Het schijnt mij zeer twijfelachtig, of de Staten-Generaal ditmaal niet

den goeden weg verlieten en overgingen tot bescherming, waar de

omstandigheden zulk eenen voor het publiek belang schadelijken maatregel

niet wettigden. Het gevaar toch voor buitenlandsche aanvallen was

grootendeels geweken. Engeland deed in 1623 en 1624 nog wel pogingen om

zijne uitsluitende pretensiën te handhaven, maar het had de macht niet

om zijnen wil door te zetten. Denemarken, dat eerst in 1623 met de

Nederlanders ernstig in conflict kwam, had nooit den ernstigen wil hen

van Spitsbergen te verdrijven. Toch liet zich misschien het nieuwe

octrooi als voorzorgsmaatregel wel verdedigen, maar zeker onverdedigbaar

was het, dat de Staten tegelijkertijd een grooten stap op den weg der

bescherming vooruit deden. Het octrooi van 1622 verschilde in vier

punten met de vroegere, en het verschil was steeds ten nadeele der

vrijheid. Reeds in de voorgaande bladzijden merkten wij op, dat ditmaal

voor het eerst niet als vroeger aan nieuwe participanten gelegenheid

werd gegeven om tot de Noordsche Compagnie toe te treden: de bescherming

aan de vereeniging verleend ontaardde dus in eene bescherming van

bepaalde personen. En wat de zaak nog erger maakte was, dat de

voordeelen van het octrooi nu niet meer voor drie of vier jaren, maar

voor den langen tijd van twaalf jaren aan dezelfde participanten gegund

werden, terwijl de straf op inbreuken van het octrooi--vroeger alleen

in verbeurdverklaring van schip en goed bestaande--nu met eene boete

van ƒ 6000 voor elk schip verzwaard werd. Een laatste verschil

met de vroegere octrooien was, dat in 1622--waarschijnlijk om

»lorrendrayeriën” met kracht en zekerheid te weren--de bepaling gemaakt

werd, dat niet alleen handel en visscherij, maar zelfs de vaart op

Spitsbergen niet vrij meer zou zijn. Zelden kwam het zeker voor, dat een

Nederlandsch schip, dat zich niet op de visscherij wilde toeleggen, naar

het verafgelegene eiland kwam, maar de omstandigheid, dat het »havenen”

aan deze eenige rustplaats in de IJszee tot 1642 niet geoorloofd was,

kan toch niet anders dan ongunstig op de ontdekkingsreizen in het

noorden gewerkt hebben[294].

[294] Vgl. Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 237.--De walvischvangst. I

p. 31.

Het monopoliestelsel won nu blijkbaar allengs in kracht: het octrooi,

dat eerst met het einde van 1634 vervallen zou, werd reeds 25 October

1633 op geheel dezelfde voorwaarden als in 1622 zonder eenige

moeielijkheid voor niet minder dan acht jaren vernieuwd[295]. Eerst toen

dit octrooi met het einde van 1642 afgeloopen was, toen de Engelschen

sinds achttien jaren geene vijandelijkheden meer gepleegd hadden en ook

de Denen, al was het met leedwezen, in de vrije visscherij der

Nederlanders uitdrukkelijk bewilligd hadden, zagen de Staten het

verkeerde van hunne handelwijze in[296]. De aandrang van ~alle~

landprovinciën, die aandeel aan het octrooi wilden hebben, en die dus de

moeielijkheid eener goede regeling bizonder verzwaarden, zal het hare

daartoe bijgebracht hebben: hoe het zij, het octrooi werd in 1642 niet

meer vernieuwd[297].

[295] R. S.-G. 18, 25 Oct. 1638.

[296] Reeds in 1636 had de N. C. te vergeefs om verlenging van

octrooi aangehouden. (Versl. der 1^{e} en 2^{e} confer. met de N.

C., conc.-rapp. aan de Stn. v. Holl., in: Stn. N. C. v. d. Hrl.

gedeput. R.-A.) In 1642 herhaalde zij dit verzoek nadrukkelijk.

(Req. der N. C. aan de Stn. v. Holl. dd. 18 Jan. 1642, in: Stn. N.

C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.)

[297] Aanwysing. p. 191.--De octrooien zijn o. a. afgedrukt in: Gr.

Placaetb. I p. 669, 671, 673, 677.--De eenjarige verlengingen van

1615 en 1622 waren echter tot nog toe niet bekend; het schijnt

niemand in het oog gevallen te zijn, dat de jaren zonder deze beide

niet aansloten. (Zie o. a. Luzac, Holl. rijkdom. I p. 347.)

Nauw hing met het verleenen van octrooi samen het zorgen voor een

behoorlijk geleide van de vloten der Noordsche Compagnie. Jaarlijks van

den aanvang af verzocht de compagnie van de Staten-Generaal eenige

oorlogschepen ter harer bescherming tegen Engelschen en andere vijanden;

jaarlijks werd het verzoek aanvankelijk toegestaan. En terecht:

hetzelfde motief, dat de regeering tot het verleenen van een octrooi

gedreven had, moest haar ook bewegen tot het ondersteunen der compagnie

met konvooischepen, zoolang zij zelve niet in staat was in hare

verdediging te voorzien. Voornamelijk daaraan was het dan ook te danken,

dat de Engelschen de walvischvaarders in de drie eerste jaren na de

oprichting der Noordsche Compagnie met rust lieten. Maar toen begonnen

de Staten ook te bedenken, dat juist om aan de Engelschen krachtigen

weerstand te bieden, de compagnie was opgericht, en zij vermaanden haar

dus om, nu betere tijden schenen te zijn aangebroken, zelve »wel ende

sterck te equiperen ende uyt te varen opte Visscherije, dat sy die soude

kunnen mainteneren jegens alle beletselen[298].” De aanval, door de

Engelschen dien zomer (1617) op drie Zeeuwsche schepen aan Spitsbergen

gedaan, de onaangenaamheden tusschen beide natiën in 1618 bewezen echter

voldoende, dat de positie der Noordsche Compagnie op Spitsbergen

voorloopig nog zeer gevaarlijk bleef en de konvooischepen werden tot

1620 toe zonder bezwaar toegestaan. In 1621 echter gaf de provincie

Holland, de jaarlijksche uitgaven voor de Noordsche Compagnie moede, den

verstandigen raad om, voordat men op nieuw tot het toestaan der

konvooischepen overging, te onderzoeken of het algemeen belang door de

walvischvangst voldoende gebaat werd om de gedurige uitgaven te

wettigen[299]. De raad werd opgevolgd en het onderzoek schijnt een voor

de Noordsche Compagnie ongunstig resultaat opgeleverd te hebben: althans

juist dit jaar voor het eerst sinds hare oprichting werd het konvooi

geweigerd, hoewel er geruchten in omloop waren, die van zware

uitrustingen der Engelschen tegen de walvischvaarders spraken[300].

Sedert werd van het toestaan der konvooischepen door de Staten-Generaal

geen vaste regel meer gemaakt; slechts wanneer bizondere omstandigheden

het wenschelijk deden voorkomen, werd de walvischvloot door

oorlogschepen begeleid. De Engelschen zagen weldra voor goed van eene

aanvallende houding af; tegen de Denen kon de Noordsche Compagnie zich

zelve handhaven en konvooischepen werden dus meer en meer eene

zeldzaamheid. Toch vinden wij ze nog in 1639[301] en zelfs na den val

der compagnie in 1652 genoemd[302].

[298] Gr. Placaetb. I p. 673.--R. S.-G. 24 Jan., 16 Mrt. 1617.

[299] R. H. verg. v. 20 Apr.-8 Mei 1621. p. 79. (Resolutie „’t

versoeck te difficulteren, tot dat men sien sal wat profijt het

publijck van dien Handel is genietende, te meer, soo verstaen wordt,

dat daer door gheruineert worden de oude Neeringen van Oly-slaen, en

van de Handelaers met Zaet.”)

[300] R. S.-G. 15 Mei 1621.

[301] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 629.

[302] Gr. Placaetb. I p. 683, 84.--De statistiek der jaarlijksche

konvooien is als volgt:

1614 3 schepen. (R. S.-G. 4 Apr., 29 Sept. 1614.--Miss. der Stn.-

Gen. aan de Adm. v. de Maas, dd. 20 Aug. 1614, in:

Coll. Bisdom. 160. R.-A.--Resol. Adm. Amst. 24 Apr.,

2, 5 Mei 1614.)

1615 3 „ (R. S.-G. 20 Nov. 1614, 1 Apr. 1615.--Req. der N. C.

dd. 1 Apr. 1615, in: Noordsche togten. 4. Loop. N.

C. R.-A.)

1616 5 „ (R. S.-G. 28 Apr., 11, 12, 23 Mei, 2 Juni 1616.--

Req. der N. C. dd. 29 Apr. 1616, in: Noordsche

togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Instr. der Stn.-Gen.

voor Schrobop dd. 23 Mei 1616.)

1617 1 „ (R. S.-G. 20 Apr., 13, 15 Mei 1617.)

1618 2 „ (R. S.-G. 12, 30 Jan. 1618.--Sent. v. de H. R. in

zake de N. C. Noorderkwart, c. Amst. dd. 31 Mrt.

1635.)

1619 3 „ (R. S.-G. 23, 28 Mrt., 7, 15 Mei 1619.)

1620 1 „ (R. S.-G. 23, 27 Mrt., 13 Apr. 1620.--Req. der N. C.

dd. 27 Mrt. 1620, in: Noordsche togten. 2. Admir.

R.-A.)

1621 geene „ (R. S.-G. 28, 30 Apr., 15 Mei 1621.)

1622 geene „ (R. S.-G. 17, 29 Apr. 1622.)

1623 geene „ ------------------

1624 geene „ (R. S.-G. 14, 16 Mrt., 23 Apr. 1624.--Vgl. echter

hierna Hfdst. VI ad 1624.)

1625 1 „ (R. S.-G. 26 Mrt., 10 Mei 1625.)

1626 2 „ (R. S.-G. 26 Febr., 23 Mrt. 1626.)

1627 2 „ (R. S.-G. 16 Mrt. 1627.)

1628 2 „ (R. S.-G. 1, 3 Mrt. 1628.)

1629 geene „ (R. S.-G. 11, 25 Apr., 2, 3, 16 Mei 1629.)

1630 geene „ ------------------

1631 geene „ (R. S.-G. 19 Apr. 1631.)

1632}

tot }geene „ ------------------

1638}

1639 1 „ (R. S.-G. 23 Apr., 15, 18 Juni 1639.--Aitzema, Saken

v. Staet. II p. 629.)

1640}

tot }geene „ ------------------

1642}

De kleine N. C. verkreeg in 1618 en 1620 voor zich alleen nog eenig

geschut ter leen. (R. S.-G. 17 Mrt., 21, 25 Apr. 1618.--4, 18, 28

Apr., 1 Mei 1620)

Aan het hoofd van het konvooi werd door de Staten-Generaal steeds een

Commandeur-generaal geplaatst, die, bijgestaan door een raad uit de

andere kapiteins der konvooischepen (als Vice-Admiraal en

Schout-bij-Nacht) en zoo mogelijk ook uit de schippers van de schepen

der compagnie, over alle zaken van belang besliste. Alles wat op de

verdediging der schepen betrekking had, was uitsluitend aan dezen raad

overgelaten, en de afscheiding tusschen krijgs- en handelszaken was zoo

scherp, dat het aan de bemanning van het konvooi, die natuurlijk aan

Spitsbergen meestal zonder werk was, verboden was den walvischvaarders

in hun bedrijf de behulpzame hand te bieden anders dan tegen

betaling[303]. Ter vergoeding van de kosten, door de Staten-Generaal

voor het konvooi gemaakt, werd verder van de Noordsche Compagnie een

vast »lastgelt” geheven, dat bestond in (1-1/2)% inkomend recht van de

ingevoerde goederen[304]. Dat dit voor de regeering eene niet geheel te

verwerpen bron van inkomsten was, blijkt uit het feit, dat in 1632 voor

éen beladen walvischvaarder aan inkomend recht werd betaald ƒ 231--12

st. voor de traan, ƒ 189--12 st. voor de baarden[305].

[303] R. S.-G. 29 Apr. 1615.--Instr. der Stn.-Gen. voor Quast en

Schrobop, dd. 29 Apr. 1614, 23 Mei 1616.

[304] Miss. der Stn.-Gen. aan de Admiralit. v. de Maas dd. 20 Aug.

1614, in: Coll. Bisdom. 160. R.-A.--Resol. Adm. Amst. 25 Aug.

1614.--R. S.-G. 24 Oct. 1642.--De konvooigelden werden later,

waarschijnlijk in 1622 (R. S.-G. 12 Juli 1622), tot 2% verhoogd (Gr.

Placaetb. I p. 682.--Luzac, Holl. rijkd. I p. 348) en eerst in 1675

afgeschaft. (Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 301.)

[305] Dictum v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 3 Apr.

1637.--„Corte Deductie” der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche

togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Gr. Placaetb. I p. 679.

Wij zagen dus, dat het verleenen van octrooi en het toestaan van

konvooischepen--maatregelen van geheel gelijke strekking--volkomen

gerechtvaardigd waren door den drang der omstandigheden; wij hadden

echter tevens gelegenheid op te merken, dat de Staten-Generaal bij het

eerste middel, weinig lettende op de eischen van het oogenblik, te lang

voortgingen met hunne beschermende hand over de kooplieden uit te

strekken, eene fout, die zij bij het tweede middel gelukkig wisten te

vermijden. De hulp, voor het overige door de Staten-Generaal aan de

compagnie verstrekt, draagt evenals de reeds besprokene ~over het

geheel~ den stempel hunner vrijzinnige regeeringsbeginselen. Zij

verleenden aan de compagnie allen noodzakelijken steun, maar zij

handhaafden tevens vooral in den beginne ook tegenover de compagnie

zelve het beginsel van gelijke rechten voor alle natiën, dat tot de

oprichting eener geoctrooieerde vereeniging had geleid. Zoo bevalen zij

den bevelhebbers van het konvooi ten strengste, alle aanvallen van

vreemden op de schepen der compagnie te keer te gaan, maar om ook van

hunne zijde alle vreemde walvischvaarders tot de visscherij toe te

laten[306]; zoo weigerden zij standvastig de compagnie te volgen op den

weg der bescherming door den invoer van traan en baarden van

buitenslands te verbieden[307] en zoo werd ook de zeevisscherij van

Nederlandsche »byvaerders” nooit door hen geweerd[308]. Van den anderen

kant poogde de regeering de compagnie tegen inbreuken op haar octrooi

langs slinksche wegen te beschermen door het plakkaat van 11 Maart

1633[309]. Zij maakte dadelijk een einde aan den windhandel in traan en

baarden, die in de laatste jaren der compagnie een noodlottigen invloed

dreigde te hebben. Een mandement van prins Frederik Hendrik ontsloeg de

contractanten in zulke zaken van de levering, en hoewel men laag neerzag

op dengene, die zich, zooals men zeide, »met Prins Frederik Hendrik

behielp,” waren de nadeelige gevolgen van den windhandel door den

maatregel natuurlijk voorkomen[310]. Ook John Osborne, een Engelschman,

die door eene op aansporing van de bewindhebbers der Noordsche Compagnie

gedane uitvinding veel bijgedragen had tot het rijzen van den prijs van

het balein, werd dadelijk door de Staten-Generaal met een octrooi voor

tien jaren begiftigd[311].

[306] Instr. der Stn.-Gen. voor Quast en Schrobop dd. 29 Apr. 1614,

23 Mei 1616.

[307] Zie hiervóor p. 89.

[308] Zie hiervóor p. 92.

[309] Zie hiervóor p. 90.--De „violateurs” van het octrooi der N. C.

moesten op bevel der Stn.-Gen. door de konvooiers genomen en met

schepen, vangst en gereedschappen in Nederland ingebracht worden om

voor de admiraliteit terechtgesteld te worden. (Instr. der Stn.-Gen.

voor Schrobop dd. 23 Mei 1616.)

[310] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 300.--Tegenw. Staat. I p. 593.

[311] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 87.--Zie meer hierna Hfdst.

III.

Al deze handelingen, die mij toeschijnen den toets der kritiek

zegevierend te kunnen doorstaan, getuigen van het loffelijk streven der

Staten-Generaal, om de door hen in het leven geroepene compagnie zooveel

mogelijk te helpen en aan den anderen kant toch niet de eischen te

vergeten, die eene vrijzinnige staatkunde hun deed. Het was echter reeds

vooraf te vreezen, dat de regeering, dus geslingerd tusschen de begeerte

om eene uit haren aard uitsluitende vereeniging van onderdanen voort te

helpen en den wensch om liberaal te blijven ook tegenover vreemden, niet

altijd het rechte pad zou blijven bewandelen, maar dat zij dikwijls zou

afwijken. En werkelijk gebeurde het zoo! Het toezicht, door de Staten

aanvankelijk op de daden der compagnie gehouden, om haar te noodzaken de

beginselen van uitsluiting, die zij aankleefde, ten minste niet

tegenover vreemde natiën in praktijk te brengen[312], verflauwde

langzamerhand en hield weldra geheel op. En toen de Noordsche Compagnie

eenmaal de bezwaren van haren toestand te boven gekomen was en dus,

terwijl zij den steun der Staten-Generaal geheel missen kon, hun

toezicht en hunne waarschuwende stem meer dan ooit behoefde, gaf de

regeering door het verlengen van het octrooi juist het eerste blijk van

hare veranderde gezindheid. Maar het was niet het laatste! De

Staten-Generaal namen in de geschillen der Noordsche Compagnie met

Denemarken steeds, en soms ten onrechte, de partij hunner onderzaten, en

toen in 1632 en 1633 de Franschen door de schepen der compagnie uit de

Robbenbaai verdreven waren, namen de zoo vrijzinnig geprezene Staten

tegenover de klachten der verongelijkten eene houding aan, die

overtuigend bewees, dat ook zij zich soms door partijdigheid van het

rechte pad lieten brengen[313].

[312] R. S.-G. 29 Apr. 1615, 16 Mrt. 1617, 4 Febr. 1622.--Instr. der

Stn.-Gen. voor Quast en Schrobop dd. 29 Apr. 1614, 23 Mei 1616.

[313] Zie over de houding der Stn.-Gen. tegenover de N. C. en hare

mededingers meer aan het einde van Hfdst. VIII en IX.--Vgl. over de

hulp, door de regeering na den val der N. C. aan de Nederlandsche

walvischvaarders verleend: Tegenw. Staat. I p. 592, 93.--De

walvischvangst. I p. 21-24, II p. 88.

HOOFDSTUK III.

DE WALVISCHVANGST DER NOORDSCHE COMPAGNIE.

Wij hebben in het vorige hoofdstuk gezien, hoe de Noordsche Compagnie

ingericht was en welke beginselen zij aankleefde; wij zullen nu trachten

te schetsen, hoe die zonderling ingerichte vereeniging deze bekrompene

beginselen bij haar bedrijf in toepassing bracht. Het laat zich

vooruitzien, dat wij hier geen tafereel zullen kunnen ophangen van den

weldadigen invloed, van het leven en de drukte, van de verbeteringen en

bezuinigingen, die de vrije concurrentie aanbrengt; maar toch blijft het

schouwspel aantrekkelijk genoeg. Het is belangwekkend, die kooplieden,

die eenvoudige zeelieden der zeventiende eeuw zich te zien inspannen om

een nieuw bedrijf te grondvesten; het is een tooneel, dat onze

bewondering opwekt, te zien, hoe die onervaren mannen, van alle kanten

besprongen en met den ondergang bedreigd, weldra den palm der

overwinning wegdragen en al hunne mededingers in dat nog zoo kort

geleden hun onbekende bedrijf overtreffen,--hoe zij, de bewoners van een

spanne gronds, de barre en bijna ongekende kusten der IJszee met een

drukte en gewoel vervullen, die nog na verloop van eeuwen algemeene

belangstelling wekken.

Ten einde een duidelijk overzicht van de werking der Noordsche Compagnie

te verkrijgen, doen wij het best haar in haar bedrijf te volgen: zij

zelve wijst ons den weg, dien wij bij ons verhaal moeten gaan. Wij

vinden haar reeds dadelijk bezig met het gereedmaken der walvischvloot.

Zoodra de algemeene vergadering in het begin van Maart het getal schepen

bepaald had, dat dit jaar naar het noorden zou zeilen, zetten de kamers

zich ijverig aan het werk om de schepen, die elk volgens hare quote

leveren mocht[314], voor de reis uit te rusten. Het eerst kwam het er

op aan een geschikt schip te vinden. De dubbele bemanning, die men

steeds meevoeren moest, vooral de ruime vangst, maakte het wenschelijk

vrij groote schepen voor de walvischvangst te gebruiken. Maar in die

dagen, toen men het ijs nauwelijks zag, was het gevaar, waaraan de

vaartuigen blootstonden, daarentegen uiterst gering, en men koos dan ook

meestal oude schepen, die voor eene verre reis niet meer deugden[315].

Waren voor de zeevisscherij kleine schepen voldoende[316], kapitale

schepen van 2 tot 500 ton[317], met eene bemanning van 80 à 90 man[318]

werden voor de visscherij in de baaien, die voor de compagnie altijd

hoofdzaak bleef, gekozen[319].

[314] Dat het ~aantal~ der schepen, door elke kamer uitgerust,

daarom niet altijd geheel geëvenredigd was aan haar aandeel in de

compagnie, blijkt o. a. uit het feit, dat de Amsterdamsche kamer,

die de helft der aandeelen bezat, in 1614 slechts 4 van de 11

schepen en jachten uitrustte. (Resol. Admir. Amst. 19 Apr. 1614.)

Het komt mij daarom niet onwaarschijnlijk voor, dat slechts het

aantal der ~sloepen~, die iedere kamer volgens hare quote in zee

mocht brengen, door de algemeene vergadering bepaald werd. Daar die

sloepen dikwijls in het noorden achterbleven, kon men met het zenden

van weinige, zeer groote schepen, van veel volk en veel victualie

voorzien, volstaan en de te groote vangst door naschepen laten

afhalen.

[315] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 241.--De walvischvangst. I p.

32.--Scoresby, Account of the arctic regions. II p. 181.

[316] Raven, Iournael vande reyse nae Spitsberghen. p. 5.

[317] Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 467,

68.--Br. v. Catcher aan Heley, dd. 29 Juni 1623, bij: Purchas, l. c.

III p. 787.--Een schip van 500 last was eene groote uitzondering. (1

last = 2 ton.)

[318] Raven (Iournael vande reyse nae Spitsberghen. p. 10) noemt een

schip bemand met 86 man.

[319] Raven, Iournael. p. 3.

Eenmaal in het bezit van een geschikt schip, had men zich bezig te

houden met de uitrusting, die zeer omslachtig was. De inrichting der

compagnie zal er het hare toe bijgedragen hebben om de uitgaven te

vermeerderen en om niet altijd dáar te doen besparen, waar het

wenschelijk en noodig scheen. Hoe dit zij, men klaagde over groote

kosten[320]. En geen wonder! Bij een groot schip behoorden toch niet

alleen 4 à 6 sloepen, ruim genoeg om behalve den harpoenier en zijne

gereedschappen eenen stuurman en vier roeiers te kunnen bevatten[321];

maar ook verschillende gereedschappen voor de walvischvangst, vaten of

quarteelen om de gemaakte traan te bergen, of ten minste duigen, waaruit

de kuiper ze timmeren kon, walvischlijnen van 200 vadem het stuk[322],

voorgangers (kleine lijnen, die aan den harpoen bevestigd waren),

harpoenen en lenzen om walvisschen en walrussen te vangen en te dooden

moest men jaarlijks medevoeren. Want al liet men jaarlijks veel in het

noorden achter voor het volgende jaar, steeds was er nieuw gereedschap

noodig[323]. Daarbij kwamen de kosten tot wapening der schepen. Wel

gingen er in de jaren, dat de strijd met buitenlanders het levendigst

was, meestal konvooischepen mede naar het noorden, maar men wilde toch

niet geheel onvoorbereid uitgaan. Reeds in 1614 voorzag de Noordsche

Compagnie hare schepen dan ook van geschut en ammunitie[324], en toen de

regeering de compagnie in 1617 had uitgenoodigd, zelve hare verdediging

krachtig te bevorderen[325], besloot men, dat elk schip ten minste 8

ijzeren gotelingen zou moeten voeren om zich te kunnen verdedigen tegen

mogelijke aanvallen[326]. Tot haren val toe volhardde de compagnie bij

dezen voorzorgsmaatregel[327], en toen de tijden verbeterden had zij

geene konvooischepen meer noodig om zich te handhaven[328].

[320] Aanwysing v. gronden en maximen. p. 75.--Scoresby, Account, II

p. 56.--Repartitie der Amst. bewindh. N. C. dd. 19 Mrt. 1636, in:

Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.

[321] Req. v. Vrolicq aan de Stn.-Gen., in: Noordsche togten. 4.

Loop. N. C. R.-A.--Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 251, 332, 333.--De

walvischvangst. p. IV.--Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c.

Enkh. dd. 4 Apr. 1637.--Br. v. Salmon aan Sherwin dd. 24 Juni

1618,--van Catcher aan Heley dd. 17 Juni 1620,--van Fanne aan Heley

dd. 24 Juni 1623, in: Purchas, Pilgrimes. III p. 733, 735, 736.

[322] Drie Voyagien na Groenlandt. p. 13.--Scoresby (Account. II p.

173) spreekt van 300 vadem, Zorgdrager (Groenl. vissch. p. 335) over

latere tijden sprekende van 125.

[323] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 332, 33.--De walvischvangst. I.

p. 35.--Martens, Voyage into Spitzb., bij: White, Spitzb. and

Greenl. p. 119, 20, 25.--Corte Deductie ende Remonstr. der N. C. dd.

18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Zie over

den inhoud van een walvischvaarder de Nederlandsche en Engelsche

schaderekeningen van 1617 en 18, in: Noordsche togten. 4. Loop. N.

C. R.-A., en: Lias loop. 1618. R.-A.--Om eenig denkbeeld te geven

van de onkosten der reeders, ontleen ik daaraan de volgende, zeker

nog al hoog getaxeerde cijfers. Een traanketel werd berekend op pd.

vl. 66--14--4, een lijn op 1 pd. vl., 3 sloepen op 50 pd. vl., 1

lans op 5 sh., de harpoenen, lenzen en messen van een schip te zamen

op 25 pd. vl., 6 gotelingen op ƒ 900, 1 musket op £ 1--10, 100

pond kruit op ƒ 45, 1 ton bier op £ 3, de victualie van de

bemanning van een schip voor eene maand op 75 pd. vl., de gage van

het scheepsvolk van een schip voor eene maand op pd. vl. 69--8--4,

de bereidingskosten van 1 okshoofd spek tot traan in Nederland op

ƒ 2.--Een beladen walvischvaarder werd in 1624 van een Duinkerker

gerantsoeneerd voor ƒ 10,000 en ƒ 200 voor de zeilen.

(Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 86.)--Verder blijkt nog, dat men

voor eene reis medenam 2600 vaten (Eng. schaderekening), dat men

voor de vangst van 1317 quarteelen 6 sloepen noodig oordeelde, dat

eene vangst van 657 quarteelen geen voldoende vergoeding gaf voor de

kosten der uitrusting van een schip, dat de reeders voor het opnemen

van geld (in 1632) betalen moesten 8% (Sent. v. de H. R. in zake de

N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637) en dat de uitrusting hier te

lande 40% duurder was dan in andere landen, waarschijnlijk omdat

alle materiaal van buitenslands moest ingevoerd worden. (Req. v. de

kl. N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Sept. 1621, in: Noordsche togten.

2. Admiraliteit. R.-A.)--Berghaus (Wat men van de aarde weet.

II p. 337) spreekt ook van proviandschepen, die de vloten der

N. C. vergezelden. Daarvan is mij van elders niets

gebleken.--Verschillende opgaven van kosten en opbrengst der

walvischvangst vindt men nog verspreid in: Dictums v. de H. R. in

zake de N. C. Hoorn c. Enkh, dd. 28 Mrt., 3 Apr. 1637, en in: Sent.

v. de H. R. in zake als boven dd. 4 Apr. 1637.--Over de uitrusting

van een schip in latere jaren en de onkosten der reeders vergelijke

men: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 335-36, 39-42, 46, 70, 71,

72.--De walvischvangst. I p. 34, 35, 89-116.--Martens l. c. p. 133,

34.--Scoresby, Account. II p. 151 (volgens tabellen in: De Koopman,

en door Gerard Van Sante.)--Dooregeest, Rijper zeepostil. p. 353.

[324] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 94.--Corte Deductie der N.

C., in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--In 1615 verklaarde

de N. C. zich echter buiten staat, de kosten voor de verdediging

harer schepen te dragen. (Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 1 Apr.

1615, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.)

Geschiedenis der Noordsche Compagnie · 第 12 / 52 段