Aan dien twijfelachtigen toestand, toen de pretensiën der compagnie in

strijd waren met haar feitelijk bezit, werd volgens alle schrijvers een

einde gemaakt door de overeenkomst, die de geheele westkust van het

eiland tusschen de verschillende natiën, die ze bezochten,

verdeelde[514]. Het bestaan dezer overeenkomst, waarop--als weleer op

het contrat social--alle schrijvers zonder onderscheid zich beroepen

zonder dat zij ooit opgeven, wat de juiste bepalingen daarvan waren,

tusschen wie en wanneer ze gesloten werd, schijnt mij intusschen zéer

twijfelachtig. Er zou volgens de Noordsche Compagnie zelve in bepaald

zijn, dat de grens tusschen Engelschen en Nederlanders bij Fair foreland

getrokken zou worden[515], terwijl anderen alleen Fairhaven met hare

drie baaien als het Nederlandsche gebied aanwijzen[516]. Het is

onmogelijk bij het gemis van alle bewijsstukken deze tegenspraak op te

lossen, maar toch is het zeker, dat de Engelschen na 1623 langzamerhand

van de visscherij ten noorden van Fair foreland afgezien hebben[517] en

dat de Nederlanders zich na 1618 nooit meer ten zuiden van Fairhaven

waagden. In de tusschen Engelschen en Nederlanders opengelaten ruimte

vestigden zich in 1633 de Franschen en sedert 1640 de Hamburgers[518]

zonder van eenige schriftelijke overeenkomst te weten[519]. Het komt mij

daarom waarschijnlijk voor, dat door eene stilzwijgende schikking de

grenzen dezer verschillende ligplaatsen zijn afgebakend, en dat deze

schikking door langdurig gebruik bevestigd werd. De quaestie van het

bestaan van het contract is dus van weinig belang. Ook al heeft het

nooit bestaan, dan nog blijft het recht der Nederlanders op de twee

noordelijke baaien van Fairhaven, waarop zij voornamelijk aanspraak

maakten[520], even onbetwistbaar. Zij hadden zich de beide baaien, vóor

hen nooit door iemand bezocht, reeds sinds 1614 toegeëigend; zij hadden

door langdurig bezit den eigendom van dien »cleynen hoeck” gronds

bevestigd, en het was dus eene dwaasheid om, zooals enkelen deden[521],

Spitsbergen in zijn geheel voor een woest en vrij land te verklaren.

[514] Zie o. a. Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 194, 211.--De

walvischvangst, I p. 26.--Lindeman, Arkt. Fischerei. p. 9.--De N. C.

beweerde in 1633, „qu’il fust accordé, Que ceux d’Angleterre et ceux

de la Compagnie flamande des lors en avant feroijent la paisiblement

leur Pesche, Sans nuire, troubler ou inquieter l’un l’autre

d’avantage, et ainsi demeureroijent certaine distance les uns des

autres.” (Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche

togten. 4. Loop. N. C. R.-A.) Vrolicq van zijne zijde beweerde, „dat

de limiten vande Compagnie ~soo onseecker syn~ als hare

begeerlycheyt onmatich is, ende alle palen ende limiten te buyten

gaende.” (Req. v. Vrolicq aan de Stn.-Gen. v. 1634, in: Noordsche

togten. 4. Loop. N. C. R.-A)

[515] Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Febr. 1634, in:

Noordsche togten 4. Loop. N. C. R.-A.

[516] Scoresby, Account. II p. 37 vlg.--Vrolicq beweerde in 1634,

dat eene baai ten noorden der Hamburgerbaai was „onder het quartier

vande Engelschen” (Req. aan de Stn.-Gen., in: Noordsche togten. 4.

Loop. N. C. R.-A.), en de N. C. zelve stond hem toe te visschen »au

Zud du Cap de Zud de la Baij de Magdalena.” (Req. der N. C. dd. 2

Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.)

[517] Reeds in 1627 verklaarde de Engelsche regeering, dat „de

limiten om te visschen bij partien contendenten (nam. Engelschen en

Nederlanders) waeren geraemt.” (Muller, Mare clausum. p. 223.) Een

onverdeeld gezamenlijk bezit van Fairhaven is daarmede niet te

vereenigen.

[518] Nergens heb ik vóor 1642 Hamburgers op Spitsbergen genoemd

gevonden. Martens’ opgave van het jaar 1640 als ongeveer het begin

der Hamburgsche walvischvangst (Lindeman, Arkt. Fisch. p. 13)

schijnt mij dus zeer waarschijnlijk, hoewel Lindeman (l. c.) het

jaar 1620 aanneemt.

[519] Zie hierboven p. 139 Noot 7{[514]}.--Volgens Zorgdrager waren

er omstreeks 1700 sporen van vestigingen te vinden aan Disco (Stones

foreland), op het Hoop- en het Halvemaans-eiland, aan Wybe

Jansz.’-water, in Hornsound, Bellsound (in drie inhammen), Icesound

(in Greenharbour en Behouden haven), in Osburns-inlet (?) (St.

Jans-baai), Kingbay (Engelsche baai), Crossroad, Hamburger-baai,

Maudlensound, Fairhaven (in de Engelsche baai, Robbenbaai en

Hollandsche baai), Archijpel (Zeeuwsche baai), Roode baai (?) en in

Biscayerhoek. (Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 212-214.)

[520] De N. C. eischte in 1633, dat Vrolicq zou blijven „buyten de

limijtten van Magdalenenbaije ende de noorder punt ofte noorder

gatt,” waar zij haar bedrijf oefende. (Req. der N. C. c. Vrolicq dd.

3 Mei 1633, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.)

[521] Req. v. Vrolicq c. de N. C. dd. 15 Apr. 1633, in: Stn. N. C.

v. d. Hrl. gedeput. R.-A. („Uwe Ho. Mo. is al te well bekent het

onderscheyt datter is tusschen landen die bewoont syn ende met

forteressen ende garnisoenen continuellyck gepossideert ende bewaert

werden, ende landen die t’ eenemael woest ende onbewoont synde,

nergens anders toe en dienen als tot commoditeyt van die ghene die

ter zee haere neeringhe doen; ten welcken insichte de selve oock ~de

jure gentium~ gehouden werden van deselve natuyre ende recht als de

zee selffs.”)

De grensregeling tusschen de Noordsche Compagnie en hare buitenlandsche

mededingers kwam dus reeds in 1618 feitelijk tot stand; maar

tegelijkertijd begon het twisten tusschen de kamers onderling over het

ieder van haar toekomende gebied. Wij zagen reeds, dat de Noordsche

Compagnie in 1618 nog stijf vasthield aan haar recht om ook buiten

Fairhaven te visschen. Het gevolg was voor eenige harer leden

allernoodlottigst. Bij de verloting der baaien onder de kamers was

Fairhaven aan de Amsterdammers »toegecaveld;” aan de andere kamers was

het ongeluk te beurt gevallen, in de zuidelijke baaien naast de

Engelschen hun bedrijf te moeten oefenen[522]. Toen echter na de

onaangenaamheden van 1618 de verhouding tusschen beide natiën gespannen

was geworden en dus het bezoeken der zuidelijke baaien voor de

Nederlanders gevaarlijk werd, schijnt de Amsterdamsche kamer haar

verkregen recht op de Mauritius-baai toch gehandhaafd en hare zusters

uitgesloten te hebben. Het blijkt ten minste, dat zij zich in 1622 reeds

sinds verscheidene jaren in het uitsluitend bezit der baai verheugen

kon[523] en dat zij zich ook in 1623 niettegenstaande de pogingen der

andere kamers weder daar gevestigd had[524]. De baai zelve droeg dan

ook destijds terecht den naam van »Amsterdamsche baai[525];” het eiland,

waar de kamer zich neersloeg, heeft den naam van »Amsterdamsch eiland”

steeds behouden. De andere kamers schijnen aanvankelijk in deze

aanmatiging der Amsterdammers berust te hebben. De Zeeuwen vestigden

zich in de aan Fairhaven in het noordoosten grenzende baai--gewoonlijk

de Archypel genoemd naar de »Zeeuwsche Uitkyk” en andere eilandjes, die

haar begrenzen,--en sloegen er hunne traanketels en hutten op[526]; de

overige kamers, die van de Maas en van het Noorderkwartier, bezochten

waarschijnlijk Spitsbergen gedurende eenige jaren niet en stelden zich

met de visscherij aan Jan Mayen-eiland tevreden. De Amsterdamsche

nederzetting nam ondertusschen in omvang toe. Op het naar het zuidoosten

gekeerde smalle strand van het eiland, dat naar hen genoemd is, hadden

de Amsterdammers, en sinds 1617 de Denen zich gevestigd. Men vond daar

reeds in 1623 verscheidene hutten, schuren om de gereedschappen in te

bergen, gemetselde traanketels, waarbij men onder bescherming van het

aan een paal opgerichte wapen van stad of land zijn bedrijf

oefende[527]. De vangst was zoo voordeelig, dat men dat jaar zelfs

besloot eene uitbreiding aan de kolonie te geven door den aanbouw van

eenige nieuwe woonhuizen[528].

[522] Zie hierna Hfdst. VI.

[523] R. S.-G. 5 Nov. 1622. („om hare ~vorige possessie~ aldaer

vredelyck te moegen ~continueren~.”)

[524] Miss. v. Christ. IV aan de Stn.-Gen. dd. 27 Mrt. 1630, in: L.

D. 1630.--Zie nog in 1631: Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1150.

[525] Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 124.

[526] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 214, 227.

[527] Sent. v. h. Hof van Holl. in zake de N. C. c. Braem dd. 29

Juni 1629.

[528] Br. v. Fanne aan Heley dd. 24 Juni 1623, bij: Purchas,

Pilgrimes. III p. 736.

Op den duur was echter zulk een ongelijke toestand natuurlijk

onhoudbaar, en het was te voorzien, dat de verongelijkte kamers niet

lang zouden toezien, dat hare Amsterdamsche zuster dus misbruik maakte

van het voordeel, dat het toeval haar eenmaal verschaft had. Vooral

wanneer het contract met Engeland gesloten is,--dat dan omstreeks 1625

moet hebben plaatsgehad,--was de onbillijkheid in het oog loopend. Vier

kamers moesten zich dan tevredenstellen met hunne aanspraken op een

gebied, waarvan de Noordsche Compagnie officiëel afstand gedaan had!

Reeds in 1622 schijnen zich dan ook eenigen van haar in het

Amsterdamsche gebied gedrongen te hebben; althans de kamer verzocht in

het najaar de Staten-Generaal haar te handhaven in haar vorig bezit van

de Mauritius-baai[529]. Eene uitnemende gelegenheid om de zaak door te

drijven bood zich echter weldra den verongelijkten kamers aan. De Denen,

die een gedeelte van het Amsterdamsche eiland in bezit hadden, lieten

hunne plaats sinds 1623 geruimen tijd open. Er waren onaangenaamheden

met de Amsterdammers ontstaan en toen de Denen zich in 1624 niet

vertoonden, meende men zich gerechtigd tot de conclusie, dat zij van de

walvischvangst hadden afgezien. Al stonden er dan ook nog de Deensche

schuren en hutten, de kamers der Noordsche Compagnie te Hoorn, Enkhuizen

en Vlissingen namen in 1625 bezit van het verlatene terrein, iets

westelijker dan het gebied der Amsterdammers gelegen. Het Deensche

gereedschap werd eenvoudig weggenomen en de overweldigers bouwden nieuwe

loges voor hun gebruik; de Noordsche Compagnie, bewust van het onrecht

dat zij pleegde, richtte bovendien een fort ter verdediging harer

gezamenlijke bezittingen op het nieuw verworven grondgebied op[530]. De

klachten der Denen baatten niet; zij moesten hunne vestiging naar de

Robbenbaai op het Deensche eiland verplaatsen.

[529] R. S.-G. 5 Nov. 1622.

[530] Miss. v. Chr. IV aan de Stn.-Gen. dd. 28 Dec. 1631, in: L. D.

1632.--R. S.-G. 13 Mrt. 1632.--Wassenaer, Hist. verh. XII fol. 8.

Nu dus eenmaal de eerste stoot gegeven was, volgden weldra de andere

kamers. De overige Zeeuwen--die van Middelburg en Veere--schijnen met

hunne kleine baai evenmin tevreden geweest te zijn als de Vlissingers;

Delft en Rotterdam, tot nog toe naar het schijnt zonder bepaalde plaats

op Spitsbergen, waren er natuurlijk op gesteld, die te verkrijgen.

Spoedig werd aan hun verlangen voldaan. In 1633 waren alle kamers reeds

eenigen tijd vreedzaam naast elkander gevestigd[531] aan de

zuidoostelijke punt van het Amsterdamsche eiland op »een strant ontrent

een kleyne Musquetschoot breed”, omringd door vrij hooge bergen[532].

[531] Vander Brugge (Journael der Seven Matroosen) noemt „tenten”

van Amsterdam (p. 12, 25), Delft (p. 28), Middelburg (p. 23),

Vlissingen (p. 39) en Veere. (p. 37) Het bestaan eener Hoornsche

vestiging blijkt uit: Raven, Iournael. p. 11,--eener Enkhuizensche

uit: Wassenaer, Hist. verh. XII fol. 8;--Rotterdam wordt door

Zorgdrager (Groenl. vissch. p. 220) genoemd.

[532] Van Keulen, Zee-atlas. I p. 72.

Niettegenstaande deze schijnbare eenheid bleef men echter streng

vasthouden aan het beginsel van afzondering der verschillende kamers,

dat men nu eenmaal aangenomen had. Iedere kamer had op het strand hare

afzonderlijke »tent” op eenigen afstand van die der andere kamers[533];

ieders traankokerij was daarnaast gemetseld en de verdere noodige

gebouwen, kuiperijen, schuren of pakhuizen, en hutten voor de

land-matrozen waren daaromheen gelegen[534]. Vóor die vestiging had elke

kamer hare afzonderlijke ligplaats, waar hare schepen ankerden en

gedurende het geheele getij bleven liggen[535]. Aan dit beginsel werd

zoo streng vastgehouden, dat men de Friezen in 1636 alleen in de

Noordsche Compagnie opnam op de uitdrukkelijke voorwaarde, dat zij bij

het vrije gebruik der »landen ende bayen”, die de compagnie op

Spitsbergen bezat, steeds op redelijken afstand van het tot nog toe door

de andere kamers gebruikte gebied zouden blijven[536]. De Friezen namen

daarmede genoegen en vestigden zich dus tegenover het Dodemanseiland op

de noordoostpunt van het Deensche eiland; de Westbaai (later Zuidbaai

genoemd), die zich voor hunne vestiging, eerlang de Harlinger kokerij

geheeten, uitstrekte, leverde hun overvloedige vangst[537]. De afstand,

die de verschillende vestigingen scheidde, was echter zoo gering, dat

men gemakkelijk van de eene naar de andere kon gaan; als men ze allen

overzag, omringd door de kramen en winkels van levensbehoeften, vormden

de gebouwen zelfs te zamen een soort van geheel. Gedurende den tijd, dat

de walvischvaarders aan land waren, was er om deze verzameling van

hutten en schuren zulk eene drukte, dat men aan eene bloeiende

handelsnederzetting kon denken. Het »dorp” kreeg weldra eenen naam: als

»Smeerenburg” werd het algemeen bekend[538].

[533] Zie hiervóor Noot 2{[531]}.

[534] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 220.--Raven, Iournael. p. 11.

[535] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr.

1637.

[536] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 360.

[537] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 227.--De walvischvangst. I p.

17.--Tegenw. Staat. I p. 590.--Men was in Nederland zoo overtuigd

van de noodzakelijkheid van zulk eene afscheiding, dat die van

Utrecht, die in 1638 in de Noordsche Compagnie wenschten opgenomen

te worden, dadelijk aanboden zich op Spitsbergen 3 à 5 mijlen van de

Hollanders te vestigen. (R. S.-G. 29 Sept. 1638.)

[538] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 227.--Tegenw. Staat. I p.

591.--Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 3 Mei 1633, in: Stn. N. C.

v. d. Hrl. gedeput. R.-A.

Men wachte zich echter reeds dadelijk weder voor overdrijving: het

zoogenaamde dorp zal wel altijd gering van omvang, armelijk van uitzien

geweest zijn. In 1626, toen de nederzetting dus reeds verscheidene jaren

bestaan had en door de aankomst van die van Vlissingen, Hoorn en

Enkhuizen aanmerkelijk toegenomen was, stonden in de Mauritius-baai

behalve de kleinere gebouwen nog slechts vijf loges of loodsen[539].

Natuurlijk ging de plaats nog sterk vooruit; de vestiging der vier

overblijvende kamers deed nieuwe huizen, schuren en traanketels

verrijzen, maar wanneer wij vernemen, dat in 1633--dus toen de

walvischvangst het tijdstip van haren hoogsten bloei onder de Noordsche

Compagnie reeds voorbij was--alleen Amsterdam twee groote »tenten”

schijnt gehad te hebben[540],--wanneer wij lezen, dat het getal der

fondamenten van traanketels op Smeerenburg later slechts acht of tien

bedroeg[541],--een getal vrij wel overeenkomende met dat der

kamers,--dan moeten wij het Zorgdrager toestemmen, dat Smeerenburg zich

zelfs in de dagen van haar hoogsten bloei op verre na niet met hare

tweelingzuster Batavia kon meten[542]. Dat de Harlinger kokerij uiterst

weinig te beteekenen had, blijkt uit het feit, dat in 1670, toen er nog

zoovele huizen op Smeerenburg stonden, dat ze zich als een klein dorp

voordeden[543], van de geheele Harlinger kokerij slechts éen traanketel,

twee woonhuizen en twee schuren overig waren[544].

[539] Wassenaer, Hist. verh. XII fol. 8.

[540] Vander Brugge, Iournael der Seven Matroosen. p. 33, 38.--Van

Keulen, Zee-atlas. I p. 72.

[541] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 227.--Op eene groote geteekende

kaart van de Mauritius-baai, vervaardigd na de vestiging der Friezen

en vóor het verlaten van Smeerenburg (dus omstreeks 1640) vind ik

zelfs slechts zes „tenten” op Smeerenburg aangeteekend; het kaartje

der Mauritius-baai in Van Keulen’s Zee-atlas heeft er vijf. De

volgorde van het oosten naar het westen was: Amsterdam, Middelburg,

Vlissingen, Denemarken (? = Enkhuizen na de occupatie van 1625?),

Delft en Hoorn. (Van Keulen, Zee-atlas. I p. 72.)

[542] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 228.

[543] Martens, Voyage into Spitzb., bij: White, Spitzbergen. p.

23.--Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 214.

[544] Martens, Voyage, bij: White, Spitzbergen. p. 23.--Scoresby,

Account. II p. 180.--Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 88.

Van de inrichting van Smeerenburg en de daar aanwezige gebouwen kunnen

wij ons een vrij goed denkbeeld vormen uit de journalen van eenige

matrozen, die daar twee jaren achtereen in den grootsten bloei der

walvischvangst overwinterden. Op eene breede vlakte, door hooge bergen

omringd en door de Mauritiusbaai bespoeld, verrezen de gebouwen der

verschillende kamers[545]. Daaronder trok voor alles de opmerkzaamheid

de eigenlijke kern der vestiging, de »tent”. Het was een gebouw van vrij

grooten omvang, aanvankelijk van hout, later van steen opgetrokken[546].

Reeds in 1618 werd er door de Nederlanders in Bellsound eene opgericht,

die 80 voet lang en 50 breed was, maar die dan ook tegelijkertijd voor

berg- en woonplaats, en tevens voor kuiperij zal gediend hebben[547]. De

inrichting was hoogst eenvoudig: eene groote kamer, die de geheele

breedte innam, diende der bemanning tot woning[548]; losse kribben waren

daartoe getimmerd, een oven ( »stoof”) diende zeker niet alleen om de

kamer te verwarmen[549]. Achter deze kamer was eene kleinere

aangebracht, die tot berging der leeftocht strekte en door eene deur met

de voorkamer gemeenschap had. Een trap leidde van daar naar eene ruimte

boven de met klei bestreken zoldering, die des noods tot berging diende

en door het pannen of houten dak werd gedekt[550]. Gebruikte men het

gebouw in de eerste jaren der visscherij tevens voor berg- en

werkplaats, toen de walvischvangst zekerder en meer duurzaam gevestigd

was, bouwde men daartoe afzonderlijke loodsen; de tenten zelve werden op

grooter en steviger voet gebouwd. Ja, toen het aantal walvischvaarders

toenam, bleek weldra éene tent onvoldoende om de vele matrozen te

huisvesten. Amsterdam ging over tot het bouwen eener tweede tent; de

andere kamers bouwden verscheidene houten hutten, geheel als de tenten

ingericht maar op kleiner schaal. Deze hutten dienden van toen af aan

het overschietende volk tot woning. Het woonvertrek, dat de geheele

breedte (16 voet) innam, was daar slechts 7-1/2 voet hoog, 21 lang en

met een halvesteensmuur omgeven; het kleinere proviandvertrek daarachter

was eenvoudig van planken opgetrokken[551].

[545] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 214.--Martens, Voyage, by:

White, Spitzbergen. p. 23.

[546] Req. v. de N. C. c. Vrolicq dd. 3 Mei 1633, in: Stn. N. C. v.

d. Hrl. gedeput. R.-A.--Req. v. de N. C. c. Vrolicq dd. 2 Febr.

1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

[547] Pellham, Gods power, in: White, Spitzbergen. p.

269.--Scoresby, Account. II p. 177.

[548] Lindeman, Arkt. Fischerei. p. 9.--De Commandeur-generaal

woonde in de nieuwe Amsterdamsche tent. (Vander Brugge, Iournael der

Seven Matroosen. p. 26.)

[549] Vander Brugge, Iournael. p. 13, 14.

[550] Iournael van seven matrosen 1634/35, achter: Raven, Iournael.

p. 14.

[551] Martens, Voyage into Spitzb., bij: White, Spitzbergen. p.

23.--Vander Brugge, Iournael. p. 14, 27, 40, 47.

Na de tent was de traanketel het voornaamste gebouw der vestiging. Een

groote koperen ketel of pan werd in de opene lucht vastgemetseld op een

lage steenen oven, en de traankokerij was gereed. Later bouwde men er

een steenen schoorsteen bij; misschien beschermde een planken hut, om de

geheele inrichting opgetrokken, de kokers soms voor de snerpende

winden[552]. Een noodzakelijk gebouw was ook de kuiperij, waar de

kuipers de medegebrachte duigen tot vaten maakten; de zolder daarboven

strekte hun tot woning[553].

[552] Pellham, Gods power, bij: White, Spitzbergen. p.

270.--Martens, Voyage, bij: White l. c. p. 22.--Relation du

Groenland, bij: White l. c. p. 235.--Zorgdrager, Groenl. vissch. p.

220.

[553] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 220.--Tegenw. Staat. I p.

590.--Daar er een vrij groot aantal kuipers, ook metselaars om de

traanketels te bevestigen jaarlijks mede naar Spitsbergen gingen,

verliest het dwaze verhaal, dat de Smeerenburgsche huizen »in

Holland getimmerd”(!) en zoo op de schepen medegevoerd werden

(Berghaus, Wat men van de aarde weet. II p. 336) allen redelijken

grond.

De meeste gebouwen op Smeerenburg waren echter ongetwijfeld houten

schuren, grooter dan de hutten maar minder stevig gebouwd. Zij strekten

om de gereedschappen, die tot de walvischvangst noodig waren,--lijnen,

harpoenen, lensen, vaten, hoepels, duigen, ovens, aanbeelden,

smidstangen enz.--gedurende den winter te bergen[554]. De traanketels

werden veelal met de houten koelbakken en de looden gooten daarnaast

eenvoudig op het strand achtergelaten[555]. Ook de kaapstanders bleven

staan; de sloepen trok men meestal op het strand en liet ze zoo in de

sneeuw achter[556]. Wanneer het gebeurde, dat de rijke vangst in de

schepen niet kon geborgen worden en ook in de naschepen geene ruimte

genoeg was, werden veelal de traan en baarden, die men dus genoodzaakt

was den winter op het eiland over te laten, in de schuren geborgen[557].

In den rijksten tijd der visscherij kwam het echter voor, dat men ze

eenvoudig in den grond begroef; de schuren bleven hoofdzakelijk tot

berging der gereedschappen bestemd.

[554] Sent. v. h. Hof v. Holl. in zake de N. C. c. Braem dd. 29 Juni

1629.--Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 220.--De walvischvangst. I. p

30.--Vander Brugge, Journael. p. 11, 15.

[555] Vander Brugge, Journael. p. 20, 30, 32, 36, 38, 39.

[556] Raven, Journael. p. 11.--Vander Brugge, Journael. p. 46.

[557] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 28.

Voeg bij al deze gebouwen eene kerk[558], een fort met eenige

batterijen[559], die de vestiging verdedigen moesten tegen zwervende

Duinkerkers of Basken, en ge kunt u eene voorstelling maken van

Smeerenburg, zooals het zich omstreeks 1633 vertoonde. Het tooneel werd

des zomers verlevendigd door de aanwezigheid der walvischvaarders,

ongeveer 1000 in getal, die ruimschoots gelegenheid hadden zich behalve

het noodige allerlei versnaperingen te bezorgen. Op de schepen der

Noordsche Compagnie bevonden zich toch meestal bakkers, kramers,

zoetelaars en andere dergelijke lieden, die niet tegen de reis opzagen

om winst te maken. Hetzij in de schuren der compagnie zelve, hetzij in

eigene kramen en loodsen sloegen zij zich neer, en ventten aan de

begeerige matrozen hun wijn en brandewijn, hun tabak en hun warm brood.

Men verhaalt, dat vooral het laatste artikel zoo gewild was, dat men

iederen morgen door het blazen op een hoorn de matrozen kennisgaf, dat

de broodjes uit den oven genomen werden[560].

[558] Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 3 Mei 1633, in: Stn. N. C. v. d.

Hrl. gedeput. R.-A.

[559] Vander Brugge, Journael. p. 6, 23.--Aitzema, Saken v. Staet.

II p. 361.--Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 3 Mei 1633, in: Stn. N. C.

v. d. Hrl. gedeput. R.-A.--Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 2 Febr.

1634., in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Miss. v. Christ.

IV aan de Stn.-Gen. dd. 28 Dec. 1631, in: L. D. 1632.

[560] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 228.--De walvischvangst. I p.

28.--Lindeman, Arkt. Fisch. p. 9.

Al deze gebouwen met hunne bewoners waren bestemd om slechts weinige

jaren de stille stranden van Spitsbergen te verlevendigen. Zorgdrager

bericht, dat men ongeveer tegelijkertijd met Batavia (1619) op

Smeerenburg begon te bouwen[561]; wij hebben gezien, dat de opgave

volkomen juist is. En reeds twintig jaren later was de zoo veelbelovende

vestiging aan het vervallen! Het is natuurlijk onmogelijk, een juisten

datum voor dit langzaam toenemende verval op te geven; verschillende

bekende jaartallen laten echter slechts weinig speelruimte over. Wij

weten, dat in 1633 de walvischvangst aan het land nog steeds

bloeide[562]; in 1636 was dit bedrijf nog zelfs van zooveel belang, dat

de Friezen, na hardnekkigen aandrang eindelijk in de Noordsche Compagnie

opgenomen, eene nieuwe vestiging op het Deensche eiland oprichtten[563].

Maar toen begon ook het verval schielijk toe te nemen[564]. De compagnie

zelve oordeelde het eerlang voordeeliger, naast de kustvisscherij ook de

zeevisscherij ter hand te nemen: reeds in 1638 zond zij een paar schepen

daarop uit[565]. Ondertusschen was de kustvisscherij nog in 1642

belangrijk genoeg: de Noordsche Compagnie deed veel moeite om haar

octrooi te doen verlengen en zich ten minste aan land van mededingers te

ontslaan[566]. Het gelukte niet en weldra was de Mauritius-baai vervuld

met talrijke schepen, wier bemanning door hare drukte en gewoel, door

hare te sterke jacht den walvisch in weinige jaren geheel verjoeg[567].

Ondertusschen werd nog in 1646 de walvischvangst aan land geoefend[568],

maar hoe langer hoe meer verliet de visch de kusten; de banken werden

bezocht[569] en in 1650 werd de zeevisscherij reeds zoo sterk gedreven,

dat de walvisch in het ijs begon te wijken en men moest beraadslagen of

het niet raadzaam zou zijn hem daar te volgen[570]. In 1650 was

Smeerenburg dus zeker geheel verlaten[571].

[561] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 228.

[562] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 229, 266.

[563] Zie hiervóor p. 144.

[564] Scoresby, Account. II p. 52.

[565] Zie hiervóor p. 116.

[566] Zie hierna Hfdst. IX.

[567] Scoresby, Account. II p. 179.

[568] Twee Journalen der Matroosen. p. 24. („Kort verhael” van

Municky.)--Relation du Groenland, bij: White, Spitzbergen. p. 235,

36.

[569] De walvischvangst. I p. 29.

[570] Dooregeest, Rijper zee-postil. p. 355.

Geschiedenis der Noordsche Compagnie · 第 17 / 52 段