[325] R. S.-G. 24 Jan. 1617.

[326] Contr. der N. C. met de Zeeuwen dd. 19 Mrt. 1617, in:

Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--In 1617, 18 en 25, dus in

gevaarlijke tijden, ontmoeten wij dan ook op Spitsbergen

Nederlandsche walvischvaarders met 10, 12, 14, 16, 18, eens zelfs

met 22 stukken geschut. (Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas,

Pilgrimes. III p. 468.--Br. v. Salmon aan Sherwin dd. 24 Juni 1618,

bij: Purchas l. c. III p. 733.--Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 124.)

[327] Req. der N. C. aan de Stn. v. Holl. (v. 1642), in: Stn. N. C.

v. d. Hrl. gedeput. R.-A.--Luzac, Hollands rijkdom. I p. 847.

[328] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 629.--Zie hiervóor p. 99.

Maar wanneer de walvischvaarders geheel opgetuigd en van het noodige

voorzien waren, bleef nog het moeielijkste gedeelte van de taak der

reederij over: de bemanning moest gehuurd worden. In de tijden der

compagnie, toen, zooals wij reeds zeiden, een schip, dat meer dan 80 man

voerde, geene zeldzaamheid was, ofschoon men er ook van 70, enkelen van

60 vond[329], was niet alleen het vinden van bekwame, maar ook van

genoeg manschappen eene zaak van belang. Het was van het uiterste

gewicht, dat er niemand te kort schoot: ieder had in de visscherij zijne

aangewezene plaats. De bemanning werd in twee afdeelingen verdeeld: de

eerste, de eigenlijke scheepsgezellen en visschers, hield zich bijna

alleen met de vischvangst zelve in de sloepen bezig; de overige

personen, die door de Engelschen »land-men” genoemd werden[330], gingen

dadelijk na aankomst aan land en hielden zich daar voor de bewerking van

het gevangene bereid[331]. Wij willen ons voorloopig alleen met het

scheepsvolk bezighouden[332]. Twee personen trekken daaronder de

aandacht: de schipper en de harpoenier, die beiden evenals enkele

anderen[333] boven hun loon nog een »partgeldt” naar evenredigheid der

vangst verdienden en daarom veelal als »parteniers” van de overigen,

»maandgelders” genaamd, werden onderscheiden[334]. De schipper, door

elke kamer op hare eigene vaartuigen aangesteld, had aanvankelijk alleen

het bevel over het schip en het scheepsvolk, met de visscherij zelve

mocht hij zich niet inlaten; maar toen langzamerhand de kunst van het

harpoeneeren en vangen der visschen meer algemeen bekend werd en de

harpoeniers dus personen van minder belang werden, aarzelde men niet ook

de visscherij onder zijn bevel te stellen. Met den titel van commandeur

kreeg de bevelhebber van het schip toen onbeperkt gezag op zijnen

bodem[335]; soms vervulde hij zelf den post van harpoenier[336]. Dat was

echter in veel latere tijden; in de eerste jaren der walvischvangst zou

zulk eene vereeniging van betrekkingen onmogelijk geweest zijn. Bij de

geheele onbekendheid der Nederlanders met de walvischvangst hadden de

reeders zich toch reeds in 1613 genoodzaakt gezien, eenige der met de

walvischvangst sinds eeuwen bekende Basken naar Amsterdam te ontbieden.

Dat jaar kwamen er 13 over[337], en naarmate de walvischvangst zich

ontwikkelde, nam ook hun getal natuurlijk toe. Iedere sloep werd met

drie Basken bezet[338] en op ieder schip waren dan ook gewoonlijk ten

minste drie harpoeniers[339], die tevens de betrekkingen van speksnijder

en kapper vervulden[340]; bovendien had men nog een of meer Baskische

»maitres de chaloupe,” een »maitre de la ligne[341]” en in het begin ook

verscheidene traankokers[342]. De vreemdelingen wisten zich

onontbeerlijk te maken en stelden hunne eischen: onafhankelijk van den

schipper moesten zij hun werk verrichten[343] en hun loon moest

geëvenredigd zijn aan hunne moeite. Behalve hunne vaste bezoldiging,

die trouwens behalve de kosten van vervoer en onderhoud niet meer dan

ƒ 50 schijnt bedragen te hebben[344], kreeg dus elke harpoenier als

»schietgelt” voor iedere levende of doode door hem in zee gevangen visch

40 rijksdaalders of ƒ 100[345], elke stuurman van een sloep ƒ 50;

voor elke doode visch uit het schip gezien ontving de »eerste siender” 1

pond vlaamsch of ƒ 6[346]. Het lag in den aard der zaak, dat men

trachten zou zulke veeleischende bedienden door goedkoopere te

vervangen, en reeds in 1616 zien wij dan ook de Noordsche Compagnie

pogingen aanwenden om de Basken door Nederlandsche harpoeniers te

vervangen. Op vier sloepen, door haar met Basken bemand, besloot zij

toen, al was misschien daardoor voor het oogenblik de winst geringer,

een vijfde met Nederlanders bemand uit te rusten[347]. De proefneming

beantwoordde aanvankelijk niet aan de verwachting: den Engelschen, die

hunnen scheepsgezellen dadelijk hadden gelast den Basken de kunst af te

zien[348], was het mislukt, en ook de Nederlanders hadden moeite een

bedrijf aan te leeren, dat niet minder bekwaamheid dan moed vorderde.

Maar door volharding kwam men toch de moeielijkheden te boven: in 1630

werd reeds de helft der sloepen met Nederlanders bezet[349] en hoewel

zich nog in 1636 Basken op de Nederlandsche schepen bevonden[350],

worden daarna toch meer en meer Nederlandsche harpoeniers genoemd[351].

Eindelijk werden de Basken geheel verdrongen; kort na den val der

Noordsche Compagnie was hunne aanwezigheid op Nederlandsche

walvischvaarders eene zeldzaamheid geworden[352].

[329] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 220.--Lindeman, Arkt. Fisch. p.

9.--Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p.

468.--Tijdens zee- en ijsvisscherij werd de dubbele bemanning

natuurlijk afgeschaft; de schepen voerden toen 30 à 40 man.

(Dooregeest, Rijper zee-postil. p. 353.)

[330] Pellham, Gods power and Providence, in: White, Spitzbergen and

Greenland, p. 283.

[331] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 220.--De walvischvangst. I p.

28.

[332] Zie eene opgave der bemanning van een walvischvaarder in 1700

bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 344, 45.

[333] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 339.

[334] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 215, 312.

[335] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 127.--De walvischvangst. I p.

27.--Van der Brugge, Journael vande Seven Matroosen. p. 46.--Req. v.

Vrolicq aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1633, in: Stn. N. C. v. d. Hrl.

gedeput. R.-A.

[336] Dat de betrekking van harpoenier en speksnijder ook nog later

in aanzien bleef, blijkt o. a. uit het voorbeeld van Jacob Hardebil,

die eerst commandeur, later speksnijder werd. (Zorgdrager, Groenl.

vissch. p. 256.)

[337] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 88.--Hist. de Spitsberghe. p.

11.

[338] Br. v. Catcher aan Heley dd. 17 Juni 1620, bij: Purchas,

Pilgrimes. III p. 735.

[339] Drie Voyagien na Groenlandt. p. 15.--Opschriften der

getuigenissen van D’Hallegorey c. s. en Gasteloser c. s., in:

Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

[340] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 346.

[341] Opschr. der getuigenissen van D’Hallegorey c. s. en Gasteloser

c. s., in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

[342] Hist. de Spitsberghe. p. 11.

[343] Scoresby, Account. II p. 39.--De walvischvangst. I p.

27.--Luzac, Hollands rijkdom. I p. 346.--Tegenw. Staat. I p.

588.--Lindeman, Arkt. Fisch. p. 7.

[344] Een Duinkerksche reederij betaalde aan 6 Basken in 1616 voor

loon „100 Croonen,” eene som die echter, waarschijnlijk door de

kosten van vervoer en onderhoud, tot ƒ 700 verhoogd werd. (Sent.

v. de H. R. in zake Lampsius c. Clarcque dd. 31 Juli 1620.)

[345] Drie Voyagien na Groenlandt. p. 15.

[346] Sent. v. h. Hof v. Holl. in zake Moutmaker c. Coman, dd. 31

Juli 1641.--Martens, Voyage into Spitzb., in: White, Spitzbergen and

Greenland. p. 126.

[347] Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop, dd. 23 Mei 1616, in:

Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

[348] Comm. der Mosc. Comp. voor Edge voor de reis van 1611, bij:

Purchas, Pilgrimes. III p. 710.

[349] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr.

1637.

[350] Versl. der 1^{e} confer. met de N. C. dd. 14 Febr. 1636, in:

Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.

[351] In 1635 in de Sent. v. h. Hof v. Holl. in zake Moutmaker c.

Coman, dd. 31 Juli 1641;--in 1639 bij: Dooregeest, Rijper

zee-postil. p. 351;--in 1646 in de: Twee Journalen der Matroosen die

overwinterden. p. 24.

[352] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 126.

Wanneer alles voor de reis gereed gemaakt was, verzamelden zich de

schepen der verschillende kamers op de hun aangewezene plaatsen. Men

heeft de jaarlijksche uitrustingen der Noordsche Compagnie op ongeveer

30 schepen begroot[353]. Deze berekening is gegrond op het feit, dat de

Friezen, die voor 1/9 in de compagnie participeerden, 3 schepen

uitrustten. Men heeft echter daarbij niet gelet op de omstandigheid, dat

de bedoelde uitrusting der Friezen plaats had in 1635, dus voor hunne

opneming in de compagnie, en dat het dus nog de vraag blijft of men den

concurrenten, die er blijkbaar zeer op gesteld waren om leden der

vereeniging te worden, een deel heeft ingeruimd zoo groot als zij met

het oog op hunne finantiëele krachten misschien wel zouden gewenscht

hebben. Ook geloof ik niet, dat de uitrustingen der Noordsche Compagnie

gewoonlijk zelfs het lage cijfer van 30 schepen bereikt hebben. Ter

bevestiging mijner meening volgt hier eene statistieke opgave, die, hoe

uiterst onvolledig ook, toch eenigszins een denkbeeld geeft van de

doorgaande sterkte der vloten.

~Spitsbergen~. ~Jan Mayen-eiland~.

Schepen. Schepen.

1612 2 geene.

1613 5 geene.

1614 11[354] 3 (ter ontdekking.)

1615 11 2 (ter ontdekking.)

1616 4 9 (2 N. C.--5 kl. N. C.--2

uit Zeeland.)

1617 3 (alle uit Zeeland.) ? (7? N. C.[355]--? kl. N.

C.--geene uit Zeeland.)

1618 23? (5 Zeel.--2 Noorderkwart.-- ? (geene uit Zeeland.)

1 Delft.[356])

1619 11? (11 Ned. sch. in Fairhaven. ? (geene uit Zeeland.)

[357])

1620 2? (2 Ned. sch. in Fairhaven) ? (geene uit Zeeland.)

1621 ? ? (geene uit Zeeland.)

1622 ? ?

1623 5[358] ?

1624 20? (2 sch. uit Zeeland.) ?

1625 3 4 (2 andere schepen naar

elders.[359])

1626 ? ?

1627 ? ?

1628 ? 12

1629 ? ?

1630 6? (34 sloepen.) 9? (51 sloepen[360])

1631 ? ?

1632 ? (1 sch. Hoorn, geen sch. ? (2 sch. Amst., 1 sch.

Enkh.) Enkh., geen sch. Hoorn.)

1633 ? ?

1634 6 ?

1635 ? (1 sch. Harl., 2 sch. ?

Stav.)

1636 ? ?

1637 ? ?

1638 ? ?

1639 ? (1 sch. Hoorn, 1 sch. ? (2 sch. Amst., 2 sch.

Harl.) Hoorn, 1 sch. Harl. in de

opene zee.[361])

1640 ? ?

1641 ? ?

1642 ? ? (2 sch. Stav. in de opene

zee.)

[353] Scoresby, Account of the arctic regions. II p. 144.

[354] Dit geeft op: Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 94.--Edge

(Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 466) noemt er

14.

[355] Vlg. Edge (Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p.

467) meende een Zeeuwsch kapitein tien schepen op Spitsbergen te

zullen vinden; drie Zeeuwen waren op het eiland, de overige 7

(Hollanders) waren dus op Jan Mayen-eiland. Waarschijnlijk waren er

daar echter met de reeds dadelijk daarheen bestemde schepen meer: de

N. Z. 26 Jan. 1617 noemen 14 of 15 schepen voor de geheele

uitrusting.

[356] Uit de uitrustingen der enkele kamers kan men met behulp der

boven (p. 81, 82) opgegeven verhouding van de krachten der kamers,

de sterkte der geheele vloot ~nagenoeg~ berekenen. Het cijfer van 23

schepen, door Edge (Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III

p. 469) opgegeven, komt mij dan ook veel te hoog voor.

[357] De Corte Deductie der N. C. dd. 18 Sept. 1624 (Noordsche

togten. 4. Loop. N. C. R.-A.) verzekert, dat de Zeeuwen van 1619-22

hunne uitrustingen ter walvischvangst geheel staakten. Dat dit

onjuist is, blijkt uit: R. S.-G. 7 Mei 1616, 15 Febr., 23 Mrt., 13

Apr. 1620, 8 Jan., 3, 4, 20 Febr., 3 Mrt., 28 Mei, 5 Nov. 1622.--N.

Z. 4 Febr. 1620, 9 Mrt. 1621, 22 Febr., 17 Mrt. 1622.--Br. v. Salmon

aan Heley dd. 5 Juli 1619, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 735.

[358] Dit getal geeft Wassenaer (Hist. verh. V fol. 157); Fanne

(bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 736) zegt verkeerdelijk, dat er na

die 5 nog 2 verwacht werden.

[359] Waarschijnlijk naar straat Davis. cf. hierna Hfdst. V.

[360] Deze berekening berust op het boven medegedeelde feit, dat 1

schip 4 à 6 sloepen voerde.

[361] Deze opgaven zijn te vinden bij: Wassenaer, Hist. verh VIII

fol. 86, 88, 94, 95, IX fol. 124, X fol. 106, XVI fol. 26.--R. S.-G.

19 Mei, 9 Juni 1635, 24 Oct. 1642.--Hist. de Spitsberghe. p.

11.--Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 467,

68.--Baffin, Iournall, en: Brieven der Eng. walvischv., bij: Purchas

l. c. III p. 716 vlg.--Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop, dd. 23

Mei 1616.--Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4

Apr. 1637.--Sent. v. h. Hof v. Holl. in zake Moutmaker c. Coman, dd.

31 Juli 1641.--Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 265.

Zoodra men bijeen was, maakte men zich tot het vertrek gereed. Meestal

voeren een paar kamers gezamenlijk uit[362]; wanneer de nood der tijden

het wenschelijk maakte, zeilde men in admiraalschap en onder geleide van

een of meer oorlogschepen om zich tegen mogelijke aanvallen te

beschermen[363]. De vrees voor de Duinkerkers was zoo groot, dat de

Noordsche Compagnie tot haren val toe dezen maatregel moest doorzetten

en »met eene gecombineerde macht bereijt staen tot affweringe van alle

gewelt ende ouervallinge[364].” De vloot was in den beginne gesteld

onder bevel van den Commissaris-generaal, die, door de Staten-Generaal

aangesteld maar door de compagnie van last voorzien, het toezicht had op

alles wat tot de reis en de vischvangst betrekking had, terwijl alle

krijgszaken aan den Commandeur-generaal van het konvooi en zijn raad

waren overgelaten[365]. De post van Commissaris-generaal, in 1614 door

den bewindhebber Antonie Monier zelven[366], het volgende jaar door den

in de geschiedenis van Nieuw-Nederland bekenden Adriaan Block

bekleed[367], geraakte echter weldra in onbruik. De zelfstandige plaats

van de beide hoofden der vloot, die dagelijks met elkander in aanraking

moesten komen, gaf misschien aanleiding tot oneenigheid; hoe dit zij,

reeds in 1616 besloten de Staten-Generaal den Commandeur-generaal van

het konvooi, Jan Jacobsz. Schrobop, tevens tot Commissaris-generaal aan

te stellen[368]. Alle scheepsbevelhebbers, de kapiteins der

oorlogschepen zoowel als de schippers der compagnie, waren dus nu aan

den Commandeur-generaal ondergeschikt. Bij deze regeling schijnt het

voorloopig gebleven te zijn. Maar toen de konvooischepen sinds 1621 niet

meer geregeld de visschersvloot vergezelden en de schepen op hunne

eigene verdediging bedacht werden, werd het natuurlijk onmogelijk, dat

de bevelhebber van het konvooi de vloot aanvoerde. Toch duurde ook toen

de vereeniging van krijgs- en handelszaken onder éen hoofd voort: het

oppertoezicht over de geheele vloot bleef overgelaten aan éen persoon,

die den titel van Commandeur-generaal (of eenvoudig »Generael”)

behield.[369]

[362] Twee Journalen der Matroosen. p. 19.

[363] Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4.

Loop. N. C. R.-A.--Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Noorderkwart.

c. Amst. dd. 31 Mrt. 1635.--Conc.-Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop

dd. 18 Mei 1616, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C.

R.-A.--Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 313.

[364] Req. der N. C. aan de Stn. v. Holl. (v. 1642), in: Stn. N. C.

v. d. Hrl. gedeput. R.-A.--Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 86.

[365] Instr. der Stn.-Gen. voor Quast dd. 29 Apr. 1614.

[366] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 94.--Instr. der Stn.-Gen.

voor Quast dd. 29 Apr. 1614.

[367] Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. (dd. 2 Sept. 1615) in:

Noordsche togten. 3 Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.--Wassenaer,

Hist. verh. VIII fol. 95.

[368] Conc.-Instr. voor Schrobop dd. 19 Mei 1616, in: Noordsche

togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

[369] Vgl. o. a. Van der Brugge, Journael der Seven Matroosen. p.

46.--Stn. gewisseld tusschen Ys en Vrolicq (1633), in: Noordsche

togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Het is niet onwaarschijnlijk, dat de

bevelhebber van eene afdeeling schepen, die aan éene kamer

toebehoorden, ook soms den titel van Commandeur-generaal droeg.

De walvischvaarders verlieten gewoonlijk, hetzij gezamenlijk, hetzij

afzonderlijk, tegen het einde van April de Nederlandsche havens[370].

Evenals bij de Engelsche walvischvangst[371], zoo werd ook den

Nederlanders vóor hun vertrek de plaats aangewezen, waar zij visschen

zouden[372], en ieder begaf zich dus dadelijk naar de hem aangewezene

plaats in de Mauritiusbaai op Spitsbergen of naar Jan Mayen-eiland[373],

waar de Nederlandsche walvischvangst weldra hare hoofdzetels vestigde.

Op het eind van Mei of in het begin van Juni kwam men gewoonlijk op

Spitsbergen aan[374]. Zoodra het ijs losraakte, zeilde men dan naar het

land; in latere tijden poogde men zelfs moedig door de vaste ijsvelden

in de baaien door te dringen, zoodat soms verscheidene schepen der

Noordsche Compagnie in het ijs vastraakten en verongelukten[375].

[370] R. S.-G. 11 Mrt. 1639.--Getuigenissen in zake den aanval der

Eng. in 1617, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--De schepen

zeilden echter soms vroeger, soms later uit. (1 Apr.: Confer. v. 14

Febr. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.--Half Mei:

Instr. der Stn.-Gen. voor Burch en Coenders, dd. 14 Mei 1639.)

[371] Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p.

467.--Fotherbye, Voyage of Discouerie, bij: Purchas I. c. III p.

721.

[372] Deze bepaling geschiedde natuurlijk door de N. C.; de

Stn.-Gen. deden het in 1616 waarschijnlijk om den gevaarlijken

toestand der vloot op Spitsbergen. (Instr. der Stn.-Gen. voor

Schrobop, dd. 23 Mei 1616, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C.

R.-A.)--In de eerste jaren, toen de N. C. over geheel Spitsbergen

beschikte, geschiedde die aanwijzing door verloting der

verschillende baaien. (Mémoire der N. C., bij: Muller, Mare Clausum.

p. 871.--R. S.-G. 5 Nov. 1622.--Sent. v. de H. R. in zake de N. C.

Noorderkwart. c. Amst. dd. 31 Mrt. 1635.--Br. der gedeput. aan de

Stn. v. Zeel. dd. 19 Oct. 1616, in: Arch. Zeel.)--De Amsterdammers

schijnen zich echter voortdurend in de Mauritiusbaai gevestigd te

hebben. (R. S.-G. 4 Nov. 1622.--Miss. v. Christ. IV aan de Stn.-Gen.

dd. 27 Mrt. 1630, in: L. D. 1630.--cf. R. S.-G. 5 Nov.

1622.--Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1150.)

[373] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr.

1637.--Uit deze sententie blijkt in verband met andere

mededeelingen, dat niet alle kamers hare uitrustingen over beide

plaatsen verdeelden. Alleen het machtige Amsterdam schijnt jaarlijks

aan Spitsbergen en Jan Mayen-eiland beide gevischt te hebben,

terwijl de kamers van de Maas, Middelburg en Veere, evenals hier van

die van het Noorderkwartier blijkt, contracten schijnen gesloten te

hebben, waarbij zij hare uitrustingen voor gezamenlijke rekening

ieder naar een der beide eilanden zonden. Deze maatregel spaarde

kosten en voorkwam te groote drukte op éene plaats.

[374] Getuigenissen in zake den aanval der Eng. in 1617, in:

Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Zorgdrager, Groenl. vissch.

p. 29.

[375] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 219, 29.--Wassenaer, Hist.

verh. XII fol. 9.

De schepen ankerden dadelijk aan het land, de sloepen werden uitgezet en

men maakte zich gereed den walvisch te vervolgen. Het duurde in die

eerste tijden der vangst gewoonlijk niet lang, voordat men er een hoorde

blazen. De harpoenier en zijn volk stortten zich dan ijlings in de

sloepen; de harpoen--een ijzeren staaf van drie voet, van een scherpe

punt met weerhaken voorzien--werd gereed gehouden, de voorganger en de

walvischlijn daaraan bevestigd en men voer op de prooi af. Zoodra men

genaderd was, wierp de harpoenier van den voorsteven zijn wapen met

kracht in het lichaam van den walvisch, die dan onmiddellijk in

pijlsnelle vaart naar de diepte dook. De lijn, des noods door

aanhechting van eene nieuwe verlengd, bleef echter steeds in handen van

den harpoenier, die de sloep alle bewegingen van den walvisch zooveel

mogelijk deed volgen. Andere sloepen voegden zich daarbij en zoodra de

walvisch na eenigen tijd weder bovenkwam om adem te scheppen, werden hem

nieuwe harpoenen in het lijf geworpen, zoodat hij stevig vastgelegd was.

Eenmaal zoover gekomen wachtte men den langzamerhand afgematten visch op

met de werp- en stootlenzen--scherp gepunte ijzeren wapenen aan lange

lijnen of stokken van 10 à 12 voet bevestigd[376]. Niet lang duurde het

dan, of de visch gaf door het uitblazen van bloed het bewijs, dat hij

doodelijk gewond was[377]; hevig slaande met de staart zwom hij op het

water rond. Dan moesten de sloepen ijlings ontwijken, want een enkele

slag met de staart verbrijzelde dikwijls een geheele sloep! Maar spoedig

werden de slagen flauwer en weldra stierf de visch van uitputting. Met

een paar booten werd hij dan naar het strand gesleept, waar hij een paar

dagen aan een touw vastgemaakt naast het schip bleef liggen: een begin

van bederf toch doet den visch vèr boven het water rijzen en maakt het

dus gemakkelijker het spek af te snijden[378].

[376] Zie afbeeldingen van harpoen en lens, bij: Zorgdrager, Groenl.

vissch. p. 348, 350.

[377] Men noemde dit in grove zeemans-scherts: „oranje blazen!”

[378] Eene vrij uitvoerige en gelijktijdige beschrijving der

walvischvangst vindt men in de: Drie Voyagien na Groenlandt. p.

13-15.--Vgl. ook: Scoresby, Account. II p. 178.--Hist. de

Spitsberghe. p. 17-19.--Martens, Voyage into Spitzb., bij: White,

Spitzbergen and Greenland. p. 116-25.--Le Long, Kooph. v. Amst. II

p. 159-61.

Zoodra de gelegenheid het toeliet, begon het tweede gedeelte van den

arbeid, het »flenzen.” Door twee lange sneden en verschillende

insnijdingen in de breedte werden door den speksnijder, die aan het

strand half in het water stond, groote stukken spek van 2 à 300 pond

van den dooden visch losgemaakt, en met zoogenaamde »spek-takels,” eene

soort van kraan, op het land gewonden. Onmiddellijk begon daarop het

derde gedeelte der walvischvangst, het zoogenaamde »afmaken.” In latere

jaren duurde het soms lang eer men daartoe den tijd vond; onder de

Noordsche Compagnie was echter de helft der bemanning, die dadelijk na

de aankomst aan land gegaan was, steeds gereed om de opbrengst der jacht

te ontvangen en verder te bereiden. Aan het strand stond een man gereed

om het spek in stukken te hakken, die dadelijk op eene berrie naar de

traanketels gebracht werden. Daar werden deze stukken, terwijl de staart

van den visch als hakbord diende, in nog kleiner gedeelten, »vinken”

genaamd, gesneden en in den traanketel geworpen.

In de vaste overtuiging, dat de walvischvangst in de baaien eerder zou

toe- dan afnemen, had de Noordsche Compagnie kostbare inrichtingen op

het strand doen verrijzen. De traanketel, een roodkoperen pan, die een

halve ton spek kon bevatten, was op den grond vastgemetseld; daaronder

bevond zich een fornuis, dat met hout en met den afval van den walvisch

gestookt werd. De ketel, waarin water was voor het aanbranden, werd

dadelijk gevuld met spek, dat gedurende twee uren onder gedurig roeren

gekookt werd. De traan werd daarna in een vat geschept, van onderen met

een houten rooster voorzien, dat allen afval van den walvisch terughield

en het zuivere gedeelte in een koelbak liet vloeien. Wanneer de traan

nog een paar malen in gedeeltelijk met water gevulde bakken of

vaten[379] verder afgekoeld en bezonken was, werd zij eindelijk in de

quarteelen gegoten. Deze quarteelen, in vlotten van twintig naar de

schepen gesleept, werden daar in ontvangst genomen door eenige personen,

die daartoe op het schip achtergebleven waren, en in het ruim

weggestuwd[380].

[379] De Engelschen gebruikten eenvoudig sloepen als koelbakken.

(Purchas, Pilgrimes. III p. 471.)

[380] Scoresby, Account. II p. 174-76.--Purchas, Pilgrimes. III p.

470, 71.--De wijze van traanbereiden veranderde door het overbrengen

van dit bedrijf naar Nederland bijna niet. (Zorgdrager, Groenl.

vissch. p. 369, 70.--De walvischvangst. I p. 43.--Martens, Voyage

into Spitzb., bij: White, Spitzbergen and Greenland. p. 125-30, 31,

33.)

Geschiedenis der Noordsche Compagnie · 第 13 / 52 段