[96] Zie over de plannen en voorbereidingen voor deze reis: Jeannin,

Négotiation. II p. 345, 70, 75.--Bakhuizen van den Brink, Isaac le

Maire, in: Gids. 1865. IV p. 28-33.--Murphy, Hudson in Holland, p.

31, 32.

[97] Jeannin, Négotiation. II p. 489.--Bij het verhaal dezer reis

verwerp ik het door De Jonge (Opkomst. I p. 28) op het voetspoor van

Murphy (Hudson in Holland, p. 32 Noot 1) voorgestane gevoelen, dat

Le Maire ~twee~ tochten naar het noorden zou hebben doen ondernemen:

in 1609 en omstreeks 1611. Reeds Megiser (Septentrio Novantiquus. p.

431) sprak in 1613 van eene reis van Le Maire naar het noorden in

1611. Al deze schrijvers hebben echter hun bericht ontleend aan

Massa, die zegt, dat een Nederlandsch schip „dit Jaer” voor Le Maire

aan Vaigatsch geweest is. (Cort verhael. p. 8 in: Beschr. v. d.

Samoyeden Landt.) Nu is de „Beschryvinge vander Samoyeden Landt”

verschenen in het voorjaar van 1612 en het lag dus voor de hand te

meenen, dat Massa’s „Cort verhael” geschreven was in 1611, toen de

schrijver in Nederland aanwezig was. De drie geleerden schijnen

echter voorbijgezien te hebben, dat Hessel Gerritsz. op den titel

zijner Beschryvinge vander Samoyeden Landt mededeelt, dat de beide

daarin voorkomende stukken van Massa „wt de Russche tale overgheset

(en blijkens de aanteekeningen op den rug van Massa’s kaart

vermeerderd) syn ~Anno 1609~.”--Het door De Jonge l. c.

gecursiveerde woordje „wederom” behoeft dunkt mij niet op een

Nederlandsch schip ~door Le Maire uitgerust~ te slaan.

Hoe dwaas ook de argumenten van Massa tegen de uitvoerbaarheid van het

laatste gedeelte der reis waren, het bleek den reizigers weldra, dat hij

over het eerste gedeelte met volkomen kennis van zaken gesproken had. De

onderneming was tegen de bedoeling van Le Maire, die haar gaarne zeer

vroeg in het voorjaar had zien vertrekken[98], door den herhaalden

tegenspoed een paar maanden vertraagd en geen wonder dan ook, dat

Kerckhoven in dit toch reeds zeer ongunstige jaar de straat van Nassau

onbevaarbaar vond. De zeeëngte was opgevuld met ijsmassa’s van niet

minder dan 50 à 60 vademen dikte.[99] Aan het volvoeren van den tocht

viel niet te denken; de reizigers moesten terugkeeren en maakten eene

»slechte reyse.”[100] Het is niet onwaarschijnlijk, dat Le Maire in het

volgende voorjaar op nieuwe pogingen bedacht was[101], maar de

plotselinge dood van zijnen beschermer Hendrik IV maakte natuurlijk aan

alle plannen een einde.

[98] Jeannin, Négotiation. II p. 279.

[99] Massa, Cort verhael. p. 8, in: Beschr. v. d. Samoyeden Landt.

[100] Beschr. v. d. Samoyeden Landt. p. 4.

[101] Dit maakt De Jonge (Opkomst. I p. 28) op uit het aankoopen van

een voor Noordsche tochten veelal gebruikte vlieboot door Le Maire

in Februari 1610 voor een doel, dat volgens zijn zeggen, wanneer het

bereikt werd, den lande zeer voordeelig zou zijn.

Terwijl de beide bovenvermelde reizen grootendeels hare verklaring

vinden in den strijd tusschen monopolie en vrije concurrentie, schijnt

het tot nog toe niet duidelijk geweest te zijn, wat de reden was, dat

van 1607 tot 1612 plotseling na tienjarige rust het zoeken van den

noordoostelijken doortocht naar Oost-Indië weder met zooveel ijver, een

enkele maal zelfs van staatswege, in Engeland en Nederland werd opgevat.

Het komt mij voor, dat deze hernieuwde pogingen moeten toegeschreven

worden aan het genie van twee Engelschen, die eene andere richting

aanwezen dan den tot nog toe in de noordsche ondernemingen gewoonlijk

gevolgden koers.

Toen Henry Hudson in 1607 zijne eerste reis naar het noorden ondernam,

handelde hij volgens een bepaald plan. Reeds in 1527 had Robert Thorne,

een Engelschman, die te Seville woonde, verkondigd, dat men noordelijk

recht over de pool naar Oost-Indië moest zeilen. Hij meende, dat die weg

veel korter was dan eenige andere tot dusver ingeslagen; aan de bezwaren

met dit plan verbonden, de onbevaarbaarheid der zee en de

onbewoonbaarheid van het land, geloofde hij niet[102]. Dit voorstel, in

1582 door Hakluyt in zijne Divers Voyages wereldkundig gemaakt, bleef

aanvankelijk onopgemerkt. Plancius alleen schijnt het met Thorne eens

geweest te zijn[103], maar Barendsz. nam op de twee tot bereiking van

Plancius’ doel uitgeruste tochten steeds zijn koers te veel oostelijk om

de pool te bereiken en zoo naar Oost-Indië te geraken. Slechts Jan

Cornelisz. Rijp, getrouwer dan Barendsz. aan Plancius’ instructiën,

sloeg in 1596 de richting door Thorne aangewezen in[104]. Hij wilde ten

noorden van Spitsbergen door het ijs breken en de pool bereiken, maar de

ijsdam, die zich steeds oostelijk van Groenland en ten noorden van

Spitsbergen uitstrekt, belette hem zijn plan uit te voeren. En Barendsz.

zelf, al kon hij zich ook niet vereenigen met de plannen van Rijp,

stierf in de overtuiging, dat men niet door de noordelijke kusten van

Europa of van Novaya Zemlya te volgen, maar door hooger in het noorden

zijnen weg te zoeken de meeste kans hebben zou om eene opene zee te

vinden[105]. Het onbeduidende resultaat, dat de reis van Rijp volgens de

toenmalige inzichten had, belette, dat men zijn plan op nieuw trachtte

uit te voeren, maar de op zijn aandrijven gevolgde noordelijke koers had

tot de ontdekking geleid, dat niet altijd de koude, hoe meer men de

pool naderde, heviger werd[106]. De opmerking, dat het op Spitsbergen

op 80° minder koud was dan op Novaya Zemlya op 76°,--een verschijnsel,

dat waarschijnlijk aan den warmen golfstroom moet worden

toegeschreven,--leidde reeds de Nederlanders tot de conclusie, dat de

massa’s ijs, die de Russische rivieren in de IJszee uitstortten, de

atmospheer kouder, de zeeën onbevaarbaarder maakten dan hoog in het

noorden, waar volgens Mercator de snelle stroomingen de vorming van ijs

verhinderden en waar dus eene opene zee zich uitstrekte[107]. Door deze

opmerkingen moesten de plannen van Thorne meer en meer uitvoerbaar

schijnen.

[102] Het plan van Thorne wordt uiteengezet in: „The booke made by

Master Robert Thorne,” in: Hakluyt, Divers voyages. p. 48 vlg.--De

hier beschreven koers is als „de vijfde wegh naar Cathay” opgenomen

in de „Diversche Discourssen de O.-I. vaert betreffende” achter de

uitgave der Nederlandsche reizen naar het NO. van Jan Jansz. (1648.)

[103] „Nowe then,” zegt Thorne, „there is no doubte, but sayling

Northwarde and passing the pole, descending to the equinoctiall

lyne, wee shall hitte those Ilandes.” (nam. de Oost-Indische.)--Over

het gevoelen van Plancius zie hiervóor p. 43 Noot 1{[74]} en vooral:

Jeannin, Négotiation. II p. 276, 77.

[104] Dat de koers door de noordpoolreizigers gevolgd niet met hunne

instructiën overeenkwam, blijkt duidelijk uit De Veer’s inleiding

voor de eerste reis. (Drie seylagien. fol. 1, 2.) Barendsz. schijnt

na het mislukken zijner reis in 1597 van plan geweest te zijn, van

de Noordkaap recht naar het NO. te zeilen. Zie ook de opdracht der

Drie seylagien aan de Staten-Generaal.

[105] Zie vooral de merkwaardige plaatsen in: De Veer, Drie

seylagien. fol. 18.--Vgl. ook ald. Opdr. en fol. 1, 2.

[106] De Veer, Drie seylagien na de Coninckrijcken van Catthay ende

China. Opdr. en fol. 2.

[107] De Veer, Drie seylagien. Opdr. en fol. 1, 2, 9, 18.--De Jonge,

Opkomst. I p. 18.--Zie eene uiteenzetting en kritiek van dit plan in

het „Discours van Joh. Is. Pontanus” achter: Begin ende Voortgangh

van de Oost-Indische Compagnie. p. 70.

Toch was een Engelschman de eerste, die weder volgens Thorne’s

voorschriften handelde. Eerst in 1607 trachtte Henry Hudson de noordpool

te bereiken en zeilde daarom aan beide zijden van Spitsbergen naar het

noorden. Evenmin als Rijp, die in 1596 geheel hetzelfde gedaan had,

slaagde Hudson. Toch gaf hij het niet op en volgde op zijne tweede reis

hetzelfde plan. Ditmaal was het echter meer oostwaarts dat hij den

doortocht zocht en zoodoende kwam hij eenigszins op den weg, dien

Barendsz. gevolgd had. Maar minder gelukkig dan zijn voorganger moest

hij het reeds spoedig opgeven en terugkeeren[108]. Toch was het

resultaat zijner reizen gewichtig. Evenals de Nederlanders had hij de

opmerking gemaakt, dat op Spitsbergen de atmospheer betrekkelijk warm

was, de plantengroei minder dor dan op Novaya Zemlya[109]. Zijn bezoek

in Nederland, waar hij in den geleerden Plancius een warmen voorstander

zijner denkbeelden vond, versterkte hem in zijne plannen, en evenals

vroeger was hij dan ook in 1609 weder voornemens het plan van Thorne uit

te voeren. Hij sprak daarover nog uitvoerig met Plancius en Le Maire, en

schijnt het met beiden volkomen eens geworden te zijn[110]. Ook de

bekende cartograaph Hessel Gerritsz., hoewel aanhanger der plannen van

Linschoten, achtte de meeningen van Plancius en de zijnen eene ernstige

overweging waard.

[108] Zie over de plannen van Hudson bij zijne twee eerste reizen:

Asher, Hudson the Navigator, p. CLXXXIV-CXCVI.

[109] Zie o. a. Asher, Hudson the Navigator, p. 14.--Jeannin,

Négotiation. II p. 277.

[110] Jeannin, Négotiation. II p. 277.

Het laat zich begrijpen, dat, toen Hudsons plannen zoodoende in

Nederland bekend werden, waar de publieke opinie reeds eenigszins op het

ontvangen van zulke mededeelingen was voorbereid[111], ze dadelijk

algemeen ingang vonden. Plancius werd meer en meer in zijne denkbeelden

bevestigd. Met nadruk verkondigde hij, dat de zon, die gedurende de zes

zomermaanden onafgebroken de noordelijke streken beschijnt, de zee

warmer maakt, het ijs doet smelten en daardoor de overmatige koude aan

de atmospheer ontneemt[112]. Hij meende dus, dat de koude tot op 66° NB.

voortdurend toenam om van daar weder af te nemen tot de pool toe; hij

vond eene bevestiging dier meening in het feit, dat het onder de

evennachtslijn minder warm is dan onder de keerkringen. De meening der

ouden, die de poollanden voor onbewoonbaar hielden, was volgens Plancius

even ongegrond als hunne verhalen omtrent de onverdragelijke hitte onder

de evennachtslijn, waar men eene talrijke bevolking gevonden had. Hij

geloofde dus, dat de Nederlanders niet meer als vroeger langs de kust

slechts tot ongeveer 73° NB. moesten gaan, maar in de opene zee recht

noordelijk tot 83° NB. zeilen, waar de ijsvrije oceaan zonder twijfel

den weg naar straat Anian zou openstellen. Van daar zou de weg langs

Azië’s oostkust naar Oost-Indië gemakkelijk zijn en veel korter dan alle

andere bekende wegen[113]. De invloedrijke Plancius won weldra weder

aanhangers voor zijne leer en meer en meer maakte het denkbeeld om naar

de pool te zeilen opgang.

[111] Zoo zeide een van Heemskercks tochtgenooten in 1609 tot

Plancius: „que, pour n’estre lors assez experimenté en cette

nauigation, au lieu d’entrer auant en pleine mer, où elle n’est

iamais gelée, à cause de la profondeur et de la grande impetuosité

de ses flots et vagues, il se contenta de costoyer les bords: où,

ayant trouué la mer gelée, luy et ses compagnons furent arrestez et

contrains de s’en retourner sans passer outre.” (Jeannin,

Négotiation. II p. 276.)--Zie ook De Veer’s oordeel over de drie

eerste Nederlandsche noordpoolreizen: Drie seylagien. Opdr. en fol.

1, 2.

[112] Deze voorstelling maakte men zich nog in 1624. Vgl.:

Wassenaer, Hist. verh. VII fol. 95 vso. (Juni 1624.)

[113] Jeannin, Négotiation. II p. 277.

Zoo waren de zaken gesteld, toen in 1610 zekere Helisaeus Röslin, med.

doct. te Buchsweiler in den Elzas en lijfmedicus van den graaf van

Hanau, den Staten een boekje aanbood, waarin hij het nieuwe plan

uitvoerig aanbeval[114]. Door astrologische berekeningen tot het inzicht

gekomen, dat God de ontdekking van de Noordpool wilde, stelde hij voor

om ten minste tot 80° of 82° noordwaarts te zeilen, waar hij meende, dat

men eene opene zee zou vinden. Het mislukken der vroegere Nederlandsche

tochten was volgens hem alleen toe te schrijven aan de richting dier

reizen, die de schepen steeds door eene zeeëngte voerde, waar het ijs

zich ophoopte[115]. Evenals Thorne wees hij op de vergissing der ouden,

die ook de tropische gewesten voor onbewoonbaar gehouden hadden; evenals

Plancius meende hij, dat de lange pooldag de temperatuur hoe langer hoe

meer verhitte, naarmate men de pool naderde. Met veel ernst trok hij te

velde tegen een paar argumenten van eenige tegenstanders van zijn plan:

het religieuse bezwaar van sommigen, dat het Paradijs aan de pool zou

liggen en dat dus God zelf door zijnen engel met het vlammende zwaard

den toegang daarheen zou beletten, achtte hij onbewezen; de verhalen van

den magneetberg, die alle schepen, als zij de noordpool bereikten, bij

het daaraan bevestigde ijzer vasthouden zou, hield hij voor volkomen

ongegrond[116].

[114] Mitternächtige Schiffarth, von den Herrn Staden inn

Niderlanden vor XV Jahren vergebenlich fürgenommen, wie dieselbige

anzustellen, dass man daselbst herumb in Oriënt vnd Chinam kommen

möge, zu sonderem der Christenheit, sonderlich Teutschlands Nutzen

vnd Wohlfart, Ein künstlicher Philosophischer Tractat, . . .

Gestellt durch Helisaeum Röslin.” 1610.--Vgl. over andere werken van

Röslin: Jöcher, Allg. Gelehrten-Lexicon. III p. 2175.

[115] Volgens de kaart, in het boekje voorkomende (waarop het eerst

kaap Tabin verre voorbij het zeer noordelijk gelegen Promontorium

Scythicum is aangegeven), is de zee van Kara niets dan eene zeeëngte

tusschen Novaya Zemlya en het promontorium Scythicum.

[116] Een duidelijk overzicht van de voorstellingen, die men zich

destijds van de poollanden vormde, geeft Megiser. (Septentrio

Novantiquus. p. 369.) „Es sind lauter Fantaseyen,” zegt hij, „was

etliche bisshero fürgegeben vnd den Nort-Polum also gemalet haben,

dass nemlich gestracks vnder dem Polo ein hoher schwartzlichtiger

Steinfels von lauter Magnet seye, der begreiff in seinem Vmbkreiss

33 Frantzösische Meilen. Es sollen auch vmb denselben hervmb vier

Insuln ligen, zwischen denen der Oceanus durch 19 Ostia oder Eingäng

einbreche, vnd vier Euripos oder Arm vnd Strom mache, welche vom 78

gradu an mit solcher Gewalt vnd Vngestümmigkeit nach dem Polo zu

gezogen vnd getrieben, vnd allda in mechtig grosse Abgrund

verschlucket werden: also dass kein Schiff, so einmahl darein komme,

auch durch den stärcksten Wind, mög zurück gebracht werden.”

Het boekje maakte opgang en werkte er krachtig toe mede, dat twee

Nederlanders, Ernst Van de Wal en Pieter Aertsz. de jonge van

Amersfoort, de Staten-Generaal en de Amsterdamsche admiraliteit om

bijstand tot het ondernemen van eenen nieuwen tocht verzochten[117]. Zij

beweerden stoutweg, dat het Barendsz. en Linschoten aan den noodigen

moed en volharding ontbroken had. Overtuigd als zij waren van de

deugdelijkheid van Röslins beschouwingen, meenden zij zelven gelukkiger

te zullen zijn, want, zoo redeneerden zij schertsend, »de Son soude

eerder daer by Noorden zout maken dan ijs.” Niettegenstaande de

afkeuring van sommigen[118], die het boekje vol »sotternien” achtten en

de voorstellers van den tocht »eenige onervaren, vermetele menschen”

noemden, vond het plan bijval en in 1611 besloot de admiraliteit te

Amsterdam tot den nieuwen tocht. Twee schepen, de Vos en de Craen,

werden na langdurige beraadslagingen met Plancius ~en~ Linschoten voor

de reis uitgerust. De bevelhebber der onderneming was Jan Cornelisz.

May, bijgenaamd Mensch-eter, van Hoorn[119], die reeds in 1598 de reis

van Van Neck naar Oost-Indië had medegemaakt en later op de reis om de

wereld van Spilbergen van 1614 tot 1617 als kapitein op des bevelhebbers

schip zou aanwezig zijn[120]. Commies en stuurman op zijn schip de Vos

waren Ernst Van de Wal en Pieter Fransz.; het andere schip voerden Symon

Willemsz. Cat als kapitein, Pieter Aertsz. de jonge als commies, en

Cornelis Jansz. Mes als stuurman. Hun werd bij hunne Instructie gelast,

ten noordoosten den doortocht door straat Anian te zoeken. Zoo dit doel

in één jaar niet bereikt kon worden, moesten zij ergens eene plaats

opzoeken, geschikt tot overwinteren. Mocht de reis naar het noordoosten

ook het tweede jaar niet gelukken, dan moest May het in het noordwesten

beproeven en trachten door straat Davis Oost-Indië te bereiken. In

overeenstemming met de pogingen in de laatste jaren door Engeland en

Frankrijk aangewend om koloniën in Amerika te verkrijgen, werd nu ook

May belast, overal te letten op de plaatsen, die geschikt waren ter

colonisatie en tot het aanleggen van forten[121].

[117] Hessel Gerritsz., Beschr. vander Samoyeden Landt. Voorrede, p.

4.

[118] Hevige bestrijders vond het misschien wel wat onberaden plan

der overmoedige voorstellers in Hessel Gerritsz. (Beschr. v. d.

Samoyeden Landt. p. 3, 4.--Detectio freti ed. 1613 F. 2) en in Joh.

Is. Pontanus (Beschr. v. Amst. p. 179, 80), beiden voorstanders der

plannen van Linschoten. Ook Isaac Massa oordeelde het door dezen

ontworpen plan het eenige, dat kans van slagen had. (Massa, Cort

verhael, in: Beschr. v. d. Samoyeden Landt. p. 13.) Nicolai

(Relation. Vorredt, p. 10) zegt, dat Röslin „allein etliche seine

Träum und Mucken erzehlt, die er ihm hinder dem Ofen im Sawrbrunnen

zu Schwalbach traumen lassen.”--Onder leiding van May werd het plan

echter beter uitgevoerd dan het zich aanvankelijk liet aanzien en

althans Gerritsz. kwam nog in zijne Detectio freti zelven op zijne

afkeuring terug.

[119] De reis van Jan Corneliszoon van Hoorn, waarover Witsen

(Noord- en oost-Tartarye. p. 906) spreekt, is geen andere dan deze

tot voor korten tijd bijna onbekende tocht.--Volgens Wassenaer

(Hist. verhael. VIII fol. 84 vso) deed „Ian May van Hoorn” in 1624

nog eene reis naar Nieuw-Nederland. Op deze reis noemde hij

waarschijnlijk den mond der Delaware „May-bay”, de oostelijke punt

van den oever daarbij „Caep May.” (Zie de kaart v. Nieuw-Nederland

in den Atlas v. Just. Danckers.) Ook een veel zuidelijker gelegen

rivier op die kust heette „R. de May.” (Zie de kaart van Amerika in

dien Atlas.) Mogelijk zijn echter al deze namen van den bekenden

Cornelis Jacobsz. May afkomstig.

[120] Tiele, Mémoire. p. 70.

[121] De Jonge (Opkomst v. h. Nederl. gezag. I. p. 28-30) heeft het

eerst de aandacht op deze belangrijke reis gevestigd.

De reis, den 18 Maart 1611 aangevangen, beantwoordde geheel niet aan de

verwachting. May sloeg weder den door Barendsz. reeds tweemaal

beproefden weg in en was nog ongelukkiger dan deze. Nu het goede spoor,

door Rijp ingeslagen en in Nederland in de laatste jaren met zooveel

warmte aanbevolen, verlaten was, beloofde de reis reeds dadelijk niet

veel nieuws. En waarlijk was dit gedeelte van May’s reis arm aan

resultaten. Hij bezeilde de kust van Novaya Zemlya, onderzocht de langen

tijd zoo raadselachtige Kostin-sjar[122], en bereikte het Cruys-eylant

op 76°, maar nergens kon hij door het ijs breken. Tegen het najaar moest

hij tot herstel der geledene schade naar Kildin vertrekken, van waar hij

naar Noord-Amerika zeilde om te overwinteren. Het langdurige gedwongen

oponthoud werd door hem besteed tot onderzoekingen op de Amerikaansche

kust van 47°-(42-1/2)° NB.[123]; bij eene dier landingen werd Aertsz.

met eenige anderen door de wilden vermoord. Den 27 Februari 1612 besloot

men eindelijk, dat het schip de Craen, na nog eenig vertoef op de

Amerikaansche kust, huiswaarts zou keeren[124], en dat May met het schip

de Vos op nieuw den noordoostelijken doortocht zou opzoeken.

[122] Hudson had trouwens op zijne tweede reis reeds bewezen, dat

Kostin-sjar niet naar de Kara-zee leidde.

[123] Herinneringen van de reis vindt men echter ook op Amerika’s

oostkust op 42° NB. in de „Vos-haven” en „Crane-bay”. (Kaart v. N.

Nederl. in den atlas v. Goos van 1666.)

[124] Het schip kwam behouden aan. (Hessel Gerritsz., Beschr. v. d.

Samoyeden Landt. Voorrede, p. 4.) Zie over de onderzoekingen op de

Amerikaansche kust na het vertrek van de „Vos” vrij uitvoerig:

Descr. detect. freti. ed. 1613 F.

Deze tweede reis volbracht May met evenveel volharding, maar met even

ongelukkigen uitslag als die van het vorige jaar. In het begin van Juni

1612 bereikte hij Kildin, vertrok van daar den 10 en stevende naar

Novaya Zemlya, waar hij den 30 aankwam. Tot 8 Juli zeilde hij noordelijk

langs de kusten van dit eiland, maar toen stuitte hij op een vast

ijsveld, dat zich noordwestelijk van het land uitstrekte. Hij volgde den

rand daarvan tot 14 Juli, wanneer hij op 77° NB. was, en keerde naar de

kust van Novaya Zemlya terug, die hij den 20 bereikte. Een dergelijken

tocht langs het ijs ondernam hij tusschen 29 Juli en 9 Augustus, toen

hij niet verder dan tot 77° 45´ NB. kon komen. Zijn plan om recht naar

het noorden te zeilen scheen dus onuitvoerbaar; de buitengewoon strenge

winter van 1611/12 had de zee van Spitsbergen in eene ijsvlakte

veranderd[125]. Den 26 Augustus keerde hij naar huis terug, waar hij

omstreeks half September behouden aankwam. Het eenige resultaat der reis

was de zekerheid, dat de uitgestrekte zee tusschen Novaya Zemlya en

Beeren-eiland geene eilanden bevatte en dat dus de eilanden Matsyn en

Willoughby-land niet bestonden[126].

[125] Een dergelijk ijsveld tusschen Spitsbergen en Novaya Zemlya

vond kapitein Wood in 1676. Zie de afbeelding daarvan bij: Witsen,

Noord- en oost-Tartarye. p. 907.

[126] Berichten omtrent dezen tocht vindt men, behalve by De Jonge

en Witsen, in: Beschryvinghe vander Samoyeden Landt. (Voorrede p. 4,

en op den rug der kaart van Massa) en uitvoeriger in: Descriptio

detectionis freti. (ed. 1613 F en F 2.)--Als eene merkwaardigheid

brachten de reizigers behalve walrustanden en beerenhuiden een stuk

ijs mede van zulk eene dikte, dat de Amsterdamsche admiraliteit het

in Nederland nog aan het publiek kon vertoonen.

De ongelukkige uitslag dezer reis schrikte anderen niet af: reeds het

volgende jaar werd een andere tocht met hetzelfde doel ondernomen. Jonas

Witsen, raad en oud-schepen der stad Amsterdam, en Symon Willemsz.

Nooms[127], een Amsterdamsch handelaar op de kust van Guinea, wendden

zich in Maart 1613 uit naam eener Amsterdamsche compagnie weder tot de

admiraliteit en verzochten het schip de Vos, waarmede May de reis gedaan

had, ter leen. Zij boden daartegen aan een deel in de winst, door handel

of door het verkrijgen der in 1596 door de Staten uitgeloofde premie te

maken. De admiraliteit toonde zich genegen aan het verzoek te voldoen en

om voor de waarde van het schip, gewaardeerd op ƒ 3000, in de

onderneming te participeeren[128]. Zoodra men het eens was geworden,

vertrok het schip. Als schipper diende daarop Pieter Fransz.[129], die

May’s stuurman geweest was[130]; de lading bestond in koopmansgoederen

van allerlei soorten: glazen flesschen, olifantstanden, stukken laken,

ketels en vooral »zeeven cleynne kasgens met norembergerije.”[131]

Evenals May wilde men eerst den noordelijken doortocht zoeken; ditmaal

echter langs eenen nieuwen weg. Reeds zoovele malen hadden Nederlandsche

zeelieden het noordoostelijk gedeelte der IJszee vruchteloos doorkruist,

dat men er aan begon te wanhopen, daar te slagen. Het noordwesten, waar

Hudson in de laatste jaren onverwelkbare lauweren had geplukt, waarheen

nog onlangs Button vertrokken was, om het verloren spoor van zijnen

voorganger te zoeken, was den Nederlanders echter nog geheel onbekend en

beloofde dus beteren uitslag. Wij zagen, dat reeds May den last had,

wanneer zijne pogingen in het noordoosten mislukten, naar straat Davis

den steven te wenden; nu besloot men, de straat, die reeds den naam van

Hudson droeg, te doen onderzoeken en te trachten handelsbetrekkingen met

de inwoners dier streken aan te knoopen. Door straat Anian moesten de

reizigers verder Oost-Indië zien te bereiken. Daar echter het drijven

van handel en het verkrijgen van direct voordeel ditmaal hoofdzaak was,

werd aan Fransz. reeds dadelijk evenals aan May de last gegeven, om,

wanneer het doel in het noordwesten niet bereikt werd, zuidelijker

streken te bevaren en in Nova-Francia met de inlanders den ruilhandel te

beproeven[132].

Geschiedenis der Noordsche Compagnie · 第 7 / 52 段