Reeds in 1611 waren--mag men het eenigszins verwarde verhaal van

Zorgdrager[154] gelooven--op verschillende plaatsen des lands, met name

te Amsterdam, Schiedam, Hoorn, Enkhuizen en Middelburg, inschrijvingen

gedaan om de zoo winstgevende nieuwe nering der walvischvangst ook in

Nederland te vestigen. De zaak had echter toen op zulk eene uitgebreide

schaal nog geen voortgang; voorloopig vereenigden zich alleen Lambert

Van Tweenhuysen, Jacques Nicquet, Jacques Mercys en eenige andere

Amsterdamsche kooplieden, wier namen hunne Zuid-Nederlandsche afkomst

verrieden, tot eene compagnie, die ten doel had de walvischvangst in de

IJszee te beginnen. De vereeniging rustte dadelijk in 1612 een schip van

140 last uit[155], bemande het met 36 koppen en zond het onder bevel van

Willem Van Muyden naar Spitsbergen met patent van graaf Maurits »om

aldaer Walrussen te bekomen, ofte anders haer profijt te soecken”. Allan

Sallowes, een Engelschman, die lange jaren voor de Moscovische Compagnie

op de IJszee gevaren had, maar volgens de Engelschen een ter kwader naam

bekend staande persoon, die zijn vaderland om schulden verlaten had,

ging als stuurman mede[156]. Reeds aan het Beeren-eiland ontmoetten Van

Muyden en de zijnen de twee Engelsche schepen. De bevelhebbers daarvan

beraadslaagden er dadelijk ernstig over Sallowes als een

»interloper”--of zooals men toen zeide »lorrendrayer”--gevangen te

nemen, maar besloten toch eindelijk hem te laten gaan. Het Engelsche

schip volgende kwamen daarop de Amsterdammers, niettegenstaande het

herhaalde verbod der Engelschen, 26 Mei met een Engelschen »interloper,”

(het schip Diana, kapitein Thomas Bustion van Wapping-wall[157]) op

Spitsbergen aan. De beide schepen zwierven langs de kust heen en weer en

deden pogingen om eene goede ligplaats buiten het gezicht van de schepen

der compagnie te vinden, maar hunne onbekendheid met de walvischvangst

was oorzaak, dat de buit schraal was en zij bijna onverrichter zake

huiswaarts moesten keeren[158]. Een ander Nederlandsch schip, door eene

Zaandamsche reederij uitgerust, schijnt zich dit jaar alleen met de

walrusjacht op Beeren-eiland te hebben beziggehouden[159].

[154] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 207.

[155] Purchas (Pilgrimage. p. 815) spreekt ten onrechte van drie

Nederlandsche schepen. De Nederlandsche berichten (Hist. de

Spitsberghe. p. 10, 11) noemen er twee, waarvan een slechts tot

Beeren-eiland kwam.

[156] Sallowes, die in vrijheid weder vertrok, verscheen ook in 1613

als stuurman van een schip van Bordeaux op Spitsbergen. (Baffin,

Iournall of the Voyage to Greenland in 1613, bij: Purchas,

Pilgrimes. p. 716, 17.--Vgl. Hist. du pays de Spitsb. p. 20-25, waar

Sallowes „Maistre Selly” genoemd wordt.)

[157] Dit waren niet de eenige concurrenten der Moscovische

Compagnie. Nicholas Woodcocke had dit jaar een Spaansch schip uit

St. Sebastiaan naar Spitsbergen geleid. Marmaduke van Hull kwam met

zijn schip „The Hope-well” ook weder aan het eiland, dat hij echter

weldra verliet om eene ontdekkingsreis in het noorden te maken.

[158] De commies van Van Muyden, de koopman Kyen, verloor op Prince

Charles’ foreland het leven. (Poole, Relation of a Voyage to

Greenland in 1612, in: Purchas, Pilgrimes. III p. 714--Hist. du pays

de Spitsberghe. p. 12.) Naar deze gebeurtenis werd het eiland, waar

ze plaats had, door de Nederlanders dier dagen „l’Isle de Kyn”

genoemd.

[159] Zie over deze eerste reis der Nederlanders: Request der Amst.

reeders aan de Stn.-Gen., bij: Wassenaer, Hist. verh. VIII. fol.

88.--Hist. de Spitsberghe p. 10, 11.--Zorgdrager, Groenl. vissch. p.

207.--Poole, Relation of a Voyage to Greenland in 1612, bij:

Purchas, Pilgrimes. III p. 713-15.--Edge, Dutch, Spanish, Danish

disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 466.--Detectio freti,

ed. 1613 F 3.

Het volgende jaar bleven de Nederlanders niet achter. Willem Van Muyden

kwam weder met zijn schip op Spitsbergen; de reeders hadden er nog het

kleinere schip de Fortuyne, kapitein Jan Jacobsz. Boots van

Medemblik[160], bijgevoegd. De Zaandamsche reederij zond mede twee

schepen op de walrusjacht uit, die ditmaal ook op Spitsbergen

kwamen[161]; een Enkhuizer schip, dat door eene tweede Amsterdamsche

reederij was uitgerust, was weder door eenige Engelschen, waartoe de

kapitein Thomas Bonner zelf behoorde, daarheen geleid. Eindelijk was er

nog een schip van Hoorn, dat voor eene Fransche reederij voer. Ditmaal

was men ook beter ter walvischvangst toegerust: behielpen de Enkhuizers

zich nog met Engelschen, de Amsterdammers hadden zich reeds evenals

hunne voorgangers gedaan hadden, van twaalf Baskische harpoeniers

voorzien, die, meer ervaren dan de Engelschen, tevens minder de woede

van den admiraal der Moscovische Compagnie zouden opwekken. De

concurrentie werd dus voor deze vereeniging gevaarlijk; bovendien had de

rijke vangst, in 1612 door een Biskaaisch schip op Spitsbergen

verkregen, nu ook talrijke schepen van die bekwame walvischvaarders

daarheen gelokt.

[160] De Histoire de Spitsberghe noemt den bevelhebber voortdurend

„Mossel.” Misschien wordt daarmede Tys Volckaertsz. Mossel bedoeld,

die in het volgende jaar als schipper op de Nachtegael naar

Nieuw-Nederland kwam; waarschijnlijk was hij hier stuurman.

[161] Zie over de verdere geschiedenis dezer reederij: hierna p. 74

Noot 2{[163]}.

De Engelsche compagnie was van al deze toebereidselen in tijds

verwittigd en maakte zich gereed tot veel grooter uitrusting dan het

vorige jaar. Voelde men zich misschien in 1612 niet sterk genoeg om

tegen de mededingers geweld te gebruiken, dit jaar werden zeven schepen

door de Moscovische Compagnie uitgerust en steunende op een koninklijk

patent onder het groote zegel van Engeland, werden de vreemde schepen

alle aangevallen. Sommige werden verdreven, andere beroofd, enkele in

dienst der Engelschen gehouden. De Nederlanders ontvingen van dien

aanval ruimschoots hun deel: slechts een der Zaandamsche schepen ontkwam

zonder schade[162]. Zoo was de oorlog door de Moscovische Compagnie aan

hare mededingers verklaard. Men had nu in Nederland slechts de keus

tusschen het opgeven van den handel en het nemen van krachtige

maatregelen. Tot het laatste werd dadelijk besloten.

[162] Verg. over de gebeurtenissen op Spitsbergen in 1613 (waarover

later meer): Baffin, Iournall of the Voyage to Greenland in 1613,

bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 716-20.--Edge, Dutch, Spanish,

Danish disturbance, in: Purchas, Pilgrimes III p. 466.--Hist. du

pays de Spitsberghe. p. 11, 12, 20-26--Request der Amst. reeders aan

de Stn.-Gen. bij: Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 88.

De reeders zelven zagen in, dat men eenig moest zijn om krachtig te

kunnen optreden; de beide Amsterdamsche compagniën voor de

walvischvangst vereenigden zich dadelijk tot éene compagnie[163] en den

27 Januari 1614 werd in de vergadering der Staten-Generaal gelezen een

request van Van Tweenhuysen, Nicquet, Mercys en zes andere kooplieden

»met haere Compaignons, als nu te samen vereenicht in eene

Compagnie.”[164] De requestranten verzochten daarbij van de

Staten-Generaal »Consent ende Octroy omme voor den tydt van thien

eerstkomende Jaeren alleene te mogen handelen van Nova Sembla tot Fretum

Davidis toe, daer onder begrepen Spitsbergen, Beeren-eylant, Groenlandt

ende de andere Eylanden die onder de voorszeide limiten souden mogen

gevonden worden.” Zij steunden hun verzoek op het feit, »dat sy

Supplianten de aldereerste waeren die uyt dese Landen soo verre om de

Noort aengevangen hadden te varen ofte te seylen, met toerustinge van

eene quantiteyt Schepen, alwaer noyt Christen Menschen ontrent hadden

gheweest.” Zij meenden dus volgens de begrippen dier tijden recht te

hebben om als de eersten, die den handel hadden gedreven, alle andere

Nederlanders daarvan uit te sluiten. Toch waren zij er niet eer toe

gekomen om de bekrachtiging van dit recht door de Staten-Generaal te

vragen, voordat zij door eene harde noodzakelijkheid daartoe gedrongen

waren: »Ende alsoo zij supplianten bij experientie beuonden hebben,” dus

gaat het request voort, »dat de Engelschen hun soucken te beletten de

voorszeide vaerte, poogende hun seluen mette Waepenen Eijgenaers te

maecken vande voorszeide Landen, twelck zij supplianten uwe Ho: Mo: Ed:

int lange hebben verthoont[165], waervan de questie alsnoch is

ongedecideert, sien zij geene apparentie omme alleene ofte int

particulier opte voorszeide landen te connen vaeren, door het gewelt

vande voorszeide Engelschen, waerdoor de couragie lichtelick benomen

soude werden vanden Coopluyden in ’t particulier te ondersoecken eenige

nieuwe Landen.” Alleen de zucht der Engelschen om monopolie te

verkrijgen had hen genoodzaakt, zelven tot een dergelijk middel om den

handel te vestigen de toevlucht te nemen[166]; immers »het soude buyten

reden wesen, dat ’t geene sy Supplianten op hare groote excessive kosten

gevonden hadden, ende ’t geene sy als noch verhoopten te vinden, by

andere de profijten ende vruchten daer van getrocken souden werden, ’t

welck sy Supplianten vastelick vertrouwden haere Ho: Mo: meyninge oock

niet te zijn.” Toch verklaarden de requestranten zich »tevreden, dat

alle Persoonen onder haer Ho: Mo: gebiedt inde voorszeide Compagnie

vande eerste aenstaende Equipagie binnen een Maent souden aengenomen

werden, ende voor de naevolgende Jaren binnen drie eerst-komende

Maenden, door dien sy Supplianten binnen den tijdt van ses Weecken in

Zee souden moeten wesen met haere Schepen.” Geen monopolie, alleen

samenwerking was het dus, wat de oprichters der compagnie beoogden[167].

[163] De Zaandamsche reederij ging later ook in de Noordsche

Compagnie op. De Staten-Generaal maakten bij het verleenen van het

octrooi aan die vereeniging het uitdrukkelijke beding, „dat die twee

Scepen van Serdam, die twee Jaren aldaer (d. i. op de IJszee) hebben

gevaren, jnde Compaignie souden werden aengenomen, Oft dat de

Compaignie dese Scepen souden coopen, ende die eygenaers

recompenseren voor hare gedane costen tot redelycke pryse, ten

seggen van luyden hen des verstaende, Ofte anders ten seggen van

hare Ho. Mo.” (R. S.-G. 27 Mrt. 1614.) Waarschijnlijk had de weinige

deelneming der Zaandammers aan de inschrijvingen ten gevolge, dat de

laatste weg ingeslagen werd.

[164] De mededeeling van Zorgdrager (Groenl. vissch. p. 207) over

pogingen om reeds vóor en in 1611 octrooi voor de walvischvangst van

de Staten-Generaal te krijgen schijnt ontleend aan: Le Long, Kooph.

van Amst. II p. 159-61, die echter niet dit zegt, maar alleen dat in

1611 de eerste Nederlandsche uitrusting ter walvischvangst plaats

had. (Vermoedelijk ontleend aan een Engelsche bron, die 1611 voor

1612 schrijft.) De verandering, door Zorgdrager in het verhaal

gemaakt, wordt door de R. S.-G. weêrsproken, die vóor 1614 van

verzoeken om octrooi zwijgen.

[165] Zinspeling op het request der Amsterdamsche reeders ter

walvischvangst, afgedrukt bij: Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 88.

[166] De hierboven aangehaalde zinsnede uit het request bevestigt

alleszins het gevoelen van Van Rees (Gesch. der staathuishoudk. in

Ned. p. 175, 76), dat alleen de vrees, dat de Nederlandsche

walvischvangst zich zonder octrooi niet tegen de Engelschen zou

kunnen staande houden, den afkeer der Staten-Generaal voor

monopoliën ditmaal overwonnen heeft. Joachimi verhaalde ook aan de

Staten van Zeeland, dat het octrooi verleend werd „~ter oorsaecke

van~” de gewelddadigheden der Engelschen en de aanmatiging van

uitsluitende rechten door hunnen koning. (Not. Zeeland. 19 Mrt.

1614.) Zie ook het gevoelen van De la Court bij: Van Rees l. c. p.

179 Noot 1.--De N. C. zelve verhaalde in 1624 de geschiedenis van

het verleenen van het octrooi aldus: „In het jaer 1614 den ijver

ende genegentheijt totte neringe van Walvischvanght, bij velen

ingesetenen deser landen noch meer als oijt te vooren ontsteken

sijnde, uijt de Rapporten ende advertentien dijemen vercreeg, vande

gene dije het jaer te vooren ter selver neringe wtgeweest waeren,

ende datmen verstondt wat effecten de Engelschen daervan waren

genietende, soo hebben verscheijden persoonen geraden geuonden de

neringe te hervatten ~ende omme haer te meer te verseeckeren jegens

alle hostiliteijten soo van de Engelschen~ als anderen natien,”

(zinspeling op de Denen, die echter onjuist is, daar dezen zich

eerst in 1615 op Spitsbergen vertoonden) „dije haer daerjnne souden

willen troubleren, van Uwe Ho: Mo: te versoucken een generael

Octroij, onder beneficie van twelcke, sekere Compagnien in dese

landen mochten werden gedresseert, dije met meerder orde ende

eenicheijt als wel te vooren de voorszeide neringe aenvangen

mochten; ende nae dat tselve Octroij by Uwe Ho: Mo: was vergunt ende

daeronder alles in redelijcke goede ordre gebracht, . . . soo js

daermede met meerder verseeckerheijt de Neringe . . . aen

Spitsbergen gecontinueert.” (Corte Deductie ende Remonstrantie der

N. C., in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.)

[167] Een afschrift van dit request is door mij gevonden op het

R.-A. in de verzameling getiteld: Noordsche togten. 1596-1634. (4.

Loop. N. C. 1616-1634.) Het is mij daaruit gebleken, dat de griffier

Aerssen, die in dit afschrift eigenhandig hier en daar veranderingen

en aanvullingen maakte en het verleende octrooi achteraan stelde,

het geheele request nagenoeg onveranderd als considerans in het

octrooi opgenomen heeft. Alleen de door mij hierboven afgedrukte

zinsneden over de Engelschen zijn om redenen van staat eenvoudig

geschrapt, waardoor de gedachtengang in het octrooi trouwens

onverstaanbaar wordt.

De beslissing der Staten-Generaal kon niet twijfelachtig zijn. Daar

reeds eenmaal na lange beraadslaging door het verleenen van octrooi aan

de Oost-Indische Compagnie[168] van het oud-Nederlandsche systeem van

vrijen handel was afgeweken, kon nu ook aan de in geheel dezelfde

omstandigheden verkeerende Nederlandsche reeders op de IJszee een

gelijke gunst niet geweigerd worden: ook daar dreigde te groote

concurrentie bij aanvallen van buitenlandsche vijanden den ontluikenden

handel eerlang den doodsteek te zullen geven. Dadelijk besloten dan ook

de Staten-Generaal het verzoek der Amsterdammers toe te staan en den

supplianten voor het loopende en de twee volgende jaren het octrooi te

verleenen. Als waarborg tegen een monopolie stelde de Staten echter

uitdrukkelijk de voorwaarde, »dat die geene die dit Jaer inde Compagnie

sullen begeren te komen ’t selve sullen moeten doen, ende haer daer op

verklaren binnen ses Weecken naer affixie van Billieten, ende binnen

vier Maenden die geene die daer inne sullen begeeren ontfangen te werden

voor de voorszeide twee naevolgende Jaren. Welverstaende dat die geene

die respective inde Compagnie sullen komen niet alleen en sullen

profijteren van haer Gelt naer advenant dat sy gheadventueert sullen

hebben, maer oock van alsulcke voordere voordeelen alsser sullen mogen

geraecken te vallen binnen den voorszeiden tijt, soo wel het bewint

vande voorszeide Compagnie ende Equipagie aengaende, als anders.” Op

deze voorwaarde »interdiceerden ende verboden de Staten alle ende een

yegelijck vande Inghesetenen van dese Landen, van wat conditie ofte

qualiteyt die zijn, anders als die vande voorszeide Compagnie

Supplianten, binnen dit loopende ende twee daer na volgende Jaeren, uyt

dese Vereenichde Nederlanden te handelen ende visschen op de Kusten ende

Landen van Nova Sembla, tot Fretum Davidis toe, daer onder begrepen

Spitsbergen, Beren-Eylant, Groenlant, ende die andere Landen die onder

de voorszeide Landen gevonden souden mogen werden, op de verbeurte van

hare Schepen ende Goederen.” Zij »ontboden daer omme ende bevalen wel

expresselick allen Gouverneurs, Justicieren, Officieren, Magistraten

ende Inwoonders der voorszeide Vereenichde Landen, dat sy de voorszeide

Compagnie Supplianten rustelijck ende vredelijck souden laten genieten

ende gebruycken ’t volkomen effect van desen Octroye ende consent,

cesserende alle contradictien ende empeschementen ter contrarien, want

Haere Ho: Mo: ’t selve ten dienste vanden Lande bevonden hadden alsoo te

behooren”[169].

[168] Zie over de motieven, die tot de oprichting der Oost-Indische

Compagnie leidden: Van Rees, Staathuishoudk. in Nederland. II p.

9-22.

[169] R. S.-G. 26, 27 Jan. 1614.--Gr. Placaet-boeck. I p.

669-72.--Het octrooi is ook afgedrukt bij: Zorgdrager, Groenl.

vissch. p. 208, 9, en bij: Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 95, 6.

Zoo was de vereeniging gegrondvest, die onder den naam van de »Noordsche

compagnie”[170] bijna dertig jaren lang zoo goed als alleen de vlag der

Nederlanders in de barre poolstreken zou voeren. Het waren natuurlijk

meestal personen van meer dan gewone energie en bekwaamheid, die den

eersten stoot aan den nieuwen handel gaven. Onder de eerste

bewindhebbers vinden wij vooraan gedurende lange jaren het hoofd der

Amsterdamsche compagnie, die het eerst de walvischvangst ter hand

genomen had, Lambert Van Tweenhuysen, een naam ook onder de eerste

reeders op Nieuw-Nederland met eere bekend.[171] Naast hem traden op

zijne medebewindhebbers van de Amsterdamsche compagnie, Jacques Niquet

en Jacques Mercys en een vierde lid Gilles Dodeur[172].

Hoogstwaarschijnlijk was het de tweede Amsterdamsche compagnie, die als

bewindhebber Ysbrandt Dobbesz. zond, een der reeders, die in 1613 door

de Engelschen benadeeld waren[173], en naast hem Leonard Rans[174], die

spoedig uit de rij der bewindhebbers verdween. Delft, de stad, die na

Amsterdam steeds de meeste aandeelen in de Noordsche Compagnie had,

benoemde tot bewindhebber Antonie Monier, »Contrerolleur van de

Artillerije”, die aanstonds den goeden weg insloeg door zelf in den

zomer van 1614 als commissaris-generaal het commando over de

Nederlandsche walvischvaarders op zich te nemen[175]; naast hem werden

door Delft afgevaardigd Nicasius Kyen, »Commijs van de Vivres”, en Dirck

Adriaensz. Leversteyn, twee mannen, die later door de oprichting der

kleine Noordsche Compagnie toonden, dat geld en goed hun liever was dan

een onbesproken naam, maar die tevens bewezen, dat zij geene inspanning

van hunne groote talenten wilden ontzien om dat geld en goed te

verkrijgen[176]. Dit waren de eerste bewindhebbers der Noordsche

Compagnie[177], maar ook andere personen van naam vinden wij onder de

vroegste Nederlandsche walvischvaarders. Daar was vooreerst Samuel

Godin, evenals Tweenhuysen een der eerste reeders op Nieuw-Nederland en

later patroon van een der koloniën aldaar[178]; ook Symon, de zoon van

den Amsterdamschen schout Van der Does, die zich reeds in 1613 op het

schip van Bonner naar Spitsbergen waagde[179], en in 1625 bewindhebber

der Noordsche Compagnie was[180]; eindelijk Claes Jacobsz. Harencarspel,

evenals Godin reeds in 1617 als bewindhebber genoemd[181].

[170] Zie over de verschillende namen der compagnie: Muller, Mare

Clausum. p. 128 Noot 1.--De gewone naam was: Noordsche Compagnie.

Het is zonderling, dat tegen het einde van het octrooi (1642) deze

naam meer en meer plaats maakt voor dien van Groenlandsche

Compagnie, terwijl het toch juist toen meer en meer zeker begon te

worden, zoo het niet reeds uitgemaakt was, dat Spitsbergen evenmin

als Jan Mayen-eiland iets met Groenland te maken had. In de eerste

jaren van haar bestaan werd de N. C. veelal als „Compaignie van

Spitsbergen” onderscheiden van de kleine N. C., die alleen bij Jan

Mayen-eiland de visscherij oefenen mocht.

[171] Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 44.--O’Callaghan, Hist. of

New-Netherland. I p. 74.

[172] Verklaring van Rijp dd. 3 Dec. 1613, in: Noordsche togten, 1.

R.-A.--Resol. Admir. Amst. 20 Apr. 1613.

[173] R. S.-G. 21 Mrt. 1625.

[174] Aitzema (Saken van Staet. II p. 356) noemt dezen L. Jansz. Dat

dit onjuist is, blijkt uit het gelijktijdige afschrift van het

request der reeders in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C.

R.-A.--Waarschijnlijk was hij lid der familie Ranst, een naam ook

later in de geschiedenis der walvischvangst herhaaldelijk genoemd.

[175] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 94.--Instr. der Stn.-Gen.

voor Quast dd. 29 Apr. 1614, in het Register der „Instructien der

Hooch Mogende Heeren Staten-Generael der Vereenichde Nederlanden,

beginnende metten Iaere 1611 ende eijndigende met 1623.” R.-A.

[176] Zie hierna Hfdst. IX.

[177] Gr. Placaetboeck. I p. 669.

[178] O’Callaghan, Hist. of New-Netherland. I p. 121, 125, 411, 479.

[179] Detectio freti. ed. 1613. F. 2 en p. 3.--Later was hij ook

directeur der Compagnie van Nieuw-Nederland. (O’Callaghan,

New-Netherland. I p. 411.)

[180] Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 124.

[181] R. S.-G. 21 Mrt. 1625.--Contr. der N. C. met de Zeeuwen dd. 19

Mrt. 1617, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Ook

Harencarspel was een der voornaamste reeders op Nieuw-Nederland.

(O’Callaghan, Hist. of N.-Netherland. I p. 94.)

Reeds uit de lijst der bewindhebbers blijkt, dat de »affixie van

billieten,” door de Staten-Generaal bedongen, dadelijk groote gevolgen

had gehad: vele nieuwe leden hadden zich op verscheidene plaatsen

aangemeld en daar de regeering uitdrukkelijk bepaald had, dat hun eene

plaats in het bestuur der compagnie zou ingeruimd worden, werd nu de

oprichting van verschillende kamers noodzakelijk. Aanvankelijk werden

deze, met uitsluiting der Zaanlanders, die toch onder de eerste

walvischvangers behoord hadden, gevestigd te Amsterdam, te Delft, te

Rotterdam, te Hoorn en te Enkhuizen. Reeds in 1617 werd echter de

oprichting van nieuwe kamers noodig door de opneming van twee

Vlissingsche compagniën, aan wier hoofd leden van de bekende Zeeuwsche

handelshuizen Lampsius en De Moor stonden[182]. Ook nu weder werd aan

alle Zeeuwen de gelegenheid geopend hun geld in de walvischvangst te

beleggen, en het resultaat dier oproeping was de samenstelling van drie

nieuwe kamers der Noordsche Compagnie te Middelburg, Vlissingen en

Veere. Pieter Courten, een aanzienlijk Middelburgsch koopman, was de

meest in het oog vallende persoon der nieuwe bewindhebbers. De

vereeniging der Noordsche Compagnie met de zoogenaamde kleine Noordsche

Compagnie in 1622 leidde tot de oprichting van eene tweede kamer te

Delft. Deze kamer splitste zich weldra in twee deelen[183], en terwijl

de aandeelen van het grootste, 3/4 deel weldra verdeeld werden tusschen

de kamers van Vlissingen, Delft, Hoorn en Enkhuizen[184], verlieten de

reeders van het overblijvende 1/4 deel, de woelige Pieter Van de Graeff,

de ondernemende Adriaen Dircksz. Leversteyn en Reyer Van der Burch

weldra de Noordsche Compagnie. Hun rustelooze aard dreef hen naar nieuwe

bedrijven en hunne aandeelen werden opgekocht door Willem Pedij,

bewindhebber van de kamer der Noordsche Compagnie te Delft[185] en door

den Enkhuizenschen bewindhebber Jacob Meyn[186]. Eene laatste

verandering onderging de inrichting der Noordsche Compagnie in 1636,

toen zij zich vereenigde met eene Friesche compagnie, door den ervaren

walvischvaarder Wybe Jansz. van Stavoren, naar het schijnt grootendeels

met Harlingsche kapitalen, opgericht. Het getal kamers werd nu op nieuw

met twee vermeerderd, die zich te Harlingen en te Stavoren vestigden. De

Zaanlanders deden in 1640 eene poging om op nieuw deel aan de

walvischvangst te krijgen[187], maar eerst na den val der Noordsche

Compagnie gelukte hun dit voor goed. Van dien tijd dagteekent eerst de

verbazende bloei der Nederlandsche walvischvangst, die zich sedert

voornamelijk aan de boorden der Zaan vestigde[188].

[182] De namen der eerste Zeeuwsche reeders zijn: Jan Lampsius, Jan

Gyseling, Adriaen Adriaensz. Ketelaer, Cornelis Claesz. Cees, Adam

Cornelisz. en Jan De Moor; Arnoud Loncke, Johan Van Dort, Gelein

Pietersz., Adriaen Stevensz., Jan Willemsz., Jan Thysz., Jacob Been,

allen van Vlissingen. (Sent. v. de H.R. in zake de N. C. c. Lampsius

c. s. dd. 13 Apr. 1617,--in zake Lampsius c. Clarcque dd. 31 Juli

1620.--Getuigenis v. Jan Verelle, Cornelis De Cock en Pierre

Gasteloser c. s., in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.)

[183] R. S.-G. 10, 11, 12 Febr. 1622.

[184] Juist deze vier kamers werden in 1624 tot vereffening der

geschillen met de Engelschen van 1618 opgeroepen. (R. S.-G. 21 Mrt.

1625.) Daar ook de kleine N. C. daarbij geïnteresseerd schijnt

geweest te zijn (R. S.-G. 5 Jan. 1621), is het niet onmogelijk, dat

de liquidatie dezer vereeniging met de Engelsche quaestie in verband

gestaan heeft. Het verband is mij echter volkomen duister.

[185] Ik geef dit laatste voor eene gissing. Uit het opschrift van

het proces-verbaal van 1 Dec. 1631 (Bijl. D v. h. request der N. C.

aan de Stn.-Gen. dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N.

C. R.-A.) zou men kunnen opmaken, dat de zelfstandige positie van

Pedij en Meyn ontstaan was door de overname van een deel der

aandeelen van de kamer van Delft.

[186] Aitzema (Saken v. Staet. II p. 361) noemt dezen „Meim.” Het

verslag der conferentiën met de N. C. van den Hrl. gedeput. (R.-A.)

geeft beide lezingen. Ik kies de lezing „Meyn” omdat Zorgdrager

(Groenl. vissch. p. 315, 318) drie personen van den naam „Meyn”

onder de directeurs en commandeurs der walvischvangst noemt.

Geschiedenis der Noordsche Compagnie · 第 9 / 52 段