken, behalve uit het geheele gemis van
eenige berichten, uit de verklaring van Joris Carolus op zijne
bovenvermelde geteekende kaart, dat hij Groenland en het noorden van
Amerika „~driemael~ selfs beseylt” heeft. De reis van 1614 is de
eerste, waarop wy Carolus ontmoeten.
[653] Brief van du Maurier aan Mr. de Pequzé. La Haye 15 Dec. 1618.
(Catalogus der verzameling MSS. van den heer Mr. L. C. Luzac. N^{o}.
298.)
[654] Brief van du Maurier als boven.
[655] Brief van du Maurier als boven.--Met de in den tekst vermelde
„récompense” wordt waarschijnlijk de in 1596 uitgeloofde premie
bedoeld, die de Staten-Generaal bij hunne tegenwoordige gezindheid
zeker niet gaarne zouden uitbetaald hebben.
[656] Het verhaal is ontleend aan den boven aangehaalden brief van
du Maurier. Niet onwaarschijnlijk is het, dat het betrekking heeft
op de reis van het schip de Bruyn-visch, kapitein Carel Nijs of
Denijs, met wien Joris Carolus en andere stuurlieden omstreeks
het begin van 1619 terugkwamen van eene reis, op last der
Staten-Generaal ondernomen ter beproeving der nieuwe manier van
bepaling der lengte op zee van Jan Hendricxz. Jaricx. Den kapitein
was bij zijne Instructie door de Staten-Generaal opgedragen, zoo
mogelijk tegelijk eenige ontdekkingen te doen en wij weten, dat hij
o. a. IJsland bezocht. (Zie over deze reis: Instr. der Stn.-Gen.
voor Nijs dd. 17 Mei 1618, in: Instructieboek der Stn.-Gen.
R.-A.--Resol. Admiralit. Amst. 5, 17 Mei 1618, 12 Jan. 1619.--R.
S.-G. 5 Jan. 1619.--Carolus, Nieuw vermeerde Licht des Zeevaerts. p.
148.)
Maar al was het zoeken van den verren weg naar Indië opgegeven, de
Noordsche Compagnie hield zich voortdurend met nieuwe ontdekkingsreizen
bezig. Boven gewaagde ik reeds van het belang van landbezit in de IJszee
voor de oefening der walvischvangst en daarnaar streefde de Noordsche
Compagnie met al hare krachten. »Jaerlijcx wiert by haer seer getracht
tot vorder ontdeckinge van onbekende landen ende zeen,” dus verhaalde
zij zelve nog in 1624[657]. Het doel was natuurlijk de nadere verkenning
van de kusten der IJszee en de inbezitneming daarvan voor de
walvischvangst: de vrees voor concurrentie door het »generael octroy”
drong de compagnie ook binnen de grenzen van haar eigen gebied nieuwe
landen te zoeken. Reeds in 1614 schijnt het met geen ander doel geweest
te zijn, dat het schip »het cleyne Swaentgen” van Delfshaven, kapitein
Jan Jansz. Kerckhoff, de IJszee invoer; hij was echter niet verder dan
Jan Mayen-eiland gekomen en kapitein Jan Sybrantsz. Paelman van
Opperdoes, die met het schip »Tswaentgen” ook wel genaamd »het duyffgen”
op last der Noordsche Compagnie in 1615 van Spitsbergen uitgezeild was,
om weder ontdekkingen te doen, had het, dezelfde richting als de
reizigers van 1614 volgende, eveneens niet verder gebracht[658]. Maar nu
het zoeken van den doortocht was opgegeven, nam de compagnie het doen
van dergelijke ontdekkingsreizen op kleiner schaal met meer ijver ter
hand. De resultaten waren echter schraal: slechts éen enkele maal
vernemen wij van eene ontdekking. Joris Carolus ontdekte in 1617 op een
schip, door drie kamers der Noordsche Compagnie--die te Delft, Hoorn en
Enkhuizen--uitgerust, twee eilanden; het eene, door de schepelingen
Nieuw-Holland genaamd, was gelegen van 60° tot 63° NB. (een gedeelte van
Groenlands oostkust?), het andere, Opdams-eiland, op 66° NB. en 20
mijlen ten oosten van IJsland[659]. Dit laatste, ook wel
Enkhuizer-eiland genoemd[660], is ook op latere Nederlandsche kaarten
onder dien naam te vinden[661]; tegenwoordig is het echter daarvan
verdwenen en het kan dus bezwaarlijk als eene ontdekking beschouwd
worden. Het verlangde octrooi werd echter aan de compagnie dadelijk
verleend.
[657] Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C. dd. 18 Sept. 1624,
in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[658] Zie meer voor deze beide reizen in Hoofdstuk IX.
[659] R. S.-G. 28 Oct. 1617.
[660] Dezen naam draagt het eiland, zoover ik weet, het eerst op de
kaart van „Oudt-Groenlandt enz.” in Carolus’ Nieuw vermeerde Licht
des Zeevaerts. p. 148. Waarschijnlijk is de naam door Carolus
veranderd en het eiland naar zijne vaderstad benoemd. Wij zagen
reeds boven (p. 169 Noot 2{[633]}), dat Carolus zulk eene
verandering niet schuwde, wanneer daardoor zijn eigen aandeel aan de
ontdekking meer op den voorgrond gesteld werd.
[661] O. a. op de kaart van Groenland enz. in den atlas van Goos
(1666) en zelfs nog op de zeekaart van Van Keulen.
Het resultaat was zeker niet schitterend en de »jaerlycxe ontdeckingen”
zelve der Noordsche Compagnie toonden, dat zij meer en meer de hoop
opgaf om langs dien weg voordeel te behalen. Wij zagen, dat reeds bij de
laatste ontdekkingsreizen de kosten gedragen werden door eenige kamers
der compagnie, terwijl de andere zonder twijfel den moed hadden laten
zakken. Na 1617 zien wij nog wel ontdekkingsreizen ondernemen, maar niet
de kamers, slechts enkelen harer leden droegen daarvan de kosten. Hoewel
vreemden door hun kapitaal dat der ondernemers moesten versterken, waren
het toch steeds leden der geoctrooieerde vereeniging, die de reizen
schijnen ontworpen te hebben; steeds worden zij in de eerste plaats
genoemd. En daar het aandeel, dat dien leden aan de eventueele
ontdekkingen zou ingeruimd worden, volgens de bepalingen door de kamers
gemaakt steeds dadelijk aan de generale compagnie ten goede moest komen
zonder dat den ontdekker zelfs voor de vier jaren van het »generael
octroy” afzonderlijke exploitatie werd gegund[662], kunnen ook deze
reizen, hoewel slechts gedeeltelijk op kosten van enkele leden der
Noordsche Compagnie ondernomen, zeer wel onder de reizen der vereeniging
gerangschikt worden: het feit, dat geen enkele maal zonder medewerking
van hare leden gehandeld werd, bewijst voldoende, dat zij het was, die
aanleiding tot de tochten gaf. Reeds dadelijk in 1618 vinden wij drie
reizen vermeld.
[662] Contr. v. de N. C. met de Zeeuwen, art. 19, in: Noordsche
togten. 4. Loop N. C. R.-A.
Twee Hoornsche kooplieden, Jan Jansz. Molenwerff, bewindhebber der
aldaar gevestigde kamer der Noordsche Compagnie, en Otto Reyners, hadden
reeds in 1616, zoo men hun verhaal gelooven mag, het schip »de vier
Heemskinderen”, kapitein Pieter Jansz. stuurman Laurens Broers, ter
ontdekking van nieuwe plaatsen voor de walvischvangst uitgezonden. Het
resultaat der reis was de ontdekking geweest van een eiland op 70-1/2°
NB., 28 à 30 mijlen westzuidwest van Jan Mayen-eiland. Het volgende jaar
hadden zij weder een schip daarheen uitgezonden om hunne ontdekking te
exploiteeren; men had de walvischvangst daar beproefd en met uitnemend
gevolg gevestigd. In 1618 werden nu weder twee schepen met hetzelfde
doel uitgezonden, maar het ijs belette de schepelingen ditmaal het
eiland te naderen en den 12 Augustus vielen zij zonder eenige vangst te
Hoorn binnen. Nu eindelijk werd er aan gedacht, bij de Staten-Generaal
octrooi voor de ontdekking aan te vragen; de reeders lieten een
proces-verbaal van hunne vruchtelooze laatste reis opmaken en verzochten
de Staten dit te willen aannemen als rapport van hunne ontdekking. Maar
het verzoek was zeer bedenkelijk. Nog daargelaten, dat een eiland op de
aangeduide plaats niet bestaat en dus het geheele verhaal
onwaarschijnlijk is, konden de reizigers »geen perfect rapport doen
vande gelegentheyt vant voorszeide eylant by bewys van Caerte,
Streecken, opdoeninge ende aencomste by tselve, om daermede te thoonen
dat zy de vinders daervan alleene waren.” De Staten-Generaal oordeelden
dan ook het verzoek der reeders om eene akte volgens het »generael
octroy” ongegrond en wezen het van de hand. (24 Augustus 1618.)[663]
[663] R. S.-G. 24 Aug. 1618.
Gelukkiger waren weinige dagen later (30 Augustus) Cornelis Jansz. Muis
en Adriaen Dircxz. Leversteyn, de hardnekkige concurrent der Noordsche
Compagnie, op wier kosten kapitein Aert Adriaensz. Havelaer[664] met het
schip »de Hasenwint” op 67-1/2° tusschen Groenland en IJsland, een
eiland ontdekte (waarschijnlijk een gedeelte van Groenlands oostkust),
waar hij vele vogelen, vossen, kabeljauwen en andere dieren ving. De
schipper deed dadelijk na zijne terugkomst op 17 Augustus rapport van
zijn wedervaren en de Staten-Generaal verleenden na overlegging der
kaart de door de reeders van de ontdekking verzochte akte volgens het
»generael octroy”[665].
[664] Havelaer wordt in 1617 als ijverig contra-remonstrant genoemd
bij: Brandt, Hist. der Reform. II p. 461.
[665] R. S.-G. 30 Aug. 1618.
Allerbelangrijkst is het bericht, dat wij in de resolutiën der
Staten-Generaal van 8 Januari 1619 vinden omtrent de ontdekking van een
voor de walvischvangst geschikt land tusschen 76°3´ en 80°6´ NB. door
Logier Jaspersz. met een schip van Pieter Courten te Middelburg, een der
voornaamste leden van de Zeeuwsche compagnie voor de walvischvangst. Dit
land, door den ontdekker Nieuw-Zeeland genaamd, moet gelegen hebben op
de oost- of westkust van Groenland[666]. Maar hoe dit ook zij, in ieder
geval is de reis, waarvan ons dit schrale bericht is overgebleven, een
nieuw bewijs van de verbazende volharding onzer zeelieden, die reeds in
de zeventiende eeuw in eene altijd bijna onbevaarbare zee doordrongen
tot eene hoogte, die zelfs de zooveel beter toegeruste reizigers van
onzen tijd daar niet of eerst in de allerlaatste jaren bereikt hebben.
En dat de ontdekking wèl gestaafd was, blijkt uit de resolutiën der
Staten-Generaal zelve: het verzochte octrooi voor vier jaren werd
dadelijk verleend[667].
[666] Waarschijnlijk lag het land op de oostkust, want de ontdekkers
kwamen van Spitsbergen, waar zij nog in het begin van Juli 1618
trachtten walvisschen te vangen in Sir Thomas Smiths bay. (Mémoire
et Relation veritable, bij: Muller, Mare Clausum. p. 374.--Vgl.
hierna Hfdst. VI.)
[667] R. S.-G. 8 Jan. 1619.
Van eene andere reis, in 1619 op kosten eener Delftsche compagnie van
kooplieden ondernomen, zijn geene berichten over. Bruin Willemsz. d’Edel
en Bruin Dircxz. Van der Dusse kochten in het voorjaar van dit jaar van
de Noordsche Compagnie het schip de »Waterhondt” van 180 last en zonden
het 1 Mei naar Groenland. De Staten-Generaal leenden den reeders op hun
verzoek veertien stukken geschut met de daarbij behoorende kogels, maar
van den uitslag der reis is niets bekend[668].
[668] R. S.-G. 13 Apr. 1619.--Het is trouwens niet onwaarschijnlijk,
dat deze reis alleen gedaan werd om walvisschen te vangen. „Bruyn
van der Dussen” toch vertegenwoordigde in 1640 met Jacob Van der
Graeff de N. C. Het is dus zeer wel mogelijk, dat het schip
eenvoudig voor rekening der kleine N. C., waartoe ook Van der Graeff
behoorde, op de visscherij zeilde naar Jan Mayen-eiland, dat
dikwijls „Groenlandt” genoemd wordt.
De verdere tochten, door de Nederlanders in de eerste jaren na 1619
ondernomen, schijnen niet tot de ontdekking van nieuwe landen in het
noorden geleid te hebben, ten minste de resolutiën der Staten-Generaal
zwijgen daarover. Trouwens wanneer men niet tot het zoeken van den
doortocht den steven verre naar het noordwesten wendde, was er niet veel
nieuw land meer in de IJszee te vinden. De oostkust van Groenland was op
enkele plaatsen bereikt, de eilanden in de IJszee waren voor zoover ze
nu bekend zijn reeds allen ontdekt, ook Groenlands westkust was door
Nederlanders bevaren. Het is dan ook alleen van tochten tot het zoeken
van den doortocht ondernomen, dat wij nog enkele berichten vinden.
Het jaar 1624 kwam en plotseling zien wij de Nederlanders het zoeken van
den noordelijken weg naar Oost-Indië weder met kracht opnemen. Naar
beide zijden werd dit jaar de nog steeds onbekende doorgang gezocht. De
Noordsche Compagnie zond een schip oostwaarts; de koopman Leversteyn,
dien wij reeds in 1618 als haar mededinger leerden kennen, deed ditmaal
eene uitrusting naar het westen. Door de jaarlijksche tochten ter
walvischvangst waren de schippers der compagnie meer en meer bekend
geworden met de noordkust van Spitsbergen; zij hadden opgemerkt, dat die
kust zich meer en meer naar het oosten wendde. Tot 82° NB. waren zij in
het noorden doorgedrongen en een schipper van Enkhuizen had op die
hoogte zelfs »eenighe ghebroocken landekens” of eilanden meenen te zien.
De verkregen zekerheid, dat Spitsbergen niet zooals men vroeger meende
een gedeelte van Groenland was, maar dat zich ten noorden van het eiland
eene ijsvrije zee bevond, die zich ten minste een eind ver naar het
noorden uitstrekte, gaf nieuwe hoop op het vinden van den doortocht en
het omzeilen der ver in het noorden uitstekende kaap Tabin. De Noordsche
Compagnie besloot een spiegelschip van 40 last, wel uitgerust en voor
langen tijd van proviand voorzien, uit te zenden om dien weg in te
slaan. Den 3 Juni 1624 verliet dit schip onder bevel van Simon
Willemsz.[669], met Jacob Jacobsz. van Edam als stuurman en acht
personen als bemanning, de reede van Texel. Het plan was noordelijk
langs Spitsbergens westkust naar de pool te zeilen,--de oude theorie van
de warmte onder de pool gaf daartoe den moed;--eerst echter zou
onderzocht worden of de noordkust van het eiland voortging zich
oostwaarts te wenden, om zekerheid te verkrijgen of langs den
voorgenomen weg kaap Tabin te bereiken was en of niet hoog in het
noorden misschien een onbekend land den reizigers den pas zou afsnijden.
In Nederland stelde men zich van den uitslag dezer reis veel voor, maar
de uitkomst beantwoordde geheel niet aan de gekoesterde verwachting.
Reeds op 83° NB. belette de ijsvlakte het schip verder noordelijk te
zeilen; men was genoodzaakt oostwaarts den rand van het ijs te volgen.
Nergens werd echter een doorgang naar het noorden gevonden: het schip
was genoodzaakt terug te keeren. Zoo spoedig was de reis geëindigd, dat
de schepelingen nog vroeg genoeg in de Mauritius-baai aankwamen om aan
de walvischvangst van dit jaar deel te nemen[670].
[669] Misschien de kapitein van het schip de Craen, dat in 1611 de
reis met Jan Cornelisz. May deed.
[670] Zie over deze reis: Wassenaer, Hist. verh. VII fol. 95, IX
fol. 123.
Uitvoeriger berichten wist Leversteyn van zijn wedervaren te geven.
Reeds vroeger meende men de zekerheid verkregen te hebben, dat Groenland
ten noorden aan de westkust van straat Davis verbonden was en dat dus
deze zoogenaamde straat geene zeeëngte maar een baai was. Toen
Leversteyn dus in 1624 met Jan Jansz. Molenwerff, bewindhebber van de
kamer der Noordsche Compagnie te Hoorn, en een ander koopman, Borch
genaamd, een schip uitrustte om in het noordwesten eenen doortocht naar
Oost-Indië te zoeken, hoopte men dien weg niet zoozeer hoog in het
noorden als wel iets lager in het verre westen te vinden. Het schip,
waarop waarschijnlijk Marten Arendsz. van Den Briel opperstuurman
was[671], zeilde dan ook daarheen en vond werkelijk ten noorden van
Hudsons-straat »een passagie, daer ghemeent werdt een pas naer
Oost-Indien te zijn: daer was een open Zee, wel vierdehalf Mijl wijt, en
al gebroocken Lant, vol van volck, al met Pelterijen en Robbe-Vellen
ghecleedt, seer begerich naer Yser-werck, willende de Bouten uyt het
Schip haelen: seer diefachtig, alles nemende dat los is, rauw Vleesch
en Visch eetende, seer net op een parck schietende, met haer Flitsen
daer sy het Wildt mede treffen: daer was goede handelingh van
Pelterijen, dies men in ’t Schip alles vermangelt heeft dat het in
hadde.”[672] Niettegenstaande den ophef van deze ontdekking gemaakt
blijkt het overtuigend, dat de reizigers eenvoudig straat Davis een eind
weg opgezeild zijn en wel niet verder dan tot 65° NB.[673]. De ontdekte
»passagie” is waarschijnlijk de Cumberlands-bay. Dat de doortocht niet
gevonden werd, spreekt van zelf; straat Davis overstekende keerden de
reizigers langs de oostkust terug. Leversteyn verhaalde toch aan de
Staten-Generaal, dat een door hem ontdekt land zich van »de Oostcaep van
Fretum Davis” (d. i. kaap Farewell)[674] uitstrekte tot 5° meer
noordelijk, waar zich een zekere rivier bevond, die zijn schip bezocht
had[675].
[671] Ik vermoed dit, omdat op eene kaart van de zuidwestkust van
Groenland, door La Pereyre in de bibliotheek van kardinaal Mazarin
gevonden, aangeteekend stond: „Haec delineatio facta est per
Martinum filium Arnoldi natum in Hollandia, Civitate dicta den Briel
~qui bis navigationem ad insulam dictam antiquam Groenlandiam,
instituit; tanquam supremus Gubernator, ano~ 1624 & 1625.” (White,
Spitzbergen and Greenland. p. 180.) Van Leversteyn alleen weten wij,
dat hij in ~beide~ jaren een schip naar straat Davis uitzond. (Is
misschien het vinden van deze kaart, die in het archief der
Staten-Generaal behoorde, op die plaats reeds vóor 1646 eene
aanwijzing, dat Leversteyn, wiens daden zulk eene verrassende
overeenkomst met die van Le Maire vertoonen, evenals deze den koning
van Frankrijk voor zijne noordelijke ontdekkingen heeft willen
interesseeren, nadat de Staten-Generaal hem teleurgesteld
hadden?)--Op deze tocht was ook tegenwoordig de bekende Willem Ys,
de zegsman van Witsen en Zorgdrager. Dit blijkt uit zijn verhaal
over de twee naar Nederland overgebrachte Groenlanders bij: Witsen,
Noord- en oost-Tartarye. p. 928. Wassenaer verhaalt (Hist. verh. IX
p. 43, 124), dat op dezen tocht de twee Groenlanders herwaarts
kwamen.
[672] Wassenaer, Hist. verhael. IX fol. 43.
[673] Ook de nauwkeurigheid der ontdekking liet te wenschen overig.
Niet alleen wist Leversteyn niet juist aan te duiden, waar de
ontdekte landen gelegen waren (R. S.-G. 27 Febr. 1625), maar de
bevelhebber Marten Arendsz. verkeerde nog in de oude dwaling, dat
Groenlands zuidpunt uit twee eilanden bestond. (Zie de kaart van
Groenland, in: White, Spitzbergen and Greenland. p. 175, naar
Arendsz.’ kaart vervaardigd. Zie ald. p. 180.)
[674] Fretum Davids is namelijk in de zeventiende eeuw de naam niet
alleen van de zeestraat, maar bepaaldelijk ook van Groenlands
westkust, terwijl de westkust van straat Davis als het Westland
bekend is. Groenlands oostkust heette daarentegen West-Groenland,
verdeeld in Oud-Groenland, het zuidelijke, en Nieuw-Groenland, het
noordelijke gedeelte der kust. Spitsbergen werd somtijds
Oost-Groenland genoemd.
[675] R. S.-G. 11 Nov. 1624.--De bereikte rivier is waarschijnlijk
de op de kaarten van Groenland van Carolus (1626. R.-A.) en
Zorgdrager (Groenl. vissch. p. 71), ook in de atlassen van Goos en
Visscher, evenals op Danckers’ kaart van Amerika, duidelijk
aangewezen Baals-rivier op 64° NB. In den omtrek vindt men daar
„Delfs haven” en „Delfs punt.” (NB. Leversteyn woonde te Delft.)
Maar niet ongestoord zou Leversteyn de vruchten van zijne gewaande
ontdekking genieten. Ook een Brielsch koopman Engelbert Pietersz. Van
der Zee had dit jaar straat Davis doen bezeilen en daar ontdekt een
nieuw eiland, waar hij had »opgedaen seeckere silvere ende goutmynen
voor desen noyt bekent[676].” Zoodra Leversteyn zich nu tot de
Staten-Generaal wendde met verzoek om octrooi voor niet minder dan
twintig jaar, opdat hij zijne ontdekking met uitsluiting van alle andere
Nederlanders zou kunnen exploiteeren en ze tot 84° NB. voortzetten,
verzette zich Van der Zee tegen de inwilliging van dit verzoek. Van
zijne zijde verzocht hij octrooi om straat Davis gedurende twaalf jaren
alleen te mogen bevaren; hij bood aan zijne ontdekking te bewijzen en
tegelijk aan te toonen »de sub- ende obreptie” van Leversteyns verzoek.
[676] R. S.-G. 15 Febr. 1627.--Sporen van dezen tocht vindt men op
de kaart van Carolus van 1626 (R.-A.) en op Goos’, Visschers en
Zorgdragers (Groenl. vissch. p. 71) kaarten van Groenland, in:
„kaap-Briel” en de „Brielse haven” op 62° en 63° NB. De „Brielse
haven” komt ook op Danckers’ kaart van Amerika voor. Zij kunnen
echter ook hunnen naam ontleenen aan Marten Arendsz. van Den Briel,
waarschijnlijk de bevelhebber op Leversteyns schepen in 1624 en 25.
(Zie hiervóor p. 181 Noot 2.{[671]})--In ieder geval is het niet
onwaarschijnlijk, dat de expeditie van Van der Zee belangrijke
ontdekkingen heeft gedaan, want terwijl Marten Arendsz. nog spreekt
van „insula dicta antiqua Groenlandia” (zie hiervóor p. 181 Noot
2{[671]}), verhaalt Wassenaer reeds in April 1625, dat „Groenlandt
gheen Eylandt bevonden is.” (Hist. verh. IX fol. 43.) Het is kwalijk
denkbaar, dat deze kennis aan iemand anders dan Van der Zee ontleend
is, die blijkens zijne beweerde ontdekking van mijnen in Groenland
daar aan land geweest is.