gesneden, werden in bossen naar land geroeid, daar van elkander
gekloofd, afgestoken, geweekt en geschrobd. Na het droogen werd het haar
er afgesneden en de schoone baarden aan bossen van vijf of zes stuks
tusschen de traanvaten in het ruim van het schip geborgen[381].
[381] Scoresby, Account. II p. 177.--Purchas, Pilgrimes. III p.
471.--Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 356, 371.
Dit was de gewone manier van doen der walvischvaarders tot na den val
der Noordsche Compagnie toe. Maar reeds lang voor dien tijd was eene
andere behandeling van den walvisch naast deze gewone vrij algemeen in
gebruik gekomen. Het zal de aandacht mijner lezers niet ontgaan zijn,
dat het octrooi der Noordsche Compagnie slechts de landen en kusten in
de IJszee noemde, en dus stilzwijgend het bevaren en bevisschen van de
opene zee zelve voor de vrije concurrentie openliet[382]. Lang duurde
het, voordat de Nederlandsche handel deze leemte in het monopolie der
Noordsche Compagnie opmerkte. Eerst in 1626 vernemen wij bij
uitzondering, dat twee Zaandamsche walrusjagers op weg naar de straat
van Nassau in de opene zee eenen walvisch vingen[383]. Hun voorbeeld
schijnt nu en dan door enkele Nederlanders gevolgd te zijn. De Noordsche
Compagnie zag echter aanvankelijk in deze concurrentie weinig bezwaar;
zij verwees vreemden en Nederlanders, die zich naast haar op Spitsbergen
wilden vestigen, zelve somtijds naar de opene zee[384]. Men was in de
goede jaren der walvischvangst, toen de gewenschte prooi zich bijna
uitsluitend onder de kust ophield, te zeer overtuigd dat de
zeevisscherij geen voordeel kon geven, dan dat de geoctrooieerde
vereeniging de concurrentie zou gevreesd hebben. De mededingers zelven
schijnen dan ook van dit middel om de Noordsche Compagnie haar monopolie
te ontnemen slechts een spaarzaam gebruik gemaakt te hebben, al wisten
zij ook, al erkende de compagnie zelve, dat de volle zee hun
openstond[385]. Langzamerhand veranderden echter de zaken van aanzien:
het gedurig jagen en visschen maakte den walvisch schuw; de overvloed
van visschen, die zich vroeger in de baaien vertoond had, verminderde
langzamerhand en de vangst der compagnie werd dus ook veel minder
voordeelig. Het laat zich verklaren, dat zij in dit tijdperk van
overgang, toen alle concurrentie meer dan ooit nadeelig zijn moest, het
een harer harpoeniers Marten Michielsz. van De Rijp, die volgens de
overlevering de eerste was, die in dienst der compagnie in de opene zee
een walvisch ving, uiterst kwalijk nam, dat hij het voorbeeld gegeven
had van eene handeling, die nu zoo gevaarlijk scheen[386]. Zij verbood
alle verdere visscherij van hare schepen in zee; zij poogde zelfs, toen
de zeevisscherij desniettegenstaande toenam[387], van de Staten-Generaal
te verkrijgen, dat haar octrooi ook tot de zee uitgebreid werd
(1636)[388]. Maar toen het haar in weerwil van haar lang aandringen niet
gelukte dien maatregel door te drijven, koos zij de wijste partij en
zocht zelve hare mededingers op hun terrein op[389]. Waarschijnlijk
besloot zij in 1638 het eerst tot dien stap: twee schepen van de
Amsterdamsche kamer vischten dat jaar tusschen Spitsbergen en de
Noordkaap in zee[390]. Het volgende jaar werden reeds verscheidene
schepen met hetzelfde doel door de compagnie uitgezonden[391] en de
walvischvangst was dus reeds gedeeltelijk voor de vrije concurrentie
ontsloten. Eéne zaak had de Noordsche Compagnie echter ook hier boven
hare mededingers vooruit: hare schepen zeilden geregeld na afloop der
vangst naar Spitsbergen, om daar uit de visschen de traan te doen
bereiden[392].
[382] Zie de vier octrooien der N. C. in: Gr. Placaetb. I p. 669
vlg.--Vgl. ook: Kort Verhael vande Gedaente der Walvisschen, in:
Drie Voyagien na Groenlandt. p. 15.
[383] Wassenaer, Hist. verh. XI fol. 134.--cf. R. S.-G. 7 Mrt. 1626.
[384] Insin. v. Duynkercker aan Vrolicq dd. 29 Juni 1632, in: Stn.
N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.--R. S.-G. 14 Apr. 1636.
[385] Nota van Ys aan Vrolicq dd. 1 Juli 1633, en: Req. der N. C.
aan de Stn.-Gen. c. Vrolicq dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten.
4. Loop. N. C. R.-A.--Vgl. ook: Drie Voyagien na Groenlandt. p.
15.--Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 135.--De walvischvangst. I p. 30
Noot.
[386] Dooregeest, Rijper zee-postil. p. 351, 52--De schrijver noemt
het jaar 1639 of 40 als het jaar, dat de eerste visch in zee
gevangen werd; dit is echter onjuist, daar in 1639 reeds eenige
schepen der N. C. dadelijk van huis daarheen voeren. (Raven,
Iournael. p. 5.)
[387] Miss. v. de N. C. aan de Stn.-Gen., bij: Aitzema, Saken v.
Staet. II p. 442.
[388] Versl. der confer. met de N. C. dd. 21 Mrt. 1636, in: Stn. N.
C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.
[389] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 236, 37.
[390] Miss. v. Van Cracauw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1639,--en v.
de Stn.-Gen. aan Christ. IV dd. 29 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.--Het
jaar 1638 is waarschijnlijk het eerste, dat de N. C. tot dezen
maatregel besloot; want Christiaan IV wilde niet gelooven, dat de
twee schepen onder de compagnie behoorden en hield ze voor
„interlopers.”
[391] De kamer te Hoorn, een der kleinste van de N. C., zond toen
reeds 2 schepen naar de opene zee, die te Harlingen 1. (Raven,
Iournael. p. 5.)
[392] Raven, Iournael. p. 5, 11.
Maar al bleef de Noordsche Compagnie zelve nog gehecht aan de oude
manier der walvischvangst, al bleef voor haar de zeevisscherij steeds
bijzaak, toch bleek het weldra, dat het niet lang zou duren, of
de concurrenten hadden hunne tegenpartij overvleugeld. In 1640
vertoonden zich de Zaanlanders als mededingers op het gebied, waar
zij eerlang zoovele schatten zouden vergaderen. Vier schepen van
Jisp--waarschijnlijk onder den commandeur De Ploeger--zeilden dat jaar
uit om »in de openbare zee” de walvischvangst te ondernemen[393]. Zij
slaagden uitnemend, die van Zaandam en De Rijp volgden weldra[394] en de
zeevisscherij verkreeg eerlang overwegend belang. Tegelijk bezweek de
Noordsche Compagnie voor de aanvallen harer mededingers en liet hun dus
het veld vrij. De walvischvangst nam verbazend in kracht toe: meer dan
honderd schepen vertoonden zich slechts weinige jaren later geregeld in
de Mauritiusbaai om den walvisch te vervolgen. De dieren werden er te
schuwer om en verlieten eerlang de baaien geheel. Toen moest de
visscherij onder het land opgegeven worden; het werd noodig de wijkende
prooi verder te volgen. De kustvisschers trokken ze achterna, eerst naar
de banken voor de Noord- en Westbaaien, de Noordbank en de
Keerens-kaar[395]; weldra tot in volle zee. De schepen konden nu echter
onmogelijk meer bij de kokerijen ten anker blijven liggen: het was te
bezwaarlijk de gedoode walvisschen uit zee naar den wal te slepen. Het
traankoken op Spitsbergen moest dus opgegeven worden: voortaan werd het
spek ongekookt medegevoerd. Trouwens bij de steeds verminderende vangst
werd de traankokerij meer en meer onnoodig; er was steeds ruimte genoeg
om het spek zelf in het schip te bergen. En zelfs toen de walvischvangst
onder de kust nog bloeide, was het toch ook wel gebeurd, dat men in het
koken verhinderd was en het spek dus rauw in het vaderland had
ingevoerd[396].
[393] R. S.-G. 3 Apr. 1640.--cf. Dooregeest, Rijper zee-postil. p.
352.
[394] Dooregeest, Rijper zee-postil. p. 352, 53.--Zorgdrager,
Groenl. vissch. p. 128.
[395] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 236, 37, 39, 326.--De
walvischvangst. I p. 29, 30.--De hierboven verhaalde verplaatsing
der visscherij en het opgeven der kokerij worden door beide
aangehaalde bronnen vóor den val der N. C. geplaatst. Scoresby
(Account. II p. 179) brengt ze terecht tot het tijdstip der
zeevisscherij (1646-50) terug. (Vgl. hierna Hfdst. IV.)
[396] Dictum v. de H. R. in zake de N. C. Enkh. c. Hoorn dd. 3 Apr.
1637.--R. S.-G. 24 Oct. 1642.
Maar ook de nieuwe wijze om de walvischvangst te oefenen duurde niet
lang. De visscherij op de banken en in de opene zee gaf slechts
gedurende weinige jaren voordeel: de zee zelve werd voor de walvisschen
onveilig en zij trokken zich dus in het ijs terug. Reeds in 1650 rekende
men het noodig de vluchtelingen dáar te volgen[397] en weinige jaren
later werd deze stap gedaan, die een nieuw tijdperk in de geschiedenis
der walvischvangst opende[398].
[397] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 241.--Dooregeest, Rijper
zee-postil. p 355.--De walvischvangst. I p. 32.
[398] Zie over de ijsvisscherij: Tegenw. Staat. I p. 593,
95-99.--Lindeman, Arkt. Fisch. p. 20-22.--Martens, Voyage into
Spitzb., in: White, Spitzbergen and Greenland. p. 25, 105-32.--De
walvischvangst. p. IV, V, dl. I p. 34 vlg., 43.--Zorgdrager, Groenl.
vissch. p. 177, 246, 51, 346, 49, 51, 53, 55, 56, 61, 62, 67, 68,
69, 70, 71, 73.--Scoresby, Account. II p. 181, 83.
Uit al het over de walvischvangst gezegde zou men lichtelijk kunnen
opmaken, dat dit de eenige bezigheid der Noordsche Compagnie was. Ook
was het steeds het hoofddoel harer reizen, maar toch verzuimde zij
nooit haar voordeel, wanneer de aan buit zoo rijke woestenijen van het
noorden haar gelegenheid gaven dat te maken. De handel in walvischvellen
en vinnen, dien de Noordsche Compagnie aanvankelijk dreef[399], schijnt
spoedig opgegeven te zijn. Met de vangst van witvisschen schijnen de
Nederlanders zich nooit bezig gehouden te hebben[400]; ook de vinvisch
was een te moeielijk bereikbare en tevens te onvoordeelige prooi dan dat
men zich beijverd zou hebben dien te vangen[401]. Maar in de eerste
plaats komt na de walvischvangst de jacht op walrussen in aanmerking.
Deze dieren, de buit dien de Engelschen en Nederlanders beiden
aanvankelijk alleen zochten, gaven in hun spek, dat zij wel in veel
mindere mate dan de walvisschen maar toch in vrij groote hoeveelheid
opleverden[402], en vooral in hunne beide tanden, toenmaals hooger dan
ivoor geschat, handelsartikelen, die ruime winst bezorgden. Aanvankelijk
bij groote troepen tegelijk door middel van lansen op de stranden van
Spitsbergens westelijke baaien gedood[403], vond men ze later zeldzamer.
Slechts weinige walrussen werden nu en dan in zee ontmoet en meest met
harpoenen gedood. In den natijd was echter aan Spitsbergens oostkust bij
Disco,--vooral sinds de ontdekking der Rijk Ysz.-eilanden na den val der
Noordsche Compagnie (1645),--de walrusjacht nog steeds een rijke bron
van inkomsten[404]. Ook de robben, vroeger niet bizonder opgemerkt,
werden later vooral op de randen der vaste ijsvelden in groote menigte
met stokken doodgeslagen. Hun spek[405] en vooral hunne kostbare vellen
verschaften aan de Noordsche Compagnie ruime winst[406]. De beeren,
aanvankelijk gevreesde vijanden der walvischvaarders, werden allengs
hunne prooi: het vel evenzeer als het vet waren begeerde artikelen.
Talloos zijn dan ook de verhalen van gevechten met beeren, die ons zijn
overgeleverd, en de beerenjacht werd eene geregelde bezigheid[407]. En
dat zij geen onbelangrijk voordeel aanbracht, bewijst het feit, dat in
1628 alleen op Jan Mayen-eiland niet minder dan 70 beeren door die van
de Noordsche Compagnie geschoten werden[408]. De jacht op vossen,
rendieren, meeuwen en rotganzen, waarvan meermalen gesproken wordt[409],
schijnt meer gedreven te zijn om versch vleesch te bekomen dan om eenig
handelsvoordeel te verkrijgen; de vellen bleven echter natuurlijk
welkome aanwinsten voor de lading. Een laatste bron van inkomsten was
voor de walvischvaarders de handel met de Groenlanders. Deze nering, die
later, toen de visscherij in straat Davis zich ontwikkelde, op vrij
groote schaal gedreven werd[410], leverde aan de Noordsche Compagnie
natuurlijk slechts dan een klein voordeel, wanneer hare reizigers met de
bewoners van nieuw ontdekte plaatsen in aanraking kwamen of wanneer een
walvischvaarder door storm of toeval op Groenlands onherbergzame kusten
verzeilde[411].
[399] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 89.
[400] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 195.
[401] Wassenaer, Hist. verh. VII fol. 108.
[402] Een walrus leverde gewoonlijk 1/2 quarteel spek. (De
walvischvangst. I p. 44.--Tegenw. Staat. I p. 610.)
[403] Hist. de Spitsberghe. p. 19, 20, 22.--Zorgdrager, Groenl.
vissch. p. 195, 96.
[404] De walvischvangst. I p. 44 vlg.--Tegenw. Staat. I p. 610.
[405] Voor éen quarteel spek moest men 15 à 16 robben (Tegenw.
Staat. I p. 610), volgens anderen 24-1/2 rob vangen. (De
walvischvangst. I p. 47.)
[406] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 196.--De walvischvangst. I p.
46.--Tegenw. Staat. I p. 610.
[407] De walvischvangst. I p. 47 vlg.--Zie o. a. de vele verhalen
van gevechten met beeren bij: Van der Brugge, Journael der Seven
Matroosen.
[408] Wassenaer, Hist. verh. XVI fol. 26.
[409] Zie o. a. Wassenaer, Hist. verh. VII fol. 108, 9, XII fol.
89.--Van der Brugge, Journael der Seven Matroosen. p. 8.--Eene
vlakte bij den Biscayer-hoeck werd voornamelijk door de Nederlanders
voor de rendierenjacht gebruikt en heette daarnaar „Rheene-velt.”
(Reeënveld.)
[410] Tegenw. Staat. I p. 610.
[411] Zie o. a. Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 43.
Het laat zich denken, dat door deze uitgebreide werkzaamheid, maar
vooral door de walvischvangst jaarlijks eene vrij aanzienlijke lading
bij de Nederlandsche vestigingen op Spitsbergen en Jan Mayen-eiland
voorhanden was. Naderde het einde van den tijd dan werd alles
bijeengebracht en de Commandeur-generaal moest de geheele vangst op het
strand onder de kamers naar evenredigheid harer uitrustingen verdeelen.
Gewoonlijk werd echter de rooiing op last van den Commandeur-generaal
verricht door den »Generael-royer” ten overstaan der kamers zelve. Zulk
een »royer”--op de vloot een man van gewicht, die naast den
Commandeur-generaal genoemd werd[412]--ging jaarlijks mede naar
Spitsbergen en Jan Mayen-eiland om de »royinge of roeyinge” te doen en
daarvan in het »generael royboeck” aanteekening te houden[413]. Hij wees
aan iedere kamer haar deel toe, om het in hare eigene schepen te laden
en huiswaarts te voeren[414]. Had eene kamer meer gevangen en gekookt
dan haar bij de verdeeling werd toegelegd, dan werden de »coockgelden”
op de algemeene vergadering vergoed[415].
[412] Vander Brugge, Journael der Seven Matroosen. p. 46.
[413] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr.
1637.--In 1632 bekleedde Jan Matthysz. Steen op Spitsbergen, Cors
Jansz. van Lier op Jan Mayen-eiland de betrekking van
generaal-rooier. (Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh.
dd. 4 Apr. 1637.) Steen, ook wel eenvoudig Jan Tysz. genoemd,
schijnt eene zekere reputatie bezeten te hebben: meermalen wordt hij
door de walvischvaarders zonder nadere aanduiding genoemd. Cors
Jansz. was vele jaren scheepskapitein in dienst der N. C. en o. a.
in 1631 met Wybe Jansz. in die betrekking op Jan Mayen-eiland
geweest. (Zie hun getuigenis voor de regeering v. Amst. dd. 7 Mrt.
1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.)
[414] Brief der Zeeuwsche gedeput. aan de Stn. v. Zeel. dd. 19 Oct.
1616, in: Arch. Zeel.--Contr. v. 3 Nov. 1630, aangehaald in de:
Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.
[415] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr.
1637.--Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4.
Loop. N. C. R.-A.
De kamers zelven zorgden natuurlijk voor het vervoer van ieders aandeel
in de traan en balein naar het vaderland. Maar niet zelden kwam het
voor, dat de vangst zoo rijk was geweest, dat eenige kamers geene ruimte
genoeg in hare schepen hadden om haar aandeel te bergen. Meestal riep
men dan de hulp in van eene andere kamer, die grootere schepen had, en
verrekende de voorschotten voor vracht en verpakking later op de
algemeene vergadering[416]. Waren echter alle schepen volgeladen, dan
nam men zijn toevlucht tot de schuren, door de compagnie op het land
gebouwd, en borg daar de goederen tot het volgende jaar. Een enkele maal
werden ze ook wel begraven[417]. In het voorjaar liet men ze dan door
afzonderlijke vrachtschepen afhalen, die men »naschepen” noemde. Deze
schepen kwamen in den bloeitijd der walvischvangst niet somtijds, maar
geregeld naar Spitsbergen en Jan Mayen-eiland om de visschers van de te
groote lading te ontlasten. Korten tijd na de walvischvaarders uit het
vaderland vertrokken, waren zij, die zich natuurlijk met geene
visscherij ophielden, gewoonlijk het eerst aan de markt. Het is zelfs
voorgekomen, dat éen naschip in éen jaar twee reizen naar Jan
Mayen-eiland deed en met volle ladingen huiswaarts keerde. Toen de
walvischvangst in bloei afnam, werd natuurlijk het zenden dezer
naschepen overbodig en dus afgeschaft[418].
[416] Wassenaer, Hist. verh. XII fol. 8.--In 1632 bracht de kamer
der N. C. te Hoorn aan die te Enkhuizen in rekening voor de vracht
van Spitsbergen naar Hoorn per quarteel spek ƒ5, en voor elk
quarteel (vat), dat daarvoor noodig was, ƒ 3. (Dictum v. de H. R.
in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 3 Apr. 1637.)
[417] Dat dit soms niet weinig was, blijkt uit het feit, dat de N.
C. in 1623 met 5 schepen 6000 quarteelen traan maakte, waarvan zij
er 1000 moest begraven. (Wassenaer, Hist. verh. V fol. 157) Ook
verneemt men, dat twee Baskische schepen in het najaar van 1632 van
Jan Mayen-eiland roofden 600 quarteelen traan en 200.000 pond
baarden (Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 8 Apr. 1633, in: Stn. N. C.
v. d. Hrl. gedeput. R.-A.) en dat Willem Ys eens in éen jaar 2000
quarteelen traan met een naschip van hetzelfde eiland haalde.
(Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 215.)
[418] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 135, 215.--Lindeman, Arkt.
Fisch. p. 9.--Tegenw. Staat. I p. 591.
Zoodra de tijd voor het eindigen der visscherij gekomen was,--voor
Spitsbergen op 10 of 12 September, voor Jan Mayen-eiland op 28 Augustus
bepaald[419],--moesten alle schepen geladen zijn. De Commandeur-generaal
gaf het teeken tot het vertrek[420] en de vloot zeilde weg. Bijna altijd
kwam zij behouden in het vaderland aan. De vangst werd dan voornamelijk
te Amsterdam ontladen, waar de kamer op de Keizersgracht bij de
Brouwersgracht de drie Groenlandsche pakhuizen had laten bouwen[421].
[419] Bij de Instructie der Commandeurs van 1632. (Sent. v. de H. R.
in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.) Men vertrok echter
dikwijls vroeger, hoewel het verboden was. (In 1632, cf. Sent. v. de
H. R. dd. 4 Apr. 1637.--In 1633 van Sp. 30 Aug., van J. M.-eil. 26
Aug. cf. Vander Brugge, Journael. p. 5, en: Twee Journalen. p.
3.--In 1634 van Sp. 1 Sept. cf. Twee Journalen. p. 22.--In het
algemeen van Sp. omstreeks half Augustus. cf. Zorgdrager, Groenl.
vissch. p. 29.)
[420] Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4.
Loop. N. C. R.-A.--Niemand mocht afzonderlijk vroeger vertrekken,
daar men vreesde voor vijanden. Zoo werd in 1624 een
walvischvaarder, die alleen vooruitgezeild was, voor de
Nederlandsche zeegaten door een Duinkerker genomen. (Wassenaer,
Hist. verh. VIII fol. 86.)
[421] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 229.--Tegenw. Staat. I. p.
590.--Lindeman, Arkt. Fisch. p. 8.--Le Long, Kooph. v Amst. II p.
160.--Bij de uitlegging van Amsterdam in 1616 werd volgens het
register der uitgiften van gronden (Amst. Arch.) een erf op de
Keizersgracht tusschen de Prinsenstraat en de Brouwersgracht voor
ƒ 600 verkocht aan een steenkooper Wouter Jacobsz., die het 1
October 1620 overdeed aan „Ysbrandt Dobbe cum socijs.” (Ysbr.
Dobbesz. was in 1614, 1617 en ook in 1621 bewindhebber der N. C. cf.
Octr. der N. C. in: Gr. Placaetb. I p. 669.--Contr. der N. C. met de
Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4. Loop N. C. R.-A.--Req. der N. C.
aan de Stn.-Gen. dd. 1 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 3. Ontd.
van Jan Mayen-eiland. R.-A.) De Groenlandsche pakhuizen zijn dus
waarschijnlijk gebouwd in 1621 ten tijde van den grootsten bloei der
N. C.
* * * * *
Wij hebben nu gezien, hoe de Noordsche Compagnie haar bedrijf inrichtte;
de vraag rijst echter natuurlijk of dat bedrijf wel de vele kosten
loonde, die daarvoor gemaakt moesten worden. Ter beantwoording dier
vraag moeten wij twee zaken nagaan: hoeveel de jaarlijksche vangst der
walvischvaarders bedroeg en hoeveel geld de compagnie door verkoop van
die vangst in kas kreeg. Ik zal trachten op die vragen een antwoord te
geven.
Wij bezitten voor de begrooting van de jaarlijksche vangst der Noordsche
Compagnie twee algemeene opgaven als leiddraad voor onze onderzoekingen.
Eene alleszins betrouwbare autoriteit verzekert ons weinige jaren na den
val der compagnie, dat hare vangst steeds gering was[422], en de
Noordsche Compagnie zelve verklaart nog in 1636, dat de walvischvangst
slechts een »cleyn werck” was[423]. Van alle zijden wordt ons
tegelijkertijd medegedeeld, dat in de eerste tijden der walvischvangst
de visch zoo overvloedig voorkwam, dat men de prooi, later met moeite
opgespoord, slechts te dooden had[424]. De twee opgaven, hoe
tegenstrijdig ze schijnen, zijn zeer goed overeen te brengen. Werkelijk
kwam de walvisch in de eerste tijden der Noordsche Compagnie in grooten
overvloed aan de kusten van Spitsbergen en Jan Mayen-eiland voor, en
toch is het zeker, dat de compagnie in den regel, al ontbrak het noodige
kapitaal haar niet, eene vangst naar huis bracht, uiterst onbeduidend in
vergelijking met den grooten voorraad, dien de vrije visscherij later
jaarlijks in Nederland invoerde. Het was toch, zooals wij zagen, haar
systeem evenzeer als van de Oost- en West-Indische Compagniën, dat het
beter was weinige goederen tegen hooge prijzen af te leveren dan veel te
verkoopen, wanneer de waarde der goederen door die veelheid zelve
aanmerkelijk verminderd was. Dit systeem, hoe hoogst verderfelijk ook
voor den handel en voor het algemeen belang, had werkelijk veel wat het
in het oog van bekrompene bezitters van monopoliën en van kortzichtige
economisten aanbeval, en de Noordsche Compagnie volhardde daarbij tot
haar einde toe[425]. Of zij er wel bij voer? Ik vrees, dat dit hier
evenmin als elders het geval was.
[422] Aanwysing van heils. polit. gronden. p. 75.
[423] Repart. der bewindh. v. de N. C. Amst. dd. 19 Mrt. 1636, in:
Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.
[424] Zie o. a. Scoresby, Account. II p. 141.
[425] Dit blijkt o. a. uit de mededeeling der N. C. in 1636, dat
haar vangst met 1/3 vermeerderen zou, wanneer o. a. de invoer van
traan en balein van buitenslands verboden werd. (Versl. der confer.
v. 14 Febr. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.) Het op
prijs houden der waren was dus haar motief om weinig te vangen.
(Vgl. ook: Repart. der N. C. Amst. dd. 19 Mrt. 1636, in: Stn. N. C.
v. d. Hrl. gedeput. R.-A.) Zie echter hierna p. 124.