[462] „Cort advertissement” v. Kyen en Leversteyn (dd. 29 Febr.
1616), in: Noordsche togten. 1. R.-A.--Corte Deductie der N. C. dd.
18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Gr.
Placaetb. I p. 678.
[463] N. Z. 22 Febr. 1622.--Req. der N. C. Zeeland aan de Stn.-Gen.
dd. 22 Aug. 1624, in: Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R.-A.
[464] R. S.-G. 23 Apr. 1615.
[465] Req. der kl. N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Sept. 1621, in:
Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R.-A.
[466] Corte Deductie der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche
togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[467] Corte Deductie der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche
togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
Zóo weinig geloof verdient de rooskleurige beschrijving, ons door
Zorgdrager van de eerste jaren der walvischvangst opgedischt! Maar dat
aan den anderen kant op het boven geschetste tafereel,--uit den aard der
zaak grootendeels aan de berichten der bewindhebbers zelve ontleend,--de
sombere tinten het meest in het oog vallen, is niet minder waar. De
voortdurende aandrang, eerst van de kleine Noordsche Compagnie en van
de Zeeuwen, later van Hollandsche steden en Friesche reeders, om deel
aan de steeds gesloten walvischvangst te krijgen bewijst voldoende, dat
er winst bij te behalen viel. Mogen ook buitenlandsche mededingers, die
zich voortdurend naast de Noordsche Compagnie in de IJszee nestelden,
met weinig kennis van zaken een bedrijf ter hand genomen hebben, dat
weldra bleek lang geene zekere geldbelegging te zijn: aan de
binnenlandsche concurrenten kon het toch zeker niet onbekend blijven,
dat de Noordsche Compagnie nu en dan zéer ongelukkig was en hare slechte
jaren telde. Om dus den voortdurenden aandrang te verklaren, die door de
compagnie slechts met moeite afgeweerd werd, moet men wel aannemen, dat
tegenover de groote verliezen jaren stonden, die door overrijke vangst
vele slechte tijden vergoedden,--jaren als die, waarvan Zorgdrager ons
bericht, dat Willem Ys met éen naschip tot tweemalen toe 1000 quarteelen
traan van Jan Mayen-eiland in het vaderland invoerde[468].
[468] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 215.--De kleine N. C.
antwoordde dan ook op de bedreiging der N. C., dat zij de nering zou
opgeven als de kleine N. C. niet geweerd werd, dat velen dan den
handel, die zoo verwaarloosd werd, zouden willen bij de hand nemen.
(„Cort advertissement” van Kyen c. s. dd. 29 Febr. 1616, in:
Noordsche togten. 1. R.-A.)
En zoo komen wij van zelf tot de gevolgtrekking, waartoe reeds de
schrijver van den Tegenwoordigen Staat voor de latere jaren der
visscherij gekomen is[469],--de gevolgtrekking, dat de walvischvangst
eene »loterij” was. Wij kunnen ons volkomen vereenigen met het
resultaat, dat de walvischvangst over het geheel den reeders voordeelig
was[470],--hoe toch laat zich anders de voortduring van dit bedrijf
verklaren?--maar wij moeten er bijvoegen, dat er een ruime beurs noodig
was om dat voordeel te verkrijgen, dat men den moed en de macht moest
hebben om de jaren af te wachten, die ruimschoots schadeloos stelden
voor tijden van tegenspoed en verlies[471].
[469] Tegenw. Staat. I p. 600.
[470] Tegenw. Staat. I p. 606.
[471] Zie voor de statistiek der walvischvangst over de jaren na den
val der N. C.: Aanwysing p. 29, 75, 84.--Versl. over de
zeevisscherijen. Bijl. XVI.--Tegenw. Staat. I p.
597-611.--Achenwall, Staatsverf. p. 414, 15.--Le Long, Kooph. v.
Amst. II p. 161-190.--Lindeman, Arkt. Fisch. p. 20.--Scoresby,
Account. II p. 141, 43, 49-61.--Dooregeest, Rijper zee-postil. p.
357.--De walvischvangst. II p. 89-116.--Zorgdrager, Groenl. vissch.
p. 197, 241, 251, 302 vlg.--Martens, Voyage to Spitzb., in: White,
Spitzbergen. p. 113, 120.
HOOFDSTUK IV.
DE VESTIGINGEN DER NOORDSCHE COMPAGNIE.
Reeds een paar malen heb ik in de voorgaande bladzijden gesproken van de
inrichtingen, door de Noordsche Compagnie op de kusten der IJszee
gebouwd. Het zal mijnen lezers niet ontgaan zijn, dat die inrichtingen
van blijvenden aard waren en dat men hier dus bepaaldelijk aan eene
Nederlandsche vestiging, eene soort van kolonie te denken heeft. De
gelegenheid ontbrak mij tot nog toe, daarover anders dan in het
voorbijgaan te spreken en ik wil de geschiedenis dier vestigingen dan
ook hier in het bizonder behandelen,--te liever daar er over de
uitgebreidheid en het belang daarvan »een ongelooflijk groot
misverstand” heerscht. Terwijl de een spreekt van het gewoel, ja het
gedrang, dat er alle zomers op Smeerenburg was, weet een tweede te
verhalen, dat daar, bijna onder de Noordpool, de »weelderige” koopman
der zeventiende eeuw bijna alle gemakken vond, die hem zijn welgebouwd
huis binnen Amstels wallen bood; een derde verheft den roem der kolonie
tot in de wolken en verzekert, dat Smeerenburg, door vruchtbaargemaakte
velden omringd, als handelsstad van even groot belang werd geacht als
het jeugdige Batavia; een vierde eindelijk drijft de zaak tot het
uiterste door te verhalen van prachtige winkels en »voortreffelijk
ingerigte logementen”(!), die men onder de woningen der kooplieden op
Smeerenburg vond[472]! Het is geoorloofd te vragen, wat de bij uitstek
practische Nederlanders der zeventiende eeuw bedoelden met het bouwen
van dergelijke inrichtingen op de barre en jaarlijks slechts gedurende
een paar maanden bezochte kusten, tenzij archaeologische nasporingen de
geleerden misschien eenmaal tot de ontdekking brengen, dat men hier met
een asyl voor schipbreukelingen te doen heeft of met de prototypen dier
hospitalen voor teringlijders, wier aanbouw op Spitsbergens stranden nog
onlangs door aardrijkskundigen van naam voorspeld werd!
[472] Zie een sterksprekend voorbeeld bij: Berghaus, Wat men van de
aarde weet. II p. 337.--Vgl. ook: De Reste, Hist. des Pêches. I p.
42.
Het is zeker onaangenaam, dergelijke fantastische en uitlokkende
voorstellingen te verstoren, maar aangezien ik volkomen overtuigd ben,
dat al deze verhalen niets meer zijn dan sprookjes, die de een den ander
navertelt zonder dat het sommigen vertellers zelfs mogelijk zal zijn hun
laatsten berichtgever te noemen, schroom ik niet deze onaangename taak
op mij te nemen. Steunende op de berichten der Noordsche Compagnie, en
vooral op de journalen der matrozen, die op de plaatsen zelve de barren
winter hebben doorgebracht,--niet in weelderige hotels, maar in hutten
van planken, waarin zij zich in hunne houten kribben ter nauwernood voor
den wind konden beschermen,--stel ik mij voor eene beschrijving der
Nederlandsche vestigingen in de IJszee te geven. Het ware verhaal zal
misschien sterker getuigen voor de energie en de ondernemingszucht der
Amsterdamsche kooplieden, dan de thans in omloop zijnde sprookjes voor
hun practischen zin en hun gezond verstand!
Laat ons zien, waar wij het Nederlandsche gebied in de IJszee te zoeken
hebben. Dat het tot Spitsbergen en Jan Mayen-eiland beperkt was, wordt
algemeen aangenomen. Vestigingen op Groenlands westkust werden eerst
~mogelijk~ sinds den aanvang der visscherij in straat Davis in
1719[473]. Zoo enkele schrijvers van vestigingen aldaar vóor 1642
gesproken hebben[474], dan berust dat op een verkeerd verstaan van den
naam »Groenland,” die vroeger niet alleen bepaaldelijk ook op
Spitsbergen en Jan Mayen-eiland, maar zelfs in het algemeen wel eens op
alle noordsche landen werd toegepast. Op Jan Mayen-eiland, waar de
Noordsche Compagnie weinige of geene concurrenten had, schijnt het
Nederlandsche gebied niet nauwkeurig begrensd geweest te zijn; des te
meer echter op Spitsbergen, waar Engelschen, Denen en Franschen aan de
Nederlanders den voorrang betwistten. Van zelf was het gebied der
verschillende natiën beperkt door den loop der walvisschen, die
hoofdzakelijk de westkust van het eiland bezochten: dáar was het dan
ook, dat de wedijverende volken hunne ankerplaatsen kozen en hunne
hutten opsloegen. Laat ons eerst onderzoeken, welke plaats zich de
Engelschen, de eerste walvischvaarders, toeëigenden.
[473] Lindeman, Arkt. Fischerei. p. 26, 28.
[474] Luzac, Hollands rijkdom. I p. 347.
Het uitgangspunt der Engelsche bewegingen was reeds in 1612 Sir Thomas
Smith’s-bay, ook wel Fair foreland geheeten[475]; het volgende jaar
vischten zij daar weder en ook in Bellsound en Icesound[476], terwijl
in 1614 Bellsound, Icesound (Greenharbour), Sir Thomas Smith’s-bay en
Fairhaven alleen als hun uitsluitend eigendom werden aangeduid[477].
Reeds dadelijk was Deersound (Cross-road) door de Engelschen
bezocht[478], en het blijkt, dat ook in Hornsound en Maudlensound door
hen in den eersten tijd een enkele maal gevischt is[479]. In deze zeven
baaien alleen vinden wij gedurende den geheelen duur der walvischvangst
onder het land Engelsche schepen[480]; de drie noordelijkste werden
echter weldra geheel door hen verlaten[481] en hoewel Greenharbour en
ook Hornsound nog een enkele maal genoemd worden[482], waren Sir Thomas
Smith’s-bay en Bellsound de hoofdpunten, waar zich de Engelsche
walvischvangst vestigde. Dat deze vestiging echter niet veel te beduiden
had, blijkt wel uit het feit, dat in Bellsound behalve eenige linnen
tenten[483], die tot woning der »land-men” dienden en later door houten
hutten vervangen werden[484], slechts een groote planken schuur stond
met pannen gedekt, die tot bergplaats diende en door de kuipers tevens
als woon- en werkplaats gebruikt werd[485]. Elders vond men alleen een
steenen huis met houten dak, waarin zich eenige houten kribben bevonden,
benevens eene kuiperij, die tegelijk woonhuis was[486]. Voor berging van
gereedschappen gedurende den winter was dus slechts ter nauwernood
gezorgd[487]. Bij elke vestiging bevonden zich verder natuurlijk
een of meer vastgemetselde traanketels met of zonder steenen
schoorsteenen[488]. Dit was nagenoeg alles, wat de Engelschen in hun
uitgestrekt gebied, dat bijna de geheele westkust van Spitsbergen
omvatte, voor woning en berging hadden gebouwd. Laat ons nu zien, of de
Nederlandsche vestiging van meer belang was.
[475] Hist. du pays de Spitsberghe. p. 13, 21.
[476] Baffin, Iournall, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 716 vlg.
[477] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 95.--Fotherbye, Voyage of
Discouerie, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 720 vlg.
[478] Poole, Voyage to Cherry Iland etc. 1610 (1611), bij: Purchas,
Pilgrimes. III p. 703.--Br. v. Fotherby aan Edge dd. 15 Juli 1615,
bij: Purchas l. c. III p. 731.--Br. v. Salmon aan Heley dd. 5 Juli
1619, bij: Purchas l. c. III p. 735.
[479] Eng. schaderekening van 1618, in: Lias loop. 1618.
R.-A.--Fotherby, Voyage of Discouerie, bij: Purchas, Pilgrimes. III
p. 722.--Insin. v. Ys aan Vrolicq dd. 30 Juni 1633, in: Noordsche
togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[480] „Portnick,” waar de Engelschen in 1617 vischten (Br. v. Heley
aan Deicrowe, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 732), is
waarschijnlijk Nickes Cove (Behouden haven) in Icesound.
[481] Req. v. Vrolicq aan de Stn.-Gen. (1634), in: Noordsche togten.
4. Loop. N. C. R.-A.
[482] Pellham, Gods power, in: White, Spitzbergen. p. 258, 67.
[483] Zie de kaart v. Spitsbergen bij: Purchas, Pilgrimes. III p.
473.
[484] Pellham, Gods power, bij: White, Spitzbergen. p. 270.--Zulk
een houten huisje werd in 1618 door de Engelschen op £ 15 begroot.
(Eng. schaderekening, in: Lias loop. 1618. R.-A.)
[485] Pellham, Gods power, in: White, Spitzbergen. p. 269.
[486] Scoresby, Account. II p. 177.--Pellham, Gods power, bij:
White, Spitzbergen. p. 262.
[487] Pellham, Gods power, bij: White, Spitzbergen. p. 267, 71,
72.--Eng. schaderekening, in: Lias loop. 1618. R.-A.
[488] Pellham, Gods power, bij: White, Spitzbergen. p. 270.
Hoewel Beeren-eiland in den aanvang een enkele maal bezocht werd, was
reeds dadelijk Spitsbergen het doel van de tochten der Nederlandsche
walvischvaarders. Terwijl Van Muyden in 1612 op zijn zwerftocht langs de
kust Fair foreland aangedaan en in zuidelijker baaien zonder veel vrucht
de visscherij beproefd had[489], was hij reeds dadelijk in 1613
gelukkiger. Behouden-haven in Icesound, Lowsound en vooral Schoonhaven
(Bellpoint) in Bellsound verschaften hem toen rijken buit. Hornsound
werd dat jaar door kapitein Thomas Bonner met een Nederlandsch schip
bezocht[490]. Reeds in het eerste jaar der Noordsche Compagnie (1614)
bereikten de Nederlanders daarop de plaats, waar zij naderhand hunnen
hoofdzetel zouden opslaan: eenige schepen vertoonden zich in de
noordelijke baai van Fairhaven[491], een der vischrijkste en veiligst
gelegen baaien van het gansche eiland[492], die toch door de Engelschen
tot nog toe niet bezocht was en daarom nu reeds dadelijk de »Hollandsche
baai” genoemd werd[493]. Het volgende jaar (1615) werd deze baai weder
bezocht; ook in Hornsound waren eenige schepen der compagnie, Bellsound
was echter het hoofddoel van de reis[494]. Reeds datzelfde jaar deed men
een belangrijken stap tot het verkrijgen eener duurzame vestiging.
[489] Poole, Relation of a Voyage to Greenland in 1612, bij:
Purchas, Pilgrimes. III p. 714, 15.
[490] Hist. du pays de Spitsberghe. p. 21, 22, 24.--Baffin,
Iournall, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 716, 17, 19.
[491] Fotherbye, Voyage of Discouerie, bij: Purchas, Pilgrimes. III
p. 723.
[492] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 86.
[493] Deze naam wordt reeds in 1616 genoemd. (Instr. der Stn.-Gen.
voor Schrobop dd. 23 Mei 1616.) De gewone naam in de tijden der N.
C. was echter „Mauritius-baai.”
[494] Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 467.
Al dadelijk in 1612, en vooral in 1613 met behulp der gehuurde Basken,
had de Noordsche Compagnie zich toegelegd op het bewerken der gevangen
walvisschen tot traan[495]; de noodige ketels en gereedschappen had men
in het schip medegevoerd en slechts tijdelijk aan land opgesteld[496].
Natuurlijk deed zich spoedig de behoefte gevoelen aan eene gelegenheid
tot berging van de vele omvangrijke werktuigen, ten einde het lastige
heen- en weêrvoeren te vermijden. Het was dus eene zeer eenvoudige zaak,
dat de Noordsche Compagnie op het voorbeeld der Engelschen, die reeds in
1613 eene loge aan Fair foreland hadden, in 1615 bevel gaf een houten
gebouw in Bellsound op te richten. De walvischvaarders gehoorzaamden aan
dit bevel en borgen in de opgeslagen loods hunne sloepen, vaten en
gereedschappen voor het volgende jaar[497]. Hoe natuurlijk deze
handelwijze ook was, toch kon zij niet anders dan onvoorzichtig genoemd
worden. Men was midden in den strijd met de Engelschen, die zich den
uitsluitenden eigendom van Spitsbergen toekenden; hoe kon men hopen, dat
dezen de Nederlanders, die eerst sinds twee jaren het eiland bezochten,
niet zouden verhinderen in eene handeling, die blijken gaf van hun
voornemen om zich daar bij voortduring te vestigen en waarop zij zich
later tegen Engeland zouden kunnen beroepen? En de kansen der Noordsche
Compagnie werden nog ongunstiger, toen zij de macht niet had om zich te
handhaven; het jaar 1615 was zeer onvoordeelig geweest en met de geringe
krachten, waarover de compagnie dus in 1616 te beschikken had, oordeelde
zij het raadzaam de Engelschen dit jaar te ontwijken en zich met de
visscherij aan het pas ontdekte Jan Mayen-eiland te vergenoegen[498].
Natuurlijk maakten de Engelschen nu van de afwezigheid der Nederlanders
gebruik om hunne loge te vernielen en zich den inhoud toe te
eigenen[499]. Vier schepen der Noordsche Compagnie, die door de schrale
vangst aan Jan Mayen-eiland gedwongen waren op Spitsbergen hun geluk te
beproeven, waren te zwak om de euveldaad hunner vijanden te verhinderen;
slechts éen kwam naar Bellsound, terwijl de anderen Greenharbour,
Maudlensound en de Hollandsche baai bezochten[500]. Het ongeluk schrikte
de Noordsche Compagnie af: voor het jaar 1617 werd hare geheele
uitrusting weder naar Jan Mayen-eiland gezonden. Drie Zeeuwsche
schepen, die Hornsound bezochten, brachten hun gereedschap zelve
mede[501]. Veel te zwak om zich te vestigen werd een van hen zelfs door
de Engelschen beroofd, en ook de anderen keerden overhaast terug.
[495] Resol. Adm. Amst. 20 Apr. 1613.--Wassenaer, Hist. verh. VIII
fol. 88.--Waarschijnlijk uit vrees voor de Engelschen schijnen
echter de Nederlanders het traankoken toen nog niet geregeld te
hebben bij de hand genomen; althans in 1614 kwamen er schepen van de
N. C. binnen geladen met spek. (Br. der Stn.-Gen. aan de Admir. Maze
dd. 20 Aug. 1614, in: Coll. Bisdom. 160. R.-A.)
[496] „Corte Deductie ende Remonstrantie” der N. C. dd. 18 Sept.
1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[497] „Mémoire” der N. C. bij: Muller, Mare clausum. p. 371.--Instr.
der Stn.-Gen. voor Schrobop dd. 23 Mei 1616.
[498] „Corte Deductie” der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche
togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Dat de compagnie echter het denkbeeld
eener vestiging niet opgaf, blijkt wel uit art. 18 van het contract
met de Zeeuwen van 19 Mrt. 1617 (in: Noordsche togten. 4. Loop. N.
C. R.-A.), waarin bepaald werd, dat iedere kamer de sloepen en
gereedschappen, door haar in het noorden achtergelaten, het volgende
jaar weder zou mogen aanvaarden, „sonder datmen dselve d’een oft
d’ander ontvreemden zal.” (!)
[499] „Mémoire” der N. C. bij Muller, Mare Clausum. p. 371.
[500] Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop. dd. 23 Mei 1616.
[501] Getuigenissen in zake den aanval der Eng. in 1617, in:
Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--„Mémoire” der N. C. bij:
Muller, Mare clausum. p. 372.--»Corte Deductie” der N. C. dd. 18
Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
Geheel anders was het in 1618: aan Jan Mayen-eiland was te weinig ruimte
voor de vele schepen en de Noordsche Compagnie besloot dus, op nieuw
haar geluk aan Spitsbergen te beproeven. De verschillende baaien op
Spitsbergens westkust werden onder de kamers verloot en de schepen
verspreidden zich in vier afdeelingen. De Amsterdammers begaven zich
naar de Hollandsche baai[502]; de Zeeuwen en die van Delft vestigden
zich onbeschroomd in Sir Thomas Smith’s-bay[503], waar nog nooit een
Nederlander de Engelschen in hun bezit gestoord had[504]; aan die van
het Noorderkwartier was Bellsound ten deel gevallen en Rotterdam moest
zich met Hornsound tevreden stellen[505]. In het bewustzijn hunner
overmacht besloten de Nederlanders nu, op nieuw te beproeven zich op
Spitsbergen te vestigen: zonder vertoef begon men met het bouwen van
loges. Maar het resultaat was even onvoldoende als de eerste maal. De
schepen, die in Sir Thomas Smith’s-bay vischten, hadden nauwelijks hunne
traanketels aan land gebracht of de Engelschen, die zich daar onbeperkte
meesters waanden, verboden hun ze op te stellen en eene loge te
bouwen[506]. Slechts met geweld konden zij zich handhaven en tot eene
vestiging kwam het daar niet. Die van het Noorderkwartier kregen hunne
loge in Bellsound gereed,--een houten huis 80 voet lang, 50 breed,
gedekt met dakpannen,--maar slechts om weldra door de Engelschen
verjaagd te worden, die het gebouw dadelijk weder afbraken en op eene
andere plaats oprichtten »where more fit for their turne[507].” Toen het
dus ten tweedenmale mislukt was, zich in de zuidelijke baaien van
Spitsbergen te vestigen, schijnen de Nederlanders van het bezoeken dier
vischplaatsen voor goed afgeschrikt te zijn. Zij lieten hunne geroofde
loge in handen der Engelschen, die ze nog in 1630 als hun hoofdkwartier
in Bellsound gebruikten[508] en trokken zich naar de Mauritius- of
Hollandsche baai in Fairhaven terug, waar zij ongestoord konden
visschen.
[502] R. S.-G. 4 Nov. 1622.
[503] Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p.
468.--Brieven v. Salmon, Sherwin en Beversham, bij: Purchas l. c.
III p. 733.--Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Noorderkwart, c.
Amst. dd. 31 Mrt. 1635.
[504] „Mémoire et Relation véritable” der Mosc. Comp., bij: Muller,
Mare clausum. p. 378.
[505] „Corte Deductie” der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche
togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[506] „Mémoire” der N. C., bij: Muller, Mare clausum. p. 372.
[507] Br. v. Sherwin aan Heley dd. 29 Juni 1618, in: Purchas,
Pilgrimes. III p. 733.
[508] Pellham, Gods power, bij: White, Spitzbergen. p. 269.
Fairhaven was wel niet de grootste, maar toch de rijkste »sound” van
geheel Spitsbergen. Door twee vrij groote eilanden, die eerlang het
Deensche en het Amsterdamsche zouden genoemd worden, verdeeld, bestond
de baai uit twee boven elkander geplaatste rechte hoeken, die in
elkander vloeiden. De zuidelijke hoek werd eerlang door de Engelschen
verlaten en sedert niet meer gebruikt; in de beide armen der noordelijke
(de »Noord-” en »Westbaai”) schijnen de Nederlanders zich reeds nu bij
uitsluiting gevestigd te hebben. Zooveel ten minste is zeker, dat er in
de »Hollandsche baai” in 1619 weder elf[509], in 1620 twee Nederlandsche
walvischvaarders waren[510], terwijl de baai verder tot 1623 toe
geregeld door Nederlanders bezocht werd[511]. Het staat ook vast, dat in
1623 en 1625 de schepen, die de Noordsche Compagnie naar Spitsbergen
zond, allen in Fairhaven vischten[512]. Men zou zich echter vergissen,
wanneer men meende, dat daarom de Noordsche Compagnie zich toen reeds
uitsluitende rechten op die baai aanmatigde. Integendeel, terwijl zij
sinds 1617 de Denen vrijwillig naast zich op het Amsterdamsche eiland
toeliet[513], wees zij aan den anderen kant alle kamers behalve die van
Amsterdam naar het zuidelijke gedeelte van Spitsbergen als het terrein,
waarop zij de walvischvangst konden oefenen. Officiëel bleef zij nog
steeds haar systeem handhaven, dat het geheele eiland Spitsbergen voor
ieder openstond en dat alleen de Nederlanders als ontdekkers
uitsluitende rechten zouden kunnen doen gelden.
[509] Br. v. Salmon aan Heley dd. 5 juli 1619, bij: Purchas,
Pilgrimes. III p. 735.
[510] Br. v. Catcher aan Heley dd. 17 Juni 1620, bij: Purchas,
Pilgrimes. III p. 735.
[511] Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 469,
70.--Br. v. Fanne aan Heley dd. 24 Juni 1628, by: Purchas l. c. III
p. 736.
[512] Wassenaer, Hist. verh. V fol. 157. cf. Br. v. Fanne aan Heley
dd. 24 Juni 1623, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 736.--Wassenaer l.
c. IX fol. 124.
[513] cf. o. a. R. S.-G. 25 Jan. 1624.