Het laat zich denken, dat zij weinige avonturen beleefden, die der
vermelding waardig zijn. Toch is het naïeve verhaal van het lijden der
zeven mannen in hun kleine hut op Spitsbergen, die niettegenstaande
hunne waarschuwing tegen de koude slecht voorzien was, aantrekkelijk en
aangrijpend. Onvermoeid gingen zij op de jacht en verzuimden geene
gelegenheid om zich daardoor beweging en hunnen meesters winst te
verschaffen. Niet ontmoedigd door de gevaren hunner positie schroomden
zij niet andere gevaren tegemoet te gaan: verre tochten werden ter
rendierenjacht ondernomen; met hunne ontoereikende hulpmiddelen zetten
zij den walvisch na, en de gevreesde koning der ijsvlakten, de
reusachtige beer, zag zich in gevecht bij gevecht door de zeven matrozen
overmand: de aankomst van een der Nederlanders was eindelijk reeds
voldoende om de ijsbeeren, uitgehongerd als zij waren, van hunne prooi
te verjagen. En in al die gevaren, terwijl hunne watervaten naast het
vuur stijf bevroren, terwijl de koude hen dikwijls dwong den nacht op-
en neergaande door te brengen, terwijl de sneeuw soms het uitgaan
belette en alle gebouwen bedekte, terwijl bijna alle levensmiddelen door
de vorst hun smaak verloren, terwijl de harde wind, die hun houten huis
reeds eenmaal bijna een prooi der vlammen had doen worden, hen soms
belette te stoken, ja terwijl een van hen zich nog bovendien verbeeldde
»van de Satan aengevochten te worden,”--onder al die ellende ontsnapte
geen klacht aan hunne pen! Slechts éenmaal--het was in het begin van
hunne eenzaamheid, toen de harde vorst voor geen vuur wilde
wijken,--schreef Segersz. in het journaal, dat zij »by nae
gediscouragieert werden, en oversulcks Godt Almachtigh daghelijcks
baden, hen niet na verdiensten te straffen.” Maar de moedeloosheid was
van korten duur: dadelijk werden weder de gewone bezigheden ter hand
genomen en in duisternis en koude gingen zij op de hun aanbevolen jacht.
Ja, toen het Kersfeest aanbrak was de opgeruimdheid teruggekeerd: zij
»koockten den Ham en een Rheenen hutspot, nuttigden daer benevens een
back heete Wijn en gaven yder man 7 duym Toback met een schoone Pijp.”
Zoo vierden zij hun feest; het eten van goede, verwarmende spijs was den
ongelukkigen waarlijk reeds een zelden voorkomend genot! Nieuwjaarsdag
volgde »met bittere koude, jacht-sneeu ende harde Vorst,” maar de moed
noch zelfs de opgeruimdheid ontviel hun. »Op dato”, dus schrijft
Segersz., »hebben wy ons Gebedt tot Godt gedaen, dat hy ons door sijne
Goddelijcke genade in dit Nieu aengevangen Iaer voor allen quade wilde
bewaren; nae welck Gebedt ick een kanne heete Wijn met een Salaet liet
gereet maecken, aen yder Persoon tot een Nieuw-Iaer (weder!) een schoone
Pijp met ses duijm Taback uytreyckende.” En toen was ook hunne grootste
ellende voorbij: op het einde van Januari kwam de zon terug; weldra
begon het ijs te breken, de bevroren voorwerpen wat te ontdooien. De
tochten buiten de hut strekten zich toen allengs verder uit en daarmede
was ook het gevaar voor scheurbuik grootendeels geweken. Den 26 Mei 1634
kregen zij eindelijk de eerste sloep van de terugkeerende
walvischvaarders in het gezicht, »daer over sy al t’ samen seer verblijd
waren, God danckende dat hy hen so langhe bewaert hadde ende voor alle
prijckel beschermt”.[617]
[617] Zie het wedervaren der overwinterenden zeer uitvoerig verhaald
in: „Vander Brugge, Journael gehouden by Seven Matroosen in haer
Overwinteren op Spitsbergen.”
Hoe was het ondertusschen met hunne lotgenooten op Jan Mayen-eiland
afgeloopen? Reeds dadelijk liet de zaak zich voor hen erger aanzien. Het
voortdurende slechte weder, storm en sneeuw belette hen spoedig uit te
gaan en de noodige beweging te nemen; de beeren, die aan de Spitsbergers
gedurig zulk een welkomen voorraad versch vleesch verschaften, kon men
hier slechts zelden bemachtigen. De zeven matrozen op Jan Mayen-eiland
hadden het dan ook op 71° veel erger dan hunne lotgenooten op 80°: de
koude was nijpend, het weder woest. Wel werden zij niet als de
Spitsbergers in eene maandenlange nacht gehuld, maar de vale schemering,
die zich gedurende eenige uren per dag vertoonde, terwijl de zon zelve
achter de hooge bergen bleef schuilen, strekte slechts om hun het
troostelooze van hun toestand duidelijker te doen zien. In hun tent
opgesloten hadden zij niets om de lange, lange dagen zonder eenige
afwisseling te korten; bij de verveling kwam zich weldra ziekte en angst
voegen. Het journaal der ongelukkigen, dat aanvankelijk met stoicijnsche
onverschilligheid slechts eentoonige opgaven van weer en wind
bevat,--(in dit opzicht is het dan ook waarlijk verdienstelijk
nauwkeurig!),--dat over ziekte en rampen zwijgt en een enkele klacht,
die onwillekeurig aan de pen ontsnapt, dadelijk weder afbreekt door eene
nieuwe meteorologische waarneming, begint dan ook allengs met weinige,
maar treffende woorden den klimmenden angst der zeven kluizenaars te
schilderen. Heette het aanvankelijk, toen de zon begon te verdwijnen:
»in de Tent konnen wy niet langher sien te lesen of te schrijven, soo
dat ons den dagh heel ontvalt ende sitten meest met toe deuren, ’t welck
een weynigh onse couragie beneemt, snachts de wint N;” later schreef de
»boeck-houder”, dat zij »seer begeerigh” waren om een beer te schieten,
»alsoo sy lange den ouden kost gehadt hadden, ende daer deur seer met
het Scheur-buyck gequelt waren;” en weinige dagen later: »wy en vernemen
tegenwoordigh niet sonders, oock so is onse couragie wat kleyn, alsoo wy
vry wat sieck van ’t Scheurbuyck zyn; wy hebben weynigh verversinghe,
om ons een weynigh op de been te helpen.” Toen daarop de eerste der
zeven op Paaschdag stierf, schreef een der overblijvenden: »de Heer wil
zijn Ziel genadigh zijn, en geven ons wat ons salich is, want wy meest
oock al sieck zijn; hoe het Godt met ons versien heeft is hem bekent!”
Maar onder al die rampen en ongelukken trachtten zij toch moed te
houden. Nauwelijks kwam een korte zonneschijn hen vervrolijken of het
journaal betuigt dankbaar: »Den 9 September de windt ZO met moy
Sonne-schijn, soo dat wy onse Hembden uyttrocken, sittende teghen het
Geberghte aen, en koester(en)de en vermaekende ons soo wat.” Ook de
verveling zochten zij te bezweren: »wy leyden somwylen een discoersjen
in ’t hondert, ende elck vertrock vast zijn avontuer, dat hy soo te
lande als te water, wel van zijn leven gehadt hadde, ofte hem bejegent
was, so brochten wy somwijlen onsen tijt toe.” Toen de rampen toenamen
en de ziekte, die zoovele reizigers in het noorden reeds gedood had, ook
hen meer en meer begon te kwellen, sterkten zij zich door het gebed:
»Anno 1634 den eersten Januarius, naer wy smorghens op gerezen zijn
geweest, so hebben wy malkanderen een gelucksalig Nieuwe-jaer toe
gewenscht, en wenschten malkanderen dattet ons tot een goede uytkomste
gelucken mochte, ’t welck ons hartelijck begeeren was, ende hebben
ghelijckelijck een Gebedt gedaen, om alsoo ons ghemoet wat te
verlichten.” En werkelijk het gelukte hun, al werd de toekomst hoe
langer hoe donkerder, goeden moed te houden; het gelukte hun in al hunne
ellende nog »sonderlinge vermaeck te hebben in 3 jonge Beerkens te sien,
welcke waren ontrent als kleyne Schaepkens.” Nauwelijks veertien dagen
nadat de boekhouder dit schreef, viel hij als eerste offer van het
scheurbuik; nog veertien dagen later eindigt het journaal plotseling op
30 April 1634 bij »klare Sonneschijn weer” midden in een volzin: de
scheurbuik had den laatste hunner alle krachten benomen. Het overige
laat zich gissen; de schepelingen, die 4 Juni op het eiland aankwamen,
vonden hen allen »seer desolaet” en dood in hunne kooien liggen: »d’een
voor d’ander nae was van de groote koude, die daer geen ghebreck was,
versteven, ende waren soo allen van ongemack vergaen.”[618]
[618] Zie een uitvoerig verslag van hun wedervaren in: „Twee
Journalen gehouden by Seven Matroosen op het Eylandt Mauritius
gestorven enz.”
Het is licht te begrijpen, dat na deze ondervinding geen van de
bemanning der vloot het waagde op de onherbergzame kust achter te
blijven; maar op Spitsbergen, waar men van dit alles onbewust was,
stonden de zaken anders. De ondervinding had geleerd, dat het niet
alleen mogelijk was daar in goede gezondheid de strengheid van den
winter te trotseeren, maar het verblijf der zeven matrozen had een
overrijken buit van beerenvellen in handen der Noordsche Compagnie
gebracht. Wel had de walvischvangst niets opgeleverd, maar een grooter
aantal mannen zou misschien beter slagen. Vol hoop op de toekomst
besloot men dan ook het oordeel der bewindhebbers over eene voortdurende
vestiging in te winnen; voorloopig bepaalde men, dat weder eenige
matrozen op Smeerenburg zouden achtergelaten worden. De goede uitslag
van het vorige jaar gaf den matrozen moed: »verscheyde Persoonen
presenteerden haer gewilligh” om te blijven. Uit die allen werd Andries
Jansz. van Middelburg met zes man uitgekozen en in het najaar van 1634
op het eiland achtergelaten.
Het korte uittreksel uit hun journaal, dat ons overgebleven is, geeft
een aangrijpend verhaal van hunne ellende; met vreesselijke
eentoonigheid bevat het dag aan dag het bericht, dat de een voor de
ander na door het scheurbuik aangetast wordt, een drank inneemt en toch
voortdurend verergert. Want hetzij dat de beeren door het onafgebroken
jagen bevreesd geworden waren, hetzij de matrozen minder moed en
behendigheid toonden dan hunne voorgangers, zeker is het dat zij geen
versch vleesch konden krijgen en ook het als »salaet” bekende kruid, dat
het beste geneesmiddel tegen de scheurbuik is[619], konden zij »tot
haerder groote droefheydt niet op doen.” Wel »troosten sy haer onder
malkander, dat God haer groente en verversinge wesen sou(!), en dat hy
’t versien sou;” maar de ziekte, die zich reeds den 24 November
geopenbaard had, nam toe en een maand later was »niemandt van haer allen
sonder pijn.” »Wilt niet beter worden,” dus schreven zij mismoedig, »soo
zijn wy altemael doodt eer de Schepen hier komen; dan Godt weet wat ons
van nooden is.” Reeds 14 Januari 1635 viel een van hen als slachtoffer
der ziekte, twee zijner medgezellen volgden binnen drie dagen. De
beeren, die nu als om hen te bespotten in groote troepen kwamen
opzetten, waren veilig: »sy hadden de macht niet om een Roer af te
schieten, en of sy al getreft hadden, om haer nae te loopen, want konden
de eene voet voor den ander niet setten, noch gheen Broodt bijten,
hadden vreesselijcke pijn inde lenden en ’t lijf, en hoe quader weer hoe
slimmer; de eene spoogh bloedt, de andere loosde bloedt door de
stoelgangh. Ieroen Carcoen was de sterckste noch, die haelde altemet
noch wat kolen om vyer aen te leggen.” De vier overblijvenden zagen
eindelijk de zon terugkomen; maar het was slechts om hun sterfbed te
verlichten. Reeds twee dagen later (26 Februari 1635) schreven zij:
»Wij leggen met ons vieren, die noch in ’t leven zijn, plat te Koy, wy
souden wel eten, wasser een soo kloeck dat hy uyt syn Koy komen kon om
vyer aen te leggen. Wy konnen ons niet roeren van pijn. Wy bidden Godt
met ghevouwen handen, dat hy ons uyt dese benaude Wereldt verlossen wil;
alst hem belieft, soo zijn wy gereet, want wy mogen ’t dus niet langer
harden sonder eten of vyer, en wy konnen malkander niet helpen; elck
moet sijn eygen last dragen.” Zoo eindigde het journaal! Maanden later
vonden de schepelingen der walvischvloot hen dood in hunne tent, de drie
eerst gestorvenen in kisten, de overigen in hunne kooien of op den
grond, de kin tegen de knieën getrokken door koude en ziekte. De mannen
»maeckten kisten tot de vier, en begroeven haer nevens de andere drie in
’t snee, alsoo daer noch door de groote koud’ geen andere gelegentheydt
was; maer naderhandt doe het snee begon te smelten, en het Landt begost
bloodt te komen, begroeven sy se met Aerde het best dat sy konden, alle
seven aen malkanders zijde, leyden steenen op haer kisten, om dat sy van
’t Wildt niet verscheurt souden worden.”[620]
[619] Zie over deze „salaet” („scurvy-grass”) en de ook wel eens
vermelde zuring: Vander Brugge, Journael. p. 6, 7, 8.--Scoresby,
Account. I p. 145.--Martens, Voyage to Spitzbergen, by: White,
Spitzbergen. p. 49, 50.
[620] Het uittreksel uit het journaal der zeven matrozen is
afgedrukt achter: Raven, Journael van de reyse nae Spitsberghen
inden Jare 1639 p. 12-14,--en in: Twee journalen vande Seven
Matroosen. p. 21-23.
»Naderhandt en isser geen meer Volck op Spitsbergen ghebleven om te
overwinteren,” zegt de uitgever van het journaal. Onder hen, die dit
vreesselijke tooneel gezien en gevoeld hadden, was de lust en de moed om
het voorbeeld der slachtoffers te volgen gering.
HOOFDSTUK V.
ONTDEKKINGSREIZEN DER NOORDSCHE COMPAGNIE.
Terwijl alzoo eene nieuwe nering de IJszee tot het tooneel van een
levendig verkeer maakte, was de westelijke helft der poolstreken nog
steeds hoogst onvolkomen bekend en bijna geheel verlaten gebleven. Eerst
veel later zou men er toe komen die streken voor de oefening der
walvischvangst te gebruiken; voorloopig waagden zich slechts enkelen in
de onherbergzame oorden, en die enkelen was het meest allen te doen om
den zoo gewenschten doortocht naar Oost-Indië te vinden. Reeds voordat
de ongelukkige tocht van Pet en Jackman in 1580 de Engelschen van
verdere onderzoekingen in het noordoosten had afgeschrikt, was hun oog
op het westen gevallen, waar de nog nagenoeg onbezochte noordsche
wateren misschien een gemakkelijker en zeker een korter weg beloofden
dan door het noordoosten ooit te vinden zou zijn.
De eerste, die pogingen deed om dezen weg te vinden, was Sir Martin
Frobisher, die op drie reizen (1576-78) de naar hem genoemde baai en de
nabijgelegen landen op 62° NB. nauwkeurig onderzocht. Maar de doortocht
was daar niet te vinden, en het later gezochte goud beloonde zijne
moeite evenmin. Hem volgde weinige jaren later (1585-87) de
wereldberoemde John Davis, die eveneens drie reizen ondernam. Het was
hem meer dan zijnen voorganger ernst met het zoeken van den doortocht.
Telkens was de naar Davis genoemde zee het doel zijner reizen en het
gelukte hem de beide kusten der zoogenaamde straat, vooral de oostelijke
nauwkeurig te verkennen tot op 73° NB. Hoeveel hoop deze ontdekkingen
ook op het vinden van den doortocht mochten geven, het spoor van Davis
werd voorloopig niet weder betreden. Eerst George Weymouth stevende in
1602 weder naar het noordwesten. Het feit, dat hij de eerste was, die de
reeds door Davis geziene Hudsons-straat een eind weegs bezeilde, heeft
deze reis meer bekend gemaakt dan het resultaat verdient. Reeds spoedig
toch dwong het scheepsvolk den wakkeren kapitein den steven te wenden
en naar het vaderland terug te keeren. De vier reizen, door James Hall
voor Deensche en Engelsche rekening naar straat Davis ondernomen
(1605-7, 12), leverden geene nieuwe resultaten. Veel belangrijker was in
dit opzicht de bekende vierde reis van Henry Hudson (1610/11), die de
geheele naar hem genoemde straat door en de groote baai binnenzeilde,
waar hij overwinterde en als het slachtoffer eener samenzwering den dood
vond. De expeditie, in 1612 onder Sir Thomas Button uitgezonden om hem
te zoeken, bereikte niet alleen de westkust van Hudsons-baai, waar zij
overwinterde, maar verkende ook in 1613 het noordelijker gelegen
Southampton-island tot 65° NB. Verder dan een hunner voorgangers kwamen
in 1615 en 1616 Robert Bylot en William Baffin, die het tweede tijdvak
der Engelsche noordpoolreizen sluiten. Op hunne eerste reis drongen
zij door Hudsons-straat tot op ruim 65° aan de oostkust van
Southampton-island door; hun tweede tocht bracht hen tot op bijna
79° in de naar Baffin genoemde baai, waar zij de drie straten
ontdekten, die nog voor de eenige gehouden worden, waardoor de
doortocht in het hooge noorden mogelijk is: Smith’s sound, Jones’ sound
en Lancaster-sound[621].
[621] Zie over deze reizen uitvoeriger: Barrow, Voyages into the
arctic regions. p. 77-217.
Het zou zeker verbazend geweest zijn, zoo de Nederlanders, de eerste
zeevarende natie der zeventiende eeuw, het tooneel, waarop hunne
mededingers voortdurend door hun moed en volharding lauweren behaalden,
onbezocht gelaten hadden. Het feit op zich zelf, dat een Engelschman
eene nieuwe onderneming had begonnen, was destijds voldoende om
Nederlanders tot navolging uit te lokken; hoe zou dat hier het geval
niet geweest zijn, nu het welslagen der Engelschen dezen in het bezit
zou gesteld hebben van den kortsten weg naar Oost-Indië juist op het
oogenblik, dat de wedijver van beide natiën daar meer en meer een
ernstig karakter begon aan te nemen? Ook is het slechts de geheele
onbekendheid der latere Nederlandsche noordpoolreizen, die ooit het
gevoelen heeft kunnen doen wortelschieten, dat de Nederlanders in de
zeventiende eeuw het noordwesten nooit bezocht hebben; wij zagen reeds,
dat nog voor het einde van het eerste tijdperk een Amsterdamsch schip
den steven daarheen wendde. Juist echter nu dus aan de vaart der
Nederlanders naar het noorden nieuwe banen schenen geopend te zullen
worden, bedreigde haar een ernstig gevaar. Het octrooi der Noordsche
Compagnie sloot een groot gedeelte der noordpoollanden voor allen, die
geen aandeel in de vereeniging hadden; de vischrijke stranden van
Spitsbergen, de langen tijd gezochte goudmijnen aan straat Davis waren
aan het verkeer onttrokken, de handel met de Groenlanders was verboden.
Nam reeds dit op zich zelf een prikkel tot nieuwe ontdekkingsreizen weg,
weldra zouden er nieuwe moeielijkheden daartegen oprijzen. De
ondervinding had geleerd, dat het bezit van land in de IJszee voor de
walvischvangst nuttig, ja onontbeerlijk was, en terwijl dus de
inbezitneming der reeds bekende landen door de Noordsche Compagnie
spoedig te verwachten was, verklaarde deze reeds dadelijk, dat zij
voornemens was verdere ontdekkingstochten te doen om de tot nu toe
onbekende streken voor hare nering in bezit te nemen. Het was
gemakkelijk te voorspellen, dat de compagnie, dus meester in de geheele
IJszee en tot in straat Davis toe, weldra feitelijk het monopolie zou
verwerven ook voor reizen ter ontdekking van den noordelijken doortocht,
waartoe zij beter dan iemand in staat was, omdat zij gemakkelijker en
minder kostbaar dan alle andere Nederlanders de vaart kon volbrengen.
Wat erger was, het kon den schijn hebben, alsof de Staten-Generaal hunne
goedkeuring aan dit monopolie geschonken hadden. Daarvoor moest gezorgd
worden: de regeering, die zelfs aan de zoozeer bevoorrechte
Oost-Indische Compagnie het monopolie om de IJszee te bevaren
uitdrukkelijk geweigerd had om zoodoende den prikkel tot ontdekkingen
levendig te houden, wilde er voor waken, dat ook nu de omstandigheden
haar op nieuw tot het verleenen van voorrechten gedwongen hadden, de
ondernemingszucht der Nederlanders niet uitgedoofd werd en eene andere
bevoorrechte vereeniging niet de voordeelen verkreeg, die aan hare
oudere zuster geweigerd waren. De zaak scheen spoed te vereischen en
reeds dadelijk werd dan ook het »depescheren” van het octrooi der
compagnie opgehouden[622].
[622] R. S.-G. 27 Jan. 1614.
Ook buiten de vergadering der Staten-Generaal waren deze bedenkingen
gerezen. Isaac Le Maire, de hardnekkige tegenstander van alle monopolie,
de gevreesde vijand der Oost-Indische Compagnie, zag dadelijk het gevaar
in, dat de ondernemingen zijner landgenooten bedreigde. Juist was hij
met een nieuw omvangrijk plan bezig, dat beloofde de Oost-Indische
Compagnie door de ontdekking van eenen nieuwen weg in het zuidwesten
eindelijk haar monopolie te ontwringen, maar de zaak was toch niet zeker
genoeg dan dat hij niet alles in het werk zou stellen om zich bij
mislukking van dit plan den ouden reeds eenmaal beproefden weg door het
noorden open te houden. Met het oog op zijne Austraalsche Compagnie en
op het pas verleende octrooi der Noordsche diende hij daarom weldra bij
de Staten een verzoekschrift in, waarbij hij, wars van alle duurzaam
monopolie, als belooning zijner moeite zich de voordeelen zijner
eventueele ontdekkingen ten minste voor eenige jaren bij uitsluiting
trachtte te bedingen[623]. Het gevolg was, dat de Staten den 27 Maart
1614 wel het octrooi der Noordsche Compagnie nu definitief
uitvaardigden, maar tevens een »generael octroy” verleenden »voor die
geene die eenige nieuwe Passagien, Havenen, Landen oft Plaetsen souden
ontdecken.” »Wy verstaen,” dus spraken de Staten, »eerlijck, dienstlijck
ende profijtelijck voor dese Landen, ende tot vorderinge van den
welstant van dien, oock tot onderhoudt van het Zeevarende Volck te
wesen, dat die goede Inghesetenen verweckt ende gheencourageert worden,
omme hen te employeren ende verkloecken in ’t ondersoecken ende
ontdecken vande Passagien, Havenen, Landen ende Plaetsen, die voor desen
niet ontdeckt ofte bevaren zijn gheweest, ende is by eenige Koopluyden
ons openinge ghedaen, dat syluyden door Godes ghenadige hulpe, met
diligentie, moeyten, periculen ende kosten, hen daer toe sulcks
verhoopen te employeren, dat daer van goede vruchten souden staen te
verwachten, indien onse beliefte ware, hen te octroyeren, priviligieren
ende begenadigen, dat sy die Passagien, Havenen, Landen ende Plaetsen,
by henluyden van nieuws te vinden ende ontdecken, alleen souden mogen
bevaren, beseylen ende frequenteren voor ses reysen in recompense van
hare kosten, moeyten ende periculen: Met interdictie dat niemant
directelijck ofte indirectelijck de selve Passagien, Havenen, Landen
ofte Plaetsen soude mogen bevaren, beseylen ofte frequenteren, voor ende
al eer die eerste ontdeckers ofte bevinders der selver, de voorschreve
ses reysen souden hebben volbracht.” De Staten-Generaal dit alles
»rijpelijck overgewogen hebbende, ende bevindende het voorschreve
voornemen voor den welstant der Vereenichde Landen loffelijck, eerlijck
ende dienstelick, Ende willende het besoecken voor alle ende een
yeghelijck vande Ingesetenen deser Landen vry ende gemeen maecken,
wilden allen ende een yeghelijck vanden Inghesetenen der Vereenichde
Nederlanden tot het voorschreve ondersoeck noodigen”, en »octroyeerden
ende consenteerden daeromme, dat die geene die eenige nieuwe Passagien,
Havenen, Landen ofte Plaetsen voortaen sou ontdecken, hy de selve
alleenlijck sou bevaren ofte doen bevaren voor vier reysen, sonder dat
yemant anders directelijck ofte indirectelijck de selve nieuwe ontdeckte
ende gevonden Passagien, Havenen, Landen ofte Plaetsen sou mogen uytte
Vereenichde Landen beseylen, bevaren ofte frequenteren, voor dat den
eersten bevinder ofte ontdecker de selve vier reysen selfs sal hebben
ghedaen, ofte doen doen, op peyne van confiscatie vande Schepen ende
goederen daer mede daer jegens sou worden gheattenteert, ende een mulcte
van vijftich duysent Nederlandtsche Ducaten ten profyte vande
voorschreve Bevinder ofte ontdecker.”
[623] Dat Le Maire en zijne compagnons van de Austraalsche Compagnie
de verzoekers van het „generael octroy” waren, staat vermeld bij:
Bakhuizen v. d. Brink, Isaac le Maire, in: Gids. 1865. IV p. 44. Ik
heb daarvoor geen bewijs gevonden, maar het is zeer waarschijnlijk,
te meer omdat zich in de verzameling „Noordsche togten” (1. R.-A.)
een afdruk van het „generael octroy” bevindt, waarop met eene hand
van dien tijd geschreven is: „Austraelsse Compaignie.”--O’Callaghan
(Hist. of New-Netherland. I p. 69) schrijft het vragen van het
octrooi toe aan de handelaars op Nieuw-Nederland, waaronder trouwens
waren Jan Clemensz. Kies e. a. Hoornsche kooplieden, die leden waren
van Le Maire’s compagnie. (O’Callaghan l. c. I p. 74.)--De R. S.-G.
27 Maart 1614 spreken slechts van »verscheijden Coopluijden,
Ingesetenen vande Vereenichde Provinciën.”
Tegenover de voorrechten aan de Noordsche Compagnie verleend werden dus
andere voordeelen uitgeloofd, die het aan ieder vrijstond te verkrijgen.
Ieder oogenblik kon er nu een mededinger voor de bevoorrechte
vereeniging opstaan, en om misverstand tusschen de wedijverende lichamen
te voorkomen, bepaalden de Staten-Generaal nu reeds dadelijk, »dat sy by
desen niet en verstonden eenige prejuditie ofte verminderinge te doen
aen hunne voorgaende Octroyen ende Concessien. Ende soo verre in ofte
ontrent een tijdt, ofte in een Jaer, een ofte meer Compagnien sulcke
nieuwe Passagien, Landen, Havenen ofte Plaetsen vonden ende ontdeckten,
dat de selve te samen dit Octroy ende Privilegie souden genieten. Ende
in gevalle eenige gheschillen ofte differenten desen aengaende ofte
andersints uyt dese hunne Concessie quamen te rijsen ofte ontstaen,
souden de selve by haer Ho: Mo: worden gedecideert, waer naer hem een
yegelijck sou hebben te reguleren.”[624]
[624] Gr Placaet-boeck. I p. 563-66--R. S.-G. 27 Maart 1614.