De maatregel bleek de Noordsche Compagnie tot krachtsinspanning te

prikkelen; bevreesd voor de steeds dreigende mededingers deed zij alle

moeite om hen te voorkomen, en in de eerste jaren van haar bestaan deed

zij zelfs ernstige pogingen om van hare gunstige positie gebruik te

maken, ten einde den langgezochten doortocht naar Oost-Indië te vinden.

Reeds in 1613 kan men het er voor houden, dat de Amsterdamsche reeders

op de walvischvangst hetzij door de schepen van Van Muyden, hetzij door

eene afzonderlijke onderneming getracht hebben de noordpool te bereiken.

In hun request aan de Staten-Generaal, waarbij zij octrooi verzochten,

beroemden dezen zich toch, »dat sy de alder eerste waeren die uyt dese

Landen soo verre om de Noort aangevangen hadden te varen ofte te seylen,

met toerustinge van eene quantiteyt Schepen, ~alwaer noyt Christen

Menschen ontrent hadden gheweest, Jae dat sy hadden ghepasseert

drie-en-tachentich graden~, blijckende by seeckere Caerte ende bewijs

onder de Supplianten berustende, alwaer hare Schepen ghevonden hadden

eene ruyme Zee, sonder Ys, vlack Weylandt, met Gras-etende Gedierten,

ende aldaer aenden Zee-kant ende daer omtrent ghevangen eene quantiteyt

Walvisschen, Walrussen ende andere Visschen.”[625] Het komt mij echter

waarschijnlijk voor, dat deze opgave van de bereikte hoogte overdreven

is. Nergens elders blijkt, dat er in 1613 door Van Tweenhuysen c. s.

schepen ter ontdekking zijn uitgezonden en het verhaal van de »ruyme Zee

sonder Ys” en het »vlack Weylandt met Gras-etende Gedierten”, waar men

aan den zeekant walvisschen en walrussen ving, wijst te duidelijk op de

bekende reis van Van Muyden, die Spitsbergens westkust bezocht, dan dat

men eene afzonderlijke ontdekkingsreis ten noorden van dat eiland, waar

zooals bekend is het zoogenaamde westijs weldra allen verderen doortocht

belet, zou behoeven aan te nemen.

[625] Zie het octrooi der Noordsche Compagnie. (Gr. Placaetb. I p.

669.)--De „Corte Deductie ende Remonstrantie” der N. C. van 1624

(Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.) verhaalt, dat „in den Jare

1611 (lees 1612) eenige Schepen geequipeert ende na de voorszeide

costen (van Spitsbergen) wtgesonden sijn, de welcke na veele

zeijlens ende menichfuldige periculen van ijs storm ende anders de

selve costen aengedaen hebben ende nijet alleene nader besocht maer

soowel ~in datselve jaer~ als eenige navolgende het Landt eene goede

streeck langs om de noort verder als oijt te vooren hebben opgedaen

ende beseijlt.”

Maar zoodra de Noordsche Compagnie haar octrooi verkregen had, namen de

ontdekkingsreizen een aanvang. Aangevuurd door de medewerking der

Staten-Generaal besloot de vereeniging een tocht te doen ondernemen naar

het noorden om den doortocht naar Oost-Indië te zoeken. Overeenkomstig

met de toen heerschende denkbeelden omtrent den weg recht naar de

noordpool werd daarheen de steven gewend. Twee schepen, »de goude Cath”

van Amsterdam, kapitein Jan Jacobsz. May[626], en »den Orangienboom” van

Enkhuizen, kapitein Jacob De Gouwenaer, vertrokken, met de Nederlandsche

walvischvaarders naar Spitsbergen gezeild, in het begin van Juli uit

Fairhaven[627]. Tusschen Groenland en Spitsbergen door zette men koers

naar het noorden. Over den uitslag der reis bewaren de reeders het

stilzwijgen, maar wij bezitten een bericht van een nog geloofwaardiger

getuige: op een der schepen was stuurman Mr. Joris Carolus van

Enkhuizen. Deze kundige zeeman, op wien de mantel van Barendsz. gevallen

was, schijnt zich nauw aan de Noordsche Compagnie verbonden en haar

krachtig gesteund te hebben bij hare eerste ontdekkingsreizen. Reeds

toen was hij een ervaren zeeman. Na in het beleg van Ostende een been

verloren te hebben schijnt hij zich op de stuurmanskunst toegelegd te

hebben. Lange jaren had hij toen in dienst der Oost-Indische Compagnie

in de gevaarlijke wateren van den Indischen archipel verkeerd, en nog

lang zou hij op zijne talrijke reizen in de Europeesche wateren een

schat van kennis verzamelen. Eindelijk toen hem »syne jaren ende

impotentie eenighsins beletten,” zette hij zich als leermeester der

stuurmanskunst te Amsterdam neder en bij de uitgave van zijn »Nieuw

vermeerde Licht ende Vierighe Colom des grooten Zeevaerts” in 1634 kon

hij toen getuigen, dat hij alle peilingen, opmetingen en teekeningen der

Europeesche stranden, die dit uitgebreide kaartboek bevatte, mededeelde

»niet uyt het verhael van andere, maer uyt syn eyghen observatien ende

byweesen”[628]. Onder die »observatien” is er eene, die over het

resultaat der reis, die wij bespreken, een merkwaardig licht verspreidt.

»Het landt van Out-Groenlandt” (d. i. het zuidelijke gedeelte van

Groenlands oostkust), zegt Carolus, »by Noorden Yslandt, streckende

Zuijdtwaert tot de Caep ofte Staten Hoeck, ende dan om den Hoeck

voorzeid langhs het Fretum Davids ende in de groote binnen Zee, rontsom

is altemael vast lant, ende is al een selve landt aen America vast,

zijnde tot by Noorden ende Noordoost van Yslandt af, soo ’t anders niet

aen Spitsberghen vast en is, twelck ick niet gheloove, vermits de

stroomen langhs Spitsbergen al uyt den Noorden comen, ~dit heb ick

bevonden inden jare~ 1614 ~doen ick soo verre om de Noord was tot op~ 83

~graden~[629], alwaer ick ghesien heb dat alle de ebben om de Noord

liepen, daerom vermoede soo daer een deurgang om de Noord te vinden is,

soo moet men die dat henen soecken, of hy noch bekent sal worden is Godt

bekent, (Ick hope jae.)”[630] Reeds uit het medegedeelde blijkt, dat de

expeditie wel hoop had den doortocht te vinden en het zelfs tot zeer ver

in het noorden bracht, maar dat het doel der reis niet bereikt

werd[631]. Reeds den 9 Augustus passeerden de twee schepen dan ook de

noord westpunt van Spitsbergen op hunne terugreis[632]. Toch was deze

tocht voor de Noordsche Compagnie voordeeliger dan eenige volgende:

onderweg ontdekte men toevallig het afgelegen Jan Mayen-eiland, eene

ontdekking voor de compagnie van onberekenbaar belang, maar door haar

aanvankelijk niet gewaardeerd[633]. Ik hoop aan het einde van dit

hoofdstuk op deze ontdekking terug te komen.

[626] Jan Jacobsz May wordt nog in 1623 als kapitein op een

Nederlandsch oorlogschip genoemd bij: Wassenaer, Hist. verh. V fol.

66, 67.--In 1622 bracht hij in dienst der admiraliteit van het

Noorderkwartier een Fransch schip op. (Zie o. a. R. S.-G. 16 Dec.

1622, 10 Apr. 1623.)--Vgl. over hem en zijnen broeder Cornelis nog:

Wassenaer, Hist. verh. XI fol. 112.--O’Callaghan, Hist. of

New-Netherland. I p. 72, 73, 86, 99.

[627] Fotherbye, A Voyage of Discouerie to Greenland. Anno 1614,

bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 723.

[628] Carolus, Het nieuw vermeerde Licht des Zeevaerts. Opdr. p. 2.

[629] In de opdracht van bovengemeld kaartboek verhaalt Carolus, dat

hij eenmaal „in de Weygats tot op de hooghde van 83 graden als

Stuerman” was. Waarschijnlijk heeft ook dit bericht op deze reis

betrekking, al kennen wij den naam »Weygats” voor deze zee van

elders niet.

[630] Carolus, Het nieuw vermeerde Licht des Zeevaerts. p. 147.

[631] Zie over deze reis: R. S.-G. 16 Jan. 1615.

[632] Fotherbye, A Voyage of Discouerie to Greenland. Anno 1614, by:

Purchas, Pilgrimes. III p. 725.

[633] Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 29 Aug. 1615, in:

Noordsche togten. 3. Ontdekking van Jan Mayen-eiland. R.-A.--Dat het

eiland op dezen tocht naar de pool ontdekt werd, blijkt voldoende

uit den naam „Mr. Ioris Eylant,” dien Carolus met vergefelijke

ijdelheid daaraan geeft op de kaart van Groenland in zijn: Nieuw

vermeerde Licht des Zeevaerts.

Spoedig na zijne terugkomst in het vaderland wendde Carolus zich tot de

Staten-Generaal en wekte hen tot eene nieuwe onderneming van landswege

naar het noorden op. Hij bood zijne dienst aan »omme met yver tallen

tyden opt comandement van hare Ho: Mo: noch voirder ondersoeck te doen.”

Zijne moeite was echter vruchteloos. Wel legden de Staten-Generaal hem

tot belooning van zijnen ijver en in aanmerking van zijne vroegere

diensten de som van ƒ 72 eens toe »tot eene vereeringe”, maar tevens

verklaarden zij, »dat hare Ho: Mo: voirder egheen costen meer en

begeerden te doen tot last van het lant, om de voorszeide passage te

doen ondersoecken, toelatende sulcx te doen die Coopluyden ende andere

die de prys op het vinden vande voorszeide passage gestelt sullen

begeerte hebben te winnen[634].” Gelukkiger slaagde Carolus bij de

Noordsche Compagnie. De vereeniging toonde zich de hulp der Staten

waardig, en was bereid om de vrijzinnige politiek der regeering in de

hand te werken. Ook in 1615 maakte zij zich dus tot eene ontdekkingsreis

gereed, ditmaal echter volgens een nieuw plan. In het begin van dit

hoofdstuk heb ik er op gewezen, dat de ontdekkingsreizen der Engelschen

zich in de laatste dertig jaren bijna altijd naar het noordwesten

richtten. Nederland had lang de oude wegen door het noordoosten boven de

andere verkozen; eerst toen alle pogingen vergeefs bleken gaf zij die

richting voor langen tijd op. Wij zagen, dat reeds in 1613 eene

Nederlandsche expeditie dadelijk naar het noordwesten uitgezonden werd,

natuurlijk was het dat eene compagnie, aan wier hoofd een handelaar op

Nieuw-Nederland, Lambert Van Tweenhuysen[635], stond, dien weg niet

ondoorzocht zou laten. Ook was het daarheen, dat de Noordsche Compagnie

verder hare meeste ontdekkingsreizen richtte.

[634] R. S.-G. 16 Jan. 1615.

[635] Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 44.--O’Callaghan, Hist. of

New-Netherland. I p. 74.--Ook de bewindhebbers der N. C. Samuel

Godin bezat land in Nieuw-Nederland. (O’Callaghan l. c. I p. 121,

125, 479.) Adriaan Van der Donck noemt de N. C. in verband met de

eerste reizen naar Nieuw-Nederland. (O’Callaghan l. c. I p. 29.)

Den 2 April 1615 kwam in de vergadering der Staten-Generaal het plan der

compagnie ter tafel; hare schepen waren reeds gereed om ter ontdekking

uit te zeilen. De Noordsche Compagnie beoogde met deze reis niets minder

dan bij noorden om naar China te varen en om de Kaap de Goede Hoop terug

te keeren[636]. Weinige weken voordat Jaques Le Maire langs het

zuidwesten eene reis om de wereld begon, vertrok dus eene andere

expeditie met hetzelfde doel en »omme te soecken ende ontdecken zeekre

nyeuwe landen liggende int noortwesten” uit de Nederlandsche zeegaten.

Maar de geest, die de bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie

bezielde,--een geest, waarvan Le Maire in het volgende jaar de treurige

uitwerkselen zou ondervinden,--was aan de Noordsche Compagnie te goed

bekend dan dat zij zich niet vooraf van de medewerking der

Staten-Generaal zou verzekerd hebben. Voorzichtiger dan de bekende

mededinger der Oost-Indische Compagnie verzochten de bewindhebbers

vooraf van de regeering eene akte, dat het den schepelingen geoorloofd

zou zijn op hunnen terugtocht de havens, die onder het octrooi der

Oost-Indische Compagnie begrepen waren, aan te doen. Maar hooren wij hen

zelven. »De Bewinthebberen vande geoctroijeerde compagnie vande

Noordersche quartieren gheeuen reuerentelyck te kennen”, dus heet het,

»dat zij geresolveert sijn eenighe scheepen weederom te seijnden tot het

ondersoucken vande passagien bij noorden naer China ende Cathaij, Welcke

Schepen nu eerstdaechs sullen gereet sijn om in Zee te loopen, ende

dewijle dat onseeker is, offschoon de zelue passage werde ontdeckt, dat

het doenlijck soude weesen met de Scheepen de selue wech wederom te

keeren, maer dat zij souden genootsaeckt zijn te passeeren de Cabo de

Bona Esperantie ofte d’engte van Magalanes, ende ouersulcx gedwongen ’t

zij om ververssinge van water, victualie ende anderssints aen te doen

eenige landen In Oost-Indien, de welcke hun bij de Scheepen vande

Oost-Indische Compagnie aldaer weesende soude mogen werden belet, soo

keeren sij supplianten hun tot uwe H. M. deselue ootmoedelijck biddende

te verleenen acte op dat de voornoemde Scheepen onverhindert de

voorsseide passage souden mogen doen ende de versseide Landen

frequenteeren, op dat sulcken goeden aengeuangen werck in geener

Manieren werde verachtert.”[637] De Staten-Generaal oordeelden het

verzoek »in reden, billickheyt ende equiteyt ghefundeert,” en als altijd

gunstig voor het zoeken van den noordelijken doortocht gestemd,

verleenden zij dadelijk de verlangde akte[638], ja toen de compagnie den

11 Mei nog een jacht ter leen vroeg om de reis te maken, besloten de

Staten-Generaal onmiddellijk »alsoo de saecke haeste vereyschte ende

faveur meriteerde,” dat de Amsterdamsche admiraliteit met de supplianten

zou onderhandelen om hun het verlangde te leenen zoo ’s lands belang dit

toeliet[639].

[636] R. S.-G. 2 April 1615.

[637] Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Apr. 1615, in: Noordsche

togten. 4. Loop. N. C. 1616-34. R.-A.--Akte voor de Noortsche

Compagnie, dd. 2 April 1615. (Gr. Placaetb. I p. 671, 72.)

[638] R. S.-G. 2 April 1615.

[639] R. S.-G. 11 Mei 1615.--De N. C. had hierbij het oog op het

oorlogsjacht „de Craen,” bekend door zijne reis in 1611 met May. De

admiraliteit toonde zich wel genegen dit schip, dat niet goed voer,

aan de compagnie te verkoopen, maar zij weigerde het te leenen.

(Resol. Adm. Amst. 13, 14 Mei 1615.) De compagnie wilde echter den

koop natuurlijk niet sluiten, en den 18 Juni werd „de Craen”

verkocht aan Pieter Evertsz. Hulft voor ƒ 2900. (Resol. Adm. Amst.

26 Aug. 1614, 5, 12, 18 Juni 1615.)

Kort daarop vertrok werkelijk een jacht, door de Noordsche Compagnie

uitgezonden, naar het noordwesten. Het zeilde straat Davis in en kwam

tot de vóor dien tijd daar nog niet bereikte hoogte van 80° NB.[640] Ook

over deze merkwaardige reis van Nederlanders, die een jaar vóor Bylot en

Baffin nog verder dan dezen in het noordwesten doordrongen, heeft ons

Joris Carolus naar ik meen eenig bericht nagelaten. In zijn boven

vermeld kaartboek, dat voor de kennis der noordelijke streken zoo groot

gezag had, dat daaruit alle latere Nederlandsche kaartenmakers naar het

schijnt bijna zonder uitzondering geput hebben, verhaalt hij ons

nauwkeurig de strekking van de oostkust van straat Davis tot op 71°.

»Dan cryght men,” dus gaat hij voort, »een groote ruyme Zee Noord-west

op gaende ende also weder Noordwaert rontsom nae ’t Oosten toe loopende,

ende dan weder Zuydwaert tot de voorszeide enghte (nam. straat Davis.)

Deze zee loopt sooverre Noordwaerts tot 79 graden, maer is achter dicht

ende vast landt met Inwycken ende Rivieren, daer een groote menichte van

ys gegenereert wordt, dat allenskens met de groote afwatering deur het

nauwe van de Straet inde Noord-zee comt dryven langhs beyde custen henen

tot in Terra Nova, alwaer ick een menichte hebbe sien dryven tot in de

groote Baye van S. Laureyns achter ende bewesten Terra Novam.”[641] Het

komt mij weinig twijfelachtig voor, dat Carolus deze ervaring op de

hierbesproken reis van 1615 heeft opgedaan: de gevolgde koers, de

bereikte hoogte stemmen nagenoeg overeen met het van elders bekende;

Carolus was volgens zijne eigene getuigenis slechts driemaal hoog in het

noorden en wij weten dat een dier reizen reeds in 1614 had plaatsgehad;

eindelijk het staat vast, dat hij met de Noordsche Compagnie nauw

verbonden was en in 1614 en 1617 in haar dienst reizen deed. Wij kunnen

dus nagaan, dat de expeditie langs beide zijden van straat Davis en van

de toen nog onbezeilde Baffins-bay een doortocht trachtte te vinden[642]

en, toen zij dien niet vond, ouder gewoonte haar geluk in den handel met

de inlanders beproefde. Immers Carolus toont zich met de bewoners der

kust goed bekend: zijn oordeel over hen luidt zeer ongunstig. »De

Inwoonders van dit Landt aen beyde zyden van de Straet,” dus verhaalt

hij verder[643], »zyn alte-samen Heydenen ende wilde Menscheneters. Men

moet haer schoon semblant niet ghelooven, al wat sy vermanghelen willen,

dat langhen sy op haer riem, daer sy haer cano met voort roeyen, sy en

vertrouwen niemant, daerom zyn sy oock niet te betrouwen, men moet hem

wel wachten van aen landt te loopen, ten sy dat ghy wel op u hoede syt

met een goet musquet: want sy vraghen niet veel nae een sabel, want men

comtse soo nae niet: maer sy connen u treffen met hare boghen ende

slingers, maer als sy sien datter een ter neder ghevelt wordt met een

musquet, soo loopen d’ander te landewaert in int gheberghte daer sy haer

onthouden.” Dus teleurgesteld keerden de reizigers terug: straat Davis

uitgezeild bereikten zij een groot land, zich uitstrekkende van 57° tot

53° NB. »twelck men beraemde te wesen ten zuyelycxsten van Fretum

Davits.” Dit land, dat niets anders zijn kan dan de reeds lang bekende

kust van Labrador, werd door hen dus waarschijnlijk voor een nieuw

ontdekte streek gehouden. De schepelingen gingen aan land en namen in

naam der Staten-Generaal plechtig bezit daarvan door het planten der

wapens van H. H. M. Aan een kaap op de kust gaven zij den naam van een

der bewindhebbers van de Noordsche Compagnie en noemden ze

»Tweenhuysens-hoeck.”[644]. De compagnie haastte zich na de terugkomst

van het jacht in November volgens het »generael octroy” eene akte aan te

vragen, dat zij de ontdekkers waren van het betreden land. De

Staten-Generaal vervielen in dezelfde dwaling als de bewindhebbers en de

akte werd verleend[645].

[640] R. S.-G. 26 Nov. 1615.

[641] Carolus, Het nieuw vermeerde Licht des Zee-vaerts. p. 148.

[642] Van de aanwezigheid van Joris Carolus op deze reis dragen de

oude kaarten nog de sporen. In navolging van Carolus zelven noemen

vele oude Nederlandsche kaarten aan Groenlands westkust op 61° de

namen: »Mr. Ioris hoeck” en „Mr. Ioris Bay.” In den omtrek vindt men

daar nog de Nederlandsche namen: Statenhoeck, Mauritii Bay,

Wapenbergen, Caep Maelson en Wilde bay (MS. kaart v. Carolus.

R.-A.--Kaarten van Groenland in den atlas van Goos en bij:

Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 71); ook dezen zou ik geneigd zijn

tot deze reis terug te brengen, de naam van Maurits van Nassau wijst

toch op eene reis, die vóor 1625 moet plaatsgehad hebben en ook de

bekende François Maelson, een der ijverigste bevorderaars der reis

van 1594, zal het jaar 1615 wel niet zeer lang overleefd hebben.

[643] Carolus, Het nieuw vermeerde Licht des Zee-vaerts. p. 147.

[644] Deze naam komt voor op de geteekende kaart van Joris Carolus

van 1626 (R.-A. Vgl. De Jonge, Opkomst, p. 31 Noot 2. De kaart is

vlg. de R. S.-G. 10 Apr. 1626 uitgegeven.) Het komt mij niet

twijfelachtig voor, dat men dien tot dezen tocht moet terugbrengen.

In den omtrek van Tweenhuysens-hoeck bevinden zich nog op de kust

van Labrador de volgende Hollandsche namen: Cardinaels-hoed,

Hoybergen, Swarte hoeck, Twee rode eylanden, Steylhoeck, Ganse-bay,

Vastlant, Slapershaven, Noothaven, Claptmuts-bay, Orangebay,

Hollandtsche bay, Schildpadds-eyland, Sadel-eyland, Vossen-eyland,

Syboldshoeck, Zuydtoosthoeck, Warderhoeck, Anthonis ofte

Cameelshoeck, Lage hoeck, Schoon eylant en Jacob Wendelshaven.

Waarschijnlijk zijn ook deze namen op de reis van 1615 gegeven. (Zie

ook de atlassen van J. Danckers, P. Goos en N. Visscher uit de

tweede helft der zeventiende eeuw.)

[645] R. S.-G. 26 Nov. 1615.

Hoe weinig praktische resultaten de groote reis, door Carolus en de

zijnen volbracht, ook had opgeleverd, zij had den Nederlanders de

overtuiging geschonken, dat daar althans de gewenschte doortocht naar

het verre Indië niet te vinden was. Carolus verzekerde later zonder

aarzelen, dat de »deurgangh daer veel treffelijcke Zeevaerders naer

ghesocht hebben maer te vergeefs” niet bestond[646]. Nieuwe pogingen

schenen vruchteloos, nu eene zoo volhardende bemanning geleid door een

stuurman als Carolus niet geslaagd was. Nog slechts éen enkele weg bood

dus aan de Noordsche Compagnie kans op het bereiken van haar doel: lager

in het noordwesten, waar Frobisher en Hudson gehoopt hadden eene

zeeëngte te vinden, was nog veel ondoorzocht; niemand had van daar nog

zulke zekere en teleurstellende berichten medegebracht als Carolus

omtrent straat Davis. Daarheen moest dus de steven gewend. Onvermoeid

toog de Noordsche Compagnie weder aan het werk: in het voorjaar van 1616

had zij eene nieuwe expeditie gereed, die den laatsten weg zou

onderzoeken. Het jacht »den Orangienboom,” van Amsterdam, kapitein

Willem Jansz[647], vertrok van Jan Mayen-eiland, waar dit jaar de

walvischvangst voornamelijk gedreven werd, stevende benoorden IJsland

langs, omzeilde Groenlands zuidpunt en kwam, straat Davis overstekende,

aan »het westlant van fretum davits,” d. i. het tegenwoordige

Cumberland-island. Daar werd waarschijnlijk in Frobisher-straat naar den

doorgang gezocht, die daar niet te vinden was, misschien Hudsons-straat

en baai bezeild[648], maar het eenige resultaat der reis, toen het

jacht in November in het vaderland terugkwam, was, dat men een land op

de westkust van straat Davis tusschen 60° en 66° NB. had verkend en

betreden. Men had daar met de inwoners gesproken en van het land,

Statenland genoemd, in naam der Staten-Generaal met het planten hunner

wapens bezit genomen[649]. Evenals de ontdekking van het jaar 1615 werd

ook Statenland volgens het »generael octroy” voor vier jaren onder het

octrooi der Noordsche Compagnie begrepen[650], zonder dat het blijkt,

dat daarom de vereeniging zich ooit op het verkeer met die verre

gewesten heeft toegelegd[651].

[646] Carolus, Het nieuw vermeerde Licht des Zee-vaerts. p. 147.

[647] Instr. v. de Stn.-Gen. voor Schrobop dd. 23 Mei 1616, in:

Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

[648] Ik zou dit opmaken uit de op het R.-A. aanwezige kaart der

noordelijke streken tusschen Hudsons-baai en IJsland, door Joris

Carolus in 1626 vervaardigd, waarop hij aanteekent, dat hij deze

landen »driemael selfs beseylt” heeft. Het komt mij waarschijnlijk

voor, dat Hudsons-baai op deze reis bezocht werd; Carolus was

ongetwijfeld ook nu de piloot der N. C. en op geen andere reis

kwamen de Nederlanders zoozeer in de nabijheid der baai. Zoo ik

twijfel, dan is het alleen, omdat Carolus blijkbaar voor het

samenstellen zijner kaart ijverig gebruik gemaakt heeft van die van

Jens Munck van 1619, 20. (Zoo noemt hij b. v. de „nieuwe zee” van

Hudson „Mare Christiane”, terwijl Munck Hudsons-straat Fretum

Christiani, Hudsons-baai Mare novum en James’-bay Mare Christianum

noemde naar Christiaan IV van Denemarken. Op twee plaatsen in

Hudsons-straat vind ik aangeteekend: „hier hebbense overwintert” en

„Munckenes.”) Wel is waar vindt men op deze kaart in en bij

Hudsons-straat Nederlandsche namen genoeg, als: Beerenhoeck, Kolden

hoeck, Gebroken landt, Susters, Ys-eylandt, Snee eylandt, Zuydhoeck,

maar misschien zijn ze op dezelfde wijze van Munck overgenomen en

vertaald; van de „Susters” en het „Snee eylandt” is dit ten minste

zeker.--Zie over Muncks reis: Barrow, Voyages into the arctic

regions. p. 230-34.--Relation du Groenland, in: White, Spitzbergen

and Greenland. p. 237-47.

[649] Misschien werd op deze reis de niet onbelangrijke opmerking

gemaakt, dat er in die streken overvloed van walvisschen was.

Carolus teekent toch op zijne bovenvermelde geteekende kaart ten

noorden van „Comberlants Bay” aan: „walvis veel”, „hier coocten

traen,” enz. Het is echter niet onmogelijk, dat ook deze

aanteekeningen op eene reis van Jens Munck of een ander betrekking

hebben. (Zie vorige noot.)

[650] R. S.-G. 23 Nov. 1616.

[651] Met het in 1634 als station der walvischvaarders genoemde

„Statenlandt” (Octr. der Stn. v. Fr. voor de comp. voor de

walvischv. dd. 22 Nov. 1634, bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p.

221) schijnt Edge-island bij Spitsbergen bedoeld te zijn. (Zie

hiervóor p. 152 Noot 9{[601]}.) Het komt mij voor, dat het streven

der N. C. om anderen uit te sluiten zonder zelf van de in bezit

genomene streken eenig nut te trekken, moet toegeschreven worden aan

de slechte ondervinding door haar opgedaan, toen zij in 1614

verzuimd had van de schijnbaar onbelangrijke ontdekking van Jan

Mayen-eiland kennis te geven aan de Staten-Generaal.

Geschiedenis der Noordsche Compagnie · 第 20 / 52 段