natiën een systeem van uitsluiting vol te houden, dat de Engelschen ook
tegenover Nederland alleen hadden moeten opgeven, spreekt wel van zelf.
Maar daarom liet zij haar streven niet varen: voortdurend poogde zij ten
minste de gevolgen van de vreemde concurrentie zooveel mogelijk af te
wenden. Jaren achtereen poogde zij de Staten te bewegen, den invoer van
traan en balein uit het buitenland te verbieden of ten minste zoo hoog
te belasten »datse hier nijet souden connen marcten.” Op deze wijze
hoopte de compagnie de handen ten minste in Nederland zelf vrij te
houden; werd de maatregel genomen, dan kon zij zonder vrees voor
concurrentie de prijzen van hare goederen voortdurend opdrijven en ze
toch spoedig verkoopen. Reeds in 1617 drong de Noordsche Compagnie bij
de Staten-Generaal op zulk een verbod aan; het werd toen aanbevolen als
retorsiemaatregel tegen de handelingen van vreemde vorsten, die getoond
hadden dergelijke uitsluitende beginselen te zijn toegedaan. De uit
Rusland ingevoerde traan wilde de Noordsche Compagnie vrijlaten om den
handel op dat land niet te benadeelen, maar alle overige traan wenschte
zij belast te zien met ƒ 8 per okshoofd[251], de baarden met ƒ 6 de
100 pond. De admiraliteiten van het Noorderkwartier, van de Maas en van
Zeeland, wier oordeel gevraagd werd, adviseerden gunstig, maar de zaak
stuitte af op den lijdelijken tegenstand van die van Amsterdam[252].
Nieuwe pogingen, door de Noordsche Compagnie in 1636 aangewend om het
monopolie van invoer van alle »walvistraenen” (de »moscovitse, robben-
en berger leuer-traen” werden ditmaal uitgezonderd) te verkrijgen,
stuitten weder af op den onwil van Holland[253]. Toen het dus op deze
wijze niet gelukte de concurrentie te vermijden, trachtte men in overleg
met de mededingers zelve een dergelijk resultaat te verkrijgen. Van
Cracauw, de Nederlandsche resident in Denemarken, deed in November 1638
»op het Belieuen ende approbatie” der Noordsche Compagnie aan Christiaan
IV voorstellen, die ten doel hadden, dat de wederzijdsche
walvischvaarders elkaar in vangst noch verkoop zouden hinderen. Om het
eerste doel te bereiken, zonden beide natiën op afzonderlijke plaatsen
met een vooruit bepaald getal schepen visschen; in den verkoop zou men
vrij zijn door de aanwijzing van bepaalde rijken, die aan ieder als
débouchés voor hare goederen geheel overgelaten zouden worden[254]. De
koning was met die voorslagen zeer ingenomen, maar de zaak bleef slepen
en toen Z. M. er op terugkwam, was de Noordsche Compagnie op het punt
van ontbonden te worden en onder de groote concurrentie reeds bijna
bezweken. Het plan bleef dus onuitgevoerd[255].
[251] 1 okshoofd = 1/4 quarteel. (Zeeuwsche schaderekening van 1617,
in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.)
[252] R. S.-G. 31 Aug., 21, 22, 28 Sept. 1617, 12, 22 Jan., 15 Mrt.
1618.--Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 15 Mrt. 1619 (lees:
1618), in: Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R.-A.
[253] Versl. der confer. met de N. C. v. 1636, in: Stn. N. C. v. d.
Hrl. gedeput. R.-A.--Aitzema, Saken v. Staet. II p. 360.--R. S.-G. 2
Nov. 1638.
[254] Miss. v. Van Cracauw aan de Stn.-Gen. dd. 27 Nov. 1638, in: L.
D. 1638.
[255] Miss. v. Van Cracauw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1639, in: L.
D. 1639.--Verbael der conferentie te Staden en Glückstadt van 1641,
ad 10/20 Juli, 4/14 Sept. R.-A.
Maar ook tegen binnenlandsche concurrentie moest de Noordsche Compagnie
voortdurend waken. Zij was nu eenmaal van oordeel, dat »de Visscherye
van Walvisschen ende andere Zeemonsteren sonder Octroy hier te Lande
niet konde werden gheconserveert nochte behouden, maer by vreemde Natien
ondergeslagen, ongetwijffelt in andere Landen soude worden
ghediverteert.”[256] De Staten-Generaal deelden die meening geheel; zij
oordeelden samenwerking tegen de vreemde natiën noodig en zij legden er
zich steeds op toe, om alle Nederlandsche walvischvaarders onder éen
octrooi te vereenigen. De klachten der Noordsche Compagnie over
zijdelingsche inbreuken, op haar octrooi gemaakt door Nederlanders, die
zich onder vreemden vlag op Spitsbergen vertoonden, werden dan ook
aanstonds door een plakkaat gevolgd, dat alle dergelijke knoeierijen ten
strengste verbood (11 Maart 1633)[257],--een plakkaat, dat trouwens zoo
slecht gehandhaafd werd, dat de Noordsche Compagnie reeds in 1636 en
1638 op vernieuwing moest aandringen[258], terwijl »de Heeren
Bewinthebberen” zelven zich toch konden beroemen, dat zij »altijt hart
hadden geweest teegen de Interloopers.”[259] Maar verder wenschte de
regeering niet te gaan: hoezeer de compagnie ook aandrong, men zag
volstrekt niet in, waarom de voordeelen van het octrooi uitsluitend tot
de eerste aandeelhouders beperkt moesten worden. Bij het verleenen der
beide eerste octrooien--die van 1614 en 1617--hadden de Staten dan ook
de bepaling gemaakt, dat alle Nederlanders, die zich binnen eenen
bepaalden tijd aanmeldden, door de Noordsche Compagnie moesten
toegelaten worden tot alle voordeelen, die de eerste participanten
genoten, het recht op eene bewindhebbersplaats in eene der kamers niet
uitgesloten[260]. Maar al werd deze bepaling--zoo aanstootelijk voor de
Noordsche Compagnie, die in haren geldnood liever hare uitrustingen
besnoeide dan dat zij vreemden in zich opnam[261],--op haar verzoek[262]
in de volgende octrooien van 1622 en 1633 niet meer gehandhaafd[263], de
aandrang van buiten hield niet op. Steunende op hun recht eischten eerst
de Zeeuwen, later de Friezen[264] toelating tot de compagnie; zij moest
toegeven en haren vijanden het recht op afzonderlijke kamers en
bewindhebbers inruimen[265]. Bevreesd als de geoctrooieerde vereeniging
echter voor concurrentie was, trachtte zij van de mededingers na hunne
opneming dadelijk bondgenooten te maken[266], en zoodra de regeering ook
aan den aandrang der kleine Noordsche Compagnie had toegegeven en haar
recht erkend om naast hare oudere zuster op Jan Mayen-eiland te
visschen, sloot deze dan ook dadelijk een contract met de gevaarlijke
tegenpartij, waarbij men overeenkwam om samen te visschen en den
opbrengst der vangst te verdeelen[267],--een contract, dat de Noordsche
Compagnie niet belette, zich bij de eerste gelegenheid tegen de verdere
toelating harer bondgenooten met hand en tand te verzetten[268].
[256] Gr. Placaetboeck. I p. 679 cf. p. 675.
[257] Zie het plakkaat in: Gr. Placaetb. I p. 680, 81.--cf. R. S.-G.
7, 11 Mrt. 1633.--R. H. verg. v. 16 Febr.-26 Mrt. 1633. p. 15.--De
N. C. zelve had reeds in 1617 haren bewindhebbers op verbeurte van
hun aandeel, de betrekking van bewindhebber en eene boete van ƒ
1000 verboden, aandeelen in buitenlandsche compagniën voor de
walvischvangst te hebben. (Contr. met de Zeeuwen, in: Noordsche
togten. 4. Loop. N. C. R.-A.) Deze maatregel werd in 1636 tot alle
aandeelhouders uitgestrekt. (Contr. met de Friezen, bij: Aitzema,
Saken van Staet. II p. 360.)
[258] Versl. der confer. met de N. C. (1636), in: Stn. N. C. v. d.
Hrl. gedeput. R.-A.--Aitzema, Saken v. Staet. II p. 360.--R. S.-G. 2
Nov. 1638.--Dat de klachten der compagnie niet ongegrond waren,
schijnt zeker. (Aitzema, Saken van Staet. II p. 442.--Miss. v. de
Stn.-Gen. aan Chr. IV dd. 26 Juni 1637, in: L. D. 1637.--De
Stn.-Gen. gaven in den laatsten brief als reden van de slechte
handhaving van het plakkaat hunne vriendschap (?) voor Denemarken
op.)
[259] Miss. v. Van Cracauw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1639, in: L.
D. 1639.
[260] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 96.--Gr. Placaetb. I p. 670,
73.
[261] Miss. der Zeeuwsche gedeput. aan de Stn. v. Zeeland dd. 19
Oct. 1616, in: Archief Zeeland.
[262] N. Z. 22 Febr. 1622.
[263] Gr. Placaetb. I p. 676, 80.
[264] Het maakt een goeden indruk, dat de Friezen zich beter
voorstanders der vrijheid betoonden dan de N. C. Zij wenschten vrije
vaart op Spitsbergen (R. S.-G. 13 Nov. 1632.--Aitzema, Saken v.
Staet. II p. 412), zij wilden nieuwe participanten toelaten
(Aitzema, l. c. II p. 413), zij wilden andere Nederlanders niet van
de visscherij uitsluiten. (Aitzema, l. c. II p. 413.) Ik moet echter
bekennen, dat ook de N. C., ~toen zij nog niet de overhand had
behouden~, vrijzinnige beginselen voorstond, en dat in het contract
der Friezen met de compagnie niets van vrijzinnigheid blijkt. De
Friezen waren echter in geene positie om de wet te stellen en zijn
dus misschien door de machtige N. C. overstemd.
[265] Dien van Utrecht gelukte de toeleg echter niet. (R. S.-G. 22
Dec. 1622.)
[266] In 1636 kwam de N. C. eerst met de Hollandsche steden, die
deel aan het octrooi wilden hebben, overeen, gezamenlijk de Friezen
te weren (Versl. der confer. v. 14 Febr. 1636, in: Stn. N. C. v. d.
Hrl. gedeput. R.-A.), en toen de conditiën der Hollanders
onaannemelijk bleken, sloot zij weinige maanden later een contract
met de Friezen om de Hollanders te weren. (Contr. met de Friezen dd.
25 Juli 1636, art. 5-7, bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 360.)
Geheel op gelijke wijze schijnt de N. C. reeds in het najaar van
1621 met de kleine N. C. en de Zeeuwsche walvischvaarders gehandeld
te hebben. (Zie hierna Hoofdst. IX.)
[267] Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop dd. 23 Mei 1616.
[268] Zie hierna Hfdst. IX.
Er bleef echter in het octrooi zelve der Noordsche Compagnie eene
leemte: de Staten-Generaal hadden alleen de visscherij ~aan de kusten en
landen~ in het noorden verboden, de zee was vrijgebleven. Tegen de
binnenlandsche concurrentie, die ook hiervan eerlang gebruik maakte, was
de Noordsche Compagnie machteloos. Wel verbood zij haren commandeurs ten
strengste, door het oefenen der zeevisscherij de aandacht op de
mogelijkheid daarvan te vestigen[269], maar toch, de concurrentie nam
toe. De Noordsche Compagnie verzocht toen de Staten-Generaal dringend
alle »byvangst” van Nederlanders te weren (1636)[270], maar het baatte
niet: de regeering hield het voor overbodig, nu de Nederlanders door de
vreemden tot de walvischvangst toegelaten waren, de Noordsche Compagnie
ten nadeele van alle andere ingezetenen der Vereenigde Provinciën te
blijven beschermen.
[269] Dooregeest, Rijper zee-postil. p. 352.
[270] Versl. der conferentiën met de N. C. (1636), in: Stn. N. C. v.
d. Hrl. gedeput. R.-A.
Niet alleen de mededinging van buiten af werd door de Noordsche
Compagnie geschuwd: zij achtte ook de wrijving, die door de werking der
verschillende kamers natuurlijk ontstond, verkeerd en trachtte angstig
allen schijn van concurrentie zelfs te vermijden. Een plakkaat, door de
Staten-Generaal in 1614 uitgevaardigd, dat als premie voor nieuwe
ontdekkingen ook in de IJszee den handel op de nieuw ontdekte plaatsen
aan de ontdekkers bij uitsluiting van alle anderen gunde, dreigde steeds
mededingers te voorschijn te roepen, ja het optreden der kleine
Noordsche Compagnie was alleen daaraan te wijten geweest. De Noordsche
Compagnie bepaalde daarom, dat al hare leden of kamers--van dezen toch
ging de meeste concurrentie uit,--zoo zij nieuwe landen in het noorden
ontdekten, die voortaan »op eere, trouwe ende vromicheyt” aan de
generale compagnie zouden moeten opgeven, opdat ze ten gemeenen bate
zouden kunnen geëxploiteerd worden[271]. Nog meer: de Amsterdammers
verklaarden eenmaal, dat het getal der kamers reeds te groot was om de
walvischvangst behoorlijk te drijven[272]; de andere kamers, rilden op
het denkbeeld, dat de band, die ze omsloot, losser gemaakt zou kunnen
worden, en had de heerschzucht van Amsterdam, die zelfstandigheid
wenschelijk maakte, het niet belet, men zou tot de vereeniging van alle
kapitalen »onder een gemeene borsse” overgegaan zijn[273]. Zoover kwam
het wel niet, maar toch maakte men het onmogelijk, dat zelfs een begin
van concurrentie zich openbaarde. Zich beroepende op de bedoeling der
Staten-Generaal, die de Noordsche Compagnie opgericht hadden om »meerder
ordre ende eenicheyt” in de walvischvangst te brengen[274], had de
vereeniging er zich dadelijk op toegelegd, om alles zooveel doenlijk te
reglementeeren. Men hield het voor onmogelijk zonder »een behoorlyck
ende voorsichtich reglement” de walvischvangst anders dan met »confusie
ende disordren” te oefenen; ja men vreesde, dat de geheele nering dan
»teenemael infructueux” zou worden[275]. Deze reglementen betroffen
voornamelijk twee nauwsamenhangende zaken: de sterkte der uitrustingen
en de prijs der traan. De Noordsche Compagnie had met de beide andere
geoctrooieerde Nederlandsche compagniën der zeventiende eeuw het
beginsel gemeen, dat het beter was weinig te vangen en duur te verkoopen
dan veel af te leveren tegen goedkoope prijzen. Het was dit beginsel,
door de compagnie streng doorgedreven, dat haar noodzaakte alles te
reglementeeren. Zij erkende volmondig, dat het haar streven was zoo
weinig schepen in zee te zenden als met behoud van winst mogelijk was,
»omme de negotie in goede reputatie te houden”;[276] zij meende, dat bij
groote uitrustingen de prijs van de traan zou dalen en de compagnie
»sich sou consumeeren[277].” Wilde men dit voorkomen, dan behoorde de
concurrentie ook tusschen de kamers onderling uitgesloten te worden; men
begreep, dat sommigen het voordeeliger zouden oordeelen hunne goederen
spoedig te verkoopen, al was het tegen iets lagere prijzen dan de
anderen, dan om de dure waar misschien maandenlang in de pakhuizen te
behouden. Daarvoor moest gewaakt worden: de compagnie besloot,
jaarlijks met gemeen overleg naar gelang der omstandigheden de prijs van
de traan vast te stellen en de kamers onder eede te doen beloven, de
haar toebedeelde quarteelen niet onder die bepaalde prijs aan de markt
te brengen[278]. Om ontduiking te voorkomen verbood men tevens het
verkoopen van traan in de IJszee zelve en het direct invoeren daarvan in
vreemde landen[279]: vóor alles moest de waar in Nederland opgelegd en
de prijs bepaald worden.
[271] Contr. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C.
R.-A.--In 1636, toen het doen van ontdekkingsreizen geheel
opgehouden had, werd aan den ontdekker gedurende 5 jaar de
afzonderlijke exploitatie gegund; eerst daarna zou de ontdekking ten
bate der N. C. komen. (Contr. met de Friezen, bij: Aitzema, Saken v.
Staet. II p. 360.)
[272] Repartitie v. de Amst. kamer dd. 19 Mrt. 1636, in: Stn. N. C.
v. d. Hrl. gedeput. R.-A.
[273] Miss. der Zeeuwsche gedeput. aan de Stn. v. Zeel. dd. 19 Oct.
1616, in: Arch. Zeel.
[274] „Corte Deductie” der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche
togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[275] R. S.-G. 4 Febr. 1622.--N. Z. 17 Mrt. 1622.--Sent. v. de H. R.
in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.--Req. der N. C. aan
de Stn. v. Holl. (dd. 18 Jan. 1642), in: Stn. N. C. v. d. Hrl.
gedeput. R.-A.
[276] Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 15 Mrt. 1619 (lees: 1618),
in: Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A.--Miss. der Zeeuwsche
gedeput. aan de Stn. v. Zeel. dd. 19 Oct. 1616, in: Arch. Zeeland.
[277] N. Z. 17 Mrt. 1622.--Miss. der Stn. v. Zeel. aan de gedeput.
v. Zeel. dd. 17 Mrt. 1622. (Bijl. v. N. Z.)--cf. Miss. v. Van
Cracauw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.
[278] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr.
1637.--Repartitie der Amst. kamer dd. 19 Mrt. 1636, in: Stn. N. C.
v. d. Hrl. gedeput. R.-A.
[279] Contr. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C.
R.-A.--Contr. met de Friezen, bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p.
360.
»Den welstandt der Compaignie,” zoo spraken de bewindhebbers nog in
1636, »kan eene uijtbreijdinge niett lijden, maer moett gaen cleijn ende
op menage, want hett ghewis is, hoe grootter equipage hoe meerder
schade, want equipeert men sterck, ende vanght men weijnich, soo valt
maer schade, vanght men veel mett grootte equipage, soo valt den vangst
costelycken, ende wortt den prijs door de veelheijtt mede onder den
voett gesmeten. Soo datt men mett vollen vangst oock well schade doen
kan. Om proffijt te doen, soo moetmen mett menage equiperen ende vangen
naer aduenant gheconsumeertt kan worden, ende mett de minste kosten sien
hett meeste te vanghen, ende int beneficeren vanden traen soo moetten de
leden den anderen verstaen[280].” Dit systeem was volgens de Noordsche
Compagnie het ideaal van een verstandig beleid: tot haar einde toe
volhardde zij daarbij. Reeds in 1616 was haar hoofdgrief tegen de kleine
Noordsche Compagnie, dat zij de markt voor hare goederen bedierf[281],
en nog twintig jaren later, toen eenige Hollandsche steden deel aan het
octrooi wenschten te krijgen, verklaarden die van Amsterdam, dat de
nieuwe leden »soo eenen anderen cours wertt ghesett” dan de tot nu toe
gevolgde, niet alleen »haer lieden te spade daer ouer souden beclaghen,”
maar dat de geheele compagnie eerlang »sou comen in een volcomen
verderff ende ruine.”[282]
[280] Repartitie der Amst. bewindh. dd. 19 Mrt. 1636, in: Stn. N. C.
v. d. Hrl. gedeput. R.-A.
[281] „Cort advertissement” v. Kyen c. s. (dd. 29 Febr. 1616), in:
Noordsche togten. 1 R.-A.--Kyen c. s. boden dan ook aan, het getal
hunner schepen te beperken en de prijs hunner traan niet lager dan
van die der N. C. te stellen, maar de N. C., die hoopte de kleinere
vereeniging geheel te zullen kunnen weren, weigerde. („Cort
advertissement.” l. c.)
[282] Repart. der Amst. bewindh. dd. 19 Mrt. 1636, in: Stn. N. C. v.
d. Hrl. gedeput. R.-A.
Wij hebben gezien, dat de Noordsche Compagnie, opgericht om de vrijheid
van vaart en visscherij te helpen bevorderen, weldra ontaardde in een
lichaam, dat alle gebreken van eene geoctrooieerde maatschappij in hooge
mate in zich vereenigde. Ongetwijfeld lag het in den aard van het
monopolie, dat deze richting zich allengs openbaarde, en het is den
bewindhebbers te vergeven, dat zij, gesteund door participanten,
die--minder lastig dan de aandeelhouders der Oost-Indische
Compagnie--reeds tevreden waren, wanneer de uitdeelingen goed uitvielen
en zich verder met de beginselen van de leiders der vereeniging niet
bemoeiden[283], dien weg meer en meer bewandelden. Waren echter de
Staten-Generaal, beroemd om hunne voor dien tijd verlichte inzichten,
geneigd om zich door eene betrekkelijk kleine compagnie als de Noordsche
meer en meer te laten medeslepen op den weg van bescherming en
monopolie, ook toen de noodzakelijkheid daartoe weldra was opgehouden?
Waren zij, die het toezicht over de handelingen der door hen geschapene
compagnie oefenden, medeschuldig aan de richting dier handelingen? Laat
ons ten slotte onderzoeken, in hoeverre de regeering de Noordsche
Compagnie in haar egoistisch streven steunde.
[283] Wassenaar, Hist. verh. VIII fol. 96.--Geen pamphlet is mij
bekend, dat klaagde over de handelwijze van de bewindhebbers der N.
C., die toch ook de voor de O.-I. C. zoo kritieke jaren 1622-24 mede
doorleefden.
In de eerste plaats komt natuurlijk bij het bespreken der hulp, van
staatswege aan de Noordsche Compagnie verstrekt, het octrooi zelf in
aanmerking. Wij hebben reeds opgemerkt, dat de Staten-Generaal slechts
daarom eenheid onder de Nederlandsche walvischvaarders wilden, omdat zij
het onmogelijk achtten op andere wijze den Engelschen ontzag in te
boezemen, en dat zij het octrooi eerst verleenden, toen de Engelschen
zelven door gewelddadig optreden het sein daartoe gegeven hadden. Het
komt mij dan ook voor, dat de veroordeeling, door De la Court--en na hem
door bijna alle schrijvers--over het beleid der Staten-Generaal in deze
zaak uitgesproken, onverdiend is. De beroemde vijand van alle
bescherming verklaart, dat de oprichting der Noordsche Compagnie
»quaalik gedaan was,” omdat de walvischvangst na de opheffing van het
octrooi sterk is toegenomen; »dog met het opregten der Geoctroyeerde
Compagnien op Oost- en West-indien,” dus vervolgt hij, »was het een
geheele andere saak: want het ~een noodsakelik quaad~ heeft schijnen te
weesen, om datmen wilde handelen in ende omtrent soodaanige Landen, daar
onse vyanden voor particulieren te sterk souden sijn geweest; sulks in
alle manieren schijnd dienstig geweest te zijn, dien handel door een
kragtig gewaapende hand te fondeeren; en dat vermits dit Land met den
oorloge teegen den Koninge van Spanjen worstelende, alle sijne kragten
noodig had, het seer voorsigtelik is geweest, die Geoctroyeerde
Compagnien op te regten[284].” Uit het door De la Court zelven later
aangevoerde[285] blijkt voldoende, dat men bij de oprichting der
Noordsche Compagnie ~volkomen in hetzelfde geval was~ als bij de Oost-
en West-Indische Compagniën[286], en had men ook bij deze vereenigingen
eene proef met de opheffing genomen, de uitkomst zou ongetwijfeld
evenzeer ten nadeele der octrooien zijn uitgevallen als het in 1642 met
de Noordsche Compagnie het geval was. De woorden van De la Court zelven
over de Oost- en West-Indische Compagniën bevatten dus de beste
rechtvaardiging van het beleid der Staten-Generaal met betrekking tot de
Noordsche.
[284] Aanwysing der heils. polit. Gronden. p. 84, 85.
[285] Aanwysing. p. 188, 191.
[286] Vgl. p. 75 Noot 3{[166]}.
Den inhoud van het octrooi deelde ik reeds boven mede. Het was den 27
Januari 1614 voor drie jaren verleend[287] en werd den 1 April 1615 voor
nog een jaar verlengd[288]: met het jaar 1618 zou dus de visscherij
weder openvallen. Maar reeds 24 Januari 1617 was het octrooi der
Noordsche Compagnie, nu vereenigd met die van Zeeland, op nieuw
verlengd, ditmaal voor vier jaren[289]: de eenige merkwaardige bepaling
was, dat de regeering--gewaarschuwd door de geschillen der Noordsche
Compagnie met de kleine Noordsche en met de Zeeuwen--zich de beslissing
in twisten tusschen de leden der compagnie voorbehield[290]. Met het
jaar 1621 eindigde echter ook dit octrooi en de Noordsche Compagnie
drong op vernieuwing aan[291]. Maar onderwijl was er onder de
Nederlandsche walvischvaarders een twist ontstaan, die zelfs door
bemiddeling der Staten-Generaal niet bijgelegd kon worden. En daar
alleen samenwerking van allen tegen den gemeenschappelijken vijand het
doel der Staten met het verleenen van het octrooi der vereeniging
geweest was, scheen het werkelijk de vraag of het vernieuwd zou worden.
De Staten-Generaal, wien het onmogelijk was de twistenden te vereenigen,
namen een voorloopigen maatregel en gaven aan beide partijen den 4
Februari 1622 verlof om voor dat jaar op zekere voorwaarden en met eene
regeling, die ze ~dwong~ elkaar niet te hinderen, de walvischvangst
gezamenlijk te oefenen[292]. De regeering oordeelde het nog steeds
noodig, de Nederlandsche walvischvaarders als een vast aaneengesloten
macht tegenover de Engelschen te stellen, en spaarde daarom geene
pogingen om hen nog tot eenheid te brengen. De regeling van 1622 voldeed
geheel aan hare verwachting: den 20 December 1622 werd in de
statenvergadering een request voorgelezen van de drie Nederlandsche
compagniën voor de walvischvangst, die »nu tsamen vereenicht” waren. Zij
verzochten een nieuw octrooi, dat hun nu reeds twee dagen later voor
twaalf jaren verleend werd[293].
[287] R. S.-G. 27 Jan., 27 Mrt. 1614.
[288] R. S.-G. 4 Apr. 1614, 1 Apr. 1615.--Req. der N. C. aan de
Stn.-Gen. dd. 1 Apr. 1615, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C.
R.-A.
[289] R. S.-G. 28 Dec. 1616, 21, 24 Jan. 1617.
[290] Gr. Placaetb. I p. 673, 74.--R. S.-G. 24 Jan. 1617.--Sent. v.
de H. R. in zake de N. C. Noorderkw. c. Amst. dd. 31 Mrt. 1635.--Van
de bevoegdheid, die de regeering zich zelve dus toegekend had,
maakte zij slechts hoogst zelden gebruik en altijd om de
walvischvaarders tot eenheid te brengen. (cf. R. S.-G. 2 Sept. 1621,
25 Jan., 3, 4, 5 Febr. 1622, 24 Mrt., 14 Apr. 1623.)
[291] R. S.-G. 24 Aug., 1, 2 Sept., 6 Oct. 1621, 8 Jan. 1622.--Req.
der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 13 Sept. 1621, in: Noordsche togten.
3. Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.--Req. der kl. N. C. aan de
Stn.-Gen. dd. 2 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 2. Admiraliteit.
R.-A.
[292] R. S.-G. 25 Jan., 3, 4, 5 Febr. 1622.
[293] R. S.-G. 20, 22 Dec. 1622.