Werkelijk werd er in de eerste jaren na 1597 niet meer aan den

noordelijken doortocht gedacht: de handel op Oost-Indië bloeide langs

den gewonen weg meer en meer. In 1602 kwam het tot de oprichting der

Oost-Indische Compagnie, die den handel bevestigen en voor goed in den

ouden weg leiden zou. Maar juist door die oprichting ontstond er weder

eene aanleiding tot het zoeken van den noordelijken doortocht. In het

octrooi had de regeering zijdelings eene premie uitgeloofd op het

bereiken van het vroeger zoo begeerde doel. Aan de Oost-Indische

Compagnie was namelijk door de Staten het recht verleend om met

uitsluiting van alle andere Nederlanders op Oost-Indië te mogen varen

~langs de kaap de Goede Hoop en door de straat van Magellaan~. Andere

onontdekte wegen naar Oost-Indië bleven dus voor de vrije mededinging

open. Wat wonder; dat zij, die om politieke of religieuse redenen geen

deel aan de voordeelen, door de bevoorrechte compagnie verkregen, wilden

hebben, zich dadelijk beijverden het oude Nederlandsche plan weder op te

vatten, dat te lang vergeten was? De Oost-Indische Compagnie werd door

deze mededingers dan ook reeds dadelijk na hare oprichting verontrust.

Was er reeds in December 1601--misschien onder den indruk van de

verschijning van het journaal van Linschoten in dat jaar,--weder sprake

geweest van het zoeken van den noordoostelijken doortocht[79], den 8

November 1602 richtten eenige kooplieden tot de Staten-Generaal een

verzoek om hulp tot een tocht »om te soecken den pas om noorden nade

eylanden ende vaste landen van Asia ende America.”[80] Dadelijk

beraadslaagden de bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie om zelven

den doortocht te zoeken en zoodoende, steunende op hun recht als eerste

ontdekkers, ook dezen weg in hun monopolie te doen opnemen. Het gevaar

dreigde echter de compagnie nog te zeer van verre om de vergadering tot

zulke maatregelen van belang over te halen: den 7 Augustus 1603 namen de

zeventien het besluit den doortocht niet te zoeken. Men schijnt

overwogen te hebben, dat ook na de ontdekking het verkrijgen van octrooi

bij de bekende ongunstige gezindheid der Staten-Generaal voor monopoliën

twijfelachtig was, en men nam dus voor, liever te trachten de pogingen

door de vijanden der compagnie aangewend te verijdelen, dan zelf met hen

te wedijveren in zoo onzekere ondernemingen[81].

[79] R. S.-G. 21 Dec. 1601.--Het journaal van Linschoten bevatte in

de opdracht aan de Staten-Generaal eene nieuwe aansporing tot het

zoeken van den noordoostelijken doortocht. Het doel dezer poging,

door de vijanden der O.-I. C. gewaagd, schijnt geweest te zijn, te

beletten, dat de compagnie octrooi kreeg ook voor de nog onontdekte

wegen naar Oost-Indië.

[80] R. S.-G. 8 Nov. 1602.

[81] Resol. XVII dd. 27 Febr., 7 Aug. 1603.--Murphy, Hudson in

Holland. p. 22, 23.--De Jonge, Opkomst. I p. 26.--Van Dam, Gesch.

der O.-I. C. I Cap. I. 5. (M.S.) R.-A.

Hoewel dit plan van de bestrijders der Oost-Indische Compagnie

voorloopig ter zijde gesteld schijnt te zijn, hield de concurrentie

volstrekt niet op. De bekende Isaac Le Maire, de hardnekkige

tegenstander der compagnie, zocht voortdurend naar middelen om de gehate

vereeniging te doen bukken. Wel had in 1606 een besluit der

Staten-Generaal het door hen verleende monopolie krachtig gehandhaafd,

maar de publieke opinie verklaarde zich meer en meer ten nadeele der

compagnie en de oppositie schepte moed. Vele Zuid-Nederlandsche

kooplieden, nog onlangs versterkt door de rijke aandeelhouders der

compagnie zelve, die geen deel aan den door haar met de wapenen in de

vuist verkregen buit wilden hebben, waren reeds lang in het geheim aan

het onderhandelen met Hendrik IV, om onder zijne bescherming den

Franschen handel op Oost-Indië te vestigen. Le Maire voegde zich bij

hen. De nieuwe compagnie, die zich alleen op vreedzaam handeldrijven

wilde toeleggen, zou ongestoord de vruchten plukken van de door de

Oost-Indische Compagnie met geweld en kosten behaalde voordeelen en haar

dadelijk op elk met moeite ontgonnen veld als mededingster kunnen

volgen. Door de bescherming van Nederlands machtigen vriend zou zij

onschendbaar zijn[82]. En dit meer slimme dan edele plan was niet het

eenige gevaar, dat de Oost-Indische Compagnie dreigde. Een ander

lievelingsdenkbeeld der Zuid-Nederlanders, het ontwerp van eene

West-Indische Compagnie, werd door Willem Usselincx gedurig met kracht

aangedrongen, en het naderend bestand met Spanje dreigde de compagnie

met nieuwe moeielijkheden. Wat eindelijk alles afdeed: de alvermogende

Oldenbarnevelt, die slechts onder den drang der omstandigheden

medegewerkt had tot het vestigen van het Oost-Indische monopolie, scheen

niet ongeneigd den mededingers nu de hand boven het hoofd te houden.

Waarlijk, zelden stonden de kansen der Oost-Indische Compagnie zoo

hachelijk! In deze omstandigheden was het van het uiterste belang, dat

de publieke opinie zich weder begon bezig te houden met den doortocht in

het noorden.

[82] Zie over deze plannen: Fruin, Een onuitgeg. werk van de Groot,

in: Gids. 1868. IV p. 33-35.--Bakhuizen van den Brink, Isaac le

Maire, in: Gids. 1865. IV p. 18-34.--Asher, Hudson the Navigator, p.

CXCVIII-CCI.

In 1607 had de beroemde Henry Hudson een nieuw tijdperk in de

geschiedenis der noordoostelijke reizen geopend. Hij had Spitsbergen

bezocht en bij zijne terugkomst vele belangrijke mededeelingen gedaan.

Het gerucht van zijne reis had ook Nederland bereikt en de algemeene

aandacht gaande gemaakt. Voor de Oost-Indische Compagnie was dit een

feit, waarmede gerekend moest worden: in den ernstigen toestand, waarin

zij verkeerde, zou de ontdekking van de noordelijke doorvaart, die aan

hare mededingers ook binnenslands de handen beloofde vrij te geven, haar

onmiddellijk ten val gebracht hebben. Er moesten dus maatregelen

genomen worden om die mededingers vóór te zijn, nu de publieke opinie

nieuwe tochten naar het noorden scheen te eischen.

De compagnie zag dit zelve in en hare maatregelen beantwoordden aan haar

karakter als bevoorrechte vereeniging. Op het einde van 1608 besloot zij

bij de Staten-Generaal een verzoek in te dienen om haar octrooi uit te

breiden. Door ook den noordelijken weg naar Indië daarin op te nemen

meende zij, dat voor goed aan alle mededinging de pas afgesneden zou

zijn. Maar het plan lekte uit en dadelijk was de erfvijand der

compagnie, Isaac Le Maire, gereed om het te bestrijden. Hij diende bij

Oldenbarnevelt eene uitvoerige memorie in, waarin hij er op wees, dat

alle onnoodige uitbreiding van monopolie schadelijk was, omdat »daermede

eenige particuliere alleen het benefitie genietten ende het generael

daervan gefrustreert is.” Waren daarom alle de verzochte uitbreidingen

van het octrooi niet wenschelijk, de vaart naar het noorden in het

bizonder behoorde open te blijven; aangezien »die noch te vinden was

ende misschien by de Compagnie niet gevonden soude werden, ende met

sulcken ernst apparentelycken niet en soude gesocht worden, als by

andere.” Het verzoek der bewindhebbers strekte verder tot nadeel van

alle partikuliere kooplieden der Vereenigde Provinciën, die zich steeds

verlaten hadden op de in 1596 op het ontdekken van den doortocht

gestelde premie[83].

[83] Zie deze memorie afgedrukt bij: De Jonge, Opkomst v. h. Nederl.

gezag in O.-I. III p. 364 vlg.--Vgl. daarover: De Jonge, I. c. III.

p. 125.--Van Rees, Gesch. der staathuishoudk. II. p. 42

vlg.--Bakhuizen van den Brink, Isaac le Maire, in: Gids, 1865. IV p.

34-39.

Dit laatste was wel het hart der quaestie. Le Maire verheelde het aan

Oldenbarnevelt niet, »dat andere soowel als de Compagnie, desseing

hadden gemaeckt, inde vaert van Noorden te aventueren, ende niet en

behoorden gefrustreert te worden.” Werkelijk werden van beide zijden

toebereidselen gemaakt om den doortocht te zoeken. Oldenbarnevelt, de

oude vijand van alle monopolie, was de man niet om tot het plan der

compagnie mede te werken, en van het uitbreiden van het octrooi kwam dan

ook niets. De bewindhebbers hadden dit zelven reeds gevreesd. Reeds

vooraf hadden zij hunne maatregelen genomen, en zoodra het bleek, dat

hun plan geen kans van slagen had, poogden zij in het worstelperk der

vrije concurrentie de overwinning te behalen. Dadelijk toen Hudson in

1608 terugkwam van zijne tweede reis, waarop hij den weg ten noorden van

Novaya Zemlya te vergeefs had beproefd, Kostin-sjar onderzocht en

bevonden had, dat die zeeëngte niet naar de zee van Kara leidde, ontbood

de Oost-Indische Compagnie hem zelven naar Nederland om met hem in

onderhandeling te treden.

Omstreeks het einde van 1608 kwam Hudson werkelijk te Amsterdam[84]. Hij

had langdurige conferentiën met de bewindhebbers der Oost-Indische

Compagnie, met Plancius en Hondius, maar ten slotte oordeelde men het

onmogelijk, van een zoo omslachtig ingericht lichaam als de

Oost-Indische Compagnie, tijdig een besluit te verkrijgen om Hudson nog

dit jaar in dienst te nemen. Met eene belooning voor zijne moeite en de

belofte hem het volgende jaar te zullen uitzenden, moest de Engelschman

dus naar huis vertrekken. Dadelijk maakte Le Maire van deze gelegenheid

gebruik. Hij sprak met Hudson en trachtte hem over te halen, de reis

naar het noorden nog dit jaar voor zijne rekening te doen. Voor de

nieuwe in Frankrijk op te richten Oost-Indische Compagnie stelde hij

zich gouden bergen voor van de diensten des beroemden zeemans. Maar het

plan lekte uit en de Oost-Indische Compagnie nam dadelijk hare

maatregelen. Toen de Zeeuwsche kamer weigerde Hudson uit te zenden, daar

zij de uitgaven aan het zoeken van den noordoostelijken doortocht

besteed, als nuttelooze geldverspilling beschouwde, besloot de

Amsterdamsche kamer in de bestaande onmogelijkheid om tijdig eene

algemeene vergadering bijeen te roepen, de verantwoordelijkheid voor de

zending alléen op zich te nemen. Zij trad dadelijk op nieuw met Hudson

in overleg en den 8 Januari 1609 sloten beide partijen een contract,

waarbij de Engelschman zich verbond den noordoostelijken doortocht te

zoeken en bij goeden uitslag dadelijk naar Nederland terug te keeren.

Daar zou hij zich dan met der woon vestigen en uitsluitend in dienst der

Oost-Indische Compagnie blijven. Deze verbond zich daarentegen aan

Hudson na het einde der reis ƒ 800 of bij overlijden aan zijne vrouw

en kinderen ƒ 200 uit te betalen. Zoo de doortocht gevonden was, zou

men hem rijkelijk beloonen; de aard en grootte dezer belooning werden

geheel aan de bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie overgelaten. Den

6 April 1609 vertrok Hudson daarop met een vlieboot, de Halve Maan

genaamd, van de reede van Texel[85].

[84] Zie hetgene over Hudsons vroegere betrekkingen te zeggen valt

zeer uitvoerig bij: Read, Hist. inquiry conc. Henry Hudson.

[85] Zie over het voorgaande zeer uitvoerig: Murphy, Hudson in

Holland. p. 22-39.--Ook: Asher, Hudson the Navigator, p. CCII,

CCIII.--Dat Hudsons schip de Halve Maan, niet de Goede Hoop heette,

heeft Murphy l. c. p. 55-58 overtuigend aangetoond.

Zoo belangrijk de geschiedenis van het uitzenden van Hudson is, zoo

onbeduidend zijn de resultaten, door hem verkregen in de hem bij zijne

Instructie opgedragen taak. Men had hem voorgeschreven het oude

Amsterdamsche plan nogmaals te beproeven, en dus evenals Barendsz. ten

noorden van Novaya Zemlya te trachten de straat Anian te bereiken[86].

Van daar moest hij terugkeeren, zonder bij mislukking van die poging

eenen anderen weg te mogen beproeven. Dergelijke proefnemingen wenschte

de Oost-Indische Compagnie tot eene latere gelegenheid uit te stellen;

voorloopig was het haar alleen om de prioriteit in het vinden van den

noordoostelijken doortocht te doen[87].

[86] Witsen, Noord- en oost-Tartarye. p. 906.

[87] Hudsons Instructie is verloren; zie echter een overzicht van

den inhoud uit Van Dam’s Geschiedenis der O.-I. C. bij: Murphy,

Hudson in Holland. p. 38, 39.--Zoo men al de ontdekkingen, door den

~Engelschman~ Hudson op deze reis gedaan, aan de Nederlanders wil

toeschrijven, is het toch duidelijk, dat Nederland alle aanspraak op

de ontdekking der Hudsonsrivier, ~die tegen den wil der

bewindhebbers geschiedde~, verliest.

In de uitvoering van dit plan was Hudson bizonder ongelukkig. Evenmin

als op zijne vorige reis vermocht hij Novaya Zemlya nu te omzeilen. Den

5 Mei bij de Noordkaap aangekomen, zette hij koers naar Novaya Zemlya,

maar geraakte spoedig in het ijs beklemd. Nog voordat hij dit eiland

bereikt had, werd zijn volk oproerig en was hij genoodzaakt den tocht op

te geven. Den 14 Mei keerde hij om, den 19 was hij weder bij de

Noordkaap en op zijne verdere reis hield hij zich geheel bezig met het

uitvoeren zijner nieuw opgevatte plannen tot het vinden van den

noordwestelijken doortocht[88]. Dat hij op die reis o. a. de

Hudsonsrivier onderzocht en aanleiding gaf, dat de aandacht zich op de

heerlijke streek, waar nu New-York verrezen is, vestigde, is eene zaak,

die, hoe gewichtig ook en met hoeveel ingenomenheid ook door de

geschiedkundigen besproken, voor ons van geen belang is. Het zij ons

genoeg op te merken, dat Hudson den 7 November in Engeland aan wal

gestapt, aan de Nederlandsche Oost-Indische Compagnie voorstelde om van

daar uit op hare kosten het noordwesten verder te onderzoeken,--dat de

bewindhebbers hem integendeel bevalen dadelijk naar Nederland te komen,

maar dat hij door de Engelsche regeering verhinderd werd aan dien last

te voldoen; eindelijk dat hij, dus belet om zijne gelofte aan de

Oost-Indische Compagnie gestand te doen, zijn journaal overzond, het

schip alleen naar Nederland liet terug gaan en zich op nieuw in dienst

der Engelsche Moscovische Compagnie begaf[89].

[88] Zie over deze plannen zeer uitvoerig het scherpzinnige betoog

van Murphy: Hudson in Holland, p. 41-52.

[89] Alle berichten over Hudsons reizen vindt men verzameld by:

Asher, Hudson the Navigator. De berichten over dezen tocht, voor

zoover die voor mijn onderwerp van belang is, vindt men bij: Van

Meteren, Historie. fol. 629 en in het journaal van Juet bij Purchas.

Hoe was het ondertusschen met de pogingen van Le Maire afgeloopen? Het

was niet te verwachten, dat een man van zijne energie eene zoo

belangrijke zaak zou opgeven zonder ze eerst te beproeven. Werkelijk was

dit ook het geval niet: niettegenstaande de vele teleurstellingen zette

hij zijn plan door. Wij hebben gezien, dat Hendrik IV de plannen van de

vijanden der Oost-Indische Compagnie in zijn eigen belang begunstigde;

het kwam er slechts op aan den weg door het noorden te vinden, ten einde

botsingen met de Staten-Generaal te voorkomen. In Frankrijk was echter

niet licht iemand te vinden, die met kans op goeden uitslag den

gevaarvollen tocht zou kunnen ondernemen. Wij zagen, dat ook de

onderhandelingen met Hudson aangeknoopt mislukten. Het was dus zaak, in

Nederland een persoon in dienst te nemen, die tegen den Engelschman ten

minste eenigszins opgewassen was. Le Maire meende dat dit niet moeielijk

zou zijn. Reeds dadelijk nadat Hudson door de Oost-Indische Compagnie in

dienst was genomen, had hij het oog op een ander, die zijne oogmerken

kon bevorderen. Wie daarmede bedoeld wordt, weten wij niet; alleen

verhaalt ons Jeannin, dat het iemand was, die de reis (ten noorden van

Novaya Zemlya) reeds eenmaal gedaan had en door Le Maire voor een meer

ervaren zeeman dan Hudson zelf gehouden werd. Wij mogen het er voor

houden, dat dit verhaal meer van de zucht om het plan aan Hendrik IV

smakelijk te maken dan van historische nauwgezetheid getuigt: een

bekwamer persoon dan Hudson was toch in 1609 bezwaarlijk te vinden.

Verschillende omstandigheden schijnen dan ook den bedoelden zeeman

eenvoudig als eenen tochtgenoot van Heemskerck en Rijp op hunne beroemde

reis van 1596 en 97 te kenmerken[90].

[90] Jeannin, Négotiation. II p. 280.--De gissing maak ik op uit

eene plaats van denzelfden (l. c. II p. 276) waar hij ons meldt, dat

Le Maire bij deze gelegenheid confereerde met Plancius en eenige

„pilotes, qui ont fait la même navigation,” o. a. een, „qui fut

aussi, il y a trois ans, employé en cette même recherche, et passa

jusqu’à Nova Zembla, . . . tirant au nord.” Dat hier sprake is van

eenen tochtgenoot van Heemskerck in 1596, is dunkt mij buiten

twijfel. Eene Nederlandsche reis naar het noorden tusschen 1597 en

1609 heeft niet plaats gehad: de reis van Hudson was „de vierde

Schip-vaerd.” (Tiele, Mémoire. p. 115.) Ook eene reis door

Engelschen naar Novaya Zemlya ondernomen is mij niet bekend, behalve

die van Hudson zelven in 1608. Asher plaatste dan ook zonder

aarzeling „treize” voor „trois ans.” (Hudson the Navigator, p.

246.)--Hoe dit zij, op Melchior Van Kerckhoven schijnt de

beschrijving van dezen stuurman gegeven volstrekt niet te passen

(zooals De Jonge, Opkomst. I p. 28, III p. 125 wil) en ik moet dus

aannemen, dat Le Maire zich eerst later tot hem gewend heeft.--Asher

daarentegen (Hudson the Navigator, p. 253 Noot 1) gist, dat Le Maire

het oog had op Nay, den bevelhebber der Nederlandsche expeditiën van

1594 en 1595, zonder nochtans eenigen grond voor dit gevoelen op te

geven. Daar Asher echter Cornelis Cornelisz. Nay nu en dan met Jan

Cornelisz. May, den noordpoolreiziger van 1611 en 12, verwart (zie

l. c. p. XLV en CXXXIII, waar hij beide malen May bedoelt) is het

ook mogelijk, dat hij den laatste voor den aangeduiden persoon

houdt. Ik geloof echter, dat beide gissingen onaannemelijk zijn: van

Nay noch van May is het bekend, dat hij „ce même voyage” (namelijk

ten noorden van Novaya Zemlya) vóor 1609 gedaan heeft.

Wij weten niet, of Hendrik IV Le Maire’s keus goedkeurde; zeker is het,

dat de onderhandelingen met den stuurman van 1596 weldra werden

afgebroken. De redenen daarvan zijn ons onbekend; wij kunnen ze echter

gissen. De Oost-Indische Compagnie had in overleg met Hudson de plannen

voor de onderneming vastgesteld en het was voor Le Maire, die

breedvoerige conferenties met den Engelschman gehad had, niet

twijfelachtig langs welken weg deze zijn doel zou trachten te bereiken.

Het kon niet wenschelijk schijnen, met de compagnie, die in ieder geval

vroeger gereed zou zijn dan Le Maire, langs denzelfden weg mede te

dingen, en de koers ten noorden van Novaya Zemlya werd dus door den

ondernemenden koopman opgegeven[91]. De voornaamste aanbeveling van den

stuurman van 1596, namelijk het vermoeden dat hij den te volgen weg

kende, verviel hiermede en het was dus verkieslijker iemand van meer

ervaring in dienst te nemen.

[91] Dat Le Maire aanvankelijk op den weg ten N. van Novaya Zemlya

het oog had, blijkt uit het verslag zijner conferentiën met Hudson

e. a. bij: Jeannin, Négotiation. II p. 276. Massa’s beschrijving van

de reis bewijst echter, dat dit plan veranderd werd. De poging om

Massa voor de reis te winnen wijst aan, dat het de bedoeling van Le

Maire was, zich de ondervinding der Russen volgens het plan van

Linschoten (zie hiervóor p. 41) ten nutte te maken en zoodoende eene

laatste poging langs den algemeen opgegeven weg door de straat van

Nassau te wagen. Nog in 1614 beval Pontanus deze richting aan boven

de toen algemeen geroemde over de pool. (Beschr. v. Amst. p. 179.)

Het voornemen was nu, om overeenkomstig met de plannen van Linschoten

den ouden korteren weg door de straat van Nassau weder te beproeven. De

jaarlijksche tochten der Russen naar den Ob bewezen, dat het mogelijk

was langs dien weg ten minste ver naar het oosten te komen, en het viel

Le Maire niet moeielijk eenen anderen schipper »fort entendu aux

nauigations et de grande expérience” voor die plannen te winnen. De dus

door Jeannin geprezen zeeman was geen ander dan de befaamde Melchior Van

Kerckhoven, op wiens bekwaamheid en moed met meer reden geroemd werd dan

op zijn karakter en beginselen[92]. Moeielijker bleek het een commies

voor de reis te vinden. Le Maire had dadelijk het oog laten vallen op

den bekenden Isaac Massa van Haarlem[93] en zeker had hij moeielijk een

beter keus kunnen doen, nu het gold de kennis, die de Russen van de

kusten der IJszee verkregen hadden, ten nutte der reis aan te wenden.

Gedurende zijn langjarig verblijf in Rusland had Massa, ijverig

beoefenaar der aardrijkskunde en schrander opmerker als hij was,

langzamerhand een schat van berichten opgezameld, die in Europa geheel

onbekend gebleven waren. Ongelukkig bleek hij echter de man niet te

zijn, die Le Maire dienen kon. Ofschoon een tegenstander der bekende

plannen van Plancius en overtuigd dat alleen de weg door de straat van

Nassau kans van slagen aanbood, was Massa te nauwkeurig bekend met de

bezwaren, die eene reis in de IJszee opleverde, misschien ook te weinig

doortastend om de altijd onzekere plannen zelf te steunen.

[92] Beschr. v. d. Samoyeden Landt. p. 4.--Jeannin, Négotiation. II

p. 489. Vgl. over Van Kerckhoven: De Jonge, Opkomst. I p. 52, 128,

29.--De Jonge, Nederland en Venetië. p. 86.

[93] Zie over hem: Van der Linden, Isaac Massa.--Nicolai (Relation.

Vorredt, p. 11) verhaalt, dat de Staten „ein aignen Mann in der

Moszkau underhalten Isaac Massa genannt” ~om berichten over de

mogelijkheid van een~ NO. ~doortocht naar~ O.-I. ~in te winnen~; het

schijnt echter, dat dit bericht alleen steunt op Massa’s verhaal der

wegen naar en door Siberië, dat Nicolai in Hessel Gerritsz.’

Detectio freti vond. Nicolai was toch over Nederlandsche zaken zeer

slecht ingelicht.

Hij stelde reeds dadelijk vele eischen. De geheele inrichting der

expeditie was volgens hem verkeerd. De reizigers moesten vóor hun

vertrek nog talrijke voorzorgen nemen en zich beter toerusten tot den

tocht; zij moesten bepaaldelijk naar het voorbeeld der Russen kleine

booten medenemen, die altijd veel meer kans hadden zich door het ijs

heen te werken dan de betrekkelijk groote Nederlandsche schepen; zij

moesten eindelijk zich voorbereiden op de mogelijkheid eener

overwintering in het barre noorden, die waarschijnlijk noodig was wilde

men zijn doel bereiken. Het was echter Le Maire onmogelijk zich al deze

wenken, hoe heilzaam ook, ten nutte te maken: hij had de voorschriften,

die van ouds voor noordpoolreizen bestonden, gevolgd en Massa’s plannen

zouden eene geheel nieuwe uitrusting hebben noodig gemaakt. Daartoe zou

echter vóor alles veel tijd en veel geld noodig zijn geweest, en hoewel

Hendrik IV zijnen handlanger een paar maal eene som gelds door zijnen

gezant deed toekomen, had hij gemeend aan diens hooge eischen niet

geheel te moeten voldoen. Tijd vooral was het, die Le Maire ontbrak: het

door de Oost-Indische Compagnie uitgeruste schip was reeds gereed en

Hudson kon op zijnen tijd vertrekken. Zoo deze ervaren zeeman, van wien

men zooveel verwachtte, den doortocht vond voordat Le Maire gereed was,

dan was alles verloren, het doel der reis gemist.

Het was dus duidelijk, dat de onderhandelingen moesten afspringen. Maar

ook al waren de beide geniale kooplieden het hierin eens geworden, dan

nog zou Le Maire zich waarschijnlijk van Massa’s medewerking niet veel

goeds hebben mogen beloven. Het mocht een verstandige eisch heeten, dat

Massa in de plannen en voorbereidingen van Le Maire de fouten wilde

verbeterd zien, die zijne rijke ervaring hem aanwees; het is hem geheel

niet kwalijk te nemen, dat hij, toen Le Maire weigerde zijnen raad te

volgen, van zijnen kant ongeneigd was om deel te nemen aan eene

expeditie, die naar zijne inzichten niet slagen ~kon~, maar het was

kleingeestig, dat hij ook, waar zijne ervaring hem in den steek liet,

aan zijne bekrompene wereldbeschouwing argumenten tegen de mogelijkheid

van te slagen ontleende. Het toonde, dat het Massa met de zaak geen

ernst was;--het bewees, dat hij niet bezield was met den geest, die de

Moucherons, de Barendszen, de Linschotens gedrongen had hunne tochten

over den geheelen aardbol uit te strekken, dat hij zijne landgenooten

door dwaze bezwaren, waaraan hij zelf niet geloofde, van verdere

pogingen afschrikte[94]. Maar wij laten Massa en zijne kritiek rusten:

»ick sloech het af,” dus verhaalt hij, »want ick bewysen wil dat mender

niet door en can en altyts vergeefs sal wesen wat sy doen, ~oft moesten

’t anders aenlegghen~.”[95]

[94] Dit was te meer verkeerd, omdat men toen ter tijd vrij algemeen

aan de mogelijkheid van den noordoostelijken doortocht gewanhoopt

schijnt te hebben. Zelfs Hessel Gerritsz. twijfelde. (Zie zijne

Beschr. v. d. Samoyeden Landt. p. 3, 4. Vgl. echter aldaar zijne

aanteekeningen op Massa’s kaart.) Het blijkt uit Massa’s in den

tekst aangehaalde woorden, dat hij integendeel aan de mogelijkheid

geloofde.

[95] Zie de kritiek van Massa in zijn: „Cort verhael van de Wegen

ende Rivieren uyt Moscovia.” p. 8, 13, 14, in: Beschr. v. d.

Samoyeden Landt.

Zoo was dus Le Maire weder teleurgesteld, maar de zaak opgeven dat wilde

hij niet. Spoedig was een andere commies gevonden en de overeenkomst met

Hendrik IV werd nu gesloten. De onderneming zou op naam van Le Maire, in

het geheim echter voor Fransche rekening, plaats hebben. Gelukte de

poging, dan zou het schip niet in Nederland maar in Frankrijk

binnenvallen; Le Maire zou dan dadelijk naar Parijs vertrekken en zich

aan het hoofd der nieuwe Fransche Oost-Indische Compagnie plaatsen.

Voorloopig ontving de ondernemer reeds 15,000 livres van Hendrik IV[96]

en den 5 Mei 1609 vertrok Kerckhoven met een »kleyn schipken” en

voorzien van eenen geloofsbrief van Maurits naar het noorden.[97]

Geschiedenis der Noordsche Compagnie · 第 6 / 52 段