[571] Zorgdrager (Groenl. vissch. p. 235, 36) en na hem bijna alle

werken over de walvischvangst (o. a. De walvischvangst. I p. 29, 30)

plaatsen het verlaten van Smeerenburg vóor den val der N. C. Ten

onrechte, zooals onwederlegbaar blijkt uit Noot 8{[568]}.--Scoresby

(Account. II p. 143-45) daarentegen houdt het er voor, dat nog lang

nadat de N. C. gevallen was en de kustvisscherij was opgegeven,

Smeerenburg druk bezocht werd op het einde van het getij om het spek

in vaten te pakken. In dien tijd plaatst hij zelfs den grootsten

bloei van Smeerenburg door het jaarlijksch bezoek van de dubbele

bemanning van 2 à 300 schepen. Dit is echter bepaald onjuist. De

groote bloei der walvischvangst, die toen 2 à 300 schepen telde,

begon eerst toen de schepen zich in het ijs waagden, en de afstand

van daar naar Smeerenburg was natuurlijk te groot om alleen voor het

inpakken van het spek, dat even goed op het schip zelf geschieden

kon, dien langen weg af te leggen; de dubbele bemanning was toen ook

natuurlijk als onnoodig reeds lang afgeschaft. Bovendien weten wij

van Martens, dat Smeerenburg in 1670 reeds sinds geruimen tijd

verlaten en aan het vervallen was.

Gedurende het vijf- of zesjarig tijdperk na den val der compagnie, dat

men dus de plaats was blijven bezoeken,--ongetwijfeld het tijdperk van

de grootste drukte in het dorp,--hadden de reeders hunne gebouwen en

inrichtingen nog op het strand laten staan. Of ze echter nog met vele

nieuwe vermeerderd werden, schijnt mij twijfelachtig; de walvischvangst

onder het land was in 1642 reeds te zeer afgenomen, dan dat men vele

kosten zou gedaan hebben om zich daar te vestigen. Weldra werden dan ook

de schuren ontruimd, alle gereedschappen, alles wat draagbaar was er

uitgenomen; zelfs de traanketels werden losgebroken, in de schepen

geladen en weggevoerd. De huizen zelve, met zoovele kosten gebouwd,

moest men achterlaten; ze verdwenen weldra door de baldadigheid

der matrozen, door brand en vooral door verwaarloozing[572].

Walvischvaarders, die in 1670 en 1680 Spitsbergen bezochten, vonden van

het eens zoo bloeiende Smeerenburg, van de Harlinger kokerij, die

slechts tien jaren bestaan had, niets dan eenige fondamenten van

traanketels, eenige vervallen huizen, waarin men hier en daar nog eenige

vermolmde vaten, een aanbeeld, dat te zwaar geweest was om meegevoerd te

worden, enkele gebroken gereedschappen zag[573]. In 1784 was alles

verdwenen: van het geheele dorp met zijne huizen en forten was niets dan

eenige bouwvallen overgebleven[574]. De reiziger, die nu de plaats

bezoekt, waar eens Smeerenburg stond, vindt niet dan met moeite de

sporen van deze eens zoo bekende kolonie: het kerkhof alleen, dicht bij

Smeerenburg aan de Westbaai gelegen[575], bewaart onvergankelijk de

sporen der menschelijke vergankelijkheid[576].

[572] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 237, 266.--Tegenw. Staat. I p.

591.

[573] Martens, Voyage to Spitzb., bij: White, Spitzbergen. p. 22,

23.--Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 88, 227.--Lindeman, Arkt. Fisch.

p. 9.

[574] De walvischvangst. I p. 17, II p. 25.

[575] Vander Brugge, Iournael der Seven Matroosen. p. 30.

[576] Martens, Voyage to Spitzb., bij: White, Spitzbergen. p. 23.

Nu ik de Spitsbergsche vestiging zoo uitvoerig beschreven heb, kan ik

over die op Jan Mayen-eiland korter zijn: beide nederzettingen droegen

geheel hetzelfde karakter. De vestigingen op Jan Mayen-eiland waren

ongetwijfeld belangrijker dan die op Spitsbergen, in dezelfde mate als

de walvischvangst daar meer opleverde; zij zijn echter minder bekend,

omdat zij vroeger dan Smeerenburg verlaten schijnen te zijn en omdat zij

minder het aanzien van een visschersdorp zullen gehad hebben dan van

eenige kleine en onaanzienlijke buurten. De eerste belangrijke

uitrusting ter walvischvangst naar Jan Mayen-eiland werd gedaan in

1616[577], en reeds dadelijk waren er dit jaar 15 schepen bijeen: de

Noordsche Compagnie zond er 6, de kleine Noordsche Compagnie 5, de

Zeeuwen waren nu voor het eerst door 2 schepen vertegenwoordigd en ook

eene Duinkerksche reederij waagde zich met 2 schepen in de bijna

onbekende wateren[578]. Hoewel Zeeuwen en Duinkerkers de vaart niet lang

voortzetten en ook de Hollanders aanvankelijk niet zoovele walvisschen

vonden als zij zochten, werd Jan Mayen-eiland toch gedurende vele jaren

druk door de walvischvaarders bezocht. Evenals in 1616 werd de

uitrusting van de Noordsche Compagnie in 1617 uitsluitend naar het

eiland bestemd[579], waar de Engelschen de Nederlanders niet in hun

bedrijf stoorden; en al werd langzamerhand Spitsbergen op nieuw door de

schepen der compagnie bezocht, Jan Mayen-eiland was en bleef haar

hoofdkwartier[580]. Natuurlijk werd de traankokerij daar dadelijk

begonnen; mag men de overlevering gelooven, dan kookte de bemanning van

een Rotterdamsch schip, de »Mary Muss” (Maria Musch?)[581], de eerste

traan op het eiland in de naar dit feit benoemde baai (een gedeelte der

Kruisbaai.)[582] Hoe dit zij, zeker is het, dat er weldra vele

Nederlandsche traankokerijen op Jan Mayen-eiland verrezen, niet als op

Spitsbergen bij elkaar op de wijze van een dorp maar verspreid in

verschillende baaien. Scoresby noemt sporen van traankokerijen in de

Zuidbaai, aan den Rooberg, in de Noord- of Engelsche baai en in de

beide Kruisbaaien[583]. De drie eerste vestigingen, op het zuidelijk

gedeelte der westkust van het eiland gelegen, waren echter de eenigen,

die hoop op rijke vangst gaven en die dus belangrijk genoemd mogen

worden[584]. In de Noordbaai was het hoofdkwartier der Noordsche

Compagnie[585]. Daar vond men op het strand niet minder dan tien

»tenten”, waarvan er eens drie, alle toebehoorende aan de Amsterdamsche

kamer met tien sloepen en de daarbij liggende vaten en traanbakken door

eene aardstorting wegspoelden[586]; dáar overwinterden in 1633 zeven

matrozen, dáar waren ook twee Amsterdamsche kokerijen gevestigd[587].

Natuurlijk had de Noordsche Compagnie op Jan Mayen-eiland hetzelfde

systeem gevolgd als op Spitsbergen; iedere kamer had hare afzonderlijke

baai of plaats, waar ze hare eigene traankokerij, hare eigene huizen

had[588]. Het geheele getal huizen en schuren schijnt vrij aanzienlijk

geweest te zijn; overal toch vond men later fondamenten en ruïnen[589].

Reeds in 1628 was de vestiging van zooveel belang, dat de Noordsche

Compagnie het de moeite waard oordeelde, daar evenals op Smeerenburg

twee forten en eene batterij op te richten tegen de aanvallen der

zeeroovers[590]. Nog in 1699 vond Zorgdrager, toen hij de ruïnen

bezocht, niet minder dan twintig sloepen, twee groote booten, koelbakken

en traanvaten, zelfs groote stapels kabeltouw op het strand aan weer en

wind blootgesteld[591]. De vangst schijnt dikwijls zoo rijk geweest te

zijn, dat de berging onvoldoende was: het overschietende gedeelte, op

Smeerenburg meestal in de pakhuizen geborgen, schijnt op Jan

Mayen-eiland dikwijls begraven te zijn geworden[592]. Maar toch hield de

visscherij ook hier eerlang op onder het land voordeel te geven: nog

eerder dan bij Spitsbergen verlieten de walvisschen hier de

kustzee[593]. Omstreeks het einde der Noordsche Compagnie schijnt Jan

Mayen-eiland verlaten geworden te zijn; het ijs, dat o. a. in 1632 de

schepen den geheelen zomer belette aan land te komen[594], heeft zeker

later het eiland eenmaal geruimen tijd ingesloten gehouden: zóo zijn

waarschijnlijk de boven aangeduide goederen der compagnie op het eiland

achtergebleven[595].

[577] Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop dd. 23 Mei 1616.--Zie

verder Hfdst. IX.

[578] Zie hierna Hfdst. VIII, IX.

[579] „Corte Deductie” der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche

togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

[580] Zorgdrager beweert (Groenl. vissch. p. 285), dat de

Nederlandsche walvischvangst aan Jan Mayen-eiland steeds veel

onbeduidender was dan die aan Spitsbergen. De statistieke opgave op

p. 109 en 110, hoe onvolledig ook, leert dunkt mij het tegendeel en

het is trouwens niet meer dan natuurlijk, dat het Amsterdamsche

eiland met twee baaien minder voordeel gaf dan Jan Mayen-eiland met

vijf.

[581] Dat het schip door eene vrouw met name Maria Musch uitgerust

zou zijn, zooals het verhaal eigenlijk luidt, komt mij met het oog

op de inrichting der N. C. onwaarschijnlijk voor.--In de R. S.-G. 24

Dec. 1626, 24 Febr. 1627 vinden wij Mr. Cornelis Musch, „Secretaris

tot Rotterdam”, genoemd als reeder van een schip naar het noorden.

Mogelijk was hij lid van de N. C.

[582] Scoresby, Account. I p. 157.--Vgl. Van Keulen, Zee-atlas I p.

75.

[583] Scoresby, Account. I p. 157.

[584] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 102.--De walvischvangst. II p.

62.

[585] Van Keulen, Zee-atlas. I p. 75.

[586] Van Keulen, Zee-atlas. I p. 75.--Scoresby, Account. I p.

157.--De Amsterdammers lieten dadelijk twee nieuwe tenten bouwen.

[587] Twee Journalen der Matroosen. p. 6, 7.

[588] Gr. Placaetb. I p. 674.--Twee Journalen der Matroosen. p.

6.--R. S.-G. 28 Mei 1622.

[589] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 238, 260, 285.--Gr. Placaetb. I

p. 673, 74, 78.--Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche

togten. 4. Loop. N. C. R.-A., en ald. Bijl. K: Getuigenis v. Wybe

Jansz. voor de regeering van Amsterdam.

[590] Wassenaer, Hist. verh. XVI fol. 26.--Twee Journalen der

Matroosen. p. 4, 5.

[591] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 285.

[592] Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 8 Apr. 1638, in: Stn. N. C. v.

d. Hrl. gedeput. R.-A.--Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, in:

Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Wassenaer, Hist. verh. XVI

fol. 26.--Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4

Apr. 1637.

[593] Zie o. a. Van Keulen, Zee-atlas (I p. 76), die zeer veel

woordelijk heeft overgenomen van kaartboeken uit den tijd, dat de

walvischvangst aan Smeerenburg nog in vollen gang was.

[594] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr.

1637.

[595] Vgl. Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 101, 260, 266.--De

walvischvangst. I p. 31.

Geheel op zich zelve stonden de vestigingen der Nederlanders op

Spitsbergens oostkust. De walvischvangst, die daar door de Noordsche

Compagnie gedreven werd,--de zoogenaamde zuidijsvisscherij in

tegenoverstelling der westijsvisscherij, die men bij Smeerenburg op

noordelijker graden dreef[596],--was van betrekkelijk groot belang.

Bizonderheden daarover zijn echter weinig bekend. Zorgdrager verhaalt

ons, dat ten tijde der Noordsche Compagnie de zuidijsvisscherij--later

alleen in geval van nood, wanneer de westijsvisscherij niets opleverde,

in den natijd ter hand genomen[597]--geregeld werd gedreven[598]. En

werkelijk zijn de bewijzen voorhanden, dat die tak der walvischvangst

niet onbelangrijk was in de dagen, toen men zich nog met de

kustvisscherij bezighield. Sporen van traankokerijen en hutten zijn

gevonden aan het verafgelegen Disco (Stones foreland), op het Hoop- en

Halvemaans-eiland[599] en op de kusten van Wybe Jansz.’-water bij

Whaleshead[600]. Wij weten, dat in 1636 behalve deze plaatsen ook de

»Swarte hoeck” en »Staten-landt” (Edge-island?)[601] als voordeelig voor

de walvischvangst gelegen werden beschouwd[602]. Men zegt zelfs, dat

door de Noordsche Compagnie de walvischvangst bij Novaya-Zemlya soms

»met redelyck goet gevolg” gedreven werd[603]. Wel is het niet

waarschijnlijk, dat al de gevondene ruïnen van Nederlanders afkomstig

zijn, daar ook de Engelschen zich reeds vroeg op de visscherij aan

Spitsbergens oostkust toelegden[604], maar er blijkt toch voldoende uit,

dat de zuidijsvisscherij niet zonder belang was, te meer daar men bij de

betrekkelijke onzekerheid der vangst, dáar niet zoo licht als bij de

voordeeliger westijsvisscherij zal overgegaan zijn tot het bouwen van

schuren en traankokerijen[605].

[596] De walvischvangst. I p. 52.

[597] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 81.--cf. Scoresby, Account. II

p. 180.--Lindeman, Arkt. Fisch. p. 20.--De walvischvangst. I p.

45.--Zorgdrager l. c. p. 204.

[598] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 179, 80.

[599] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 213.

[600] Petermann, Spitzbergen. p. 42.

[601] Edge-island draagt op oude kaarten dikwijls den naam

„Staadsforeland”, waarschijnlijk eene verbastering van Staten- (of

Staats-) voorland.

[602] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 412.

[603] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 179.

[604] Pellham, Gods power, in: White, Spitzbergen. p. 258.

[605] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 367, 68.

* * * * *

Wij hebben nu den geheelen omvang der Nederlandsche vestigingen op

Spitsbergen en Jan Mayen-eiland leeren kennen. Voorwaar! er was reden

genoeg, waarom de Noordsche Compagnie op den eigendom der door haar

bezette plaatsen zou kunnen aanspraak maken. Maar toch had de compagnie

vijanden, die niet aarzelden haar recht op de met zooveel moeite

bebouwde en verdedigde plaatsen te bestrijden. Engelschen, Denen,

Franschen en Zuid-Nederlanders betwistten haar alle uitsluitende

rechten. Wat meer was, er waren vijanden, die niet eens de moeite namen

met een juridieken eisch op te treden,--die slechts het oogenblik

afwachtten, wanneer de schepen der compagnie naar het vaderland

teruggekeerd waren, om de verlaten plaats in te nemen, te rooven en te

plunderen. Het was wel gebeurd, dat de Nederlandsche walvischvaarders in

het voorjaar bij hunne vestigingen komende hunne schuren door Baskische

of Duinkerksche zeeroovers opengebroken gevonden en uit gebrek aan het

noodige gereedschap hun bedrijf niet naar wensch geoefend hadden. Eén

middel slechts was er om zich op den duur voor deze gevaren te

beschermen, de walvischvaarders moesten voor goed hun verblijf in de

barre noordelijke gewesten opslaan. Smeerenburg en Jan Mayen-eiland

moesten werkelijk worden wat ze reeds niet zonder overdrijving

heetten[606]: Nederlandsche koloniën.

[606] De N. C. beweerde, dat de door haar bezette plaatsen haar

toebehoorden „Jure Inuentionis, Occupationis et Diuturnae

possessionis, datt sijluijden hare colonien aldaer hadden geplant,

voor soo vele als de nature ende hett climaett van die plaetsen

toelaett, dat sij luijden den geheelen soomer aldaer woonen, ende

des winters alleen mett de menschen voor eenen tijtt demigreren, om

te euiteren de felheijtt vande locht, ende de onlijdelijcke koude,

latende inde selue quartieren continuelijcken staen hare steenen

ende houtten huijsen, gemeubleert ende versien mett allerleij

ghereetschappen tott de visscherije noodich, oock de plaetse

geapproprieertt tott den Godesdienst mitsgaders de forten ende

baterijen versien mett Canon.” (Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 3 Mei

1633, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.)

Het denkbeeld eenmaal opgevat had veel wat het aanbeval. Niet alleen

zouden de goederen der Nederlanders in de IJszee voortaan veilig zijn,

maar ook onmiddellijk voordeel was met de duurzame vestiging in het

noorden te behalen. Gedurende den langen winter konden de bewoners, niet

door de drukte der walvischvangst beziggehouden, ongestoord jacht maken

op de tallooze beeren en vossen, die door honger gedreven zich in groote

scharen ver over het ijs in zee waagden en dus zeker een kostbaren buit

den jagers toevoeren zouden. Nog meer, de overwinterenden, behoorlijk

tot de visscherij uitgerust, konden in het najaar en in het vroege

voorjaar, wanneer geen schip zich zoo hoog in het noorden bij het land

durfde wagen uit vrees van in het ijs beklemd te raken, zonder vrees op

de walvischvangst uitgaan; zoodra een scheur in het ijs zichtbaar werd,

konden zij onderzoeken of soms de walvisch zich daar reeds vertoonde; de

prooi, door storm of toeval op het strand geworpen, konden zij

vermeesteren en bereiden. Zoodoende kon men zich van het uiterst

kostbare plan een winst beloven, die verre van onbeduidend zijn

zou[607].

[607] Wassenaer, Hist. verh. XI fol. 57, 58.--Twee journalen der

Matroosen. p. 2, 4, 7, 17.--Vander Brugge, Journael p. 3, 6.--Req.

der N. C. c. Vrolicq dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4.

Loop. N. C. R.-A.--Scoresby, Account, I p. 168--Gr. Placaetb. I p.

678, 79.

Maar van den anderen kant waren de bezwaren niet gering. Men behoefde

zich slechts de door Heemskerck en Barendsz. uitgestane ellende te

herinneren om zelfs moedige en ondernemende personen van eene

proefneming af te schrikken. Toch moest voor alles onderzocht worden, in

hoeverre de uitvoering mogelijk was; het gold dus nu mannen te vinden,

moedig genoeg om met een klein getal de gevaren van eenen winter onder

de pool te trotseeren. En die gevaren waren niet gering, het was zelfs

onzeker of men het waagstuk niet met den dood zou moeten bekoopen. Maar

Nederlandsche kooplieden der zeventiende eeuw gaven niet spoedig een

plan op wanneer het winst beloofde, ook al was de uitkomst onzeker; en

arme varensgezellen, die niets te verliezen hadden, met den

avontuurlijken geest bezield, die de Nederlandsche natie toenmaals

kenmerkte, mannen met een hart in het lijf en weinig geld op zak, konden

op den duur de verleiding niet weerstaan. Al duurde het dan ook lang eer

men het plan uitvoerde; zoodra men het ernstig doorzetten wilde, werden

er wel mannen gevonden, die bereid waren het waagstuk te ondernemen en

eene nieuwe bladzijde te voegen in het roemrijke boek, dat de avonturen

der Nederlandsche zeelieden zou verhalen.

Het denkbeeld eener overwintering op Spitsbergen schijnt het eerst bij

de Moscovische Compagnie gerezen te zijn. Haar komt de eer toe, met

scherpen blik de voordeelen te hebben ingezien, die eene voortdurende

vestiging in het noorden kon opleveren. Zij loofde eene premie uit voor

degenen, die het waagstuk wilden ondernemen. Maar niemand bood zich

aan. Zelfs ter dood veroordeelde misdadigers, aan wie gratie beloofd was

op voorwaarde dat zij eenen winter op Spitsbergen zouden doorbrengen,

namen het aanbod wel gretig aan, maar deinsden terug, toen zij met

eigene oogen de barre woestijnen aanschouwden, waar zij alleen in koude

en duisternis vele maanden zouden moeten doorbrengen. Zij verkozen eenen

wissen en smadelijken dood nog boven eene langzame marteling, al gaf zij

hoop op behoud[608]. De graagte om te overwinteren vermeerderde er niet

op, toen negen matrozen, bij ongeluk door de Engelsche walvischvaarders

in Bellsound achtergelaten, het volgende voorjaar allen dood en half

verslonden teruggevonden werden[609]. En misschien zou er van het

geheele plan nooit iets gekomen zijn, zoo niet in den winter van 1630/31

acht Engelschen, bij toeval weder in Bellsound achtergebleven toen de

walvischvloot vertrok, niettegenstaande hun gebrek aan goed voedsel,

kleeding en woning, door buitengewone vindingrijkheid en energie alle

bezwaren te boven gekomen en in het voorjaar van 1631 gezond en wel door

de walvischvaarders teruggevonden waren[610].

[608] Pellham, Gods power, bij: White, Spitzbergen. p. 263, 64.

[609] Scoresby, Account. II p. 48.--Pellham, Gods power, bij: White,

Spitzbergen. p. 264.

[610] Zie het uitvoerig verhaal van hun wedervaren bij: Pellham,

Gods power, in: White, Spitzbergen. p. 266 vlg.

Dit voorval moet wel krachtig medegewerkt hebben tot de verwezenlijking

van de plannen der reeders op de walvischvangst. De Engelsche visscherij

was toen reeds te onbeduidend dan dat zij aan eene vestiging zou hebben

gedacht, maar de Noordsche Compagnie, op het toppunt van haren bloei

gekomen, schepte nieuwen moed. Reeds lange jaren had het plan onder de

geliefkoosde denkbeelden der bewindhebbers behoord. In 1623 boden eenige

»onbedachte luyden” hun aan op Spitsbergen eenen winter door te

brengen[611] en hoewel zij toen op dit voorstel als eene »onnoodige

saeck” geen acht sloegen, lag het toch in den aard der zaak, dat zij er

met meer ernst over zouden beginnen te denken, zoodra het bleek, dat

eene voortdurende vestiging een krachtig middel ter verdediging tegen

allerlei soort van vijanden zou zijn. Reeds in 1626 was dan ook een

uitgewerkt plan gereed, dat alles goeds beloofde. Vijf en twintig

mannen, van levensmiddelen en medicijnen rijkelijk voorzien, zouden op

Spitsbergen eene ruime woning bouwen met eene keuken en vele gemakken en

goed tegen de koude beschut. Een kachel zou hen voor het bevriezen

bewaren. Bij hen zou zijn een scheepje van 25 last, dat den geheelen

winter in eenen inham voor het ijs beveiligd zou worden. Gedurende den

langen nacht zou beerenjacht en vossenvangst hun bezigheid en beweging

verschaffen; zoodra de zon doorkwam en het ijs losraakte, moesten zij

het schip in zee brengen en beproeven of in die tijden, wanneer een

groot schip uit Nederland er nog niet aan kon denken Spitsbergen te

naderen, de walvischvangst of de walrusjacht reeds eenig voordeel

opleverde. Meteorologische waarnemingen--wel verre van voorwendsel te

zijn[612]--waren integendeel hoofddoel der onderneming; men kwam er toch

reeds nu voor uit, dat deze eerste overwintering slechts eene

proefneming zou zijn voor latere ondernemingen op grooter schaal. Men

mocht het onmiddellijk voordeel dus verzuimen, zoo men slechts

nauwkeurige berichten over de bewoonbaarheid der poolstreken en de

gevaren, waaraan de bewoners zich blootstelden, medebracht. Met deze

voornemens was men vervuld toen de vloot uitzeilde; het schijnt echter,

dat men, toen het op de uitvoering aankwam en men de bezwaren nogmaals

overwoog, tot de overtuiging gekomen is, dat meer onderzoek en meer

voorbereiding noodig was, eer men zoovele personen aan de gevaren van

eenen winter onder de pool blootstelde. Misschien schoot ook de moed der

vijf en twintig uitgelezenen te kort, toen zij de zaak meer van nabij

overlegden: hoe het zij, de overwintering werd uitgesteld[613]. Maar

niet voor goed; meer en meer vestigde zich de aandacht op de voordeelen,

die eene gelukkig geslaagde proefneming beloofde. Reeds in 1628 werd er

op nieuw van gesproken[614] en toen de gelukkige uitslag der Engelsche

overwintering bekend werd, nam men de zaak met kracht weder ter hand. In

1633, toen de vijandige houding van eenige Basken en de moeielijkheden,

daardoor met Frankrijk en Denemarken ontstaan[615], de noodzakelijkheid

eener voortdurende vestiging op nieuw aangetoond hadden, besloot men

eindelijk tot eene dubbele proefneming, op Spitsbergen en op Jan

Mayen-eiland[616]. Waarschijnlijk door het uitzicht op belooning

aangespoord, boden veertien personen zich dadelijk vrijwillig voor het

waagstuk aan. Jacob Segersz. van Brugge werd met zes man (waaronder twee

Duitschers) op Smeerenburg achtergelaten, Outgert Jacobsz. van

Grootebroek bleef met zes anderen in de Noordbaai op Jan Mayen-eiland.

[611] Wassenaer, Hist. verh. VII fol. 110.

[612] Scoresby, Account. I p. 168.

[613] Wassenaer, Hist. verh. XI fol. 56-58, XII fol. 9

[614] Wassenaer, Hist. verh. XVI fol. 26.

[615] Zie hierna Hfdst. VII, VIII.

[616] Gr. Placaetb. I p. 678, 79.

Geschiedenis der Noordsche Compagnie · 第 18 / 52 段