Het ligt zeer voor de hand te meenen, dat eene vereeniging, die er zich

op toelegde steeds bij grooten overvloed van visch slechts weinige

schepen op de walvischvangst uit te zenden, ieder jaar die schepen ten

boorde toe geladen naar huis moest zien keeren. De traditioneele

voorstelling van de geschiedenis der Noordsche Compagnie leert ons dan

ook, dat de eerste jaren tijden van later ongekenden voorspoed en

overvloed waren, dat de rijke vangst steeds klom tot 1633 toe en dat

eerst van toen af door de merkbare vermindering der visschen aan de

kust, de Noordsche Compagnie kennis maakte met de slechte zijde van een

avontuurlijken handel. Het nadeel door haar geleden, aanvankelijk

gering, zou weldra zoozeer toegenomen zijn, dat de compagnie eerlang

evenveel verloor als zij vroeger gewonnen had en zelve in 1642 de nering

opgaf[426]. Men vergeet bij deze voorstelling echter te veel, dat een

bedrijf als de walvischvangst uit zijnen aard zeer onderhevig is aan

geluk en ongeluk, dat »groote perijculen,” ijsgang, storm, zware mist

veel invloed op het resultaat van »’t onzeecker visschen” kunnen

oefenen; men brengt bovendien te weinig in rekening de geringe ervaring

en bekwaamheid der Nederlanders in 1614, gebreken door de overkomst van

enkele Basken slechts weinig verholpen. Wij hebben dan ook reeds gezien,

dat de bovenvermelde voorstelling, berustende op het verhaal van

Zorgdrager,--een boek ter loops gezegd even voortreffelijk waar het door

den schrijver zelven geziene zaken mededeelt, als slecht te vertrouwen

waar het de ~geschiedenis~ der walvischvangst geldt,--althans wat het

laatste gedeelte aangaat stellig onjuist is: de kustvisscherij gaf nog

eenige jaren na den val der Noordsche Compagnie voordeel aan hen, die

zich daarmede bezighielden, en het octrooi der vereeniging werd dan ook

in 1642 zeer tegen den zin der aandeelhouders ingetrokken. Ook wat de

rijke vangst betreft en het tijdstip van den grootsten bloei der

walvischvangst zal het blijken, dat Zorgdrager geheel misgetast heeft.

Reeds dadelijk volge hier eene opgave van het resultaat der

walvischvangst over de eerste twintig jaren[427].

~Spitsbergen.~ ~Jan Mayen-eiland.~

1612 slecht --

1613 slecht (door roof der --

Engelschen)

1614 slecht --

1615 zeer slecht --

1616 slecht ?

1617 slecht (door roof der ?

Engelschen)

1618-22 ? ?

1623 zeer goed ?

1624 goed zeer goed

1625 ? slecht

1626 slecht zeer goed

1627 ? ?

1628 slecht (alleen Vlissingen slecht (alleen Vlissingen

gelukkig) gelukkig)

1629 ? ?

1630 ? ?

1631 ? zeer goed

1632 goed niets (het ijs blijft het

eiland omringen)[428]

[426] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 192, 229.--De walvischvangst.

II p. 87.--Scoresby, Account. II p. 52, 178.--Lindeman, Arkt. Fisch.

p. 20.--Tegenw. Staat. I p. 590-92.

[427] Over de laatste tien jaren der N. C. vind ik geene opgaven

medegedeeld.

[428] Deze opgaven zijn ontleend aan: Wassenaer, Hist. verh. V fol.

157, VII fol. 108, VIII fol. 86, 88, X fol. 106, XII fol. 8, XVI

fol. 26.--Hist. du pays de Spitsberghe. p. 22, 25, 26.--Edge, Dutch

disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 466, 67.--R. S.-G. 23

Apr. 1615.--Getuigenissen in zake de Eng. quaestie v. 1617, in:

Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Sent. v. de H. R. in zake de

N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.--Getuigenis v. Wybe Jansz.

voor de regeering v. Amst. in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C.

R.-A.--Req. der N. C. c. Vrolicq en v. Vrolicq c. de N. C. dd. 11

Mrt., 8 Apr. 1633, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.

Het blijkt dus reeds terstond: 1^{o}. dat de allereerste jaren der

walvischvangst, wel verre van een resultaat te leveren, dat met den zoo

geroemden overvloed der visschen overeenkwam, integendeel bizonder

slecht uitvielen[429], 2^{o}. dat de Noordsche Compagnie ook in latere

jaren, toen ervaring en bekwaamheid toenamen, volstrekt niet rekenen kon

op een vaste ruime vangst, maar steeds afhing van verschillende

omstandigheden, die op het resultaat der reis invloed oefenden, en

3^{o}. dat de jaren, waarin wij weten, dat de Noordsche Compagnie een

meer dan gewoon aantal schepen uitzond (1614, 1615 en 1628) volstrekt

niet als gunstig in de boeken der vereeniging aangeteekend

stonden,--eene opmerking, die bewijst, dat het kleine getal schepen door

de compagnie uitgezonden niet ~uitsluitend~ aan het bovenvermelde

beginsel van »kleine vangst hooge prijzen” toegeschreven, maar evenzeer

aan de betrekkelijk geringe ruimte van het terrein geweten moet worden.

[429] Dit wordt nog bevestigd door de N. C. zelve. (Req. der N. C.

c. Clarke dd. 15 Mrt. 1619 (lees 1618) in: Noordsche togten. 2.

Admiraliteit. R.-A.)

Bij al hetgeen deze onvolledige opgaven over het resultaat der vangst

ons dus leeren, laten zij ons echter over eene zaak geheel in het

duister. Wat verstond men onder een goede en slechte vangst, m. a. w.

hoeveel kon de Noordsche Compagnie redelijkerwijze verwachten jaarlijks

te zullen vangen? Het antwoord op deze vraag is niet gemakkelijk, daar

ons nagenoeg alle gegevens voor eene statistiek van de jaarlijks

ingevoerde hoeveelheid traan en baarden ontbreken. Wij moeten ons dus

vergenoegen met den zeker eenigszins onzuiveren maatstaf, dien ons de

algemeene begrootingen der Noordsche Compagnie aanbieden.

Bij de overeenkomsten, die de verschillende kamers der compagnie van

tijd tot tijd met elkander sloten en waarbij zij ieders aandeel in de

vangst regelden, werd namelijk het deel dat aan eene kamer toekwam

uitgedrukt in quarteelen (vaten) traan; al deze deelen bij elkaar

gevoegd vormden dus het getal quarteelen, dat men hoopte te vangen. Over

de eerste jaren ontbreken die opgaven, eerst met het jaar 1622 vinden

wij een cijfer genoemd: de Noordsche Compagnie begrootte toen haar

jaarlijksche vangst op 21.000 quarteelen[430]. Sedert is een gedurige

vermindering der opbrengst merkbaar. Bij het contract van 1630 werd de

vangst op 17.500 quarteelen begroot[431], in 1636 op slechts

16.000[432]. Ik geef dadelijk toe, dat men op deze cijfers niet vast

vertrouwen kan: naarmate het aandeel van sommige kamers op 1/3, 1/4, 1/5

of op kleinere breuken geschat werd, koos men een getal, dat ook in die

breuken een ronde som kon geven; maar ongetwijfeld is de begrooting toch

~ongeveer~ de uitdrukking van hetgeen de Noordsche Compagnie krachtens

vroegere ondervinding van hare vangst verwachtte[433].

[430] R. S.-G. 3 Febr. 1622.

[431] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr.

1637.

[432] Versl. der confer. v. 14 Febr. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl.

gedeput. R.-A.

[433] Geheel geene gevolgtrekkingen kan men afleiden uit de

vermeerdering der gewone begrooting met 1800 quarteelen in 1622, en

met 3000 in 1636. (R. S.-G. 4, 11, 12 Febr. 1622.--Aitzema, Saken

van Staet. II p. 360.--Tegenw. Staat. I p. 590.) Beide malen

geschiedde deze vermeerdering ten gerieve van nieuwe leden (de

kleine N. C. en de Friezen) wien men geen aandeel uit de gewone

begrooting kon of wilde toeleggen om de rechten der overige kamers

op de eens vastgestelde raming niet te krenken. Natuurlijk blijkt

daaruit geheel niet, dat de vangst vermeerderd was. De begrooting

der geheele vangst op 24.000 quarteelen in Juli 1636 (Aitzema, l. c.

II p. 360), terwijl ze nog in Februari van hetzelfde jaar op slechts

16.000 begroot was (zie hiervóor p. 124 Noot 3{[432]}), geschiedde

waarschijnlijk omdat men nog aan het onderhandelen was met acht

Hollandsche steden, die men slechts in de N. C. wilde toelaten,

indien de regeering door wering van alle concurrentie het der

compagnie mogelijk maakte hare vangst op 24.000 quarteelen te

brengen. (Versl. der confer. in 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl.

gedeput. R.-A.)

Slechts enkele opgaven geven een volkomen zuiveren maatstaf voor de

begrooting van de geheele vangst der compagnie. Wij hebben gezien, dat

het getal schepen, die de Noordsche Compagnie jaarlijks naar het noorden

zond, hoogst zelden tot twintig klom[434]. Wanneer wij nu vernemen, dat

een ~groot~ schip ongeveer 1000 quarteelen traan kon bevatten[435], en

wanneer wij er aan denken, dat het niet zelden voorkwam, dat men een

gedeelte der vangst op het land moest achterlaten of met naschepen laten

vervoeren, kunnen wij gemakkelijk berekenen, dat de compagnie met eene

vangst van 20.000 quarteelen tevreden kon zijn[436]. Eenige

bewindhebbers verklaarden eenmaal zelfs, dat de groote en kleine

Noordsche Compagniën tot 1622 toe--dus tot op het tijdstip waarop wij

zagen, dat de vangst hun het meest inbracht,--~te zamen~ in geen jaar

ooit meer hadden gevangen dan 19.000 quarteelen traan[437], eene opgave,

die tot eene nog ongunstiger conclusie leidt dan de zoo even gemaakte

berekening. Wij vernemen eindelijk, dat omstreeks 1640 een schip ~bij

gunstige vangst~ tien walvisschen of zelfs enkele meer kon

vermeesteren[438], en wanneer wij bedenken, dat éen walvisch gewoonlijk

60 à 70 quarteelen traan en 1000 à 1800 pond baarden leverde [439],

komen wij tot de van elders bevestigde conclusie, dat de gouden tijden

der naschepen toen reeds lang voorbij waren.

[434] Zie de statistiek op p. 109, 10.

[435] Wassenaer, Hist. verh. V fol. 157.--Martens, Voyage to

Spitzb., in: White, Spitzbergen. p. 133.--Sent. v. h. Hof v. Holl.

in zake de N. C. c. Braem, dd. 29 Juni 1629.--Eene vangst van 657

quarteelen beloonde de kosten van uitrusting van een schip niet.

(Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.)

De Engelsche schepen waren gewoonlijk veel kleiner. (Purchas,

Pilgrimes. III p. 467-69, 737.--Purchas, Pilgrimage. p. 816.)

[436] De Engelschen waren veel spoediger tevreden: zij oordeelden

het een zeer goede vangst, toen in 1616 acht schepen 1300 vaten

traan, in 1617 veertien schepen 1900 vaten en in 1622 zes schepen

1300 vaten inbrachten. (Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas,

Pilgrimes. III p. 467, 69.)

[437] Req. v. P. v. d. Graeff c. s. aan de Stn.-Gen. dd. 12 Febr.

1622, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

[438] Drie Voyagien na Groenlandt. p. 15. (Dat deze opgave uit de

laatste dagen der N. C. dagteekent, blijkt uit het feit, dat de

schrijver gedurig van zeevisschers spreekt, die niet aan Spitsbergen

mochten komen om hunne traan te koken.)

[439] Dit is de gemiddelde opbrengst, maar er was daarop zoo weinig

staat te maken, dat men van walvisschen leest, die niet meer dan 10

quarteelen opleverden, terwijl anderen wel 100 quarteelen gaven. Ter

vergelijking zie men de opgaven van de opbrengst van een walvisch

bij: Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 86.--Zorgdrager, Groenl.

vissch. p. 105, 129, 313, 356, 371.--De walvischvangst. I p.

42.--Martens, Voyage to Spitzb., in: White, Spitzbergen. p. 6, 8,

10, 106, 113, 120.--Dooregeest, Rijper zee-postil. p. 356.--Hist. du

pays de Spitsberghe. p. 18.--Drie Voyagien na Groenlandt. p.

15.--Sent. v. h. Hof v. Holland in zake de N. C. c. Braem dd. 29

Juni 1629.--Purchas, Pilgrimes. III p. 470, 732, 34, 36,

37.--Schaderekening der Zeeuwen v. 1617, in: Noordsche togten. 4.

Loop. N. C. R.-A.--Eng. schaderekening v. 1618, in: Lias loop. 1618.

R.-A.

Uit al het voorgaande blijkt, dat de geschiedenis der walvischvangst

onder de kust in groote trekken aldus is. Terwijl de eerste jaren door

onervarenheid en ongeluk, misschien door te groote uitrustingen nadeelig

waren, werd het resultaat gunstig, zoodra de Noordsche Compagnie besloot

zich uitsluitend naar de door mededingers niet bezochte noordelijke

baaien op Spitsbergen en naar Jan Mayen-eiland terug te trekken: de

jaren 1619 tot 1624 zijn dus die van den grootsten bloei. Reeds van dit

laatste jaar dagteekent de langzame vermindering der vangst, die echter

nog in 1636 belangrijk genoeg was om de Friezen tot de vestiging op het

Deensche eiland over te halen. Meer en meer afnemende was de vangst

omstreeks 1640 toch nog vrij goed en eerst na het openstellen der

visscherij voor alle Nederlanders werd de walvisch in weinige jaren voor

goed uit de baaien verjaagd. De zeevisscherij, die omstreeks 1630

opkwam, moest reeds twintig jaren later door de ijsvisscherij vervangen

worden.

Maar al weten wij nu ongeveer, in welke jaren de grootste

scheepsladingen traan en balein in ons vaderland werden binnengevoerd,

het antwoord op de vraag naar de winst der Noordsche Compagnie is

daarmede nog niet gegeven. Terwijl toch van de eene zijde het haar

dikwijls ten laste gelegde wanbeheer en gebrek aan zuinigheid ook bij

eene rijke vangst kon doen verliezen, had de compagnie in de door haar

zelve bepaalde vaste prijzen der traan een middel om ook bij een zeer

geringe toevoer nog redelijke zaken te doen. Laat ons zien wat daarvan

is. Wij kunnen niet beter doen dan de Noordsche Compagnie, die wij reeds

met hare vangst in de Groenlandsche pakhuizen hebben zien aankomen, nog

verder in haren handel te volgen.

Wat het afzetten van de waar betreft, beleefde de compagnie in het begin

werkelijk gouden dagen. Voor de traan, die voornamelijk in lampen tot

verlichting werd gebruikt, en het spek, dat ook tot spijs schijnt

gediend te hebben[440], vond men bijna overal een willige markt; de

balein, waarvan men aanvankelijk het nut niet goed schijnt ingezien te

hebben, werd sinds de uitvinding van den Engelschman John Osborne, die

ze in 1618 door samenpersing begon te bewerken[441], gezocht voor

schilderijlijsten, versierselen aan buffetten en schoorsteenmantels, ook

voor wandelstokken, meshechten enz. Het binnenland bleef natuurlijk de

hoofdmarkt voor deze artikelen[442], maar van Nederlandsche kooplieden

der zeventiende eeuw was het niet te verwachten, dat zij zich binnen

zulke enge grenzen zouden beperken. Weldra werd Frankrijk,[443]

waarschijnlijk ook Duitschland, Spanje en de kusten der Middellandsche

zee[444] voor den nieuwen handel ontsloten. De prijzen waren

aanvankelijk natuurlijk zeer hoog: éen walvischbaard werd met ƒ 12 (30

stuivers het pond) betaald[445], en de Noordsche Compagnie durfde in

1617 een quarteel traan op ƒ 150, de 100 pond balein nog op ƒ 30

begrooten[446]. Maar weldra daalden de prijzen: de baarden waren in 1618

bijna niets meer waard[447] en ook de traan werd als nieuw en kostbaar

artikel door het geringe verbruik gedrukt. Toen de walvischvangst zich

in 1623 na eenige jaren van goede vangst hersteld had van de verliezen

der eerste jaren, vinden wij het quarteel traan in Frankrijk begroot op

ƒ 45, de 100 pond balein op ƒ 10[448]. In Nederland--waar de prijzen

niet veel van de Fransche verschild zullen hebben, daar de compagnie bij

de bepaling der vaste prijzen natuurlijk met het buitenland moest

rekenen,--werden dit jaar de prijzen zeer hoog geoordeeld[449]. De vraag

vermeerderde langzamerhand: in 1624 werden 100 pond balein voor ƒ 20

verkocht[450]; in 1632 werd de prijs van het quarteel traan op ƒ 60

bepaald[451] (de hier te lande gekookte slechtere traan gold dat jaar

ruim ƒ 51-1/2 het quarteel[452]), terwijl de baarden echter weder niet

meer dan ongeveer ƒ 8 de 100 pond deden[453]. Sedert begon de invloed

der concurrentie zich meer en meer te doen gevoelen: de walvischvangst

van Denen en Franschen begon zich nevens die der Engelschen op de markt

te doen gelden, de Hansesteden vertoonden zich later ook in de IJszee,

en vooral de meer en meer zich ontwikkelende zeevisscherij der

Nederlanders zelve wierp een groot gewicht in de schaal. De Noordsche

Compagnie, gewoon aan eene vrije en machtige positie, wist zich niet

spoedig naar de veranderde omstandigheden te schikken. Zij bleef hare

goederen voor veel geld aanbieden; de inrichting der compagnie maakte

het onmogelijk de vaste vooruitbepaalde prijzen spoedig te veranderen,

en het resultaat schijnt geweest te zijn, dat hare goederen, na geruimen

tijd in de pakhuizen gelegen te hebben, eindelijk op onvoordeelige wijze

van de hand gedaan moesten worden[454]. Langzamerhand was de vereeniging

toch wel genoodzaakt, met haren tijd mee te gaan; omstreeks 1640 was de

prijs van een quarteel traan naar gelang van de vangst tot ƒ 45, 30,

ja 25 gedaald[455].

[440] Wassenaer, Hist. verh. VII fol. 109.

[441] Op verzoek van de N. C. had Osborne, geboortig van Worcester

maar sinds zijn zeventiende jaar ivoordraaier te Amsterdam, daarover

lang gepeinsd en eindelijk „door een sonderlinge wetenschap de dunne

stucken soo in malkanderen weten te parssen, dat sy een massa zyn en

blyven.” Had het balein eenmaal deze kunstbewerking ondergaan, dan

werd het „so gedwee of mol, datmen met een gesneden plaet daerop

druckt ’t gene men wil, de alderdunste graveringhen, als stralen van

de son of anders, presenteren haer so helder, als men die inde

plaet, of het pampieren afdrucksel siet: Men maeckt daer tronien

heel uytstaende af, van mans en vrouwen, leeuwen, satyrs, en alle

beeltenissen van Historien, of sy vande beste beeldt-snyders gedaen

waeren: tot ornamenten der huysen en camers dienende, blyvende

altoos soo swart als gitte, so men seyt.” (Wassenaer, Hist. verh.

VIII fol. 87.) Deze uitvinding ontlokte den goeden Dr. Wassenaer een

kreet van bewondering: „Nu bevinde ick”, schreef hij, „dat die

luyden in haer opinie bedroghen zyn, die ghevoelen dat alle konsten

op het hooghste zyn, en datter niet en is, of ’t sy al ghevonden.

(NB. in 1624!) Voorwaer dese inventie braveert alle subtyle

verstanden!”

[442] De Aanwysing v. heils. polit. gronden zegt zelfs (p. 75), dat

de N. C. zich tot den binnenlandschen verkoop geheel bepaalde. Dat

dit onjuist is, blijkt uit de beide volgende noten.

[443] Uit het beslag, in 1634 volgens verlof der Rouaansche

admiraliteit gelegd op de goederen der N. C. te Rouaan, Bordeaux en

Bayonne (Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634 en ald. Bijl. II, in:

Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.), blijkt dat de compagnie

daar agenten had.

[444] De Nederlandsche resident Van Cracauw stelde in 1638 aan

Christiaan IV voor, de markt voor traan en baarden tusschen beide

natiën te deelen: de Denen zouden Denemarken en de oostelijk van

daar gelegene landen alleen hebben, de Nederlanders Duitschland ten

westen der Elbe, Nederland, Frankrijk en alle andere zuidelijk en

westelijk gelegene landen. (Miss. v. Van Cracauw aan de Stn.-Gen.

dd. 27 Nov. 1638, in: L. D. 1638.) De resident, die in

correspondentie stond met de N. C., zou dezen voorslag, waartoe hij

trouwens geen specialen last had, zeker niet gedaan hebben, zoo de

compagnie van den alleenhandel in die landen geen voordeel had

kunnen trekken.

[445] Wassenaer, Hist verh. VIII fol. 86.

[446] Schaderekening der Zeeuwen v. 1617. (Noordsche togten. 4.

Loop. N. C. R.-A.) De Engelschen begrootten een quarteel traan in

1618 op £ 15. (Eng. schaderekening, in: Lias loop. 1618. R.-A.)

[447] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 88.

[448] Sent. v. h. Hof v. Holl. in zake de N. C. c. Braem dd. 29 Juni

1629.

[449] Wassenaer, Hist. verh. V fol. 157.

[450] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 88.

[451] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr.

1637.--Dictum v. de H. R. in zake als boven dd. 3 Apr. 1637.

[452] Dictum v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr.

1637.

[453] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr.

1637.--Uit deze sententie blijkt, dat voor de baarden niet als voor

de traan vooraf een vaste prijs door de N. C. bepaald werd: in 1632

werden ze eenvoudig allen aan de Amsterdamsche kamer ter verkoop

gezonden.

[454] Aanwysing v. heils. polit. gronden. p. 75.

[455] Drie Voyagien na Groenlandt. p. 15.--Om de prijzen te

berekenen moet men weten, dat de traan geborgen werd in quarteelen,

die ~ongeveer~ 12 steekannen (van 16 mengelen) hielden. (Zorgdrager,

Groenl. vissch. p. 339, 370, 371.--Lindeman, Arkt. Fisch. p.

9.--Dictum en Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd.

3, 4 Apr. 1637.) De spekquarteelen waren grooter, zij hielden 16 à

18 steekannen. (Zorgdrager l. c. p. 335, 370.--Rijper zeepostil. p.

356.--Tegenw. Staat. I p. 608.)

Bij de verliezen, die de Noordsche Compagnie dus door hare inrichting

zelve noodzakelijk nu en dan lijden moest, voegden zich echter andere,

die zij tot het laatst toe niet poogde te voorkomen. De omslachtige

wijze van traankoken, die zij had aangenomen en die haar noodzaakte

kostbare inrichtingen in het barre noorden in stand te houden, was

misschien[456] wenschelijk toen de overvloedige vangst niet in de

schepen geborgen kon worden en toen men dus verplicht was naschepen te

zenden om ze af te halen, maar zij gaf zeker geen voordeel meer, toen in

latere jaren de vloot zelfs in het gunstigste geval bijna geene volle

lading traan meer medebracht. De geheele toestel dagteekende uit de

tijden, toen men meende, dat het niet alleen onvoordeelig maar ook bijna

onmogelijk was, het in stukken gesneden walvischspek naar het vaderland

mede te nemen en eerst daar tot traan te bereiden. De concurrentie had

ook hier den goeden weg gewezen; de zeevisschers, die het land niet

mochten naderen en dus wel genoodzaakt waren hun spek ongekookt mede te

nemen, hadden bewezen, dat er ook op die wijze uitnemende zaken te maken

waren. Maar toch volhardde de geoctrooieerde vereeniging bij haar oud

gebruik: niettegenstaande deze gewoonte de kosten der jaarlijksche

uitrustingen bijna verdubbelde, droeg zij liever de daaraan verbonden

schade dan ze op te geven. Had ook zij het spek mede naar huis genomen,

dan had zij zelve het grootste voordeel prijsgegeven, dat zij boven hare

mededingers meende te hebben, en zij volhardde dus in de hoop, dat de

betere qualiteit der door haar gekookte traan de verbruikers zou doen

genoegen nemen met de groote duurte, die deze kostbare bereiding van het

artikel natuurlijk medebracht. Het was te denken, dat de vereeniging,

die dus de bakens niet wist te verzetten toen het getij verliep, niet

kon concurreeren met mededingers, die zelfs uit de uitgekookte vinken,

uit de bezonken prut en lil een winst wisten te maken, die de compagnie

door het gedurig achterlaten van dien afval in het noorden steeds

moedwillig verzuimde[457].

[456] Ik zeg „misschien”, omdat men door het spek tot traan te koken

slechts 20% aan ruimte won. (Martens, Voyage to Spitzb., in: White,

Spitzbergen. p. 131.) Op elk volgeladen schip--een schip, dat 1000

quarteelen hield, behoorde onder de groote--zou men dus, wanneer men

het spek niet tot traan kookte, slechts 200 quarteelen spek behoeven

achter te laten. Wanneer wij de jaarlijksche vloot der N. C. op 15

schepen schatten, geeft dit dus een jaarlijksch overschot van 3000

quarteelen spek. Nemen wij dus al aan, dat de schepen alle jaren

geheel volgeladen werden en dus het overschot der vorige jaren nooit

konden medevoeren, (wat wij weten dat bepaald niet het geval was,)

dan kon men door jaarlijks drie naschepen te zenden, den geheelen

omslachtigen toestel van traankokerijen en woonhuizen in het

noorden, van dubbele bemanning en dubbele victualie bespaard hebben.

[457] Tegenw. Staat I p. 599.--Dat de achtergelaten afval niet

onbeduidend was, blijkt wel uit het feit, dat de acht Engelsche

matrozen, die in 1630 op Spitsbergen overwinterden, zich gedurende

den geheelen winter grootendeels daarmede voedden. (Pellham, Gods

power, in: White, Spitzbergen. p. 267.)

De gevolgen lieten zich niet wachten: de eene reeder vóor de andere na,

wiens kapitaal niet groot genoeg was om de zware verliezen te dragen,

die hem nu en dan troffen, verkocht zijne aandeelen en beloofde zich

zelven, voortaan geen duit meer in de gevaarlijke nering te zullen

steken. Zoo werden de Zeeuwsche compagniën, die het trouwens al bizonder

slecht getroffen en geen van de drie eerste jaren, dat zij zich met de

walvischvangst bezighielden, ongestoord gevischt hadden, reeds met het

einde van 1618 ontbonden[458]. De kamers van het Noorderkwartier volgden

dit voorbeeld op het laatst van 1621[459]; die van Delft, wier aandeel

in de Noordsche Compagnie zoo belangrijk was, nog vóor 1624[460]; de

kleine Noordsche Compagnie, door de energieke Kyen en Leversteyn

opgericht, zag den laatste reeds weinige jaren later zich uit dit

bedrijf terugtrekken, en kort na de vereeniging met hare oudere zuster

loste zij zich geheel op[461]. Wel waren in die tijden vol moed en

energie steeds nieuwe handelaars gereed om hun kapitaal aan de

wisselvallige kansen te wagen, maar dat de gedurige ontbindingen der

kamers niet door gril of toeval veroorzaakt werden, blijkt toch

voldoende. Al gelooven wij de jammerzieke bewindhebbers der Noordsche

Compagnie niet, die zelfs in 1624 en 1633, in tijden van bijna

ongestoorde rust, over de ontzettende ellende der laatste jaren

klaagden[462]; al schenken wij geen gehoor aan de ontboezemingen der

Zeeuwen, die zeker sterk overdreven, toen zij het in 1624 deden

voorkomen alsof zij ook na de oprichting van nieuwe compagniën (1618)

geen voordeelig jaar gehad hadden[463], wij kunnen ons niet voorstellen,

dat de bewindhebbers onwaarheid spraken toen zij feiten noemden. En die

feiten zijn welsprekend! Wij vernemen, dat het kapitaal der Noordsche

Compagnie na de reis van 1615 geheel verbruikt was[464],--een feit, dat

de geringe uitrusting van 1616 verklaart; de kleine Noordsche Compagnie

verzekerde, dat zij in 1621 na zesjarig bestaan nog maar twee goede

jaren had gehad[465]; wij hooren, dat die van het Noorderkwartier in

1624 niet minder dan 1-1/2 kapitaal ten achteren waren[466] en dat in de

eerste jaren der walvischvangst de ongelukkige Zeeuwen meer dan eens hun

kapitaal op éene reis geheel verloren[467].

[458] Corte Deductie der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche

togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Herhaaldelijk wordt ook van de „~oude~

Noortsche Compaignien” te Vlissingen en elders gesproken. (Req. v.

de N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 22 Aug. 1624, in: Noordsche togten. 2.

Admiraliteit. R.-A.--R. S.-G. 22 Aug., 23 Sept. 1624, 9 Apr. 1625.)

[459] Corte Deductie der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche

togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

[460] Corte Deductie der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche

togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

Geschiedenis der Noordsche Compagnie · 第 15 / 52 段