[187] R. S.-G. 3 Apr. 1640.

[188] Tegenw. Staat. I p. 610.--Zorgdrager, Groenl. vissch. p.

231.--Die van Jisp waren volgens de overlevering de eerste

zeevisschers. De Zaandammers zonden in 1644 drie schepen; de eerste

Rijper walvischvaarder zeilde in 1645 uit. (Dooregeest, Ryper

zee-postil. p. 352, 53.) Het belang der Zaansche walvischvangst

blijkt wel uit het feit, dat in 1695 van de directeurs der

walvischvangst 3 waren uit Amsterdam, 1 uit Rotterdam en 1 uit

Hoorn, terwijl Zaandam, Jisp, Zaandijk en De Rijp elk 1 directeur

zonden. (Dooregeest, l. c. p. 360.) In 1728 was die verhouding nog

onveranderd, alleen zond Amsterdam toen 2 in plaats van 3

directeurs. (Zorgdrager, Groenl. vissch. Opdragt.)

De bepaling van het aandeel, dat elke kamer aan de jaarlijksche vangst

der Noordsche Compagnie hebben zou, was aanvankelijk zeer eenvoudig:

Amsterdam kreeg de helft, terwijl de wederhelft in vier gelijke parten

tusschen de overblijvende kamers van Delft, Rotterdam, Hoorn en

Enkhuizen verdeeld werd[189]. Maar de herhaalde veranderingen maakten de

verhouding weldra zeer ingewikkeld. Toen aan Zeeland 1/4 aandeel in de

Noordsche Compagnie werd ingeruimd (waarvan Middelburg en Vlissingen elk

(15-1/2)/40, Veere 9/40 kreeg[190]) bleef de verdeeling der

overschietende 3/4 deelen onder de Hollandsche kamers nog evenals

vroeger[191], maar de vereeniging met de kleine Noordsche Compagnie

baarde meer moeielijkheden. Voor het jaar 1622 werd door de

Staten-Generaal eene voorloopige regeling vastgesteld, waarbij aan de

Hollandsche kamers 10.000 quarteelen traan in de vangst, die voor dit

jaar tot 21.000 quarteelen beperkt moest blijven, werden toegestaan; de

Zeeuwsche kamers moesten zich dit jaar met 5000, de kleine Noordsche

Compagnie met 6000 quarteelen tevreden houden[192]. Op het einde van het

jaar 1622 sloten de partijen echter eene overeenkomst, waarbij ieders

aandeel definitief werd vastgesteld[193]. Dat van Zeeland bleef op 1/4

bepaald; de Hollandsche kamers stonden aan de kleine Noordsche Compagnie

waarschijnlijk slechts 1/3 van de geheele vangst af[194]. Daar dit 1/3

deel in vier gelijke parten verdeeld werd, waarvan 1/4 weder in drie

onderdeelen was versnipperd, is het niet te verwonderen, dat de reeders,

die elk eene afzonderlijke uitrusting deden en dan ook reeds met de

schikking van 4 Februari 1622 niet tevreden geweest waren[195], den moed

weldra opgaven. Twee der drie onverdeelde 1/4 parten werden door de

Vlissingsche kamer overgenomen; het derde werd tusschen Delft, Hoorn en

Enkhuizen verdeeld[196]. Pedij, die 7/8 van het in drie deelen

gesplitste 1/4 bekwam, vereenigde zich later met de kamer te Veere[197],

Meyn, die het overschietende 1/8 kocht, met die te Enkhuizen[198]. De

onderlinge verhouding der kamers werd later, o. a. door de overeenkomst

van 3 November 1630 nog gewijzigd[199], zoodat in Februari 1636 de

verhouding der kamers was als volgt:

quarteelen

traan.

Amsterdam 9/32 4500

Delft 5/32 met 7/15 van 1/32 (van de 2^{e} kamer van Delft) 2733-1/3

Pedij 7/8 van 1/32 (van de 2^{e} kamer van Delft) 437-1/2

Meyn 1/8 van 1/32 (van de 2^{e} kamer van Delft) 62-1/2

Rotterdam 2/32 1000

Hoorn, 2/32 met 1/3 van 1/32 (van de 2^{e} kamer van Delft) 1166-2/3

Enkhuizen, 2/32 met 1/5 van 1/32 (van de 2^{e} kamer van

Delft) 1100

Middelburg (15-1/2)/40 van 8/32 1550

Vlissingen (15-1/2)/40 van 8/32 met 2/32 (van de 2^{e} kamer

van Delft) 2550

Veere 9/40 van 8/32 900

----------

16000[200]

[189] Contr. der N. C. met de Zeeuwen dd. 19 Mrt. 1617, in:

Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

[190] Verslag der conferentie v. 14 Febr. 1636, in: Stn. N. C. v. d.

Hrl. gedeput. R.-A.

[191] Contr. der N. C. met de Zeeuwen dd. 19 Mrt. 1617, in:

Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

[192] R. S.-G. 4 Febr. 1622.

[193] Gr. Placaetb. I p 675.--R. S.-G. 20 Dec. 1622.--Sent. v. de H.

R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.

[194] Versl. der confer. v. 14 Febr. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl.

gedeput. R.-A.

[195] R. S.-G. 10, 11, 12 Febr. 1622.

[196] Versl. der confer. v. 14 Febr. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl.

gedeput. R.-A.

[197] Sent. v. d. H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr.

1637.

[198] Aenwysinghe der kamers N. C. v. Rott. Hoorn en Enkh., jcto.

Versl. der confer. v. 14 Febr. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl.

gedeput. R.-A.

[199] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr.

1637.--Bij die overeenkomst, waarin de geheele vangst op 17500

quarteelen begroot was, werden aan Delft toegedeeld 3009-1/2

quarteelen, aan Hoorn 1317, Enkhuizen 1314, Veere en Pedij te zamen

2/3 van 2967 d. i. 1978 quarteelen.

[200] Naar het verslag der confer. van 14 Febr. 1636, in: Stn. N. C.

v. d. Hrl. gedeput. R.-A. (gecorrigeerd naar een in denzelfden

bundel aanwezig duplikaat.)--Pedij en Meyn worden daar gezegd hunne

aandeelen te houden van de „1^{e} kamer Delft” (evenals in het

opschrift van het proces-verbaal van 1 Dec. 1631, Bijl. D v. h.

request der N. C. dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop.

N. C. R.-A.); ik veranderde het overeenkomstig p. 80 Noot 2{[185]}.

De opneming der Friezen, die 1/9 aandeel in de Noordsche Compagnie

kregen, wijzigde deze verhouding niet: alle kamers droegen naar mate van

hare krachten tot het den Friezen uit te keeren gedeelte der vangst

bij[201]. De verdeeling tusschen de beide Friesche kamers onderling is

onbekend, maar het is zeker dat de Harlingsche kamer die te Stavoren in

belang verre overtrof.

[201] Contr. der N. C. met de Friezen, bij: Aitzema, Saken v. Staet.

II p. 360.

De kennis van de krachten der verschillende kamers is daarom van belang,

omdat men hier onder den schijn alsof het deelen van een geheel waren,

werkelijk met bijna geheel zelfstandige lichamen te doen heeft, die dan

ook meermalen terecht compagnieën genoemd worden[202]. De verschillende

kamers der Noordsche Compagnie hadden hare eigene bewindhebbers, die

voor hun leven benoemd werden en wier getal bij ontstentenis van een

hunner uit een dubbeltal, door de overige bewindhebbers uit de

hoofdparticipanten (aandeelhouders voor minstens ƒ 2000) genomineerd,

werd aangevuld door de electie van den magistraat der stad, waar de

kamer gevestigd was[203]. Iedere kamer had een afzonderlijk

kapitaal[204] en bezorgde dus natuurlijk hare eigene uitrustingen[205].

Het gevolg was, dat ieder hare eigene schepen bezat[206], hare eigene

scheepsbevelhebbers aanstelde[207], hare afzonderlijke loge had op het

strand der plaatsen, waar de walvischvangst gedreven werd[208],

afzonderlijke sloepen voor de walvischvangst[209], afzonderlijke vaten

om de vangst te bergen[210]. De schade, door zeeroof of rampen aan een

van deze zaken geleden, bleef dan ook voor rekening der kamer, aan wie

zij behoorden[211]. In het doen van ontdekkingsreizen was elke kamer

geheel vrij[212].

[202] R. S.-G. 9 Apr. 1625.--Req. der Zeeuwsche kamers N. C. aan de

Stn.-Gen. dd. 22 Aug. 1624, in: Noordsche togten. 2. Admiraliteit.

R.-A.--Corte Deductie ende Remonstr. der N. C. dd. 18 Sept. 1624,

in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

[203] De Zeeuwsche kamers schijnen iets meer democratisch ingericht

te zijn geweest dan de overige; ten minste herhaaldelijk worden de

participanten zelven als handelende personen genoemd, waar bij de

Hollandsche kamers steeds de bewindhebbers als vertegenwoordigers

optreden. (R. S.-G. 3 Mrt., 28 Mei 1622.--Req. der Zeeuwsche kamers

N. C. dd. 22 Aug. 1624, in: Noordsche togten. 2 Admiraliteit.

R.-A.--Req. der N. C. dd. 1 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 3

Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.--N. Z. 17 Mrt. 1622.)

[204] R. S.-G; 4 Nov. 1622, 14 Apr. 1623, 21 Mrt. 1625.

[205] Miss. der gedeput. v. Zeel. aan de Stn. v. Zeel. dd. 19 Oct.

1616, in: Arch. Zeel.--Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c.

Enkh. dd. 4 Apr. 1637.

[206] Req. der N. C. dd. 29 Aug. (lees: 2 Sept.) 1615, in: Noordsche

togten. 3 Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.

[207] Raven, Journael vande Voyagie naer Groenlandt. p. 5.--Aitzema,

Saken v. Staet. I p. 1175.--Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn

c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.

[208] Van der Brugge, Journael van de Seven Matroosen. p. 12.

[209] Van der Brugge, Journael van de Seven Matroosen. p. 16, 42.

[210] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr.

1637.

[211] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr.

1637.

[212] R. S.-G. 28 Oct. 1617, 25 Mrt., 16 Dec. 1625.

De vrijheid, zoodoende aan ieder op zijn eigen gebied gelaten, kon niet

anders dan weldadig werken, maar zij streed ook uit haren aard met het

wezen der Noordsche Compagnie als geoctrooieerde vereeniging. De

uitsluiting van alle concurrentie, het streven naar centralisatie, dat

de compagnie met alle dergelijke lichamen gemeen had, moest reeds eene

regeling doen afkeuren, die zooveel zelfstandigheid aan de leden der

compagnie verzekerde. En dan had toch ook het versnipperen van de

finantiëele krachten der vereeniging bij de groote risico, die de

walvischvangst steeds opleverde, hare bedenkelijke zijde. Er werden dan

ook herhaaldelijk pogingen gedaan om eene andere regeling te verkrijgen.

Reeds in 1616 toonden eenige kamers zich geneigd, de walvischvangst »in

eene gemeene rekeninge” te brengen[213], maar het plan stuitte

waarschijnlijk af op den onwil van Amsterdam, dat begreep, zoodoende het

overwicht, dat het in de compagnie bezat, te zullen verliezen. In 1623

was er op nieuw sprake van, dat eene generale compagnie »onder een

gemeene borsse” zou opgericht worden[214], maar ook ditmaal schijnt er

niets van gekomen te zijn. Enkele kamers onderling poogden toen de

nadeelen, aan de regeling verbonden, door afzonderlijke overeenkomsten

uit den weg te ruimen. Zoo sloten Hoorn en Enkhuizen, de »camers van het

Noorderquartier”, 11 Maart 1632 een contract, waarbij zij o. a. besloten

de uitrustingen voortaan gezamenlijk te bekostigen[215], en ook tusschen

Delft en Rotterdam, de »camers van de Maze”, schijnt eene nauwe

vereeniging bestaan te hebben[216]. Aan het bezwaar, dat de groote

risico aanbood, kwam men mede zooveel mogelijk te gemoet. Reeds in 1617

bij de vereeniging met de Zeeuwen kwam men overeen de schade, door

vreemde natiën aan de schepen der Noordsche Compagnie toegebracht,

gezamenlijk naar evenredigheid van ieders uitrusting te dragen[217], en

bij het bovenvermelde contract van die van het Noorderkwartier werd

bepaald, dat ook de schade door zeerampen aan de schepen van een der

partijen veroorzaakt, door elk der kamers voor de helft zou bekostigd

worden[218].

[213] Miss. v. de Zeeuwsche gedeput. aan de Stn. v. Zeel. dd. 19

Oct. 1616, in: Archief Zeeland.

[214] R. S.-G. 14 Apr. 1623.

[215] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr.

1637.

[216] Voornamelijk tusschen de Rotterdamsche kamer en de kleine N.

C. Van de vele kleine aanwijzingen noem ik alleen deze: Pieter

Ewoutsz. Van der Horst was tegelijkertijd bewindhebber der kleine N.

C. te Delft (R. S.-G. 3 Dec. 1620) en van de kamer der N. C. te

Rotterdam. (Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten.

4. Loop. N. C. R.-A.--Req. der N. C. dd. 1 Sept. 1621, in: Noordsche

togten. 3 Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.--cf. ook: R. S.-G. 21

Apr. 1618, 19 Nov. 1620.)

[217] R. S.-G. 9 Nov. 1617.--Req. der Vliss. reeders dd. 26 Sept.

1617, en: Contr. der N. C. met de Zeeuwen dd. 19 Mrt. 1617, in:

Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Sent. v. de H. R. in zake de

N. C. Noorderkwart. c. Amst. dd. 31 Mrt. 1635.

[218] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr.

1637.

Maar dergelijke maatregelen alleen zouden niet voldoende geweest zijn.

Het was te voorzien, dat tusschen zulke zelfstandige lichamen, die toch

door een gemeenschappelijken band vereenigd waren, gedurig twist zou

ontstaan en de uitkomst bewees het gegronde dier vrees. De Noordsche

Compagnie was dan ook volstrekt niet, wat de Engelschen eene »regulated

company” noemen, eene instelling hier te lande trouwens vreemd.

Integendeel, reeds de oprichters hadden gezorgd voor een krachtig

centraal gezag, dat berusten zou bij de algemeene vergadering. De

inrichting dier vergadering was hoogst eenvoudig en op de leest der

toenmalige regeeringscolleges geschoeid. Op de beschrijving der

presideerende kamer[219] kwamen de bewindhebbers der verschillende

kamers of eenigen van hen daartoe afgevaardigd[220], gewoonlijk driemaal

’s jaars te zamen: in het begin van Maart en van Juli en op het einde

van October[221]. Het praesidium ging bij beurten rond[222], zoo dat

gedurende drie jaren eene der Hollandsche kamers, het vierde jaar eene

Zeeuwsche als voorzittende optrad[223]. De plaats der vergadering

wisselde op dezelfde wijze af[224]. Men stemde natuurlijk kamersgewijze.

Waarschijnlijk had aanvankelijk Amsterdam vier stemmen, terwijl elk der

overige kamers zich met éene stem moest tevreden stellen; maar later

veranderde de verhouding geheel. Toen Zeeland tot de compagnie toetrad,

werd er bepaald, dat van de vijf stemmen gedurende drie jaren de

Hollanders vier, de Zeeuwen éene zouden hebben; terwijl het vierde jaar

Holland drie, Zeeland twee stemmen mocht uitbrengen[225]. De verdeeling

dier stemmen onder de verschillende kamers kan men alleen gissen:

waarschijnlijk stemden Delft en Rotterdam, Hoorn en Enkhuizen,

Middelburg en Veere met elkander. De opneming der Friezen bracht eene

wijziging in de verhouding: van de negen uit te brengen stemmen werden

aan Holland zes, aan Zeeland twee, aan de Friezen slechts éene

toegekend[226].

[219] Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten 4. Loop.

N. C. R.-A.--Contr. der N. C. met de Friezen, bij: Aitzema, Saken v.

Staet. II p. 360.--Ook buitengewone vergaderingen kwamen op

beschrijving der presideerende kamer bijeen. (R. S.-G. 30 Sept.

1636.)

[220] Aitzema, Saken v. Staet. II. p. 360.

[221] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 360.--Reeds in 1614 worden

echter vergaderingen vermeld op 17 April, 21 Juni en 21 October

(„Debath” van Kyen en Leversteyn, in: Noordsche togten. I. R.-A.),

later van 15, 17 en 25 Maart, 29 Juli, 25 November en 4 December.

[222] R. S.-G. 23 Apr. 1633.--Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in:

Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

[223] Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4. Loop

N. C. R.-A.--Contr. der N. C. met de Friezen, bij: Aitzema, Saken v.

Staet. II p. 360.

[224] Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4.

Loop. N. C. R.-A.

[225] Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4.

Loop. N. C. R.-A.

[226] Contr. der N. C. met de Friezen, bij: Aitzema, Saken v. Staet.

II p. 360.

Aan deze vergadering waren de belangen der Noordsche Compagnie

toevertrouwd: over de belangrijkste punten werd daar beraadslaagd. In

het algemeen bestond de hoofdwerkzaamheid, aan de vergadering

opgedragen, in het regelen der jaarlijksche uitrustingen: men besliste

hoevele schepen de financiën der compagnie toelieten uit te zenden[227],

en bepaalde het getal, dat iedere kamer volgens hare quote daarvan zou

mogen uitrusten. Om de nering op te houden en ze niet door te groote

concurrentie te benadeelen, oordeelde men het noodig, dat geene kamer

schepen uitrusten mocht zonder of tegen het besluit der

vergadering[228]. De gezamenlijke kamers bepaalden verder het getal der

sloepen, die den walvisch zouden vervolgen; zij beraadslaagden over het

huren der harpoeniers[229], stelden de instructie voor de commandeurs

der schepen op[230], besloten waar iedere kamer de vangst zou

oefenen[231] en beraamden middelen tot afwering van de vijanden der

compagnie door het sluiten van admiraalschap of de wapening der

schepen[232]. Zulke contracten of reglementen over de uitrusting, die

strekken moesten »omme alle Confuijsie te weren ende tot defensie jegens

’t gewelt vande Vreemde Natien”[233], werden aanvankelijk jaarlijks

gesloten[234], maar later voor verscheidene jaren tegelijk

opgemaakt[235]. In haren walvischvangst zelven waren de kamers

vrij[236], maar evenals iedere kamer naar evenredigheid van hare quote

moest bijdragen tot alle uitgaven van de generale compagnie[237], zoo

werd ook aan ieder van haar, hoeveel ze ook zelve gevangen mocht hebben,

slechts een met hare quote evenredig deel van de geheele jaarlijksche

vangst toegeleid. In den verkoop van dit deel waren de kamers ook weder

gebonden aan de besluiten der algemeene vergadering. Jaarlijks werd er

namelijk door haar bepaald, hoeveel de traan dit jaar gelden zou, en den

kamers was het streng verboden, beneden de som, alzoo tot het op prijs

houden der goederen bepaald, te verkoopen[238].

[227] Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4.

Loop. N. C. R.-A.--Contr. der N. C. met de Friezen, bij: Aitzema,

Saken v. Staet. II. p. 360.

[228] Contr. der N. C. met de Friezen, bij: Aitzema, Saken v. Staet.

II p. 360.

[229] Reeds in 1617 was er sprake van, een definitief reglement te

maken op het huren der „Basques.” (Contr. der N. C. met de Zeeuwen,

in: Noordsche togten. 4. Loop N. C. R.-A.)

[230] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr.

1637.

[231] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr.

1637.

[232] Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4.

Loop. N. C. R.-A.--Contr. der N. C. met de Friezen, bij: Aitzema,

Saken v. Staet. II p. 360.--Corte Deductie ende Remonstr. der N. C.

dd. 18 Sept. 1624, in Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Sent.

v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.--N. Z.

26 Jan. 1617.

[233] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr.

1637.

[234] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Noorderkwart, c. Amst., dd.

31 Mrt. 1635. (ov. het contr. v. 2 Mrt. 1618.)--R. S.-G. 1, 7 Dec.

1617, 20 Febr. 1622.--N. Z. 13 Apr. 1617.

[235] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr.

1637. (contr. v. 3 Nov. 1630 over de jaren 1631-34.)

[236] Miss. v. de regeering v. Delft aan de Gecommitt. Raden v.

Holl. dd. 7 Febr. 1622, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

[237] Req. der Zeeuwsche kamers N. C. dd. 22 Aug. 1624, in:

Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R.-A.--Contr. der N. C. met de

Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Contr. der N.

C. met de Friezen, bij: Aitzema, Saken v. Staet II p. 360.

[238] Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4.

Loop. N. C. R.-A.--Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh.

dd. 4 Apr. 1637.

De algemeene vergadering had de zekerheid, dat hare besluiten zouden

worden uitgevoerd: niet alleen verbond de beslissing van de meerderheid

der tegenwoordige leden ook de afwezige[239], maar er waren boeten op de

overtreding der besluiten gesteld. Het bedrag dier boeten was in het

algemeen bepaald op het dubbele der schade, door de overtreding aan de

compagnie toegebracht; de goederen der kamers waren voor de voldoening

verbonden[240]. Werd het nemen van een besluit door de veelvuldige

oneenigheden der kamers en leden onderling[241] verhinderd, dan werd de

beslissing, aanvankelijk aan de Staten-Generaal voorbehouden[242],

gewoonlijk overgelaten aan de neutrale kamers of leden; zoo allen in het

geschil betrokken waren, beslisten drie onpartijdige kooplieden als

arbiters[243].

[239] Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4. Loop

N. C. R.-A.--Contr. der N. C. met de Friezen, bij: Aitzema, Saken v.

Staet. II p. 360.

[240] Contr. der N. C. met de Friezen, bij: Aitzema, Saken v. Staet.

II p. 361.

[241] De Amsterdamsche kamer klaagde in 1636, dat 8 kamers waren „te

veell om te verhandelen soo cleijnen werck als daer is den

Walvisvangst. In welcker vergaderinge dickwils maer te veel

swaricheijden voorvallen om alle de verstanden ende sinnen in een te

brenghen.” (Repartitie v. de Amst. kamer N. C. dd. 19 Mrt. 1636, in:

Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.)

[242] R. S.-G. 24 Jan. 1617.--Gr. Placaetb. I p. 673, 74.

[243] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr.

1637.--Contr. der N. C. met de Friezen, bij: Aitzema, Saken v.

Staet. II p. 361.

* * * * *

Wij hebben nu de inrichting der Noordsche Compagnie in al hare

bizonderheden leeren kennen; wij zullen haar later handelend zien

optreden. Hier is het de plaats om den indruk weder te geven, die het

optreden der vereeniging op ons gemaakt heeft. Wij willen nagaan, in

hoeverre uit de handelingen der vereeniging, uit de stukken van haar

uitgegaan, de beginselen blijken, waardoor de bewindhebbers zich lieten

leiden. Genoeg reeds bleek uit het eenvoudig verhaal van de inrichting

der compagnie om te zeggen, dat haar hoofdbeginsel was de uitsluiting

der vrijheid. Zij paste dit beginsel zoowel naar buiten als naar binnen

toe, tegenover hare mededingers en tegenover zich zelve.

De bedoeling der Staten-Generaal met het verleenen van een uitsluitend

octrooi aan de Noordsche Compagnie was aanvankelijk alleen geweest, de

Nederlandsche walvischvangst door vereeniging van alle krachten in staat

te stellen om zich tegenover hare mededingers staande te houden[244]. De

hoofdreden van haar bestaan was dus het streven tot handhaving van het

recht der Nederlanders om zich naast de Engelschen op Spitsbergen te

vestigen, en de compagnie begon dan ook natuurlijk met in haar vaan de

vrijzinnige leuze »mare liberum” te schrijven[245]. Daar echter, zoolang

de walvischvangst onder het land, niet in de volle zee gedreven werd,

volgens de bedoeling van den beroemden verdediger dier leuze zelven een

beroep daarop hier niets afdeed, werd reeds dadelijk daarnaast op de

ontdekking van Spitsbergen door Nederlanders gewezen. Misschien werd dit

feit aanvankelijk alleen vermeld om indruk te maken op de Engelschen,

die hunne uitsluitende rechten op de voorgewende ontdekking van het

eiland door hunnen landgenoot Willoughby grondden. Zoodra het echter

gebleken was, dat de Engelschen wel niet overtuigd waren, maar toch door

de overmacht der Nederlanders voortaan wel gedwongen zouden worden hen

op Spitsbergen toe te laten, begon de Noordsche Compagnie een anderen

toon aan te slaan. Had zij reeds kort na hare oprichting op grond harer

ontdekking van Jan Mayen-eiland de Duinkerkers van dat eiland trachten

te weren, op het voorbeeld der Engelschen begon zij zich nu ook op de

ontdekking van Spitsbergen te beroepen en zich op hare beurt

uitsluitende rechten aan te matigen[246]. De vrijheid der zee geraakte

meer en meer op den achtergrond. Weldra heette niet alleen de

Mauritius-baai[247], maar zelfs geheel Spitsbergen[248] eene

Nederlandsche bezitting. Men achtte eerlang den ondergang der compagnie

nabij, zoo vreemden op gelijken voet naast haar in de door Nederlanders

bezochte baaien werden toegelaten[249]; zelfs het uitsluitend octrooi

werd als argument gebruikt om ~vreemden~ uit de walvischvangst te

weren[250].

[244] Groot Placaetb. I p. 675.

[245] R. S.-G. 26 Aug. 1613.--Antw. der Stn.-Gen. aan de Eng.

ambass. dd. 16 Apr. 1615, bij: Muller, Mare Clausum. p. 364, 65.

[246] Zie o. a. „Mémoire” der N. C. bij: Muller, Mare Clausum. p.

370.

[247] Zie o. a. de gewisselde stukken tusschen Duynkercker, Ys en

Vrolicq in 1632 en 1633, in: L. F. 1633, en in: Noordsche togten. 4.

Loop. N. C. R.-A.--R. S.-G. 4 Jan. 1636.

[248] Req. v. Vrolicq aan de Stn.-Gen. en v. de N. C. c. Vrolicq,

dd. 11 Mrt., 8 Mei 1633, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.

[249] Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche

togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

[250] Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 15 Mrt. 1619 (lees: 1618),

in: Noordsche togten. 2. Admiralit. R.-A.--Protest der N. C. dd. 1

Dec. 1631, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Stn.

gewisseld tuss. Ys en Vrolicq in 1633, in: Noordsche togten. 4.

Loop. N. C. R.-A.--R. H. 3 Mei 1633.

Geschiedenis der Noordsche Compagnie · 第 10 / 52 段