[127] Het octrooi der compagnie van Nieuw-Nederland (bij:

O’Callaghan, New Netherland. I p. 74) noemt ook den Amsterdamschen

oud-burgemeester Gerrit Jacobsz. Witsen onder de reeders van de

„Vos.” De Resolutiën der Amsterdamsche admiraliteit spreken van hem

geen enkele maal.

[128] Resol. Adm. Amst. 27, 28, 29 Mrt. 1613.--Vgl. De Jonge,

Opkomst. I. p. 30.

[129] Resol. Adm. Amst. 14 Aug. 1614.

[130] Waarschijnlijk was op deze reis ook tegenwoordig de bekende

Willem Meerman, zoon van den oud-burgemeester en schout van Delft

Gerrit Meerman en schrijver van de geestige satire op de kerkelijke

geschillen „Comoedia vetus.” Althans Brandt (Hist. der reform. II p.

197) verhaalt van hem, dat hij na lange jaren op zee gevaren te

hebben, in 1612 „op een tocht naar ’t Noordtwesten van America ging,

om van daer een nieuwe doortoght naar Oostindie te soecken; doch

nooit terugkeerde.” Waarschijnlijk heeft dit „overedel vernuft” zich

in Nieuw-Nederland gevestigd. Het is waar, dat de reis van de

Amsterdamsche reeders in 1613 voorviel, maar ik acht het toch

waarschijnlijker, dat Meerman hierbij tegenwoordig was, dan op de

reizen in 1612 door de Engelschen Button en Hall gedaan.

[131] Resol. Adm. Amst. 14 Aug. 1614.

[132] Descr. detect. freti. p. 5.--„Nec fervor iste (om den N.

doortocht te zoeken)”, dus verhaalt ons daar Hessel Gerritsz. in den

zomer van 1613 „in nostris Amsterodamensibus deferbuit plane,

superioribus enim mensibus ab ijs emissa est navis, eo tantum fine,

ut de transitu, vel Freto Hudsoni inquireret, et num commercij locus

sit in istis oris; si vero eventus votis non respondeat, in Oris

Novae Franciae negotiabuntur.”

Weldra bleek het, hoe wijs deze bijvoeging geweest was. Waarschijnlijk

sneed het tusschen de tallooze landen en eilanden van het noordwesten

opgehoopte ijs den reizigers weldra den pas af; zeker is het, dat het

zoeken van den doortocht opgegeven en de steven naar »de Riviere Hudson”

gewend werd.[133] Ondertusschen was de zomer verstreken en men moest

besluiten in het latere Nieuw-Nederland te overwinteren. De

»quaetwillige inwoonders”, door herhaalde bezoeken in de laatste jaren

niet gunstig jegens hunne blanke broeders gestemd, toonden zich echter

nu evenmin als twee jaren vroeger den overwinterenden genegen. Van het

drijven van handel was geen sprake; ja evenals op de reis van May vielen

ook nu eenige Nederlanders, waaronder de kapitein Pieter Fransz. zelf,

als offers der ontembare Indianen[134].

[133] Resol. Adm. Amst. 13, 14 Aug. 1614. Over de reis in het

noordwesten wordt daar het stilzwijgen bewaard, omdat men vrijdom

van uitgaande rechten hoopte te verkrijgen, zoo de teruggebrachte

goederen in 1615 weder ~naar dezelfde bestemming~ als in 1613 werden

uitgevoerd.

[134] Resol. Adm. Amst. 14 Aug. 1614.

Tegen het voorjaar van 1614 schenen de kansen voor onze reizigers zich

te verbeteren. Achtereenvolgens verschenen niet minder dan vier

Nederlandsche schepen op de kust. Lambert Van Tweenhuysen, de oprichter

der Noordsche Compagnie, had twee vaartuigen gezonden: de Tyger,

schipper Adriaen Block en de Fortuyne, schipper Hendrick Christiaensz.

Van Cleef; voor eene andere Amsterdamsche reederij was het schip de

Nachtegael schipper Tys Volckaertsz. Mossel uitgezeild, terwijl Le

Maire’s Austraalsche Compagnie--of ten minste de hoofdreeders

daarvan--Cornelis Jacobsz. May met het schip de Fortuyne, van Hoorn

uitgezonden hadden[135]. Schipper Jan De Wit, die in plaats van den

vermoorden Fransz. aan boord van de Vos was opgetreden[136], kwam met de

nieuw aangekomenen overeen »in Compaignie te handelen”[137], en ieder

vertrok om zijn voordeel te zoeken. Block en May maakten zich door hunne

ontdekkingen een beroemden naam[138]; Van Cleef was reeds in Juli met

zijn schip geladen met bevervellen te huis[139], maar het schip de Vos

had voortdurend ongeluk. Toen De Wit in het begin van Augustus 1614

weder te Amsterdam aankwam, had hij zoo weinig voordeel behaald, dat de

beide reeders van het schip de admiraliteit moesten verzoeken om

vrijstelling van de inkomende rechten over bijna alle goederen, waarvoor

zij reeds bij het uitvaren betaald hadden. Hunne ondernemingszucht was

echter door het ongeluk zoo weinig uitgedoofd, dat zij dadelijk verlof

verzochten de goederen naar dezelfde plaats weder vrij te mogen

uitvoeren[140].

[135] O’Callaghan, Hist. of N.-Netherland. p. 74.

[136] Resol. Adm. Amst. 24 Juli 1614.--O’Callaghan, N.-Netherland. I

p. 74.

[137] Resol. Adm. Amst. 24 Juli 1614.

[138] O’Callaghan, N.-Netherland. I p. 72, 78.

[139] Resol. Adm. Amst. 24 juli 1614.

[140] Resol. Adm. Amst. 13, 14 Aug. 1614.--Berghaus (Wat men van de

aarde weet. p. 226) deelt nog een bericht mede over eene andere

Nederlandsche noordpoolreis, die hij tot het jaar 1613 terugbrengt.

De ongenoemde zeevaarders zouden, verre naar het NO. stevenende,

Novaya Zemlya’s noordoostpunt verre voorbij gezeild, ja zelfs tot

112° OL. gekomen zijn. Het resultaat is zeker verbazend, maar voor

ons onderwerp van minder belang. Uit het verhaal zelf blijkt toch,

dat het jaartal 1613 hoogstwaarschijnlijk onjuist is. De daarbij

vermelde omstandigheden vertoonen zelfs eene groote gelijkheid met

het verhaal der plannen van Willem Vlaming en eenige andere

requestranten, die in 1664 van de Stn.-Gen. een monopolie voor de N.

vaart verzochten. Het jaartal strookt bovendien zeer goed met de

mededeelingen in Berghaus’ bron, de: Philosophical Transactions. Dl.

X (1675) p. 418, waar wel het jaar der reis niet opgegeven, maar

toch gesproken wordt van „some years since.” Misschien is dus de

geheele mededeeling niets anders dan een uitvoeriger, maar dan ook

zeer overdreven verhaal van de bekende eerste reis van Vlaming, die

door De Jonge (Nova Zembla. p. 24) tot 1663 teruggebracht wordt, en

dus juist een halve eeuw na 1613 plaats had.--Nicolai (Relation.

Vorredt p. 7, 11, 18) verhaalt van verschillende Nederlandsche

reizen ter zee en te land ondernomen om den doortocht te zoeken in

1611-13, met name van 3 Nederlandsche schepen, in 1613 uitgevaren om

Hudson te zoeken, maar onverrichter zake teruggekomen met de

ontdekking, dat Hudsons straat een zeeboezem is. De schrijver, met

de gebeurtenissen in Nederland zoo slecht bekend, dat hij zelfs

niets van de reis van J. Csz. May vernomen heeft, schijnt echter

zijne berichten alleen uit Megisers vertaling van Hessel Gerritsz’s

Detectio freti geput te hebben; de eerste zéer onbepaalde

mededeeling schijnt op de beweerde reis van Le Maire en Massa in

1611 te slaan; de tocht van 1613 is dunkt mij zonder twijfel Buttons

reis in dat jaar, waarvan Nicolai Hessel Gerritsz.’ verhaal verkeerd

begrepen heeft.

Hier eindigt het eerste tijdperk der Nederlandsche tochten naar het

noorden. Het jaar 1614 was bestemd om aan de ondernemingszucht der

ontdekkers een dubbelen hinderpaal in den weg te stellen. Twee

compagniën verrezen nagenoeg tegelijkertijd, die, door het octrooi der

Staten-Generaal beschermd, alle Nederlanders uitsloten van den handel op

het terrein, door de Nederlandsche noordpoolreizigers in de laatste

jaren bevaren. Het verzoek door Witsen en Nooms gedaan om hunne

goederen weder vrij te mogen uitvoeren--een verzoek dadelijk

toegestaan[141]--toonde reeds dat de vaart op Amerika’s oostkust door

hen niet opgegeven zou worden. Weinige maanden later (11 October 1614)

werden de beide reeders dan ook opgenomen in het octrooi, dat de

Compagnie van Nieuw-Nederland van de Staten-Generaal verkreeg. Reeds in

Januari van hetzelfde jaar had eene andere compagnie ook voor de vaart

op de noordsche landen uitsluitende rechten verkregen: de »Noordsche

Compagnie” trad als bevoorrechte vereeniging op. De vaart op het noorden

en het westen, sinds Hudsons derde reis voortdurend vereenigd, werd dus

voortaan de bron waaruit ~twee~ vereenigingen schatten hoopten te

verzamelen. Maar toch bleef de band, die de beide compagniën verbond,

zeer nauw. Lambert Van Tweenhuysen, die als hoofdreeder in de compagnie

van Nieuw-Nederland optrad, was ook de eerste, die in het octrooi der

Noordsche genoemd werd, en terwijl de eerste bewindhebbers van beide

compagniën gedeeltelijk dezelfde personen waren, zetten de familiën deze

traditie nog jarenlang voort[142]. De Compagnie van Nieuw-Nederland, die

eerlang in de West-Indische Compagnie opging, bleef ook toen nog nauw

met hare Noordsche zuster verbonden. Maar het lot der beide lichamen,

door oorsprong en belangen vereenigd, was toch geheel verschillend. De

West-Indische Compagnie, eerlang van het terrein, waarop zij zich eerst

gevestigd had, verdreven, sleepte in andere gewesten gedurende langer

dan eene eeuw haar kwijnend bestaan voort; terwijl de Noordsche, zich

juist te nauw beperkend tot het gebied, dat zij reeds dadelijk bezette,

wel is waar zonder vreemde hulp en aanvankelijk met voordeel zich kon

staande houden, maar toch reeds na dertig jaren voor de aanvallen harer

mededingers bezweek. De geschiedenis der eerste vereeniging is,

voorzoover zij Nieuw-Nederland betreft, door Amerikanen reeds op eene

wijze bewerkt, die den Nederlander moet doen blozen; het zal mijn

streven zijn, nu ten minste door de beschrijving van de lotgevallen der

Noordsche Compagnie gedeeltelijk eene leemte aan te vullen, die te lang

in onze geschiedboeken bestaan heeft.

[141] Resol. Adm. Amst. 18 Aug. 1614.

[142] Onder de eerste reeders ter walvischvangst worden als

bewindhebbers, reeders of patroons in Nieuw-Nederland genoemd:

Lambert Van Tweenhuysen, Simon Van der Does, Samuel Godin, Claes

Jacobsz. Harencarspel, Hans Claessen en Barend Sweerts voor

Amsterdam; bij de Zeeuwen: Pieter Boudaen Courten, Adriaan Ketelaer,

Jan Gyselingh, Adriaan Velters en Jan De Moor. Onder de latere

reeders vinden wij bij beide compagniën leden der familiën Ranst,

Van der Graeff Snellingh, Velincx, Lampsens, Bisschop, Ray en Van

der Dussen. Adriaan Block reisde in 1614 naar Nieuw-Nederland, in

1615 naar Spitsbergen; het schip de Fortuyne voer in 1613 naar

Spitsbergen, in 1614 naar Nieuw-Nederland; Hinlopen, een der

bewindhebbers der N. C. werd in Nieuw-Nederland vernoemd; de beide

zonen van Jacob May deden in dienst van beide compagniën in 1614

twee reizen.

HOOFDSTUK II.

DE NOORDSCHE COMPAGNIE.

Terwijl de Nederlanders zich alzoo bij herhaling verdienstelijk maakten

door hunne pogingen om de noordelijke zeeën aan Europa te doen kennen,

hadden ook de Engelschen niet stilgezeten. De Moscovische Compagnie, in

1553 opgericht met het doel om ontdekkingen te doen en nieuwe

handelswegen te openen, was daartoe dan ook te goed in de gelegenheid

dan dat zij niet meer systematisch dan de Nederlanders zich op het

verkennen der noordelijke streken zou toegelegd hebben. Al bleef hare

aandacht voornamelijk op den Russischen handel gericht, toch zond zij

nog dikwijls schepen naar het hooge noorden om de onbekende zeeën te

doorzoeken.

Op een dezer reizen, in 1603 door Stephen Bennet op kosten van Sir

Francis Cherie, lid der Moscovische Compagnie[143], met het schip The

Grace ondernomen, stuitte men echter toevallig, op weg van Kola naar het

noorden, op het den Engelschen nog onbekende Beeren-eiland. De tocht

werd gestaakt en met het bericht, dat men op het nieuw gevonden land

eenig looderts en vele sporen van walrussen gevonden had, keerde men

huiswaarts. De Moscovische Compagnie begreep het gewicht der ontdekking.

Dadelijk zond zij in 1604 Bennet weder naar Beeren-eiland en toen hij

daar nu werkelijk eene groote menigte walrussen gevonden had, besloot

men het land geregeld te bezoeken. Naar den eersten reeder werd het

Cherie-island genoemd en jaarlijks vertrok nu voortaan een schip, op

kosten van een der leden van de Moscovische Compagnie, daarheen[144]. De

walrusjacht bleef hoofdzaak: aanvankelijk met geweren, later met lansen

viel men de logge monsters aan, die eerlang een gemakkelijke prooi voor

de jagers werden. Honderden koppen werden jaarlijks in Engeland

ingevoerd; want vooral de tanden, destijds duur betaald, waren het doel

der jacht. In 1605 begon men uit het spek de eerste traan te kooken;

sinds 1611 beproefde men ook de huiden als handelsartikel te

gebruiken[145]. Naast de walrusjacht hield men zich met het dooden van

zeehonden, beeren, vossen en vogels bezig; de reeds in 1603 opgemerkte

loodmijn leverde nu en dan eenig erts en een enkele maal vond men

steenkool. Zoo was Beeren-eiland gedurende eenige jaren een rijke bron

van voordeel voor de Moscovische Compagnie.

[143] Zie over Sir Francis Cherie: Hamel, Tradescant der Aeltere. p.

295, 96.--De Moscovische Compagnie was evenals de Engelsche

Oost-Indische eene zoogenaamde „regulated company”, „een soort van

gilde, welks leden vrij waren om binnen zekere grenzen en met

inachtneming van zekere bepalingen zelfstandig te handelen, en dat

onder zekere voorwaarden nieuwe leden in zich mogt opnemen. Elke

uitrusting eener vloot werd ondernomen door eenige personen, die

vrijwillig zamenwerkten, geheel voor eigen rekening handelden, en

slechts door de algemeene voorschriften der compagnie gebonden

waren.” (Van Rees, Staathuishoudkunde in Nederl. II p. 19.)

[144] Zie de verhalen dezer reizen bij: Gordon, Voyage to the

Northwards. Anno 1603. (Purchas, Pilgrimes. III p. 566; cf. ald. III

p. 464.)--Poole, Divers Voyages to Cherie Iland. (1604) (Purchas, l.

c. III p. 556.)--Poole, Third Voyage to Cherie Iland. (1605)

(Purchas, l. c. III p. 558.)--Poole, Fourth Voyage to Chery Iland.

1606. (Purchas, l. c. III p. 559.)--Poole, Sixth Voyage to Cherie

Iland. (1608) (Purchas, l. c. III p. 560.)--Poole, Seventh Voyage to

Cherie Iland. (1609) (Purchas, l. c. III p. 561.)--Poole, Voyage to

Cherry Iland etc. (1610) (Purchas, l. c. III p. 700.)--Comm. der

Mosc. Comp. voor Edge. (Purchas, l. c. III p. 709.)--Edge, Dutch

disturbance. (Purchas, l. c. III p. 464.)--Poole deelt ons in het

verhaal van een dezer reizen (1608) een merkwaardig bericht mede

over de temperatuur in de IJszee. „The twentieth and one and

twentieth dayes (of June),” dus verhaalt hij, „it was calme, and the

weather cleere, and wee had it as hot as I haue commonly felt in

England at that time of the yeere. For the Pitch did runne downe the

ships sides; and that side of the Masts that was to the Sunne ward,

was so hot, that the Tarre did frye out of it, as though it had

boyled.” Heley verhaalde aan Purchas, dat het op Spitsbergen

somtijds zoo koud was, dat de bevroren zeilen niet te behandelen

waren, terwijl den volgenden dag de temperatuur zoo heet was, dat al

het pik op het schip smolt, zoodat alles vuil werd; ja, nu en dan

kon men te middernacht zijne pijp door middel van een brandglas

aansteken. (Purchas, Pilgrimes. III p. 788.)

[145] Commissie der Mosc. Comp. voor Poole, bij: Purchas, Pilgrimes.

III p. 709.

Maar de kans keerde. De walrussen werden door het jagen schuw, de vangst

werd bezwaarlijker, de dieren minder in getal. En daarbij kwamen

concurrenten, die eerlang op de voordeelen der vaart opmerkzaam werden.

Reeds in 1607 verscheen een schip voor rekening van een Londensch

bierbrouwer op het eiland; de visschers van Hull, reeds van ouds

geoefende walvischvangers aan de Noordkaap, volgden dadelijk in dit

spoor[146]. De compagnie, die het door haar aan de Engelschen bekend

geworden eiland als haar uitsluitend eigendom aanmerkte en er dan ook

reeds in 1608 een sloep achterliet, ging wel in 1609 tot de plechtige

inbezitneming over, maar het baatte niet, de concurrentie nam toe en het

voordeel verminderde sterk. In deze omstandigheden sloeg de Moscovische

Compagnie het oog op Spitsbergen, dat door Hudsons bezoek in 1607 nader

bekend geworden was. Jonas Poole werd in 1610 door de vereeniging naar

de tot nog toe slechts tweemaal bezochte kusten van dit eiland gezonden;

hij verkende de baaien[147] en ving eenige walrussen. En daar Thomas

Edge, die met een ander schip der compagnie weder naar Beeren-eiland

vertrokken was, dit jaar geheel zonder lading terugkwam, nam men

dadelijk het besluit de oude nederzetting te verlaten[148] en de

uitrustingen voortaan naar Spitsbergen, of zooals men toen zeide, naar

Greenland[149], te richten.

[146] Purchas, Pilgrimes. III p. 709.

[147] Bij deze gelegenheid gaf Poole aan verschillende plaatsen

namen, die ze langen tijd (enkele zelfs tot nu toe) behouden hebben.

Zoo vinden wij genoemd: Hornesound, Muscovy Companies Mount,

Ice-point, Bell-point, Lownesse-island, Lowe-sound, Blackpoint-isle,

Cape Cold, Ice-sound, Fair foreland, Knotty-point, Fowl-sound,

Deer-sound, Closs-cove, Gurnerds-nose, Cross-road, Fairhaven en

Greenhaven of Greenharbour.

[148] Wel werd „Cherie-island” nog verscheidene malen bezocht, o. a.

reeds in 1611 door Poole, die daar 200 walrussen doodde en de

bemanning der bij Spitsbergen gestrande Mary Margaret vond (cf.

Poole, Briefe Declaration of my Voyage to Greeneland. 1611, in:

Purchas, Pilgrimes. III p. 711) en door Gordon met „The Amitie” (cf.

Hamel, Tradescant der Aeltere. p. 306), maar de geregelde

jaarlijksche tochten van de schepen der Moscovische Compagnie tot de

walrusjacht hielden sinds 1610 op.

[149] De Engelsche schrijvers van dien tijd noemen ~nagenoeg zonder

uitzondering~ Spitsbergen „Greenland”, een naam, gegeven in den

tijd, dat men het eiland voor een gedeelte der Groenlandsche kust

hield. Groenland zelf noemden zij daarom nu ter onderscheiding

Groneland, Groynland, Groenland of met eene andere dergelijke

verbastering.

Met dit besluit ging echter dadelijk eene geheele verandering van het

doel der reizen gepaard. Reeds Hudson had de aandacht gevestigd op den

aan traan en andere kostbare handelsartikelen zoo rijken walvisch; Poole

had het bevestigd, dat de zee om Spitsbergen van die dieren

wemelde[150]. Dadelijk in 1611 vinden wij dan ook op de twee schepen,

die onder Bennet en Poole naar Spitsbergen vertrokken, zes harpoeniers

uit St. Jean de Luz; de sinds eeuwen met de walvischvangst goed bekende

Basken moesten de Engelschen in de gelegenheid stellen dit handwerk

zelven te leeren. Dit eerste jaar was de reis zeer ongelukkig. De beide

schepen strandden en de bemanning mocht zich gelukkig rekenen, dat

schipper Thomas Marmaduke van Hull, die de Engelschen ook daarheen

gevolgd was, zich bereid verklaarde haar naar het vaderland terug te

voeren[151]. De compagnie hield echter vol: in 1612 verschenen weder

twee schepen, het eene onder Poole en Bennet, het tweede onder Russell

en Edge op Spitsbergen. Ditmaal was men gelukkiger: niettegenstaande

hunne onbedrevenheid doodden de Engelschen zeventien walvisschen en

eenige walrussen, die te zamen 180 tonnen traan leverden[152]. Maar

tegelijk vertoonden zich ook op het nieuwe jachtveld concurrenten, die

de hoopvolle vooruitzichten der compagnie zouden vernietigen.

[150] In deze eerste jaren waren de Engelschen gewoon, behalve op

walrussen en robben ook op zoogenaamde witvisschen (witte

walvisschen) jacht te maken. Men ving ze met groote netten van

kabeltouw als zegens. Zij namen weldra de wijk naar diepere wateren.

(Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 195, 206.) De Nederlanders hadden

reeds in 1613 ontdekt, dat die vangst geen voordeel gaf, en hielden

zich er nooit mede bezig. (Hist. de Spitsberghe. p. 19.)

[151] De verhalen over de handelwijze der bemanning van het schip

van Hull bij deze gelegenheid zijn zeer verschillend. Terwijl Jonas

Poole met groote heftigheid zijne oude concurrenten van eene

schandelijke handelwijze beschuldigt, neemt de onpartijdige Purchas

mede een verhaal van Pooles broeder Randolph op, waarin die van Hull

zeer geprezen worden. (Purchas, Pilgrimes. III p. 712, 13.) Het is

onmogelijk hier te beslissen: in ieder geval is dit echter eene

merkwaardige bijdrage ter beoordeeling van de groote animositeit

tusschen monopolisten en „interlopers” in dien tijd.

[152] Zie het verhaal van de drie eerste reizen der Engelschen naar

Spitsbergen door Poole zelven bij: Purchas, Pilgrimes. III p.

699-707, 711-13, 713-15.

Reeds in 1611 was de verschijning van het Hullsche schip eene ernstige

zaak geweest. Niettegenstaande de Moscovische Compagnie hare schepen

voorzien had van een bevelschrift van den Geheimen Raad, dat de

vereeniging machtigde om haar octrooi te handhaven tegen alle

Engelschen, die zich in het noorden vertoonen zouden, en om zich met

alle kracht tegen aanvallen van vreemden te verdedigen, had schipper

Marmaduke zich niet ontzien Spitsbergen te bezoeken en had Nicholas

Woodcocke, een van Bennets matrozen, hem zelfs den weg naar de beste

baaien gewezen. Zulk eene niets ontziende stoutmoedigheid van hare

concurrenten, zulk eene trouweloosheid van de zijde harer onderhoorigen

beloofde voor de compagnie niets goeds. En werkelijk, in 1612 verschenen

nog geduchter mededingers. De Nederlanders, het jeugdige volk, dat

overal naar middelen zocht om te voldoen aan den lust tot daden, die het

bezielde, waren ook nu weder onder de eersten, die met de Engelschen

kwamen concurreeren. »They kept their wont in following of the English

steps,” zegt Edge met kwalijk verborgen wrevel: evenals in 1578 naar de

Witte Zee volgde zij nu weder in de baan door de Engelschen geopend.

Hadden zij echter toen in hunnen landgenoot Brunel eenen gids gehad, die

hun niet alleen den weg, maar ook de beste plaatsen voor hunnen handel

aanwees, nu ontbrak hun zulk een leidsman geheel. De weg naar

Spitsbergen was den Nederlanders door de reis der ontdekkers genoegzaam

bekend; de plaatsen voor de walvischvangst geschikt, de wijze waarop die

nieuwe winstgevende nering werd geoefend, moesten zij door eigene

krachtsinspanning leeren kennen. Het moet tot hunne schande gezegd

worden, dat zij een gemakkelijker maar ook minder eervol middel

aangrepen om dit doel te bereiken: door omkooping haalden zij eenen

Engelschman over tot verraad aan zijn land en zijne heeren[153].

[153] Edge (Dutch, Spanish, Danish disturbance, in: Purchas,

Pilgrimes. III p. 466) verhaalt uitdrukkelijk, dat de Nederlanders

„were brought thither (d. i. naar Spitsbergen) by an English man,

and not out of any knowledge of their owne Discoueries, but by the

direction of one Allan Sallowes.” Zoo ik desniettegenstaande eene

andere voorstelling geef, dan is het omdat: 1^{o}. het uit de Hist.

du pays de Spitsberghe van 1614 blijkt, dat de Nederlanders toen nog

in bizonderheden met de reis hunner landgenooten naar Spitsbergen in

1596 bekend waren en dus eigenlijk geen gids daarheen noodig hadden.

2^{o}. omdat Sallowes door het hardnekkig en gevaarlijk volgen der

Engelsche schepen van Beereneiland af toonde, dat hij de bekwaamheid

miste om dien weg te wijzen. Ik ben daarom van het trouwens zeer

partijdige geschrift van Edge afgeweken en meen, dat Sallowes door

de Amsterdammers aangenomen was om hun de wijze der walvischvangst

en de plaatsen daartoe geschikt te toonen.

Geschiedenis der Noordsche Compagnie · 第 8 / 52 段