konden de schepen voor de onderneming bestemd van Texel in zee steken.
Opperbevelhebber der vloot was wederom Cornelis Cornelisz. Nay[67],
opperstuurman Willem Barendsz. Als commiezen van Holland waren op de
vloot aanwezig de bekende Linschoten, Heemskerck en Rijp; voor Zeeland
De la Dale en Buys, neven van Moucheron. Zoo zeker rekende men ditmaal
op het bereiken van Azië’s oostkust, dat men het anders geheel onnoodige
getal van zeven schepen voor de reis had uitgerust; men hoopte ze
beladen met kostbare handelsartikelen te zien terugkeeren, en werkelijk
hadden eenige kooplieden de schepen met koopmanschappen bevracht. De
Instructie, die voor Linschoten en De la Dale als oppercommiezen werd
gereed gemaakt, schreef hun zelfs nauwkeurig voor, hoe zij met de
vorsten der stammen ten noorden van Japan handelsbetrekkingen moesten
aanknoopen.
[67] Merkwaardig is het zeker en het getuigt niet voor Nay’s bestuur
op den eersten tocht, dat de Staten-Generaal besloten, wanneer de
bevelhebber „thert ende Resolutie nyet en hadde om voort te varen”,
de overige bevelhebbers dit op hunne eigene verantwoordelijkheid
mochten doen; een nader aan te wijzen persoon, misschien wel de
onversaagde Willem Barendsz., zou dan het bestuur voeren. (Pointen
opte Nauigatie benoorden om, in: Noordsche togten, 1 R.-A.)
Al deze schoone verwachtingen zouden echter op de grievendste wijze
teleurgesteld worden. Eerst den 10 Augustus bereikte de vloot den
Noordkaap; reeds den 17 ontmoette zij drijfijs. Toch kwamen de reizigers
weldra aan de straat van Nassau, waar zij echter in eene baai, door hen
Traenbaei genoemd, moesten blijven liggen: de geheele straat van Nassau
was eene onafgebroken ijsvlakte. Wel gelukte het 24 Augustus de straat
door te zeilen, maar het ijs dreef de schepen spoedig weder naar
Vaigatsch terug en toen zij eindelijk 3 September het Staten-eiland
bereikten, bleken de moeielijkheden in de zee van Kara toch te groot dan
dat men zich daarin durfde wagen. Na herhaalde vruchtelooze pogingen
door Barendsz., die van geen terugkeeren hooren wilde, gedaan om ergens
open water te vinden, bewilligde deze eindelijk 15 September in het
mede-onderteekenen van een protest, waarbij alle bevelhebbers der vloot
voor God verklaarden, dat het hun onmogelijk was dit jaar verder te
zeilen. Eerst in November kwamen de schepen zeer verspreid in het
vaderland terug[68].
[68] Zie over deze reis: Linschoten, Voyasie ofte schip-vaert by
Noorden om. (Tweede reis.)--De Veer, Drie seylagien na de
Coninckrycken van Catthay ende China. (Tweede reis.)
Maar al was het resultaat ontmoedigend, de kooplieden wilden hun streven
niet opgeven. Nog vóor het einde van het jaar leverde Linschoten aan de
Staten-Generaal zijn journaal van de reis over; tegelijk gaf hij HHM.
een nieuw plan ter overweging. Op het voorbeeld der Portugeezen
wijzende, die eerst na herhaalde proefnemingen den weg naar Oost-Indië
hadden gevonden, wekte hij de Staten tot een nieuwe poging op. Door het
reeds omtrent de gelegenheid der Yszee bekende achtte hij het
ontwijfelbaar, dat de noordoostelijke doortocht naar Oost-Indië bestond;
uit de jaarlijksche tochten der Russen naar den Ob besloot hij, dat de
straat van Nassau niet altijd zoo onbevaarbaar zijn kon als de
Nederlanders haar dien zomer gevonden hadden. Alleen »de kennisse ende
rechte ervarentheydt van den tijt” was nog onbekend. Om die kennis te
verkrijgen stelde Linschoten voor, dat de Staten vroeg in het voorjaar
van 1596 twee »Iachten ofte Boots” naar de straat van Nassau zouden
zenden om daar het oogenblik af te wachten, dat de Russische schepen de
reis naar den Ob deden. Eenmaal daar aangekomen twijfelde hij niet of de
verdere weg was gemakkelijk: zijne ondervinding van 1594, toen hij
meenende reeds voorbij den Ob te zijn eene opene zee had gevonden,
boezemde hem daaromtrent het volste vertrouwen in. Weldra zouden de
schepen de rivier de Gillissy (de Jenissei) bereiken, waar zij des
gevorderd gemakkelijk overwinteren en van de talrijke kustbewoners de
noodige inlichtingen verzamelen konden om het volgende jaar de reis
voort te zetten[69].
[69] Linschoten, Voyasie ofte schip-vaert by Noorden om. (Conclusie
ofte Na-reden.)--Hetzelfde plan werd later nog aanbevolen door Massa
(Cort verhael. p. 8, in: Beschr. v. d. Samoyeden-Landt),--en door
Pontanus. (Beschr. v. Amst. p. 179.)
Maar hoe schoon het plan mocht schijnen, er kwam niets van. De
onvoldoende uitslag der laatste onderneming schrikte de regeering van
verdere pogingen af. Wel beraadslaagden de Staten-Generaal en de Staten
van Holland nogmaals ernstig over een nieuwen tocht, maar »hoe wel meest
alle de Steden van Hollant daer toe eerst waren jnclinerende”[70],
besloot men toch geen geld meer aan zoo onzekere kansen te verkwisten en
liever eene premie van ƒ 25.000 benevens vrijdom van in- en uitgaande
rechten uit te loven voor dengene, die den doortocht werkelijk ontdekt
had[71]. Amsterdam, altijd zoo ijverig in het bevorderen van deze zaak,
liet het er niet lang bij blijven. Reeds vóordat de premie uitgeloofd
was had de vroedschap besloten,--overwegende »dat bysonder dese Stad
(als principaelyck Inde coophandel ende nauigatie bestaende) ende oick
’t gemeene landt ende d’Ingesetenen vandien in neringe, coophandelinge
ende ryckdomme grootelicx souden kommen te floreren, by soe verre de
voorszeide vaert (daer toe goede hope wierd gegeven) mochte werden
gevonden,”--dat de stad ƒ 12.000 zou beschikbaar stellen om twee
schepen, éen van 50 à 60 en éen van 30 last, naar het noorden uit te
zenden[72]. Plancius was nu evenals de vorige malen niet alleen een der
voornaamste bevorderaars der reis, maar ook de eerste raadsman der
regeering. Had hij het vorige jaar bij het opmaken der plannen voor de
reis zijne eigene inzichten opgeofferd, toen het scheen alsof de straat
van Nassau een geheel ijsvrijen weg naar Oost-Indië zou openen; nu het
gebleken was, dat deze straat somtijds nog grootere moeielijkheden
opleverde dan het omzeilen van Novaya Zemlya, kwam hij op zijn oude plan
terug. Men besloot dan ook, dat deze expeditie den door Barendsz.
onderzochten weg nogmaals zou inslaan.
[70] Resol. der Amst. vroedschap, dd. 25 Maart 1596. (Amst. arch.)
[71] R. S.-G. 13 Apr. 1596.--De Veer, Derde seylagie. fol. 16.
[72] Resol. Amst. vroedsch. 25 Mrt. 1596.--Pieter Hasselaer en
eenige anderen werden door de burgemeesters volgens deze resolutie
aangewezen, „omme te verzorgen alle ’t gundt tot wtrustinge vande
voornoemde schepen van noode wezen zou.” De Veer, Drie seylagien.
fol. 61.
Wederom waren het ervarene zeelieden, aan wie het bestuur der schepen
werd toevertrouwd. Was Jan Cornelisz. Rijp van Enkhuizen, die reeds den
vorigen tocht als commies had medegemaakt, schipper en commies op het
eerste schip met Arend Martensz. van Amsterdam als stuurman[73]; in het
andere bekleedde Jacob Hendricksz. Heemskerck dezelfde betrekkingen als
Rijp, terwijl geen minder persoon dan Willem Barendsz. stuurman was. De
bizonderheden van deze allerbelangrijkste onderneming, waarbij men
verdere ontdekkingen deed dan de meeste beroemde zeevaarders der
negentiende eeuw, zijn algemeen bekend: deze reis is een der populairste
gedeelten onzer geschiedenis. Ik kan mij dus bepalen tot het geven van
een overzicht van den gevolgden weg. Den 18 Mei van Vlieland uitgezeild
zette men noordelijk koers. Reeds spoedig ontstonden er onaangenaamheden
tusschen de aanvoerders van beide schepen. Rijp meende, in
overeenstemming met Plancius’ inzichten[74], dat het volgen van den
ouden koers tot bij Novaya Zemlya de expeditie evenals vroeger in het
ijs zou voeren; hij vreesde ook op de reeds zoo dikwijls onoverkomelijk
bevonden bezwaren, die de zee bij Vaigatsch aanbiedt, te zullen stuiten.
Ook Barendsz. was wel niet van plan zich naar Vaigatsch te begeven, maar
hij meende toch dat de richting, die Rijp aangaf, te veel westelijk was.
Voor eenen tijd gaf hij echter toe dien koers te blijven vervolgen. Het
resultaat daarvan was reeds 9 Juni de ontdekking van Beeren-eiland en
weinige dagen later (17 Juni[75]) ook van Spitsbergen, dat zij niet
verre van den noordwestelijken hoek bereikten. De pogingen om van daar
in noordwestelijke richting eenen doorgang door het ijs naar de pool te
vinden mislukten. Men keerde na eene landing op een der noordwestelijke
eilanden terug en poogde, langs de kust zuidelijk gestevend, de
zeeëngte, die Prince Charles’ foreland van Spitsbergen scheidt, door te
zeilen. Maar deze nauwe straat bleek onbevaarbaar en de expeditie voer
dus het eiland westelijk langs, bezocht Bellsound en bereikte, nadat zij
de geheele westkust van Spitsbergen gevolgd had, den 1 Juli het
Beeren-eiland weder[76]. Hier deed zich het verschil van gevoelen
tusschen beide bevelhebbers op nieuw voor en men besloot tot eene
scheiding. Rijp zeilde nogmaals noordelijk om te trachten de pool te
bereiken. Daar hij aan de westzijde van het nieuw ontdekte Spitsbergen
de ijsvlakte dicht aaneengesloten bevonden had, beproefde hij ditmaal
of ten oosten van dat land de kans hem gunstiger zou zijn. Maar
vergeefs! Ook daar vond hij de ijsmuur ondoordringbaar en al volgde hij
den rand daarvan westelijk, geen doorgang vertoonde zich. Bij zijne
pogingen om dien te vinden geraakte hij ondertusschen hoe langer hoe
meer westelijk, ten noorden van het land, en kwam eindelijk op de plaats
terug, waar hij eenige weken te voren met Heemskerck en de zijnen
vruchteloos naar eenen doorgang gezocht had. Van daar zuidelijk gezeild,
richtte hij in eene baai op 79° en eenige minuten NB., waarschijnlijk de
Cross-bay, een paal op, zooals hij dat met de anderen had afgesproken en
zeilde ook de vroeger bezochte Vogelhoek voorbij. Het vinden van een
doortocht noordelijk naar den pool werd nu opgegeven en Rijp besloot
Heemskerck en de zijnen naar Novaya Zemlya te volgen. Het jaargetijde
was ondertusschen verre verloopen en weldra stuitten de reizigers op
zooveel ijs, dat zij genoodzaakt waren »sonder veel anders uyt te
rechten” te Kola binnen te loopen en van daar huiswaarts te keeren[77].
Niet het schip van Heemskerck heeft dus, zooals onlangs beweerd is,
Spitsbergen omzeild; aan Rijp alleen komt de eer van die moeielijke reis
toe. De weinige publiciteit, die echter aan den tocht van Rijp na zijne
scheiding van Heemskerck gegeven is, schijnt de oorzaak geweest te zijn,
dat de aardrijkskundige wetenschap der zeventiende eeuw van zijne
ontdekking, dat Spitsbergen een eiland is, geen partij getrokken heeft.
[73] Zie zijne getuigenis over den tocht van Rijp in de verzameling:
Noordsche togten. 4. Loopende Noordsche Compagnie. R.-A.
[74] Plancius meende volgens Linschoten (Voyasie ofte schip-vaert by
Noorden om. Voor-reden): „dat boven Nova-Zembla, ~te weten, onder
den Polus Arcticus door~, den rechten ende doenlijcksten wegh moeste
zijn; om welkes te bevestighen, hy . . . . ghenoegh met sekerheyt
bevestighde, . . . . dat ~den wegh onder den Pole~, te weten, boven
Nova Zembla om, seker, gantsch ghewis, ende sonder twijffel goet
was.”
[75] Dien datum geeft het journaal van Barendsz., door Hessel
Gerritsz. medegedeeld; dat van De Veer vermeldt eerst 19 Juni het
zien van land.
[76] In de beschrijving van deze reis verwerp ik het gevoelen van
Beke (Three voyages. p. LXXXV-LXXXIX), die meent, dat Spitsbergen
door Heemskerck en Rijp omzeild is. Ook De Jonge is het niet met
Beke eens (Opkomst. I p. 23-26); het komt mij echter voor, dat zijne
gronden niet alle even afdoende zijn. Doch sinds de uitgave van dat
werk zijn er een paar ontdekkingen gedaan, die Beke’s gevoelen
geheel wederleggen. Tiele heeft aangetoond (Mém. s. l. journ. des
navigat. Holl. p. 93, 112, 195): 1^{o}. dat de opgave van den weg
der reizigers van 1596/7 op de „tabula geographica” (opgenomen o. a.
in Ashers Hudson the Navigator) door Barendsz. zelven daarop is
aangeteekend en dus een onwederlegbaar bewijs levert, dat
Spitsbergen door hem ~niet~ omzeild is. 2^{o}. dat de voornaamste
grond, waarop Beke de authenticiteit van het door Hessel Gerritsz.
in zijne ~Histoire de Spitsberghe~ medegedeelde journaal van
Barendsz. zelven betwist, (namelijk de vermelding daarin van den
naam Spitsbergen,) vervallen is door De Jonge’s ontdekking van Rijps
getuigenis, waarin men leest, dat reeds de eerste ontdekkers aan het
eiland den naam gaven, waaronder het later bekend bleef. (Opkomst, I
p. 24.) De andere reden, waarop Beke de echtheid daarvan betwist,
beteekent m. i. niets. Hij meent, dat Barendsz’. journaal
noodzakelijk na den dood van den schrijver in handen van De Veer had
moeten komen en dus met het journaal van den laatste in alle
opzichten overeenstemmen. De ~noodzakelijkheid~, dat het journaal
van den opperstuurman na diens dood aan een ondergeschikt, zij het
ook bevriend, persoon uit de bemanning ter hand gesteld werd, zie ik
volstrekt niet in. Maar ook al neemt men die aan, dan toch is het
~ondenkbaar~, dat de eerlijke Gerritsz., om de ontdekking van
Spitsbergen door de Nederlanders te bewijzen, terwijl hij uit het
journaal van De Veer eenige feiten overnam, de oppervlakkig
beschouwd zeer onwaarschijnlijke koersen langs nog grootendeels
onbekende kusten, die het door hem medegedeelde extract opgeeft, zou
~verzonnen~ hebben, ~zonder daardoor zijne argumentatie vóor de
ontdekking van Spitsbergen door Nederlanders ook maar iets sterker
te maken dan ze door de eenvoudige mededeeling van De Veer’s
journaal zou geweest zijn~. Het verschil in de opgaven der koersen
en hier en daar in het verhaal der omstandigheden, bewijst
voldoende, dat wij hier twee geheel zelfstandige werken voor ons
hebben. En dan verdient het journaal van Barendsz., dat minder
anecdoten, maar meer opgaven van koersen geeft, m. i. zelfs veel
meer vertrouwen dan de onduidelijke opgaven van De Veer, die
blijkbaar minder goed op de hoogte was. Nog meer: uit den tekst van
het door Gerritsz. medegedeelde uittreksel zelf blijkt m. i., dat
het aan het dagboek van den stuurman ontleend is. De uiterst
nauwkeurige mededeeling van de gevolgde koersen, van de gemaakte
waarnemingen, het geheel verwaarloozen van alles, wat aan het
verhaal voor den lezer iets aangenaams geven kan, stempelt het
fragment als een scheepsjournaal, een „logbook”, dat niet tot
lectuur bestemd is. Ik meen dus, dat het journaal van Barendsz. echt
is. Maar ook al neemt men dit niet aan, dan nog verdient het
fragment als zelfstandig werk van een blijkbaar beter ingelicht
persoon dan De Veer, wiens mededeelingen soms zeer onbestemd zijn,
alle vertrouwen. En Beke zelf geeft toe (Three voyages. p. LXXXIX
Noot), dat de daar beschrevene reis langs Spitsbergens westkust niet
ten noorden van het eiland plaats had. (Vgl. ook het verhaal der
reis van den goed ingelichten Van Meteren, Comment. ofte memor. fol.
CLIII,--en het verhaal door Hessel Gerritz. in de Detectio freti.
ed. 1613, F. 2 ~uit het journaal van De Veer~ opgemaakt.)--Zoo het
noodig was, bij deze afdoende argumenten tegen de omzeiling van
Spitsbergen door Barendsz. een ander te voegen, dan zou reeds het
door Beke zelf vermelde feit, dat Spitsbergen door Barendsz (en door
velen lang na hem) voor een gedeelte van Groenlands oostkust
gehouden werd (een feit, dat volstrekt niet strijdt met het geven
van den naam van Spitsbergen aan een gedeelte dier kust)
onverklaarbaar zijn, wanneer het eiland op de zoo algemeen bekende
reis van 1596/7 door Barendsz. omzeild was. (Vgl. o. a. Van Meteren,
Comment. fol. CLIII.--Zie ook: Hist. de Spitsberghe. p. 13, waar
gezegd wordt: „Du Fayre Forland au long de la coste il faut prendre
la route Nord nordest et Nordest, jusqu’es par dessus la hauteur de
80 degrés ~la ou Guilliaume Barenss. et Jean Corneliss. Rijp,
decouvrirent premièrement le Pays~”,--en van het noordelijke
gedeelte van den Foreland fjord: „c’est la mesme Baye la ou ont esté
Guilliaume Barenss. et Jean Corneliss. laquelle ils pensoyent passer
par derrière ou par dedans, mais ils n’y trouvoyent pas prou (?)
profond et y avoit de la glace, qui estoit ferme attaché au fond,
comme aussi a trouvé la Navire de Duynkerkes, selon qu’a raconté un
de leur Pilotes.” Het Duinkerksche schip was in 1613 op Spitsbergen
ter walvischvangst. (Hist. de Spitsb. p. 21.) Deze ijsdam, waarop
men stuitte, wordt nog op eene in 1631 vervaardigde kaart van
Spitsbergen (in: White, Greenland and Spitsbergen p. 253) als „The
Barr” aangeteekend.--Zie over de op deze reis aangedane plaatsen ook
de getuigenissen van Arend Martensz. en Antonie Claesz. Homan, in:
Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A., waar duidelijk het
Amsterdamsche eiland, de Foreland fjord en Bellsound opgegeven
worden.)
Nog een enkel woord over de beide verhalen van de ontdekking van
Spitsbergen: de ontdekking van het journaal van Barendsz. geeft een
zeer goede maatstaf voor de kritiek van De Veer’s reisverhaal. Ik
zeide reeds, dat de mededeelingen van Barendsz. in alle opzichten
den voorkeur verdienen. Niet alleen heeft Barendsz. als zegsman meer
gezag dan zijn onderhoorige, maar zijne opgaven zijn beter.
Barendsz. geeft gedurig uiterst nauwkeurig de richting op, die soms
verscheidene malen op één dag veranderd werd; De Veer zegt dikwijls,
dat de koers b.v. ~eenigszins~ noordelijk was zonder nadere
aanduiding. Barendsz. geeft elken dag het voorgevallene op; De Veer
slaat somtijds een paar dagen over. De Veer houdt zich niet alleen
dikwijls bezig met uitvoerige verhalen, die van geen belang zijn
(b.v. de tallooze gevechten met beeren), maar hij verwaarloost
daarom dikwijls zaken van meer belang, waarbij hij trouwens
misschien niet altijd tegenwoordig was, of die om andere redenen hem
als ondergeschikte dikwijls onbekend bleven. Maar vooral daalt het
journaal van De Veer in waarde, wanneer wij door de vergelijking met
dat van Barendsz. bemerken, dat hij zijn journaal niet dagelijks
bijschreef, maar later opgesteld heeft: hoewel in de hoofdzaak beide
verhalen volkomen overeenstemmen is de chronologie van De Veer
geheel verkeerd.--Van de andere zijde is het verwijt aan De Veer
gedaan, dat zijn verhaal niet te begrijpen zou zijn en de richting
van het schip niet te volgen (Beke, Three Voyages. p. LXXXV.--De
Jonge, Opkomst. I p. 23,--vooral: Asher, Hudson. p. CXXXIX)
onverdiend. Het schijnt mij duidelijk, dat de schepen, van
Beeren-eiland NW. gezeild (De Veer’s mededeeling van een NO. koers
wordt door de feiten weêrsproken; niettemin was men reeds op de reis
zelf het over de gevolgde richting niet eens: Rijp hield met De Veer
vol, dat zij NO. gezeild waren. cf. Hist. de Spitsb. p. 10), den 17
Juni ten NW. van Spitsbergen op het ijsveld stuitten, dat zich ten
noorden van het eiland uitstrekt. Westelijk deed zich geene opening
daarin op, zuidoostelijk scheen het in eene punt te eindigen. De
wind belette den reizigers die punt te omzeilen, maar hunne ZO.
richting had hen in de nabijheid van Spitsbergen gebracht, dat zij
den 19 ontdekten op ongeveer 79°50´ NB. en 13° OL. van Greenwich.
Den 20 volgden zij de kust in westelijke richting en zeilden den 21
den NW. hoek van het eiland om. 22 Juni onderzochten zij dien NW.
hoek (de twee eilanden en het schiereiland, waar zij de rotganzen
vingen, zijn zonder eenigen twijfel het Amsterdamsche en het
Deensche eiland met het schiereiland ten N. van de Magdalenabaai,
waarop nog de „Rotges- of Rotganzen-berg” ligt.) 23 Juni:
vergeefsche pogingen om NW. door den ijsdam naar de pool door te
breken, en daarop ~terugkeer~. Zij zeilen daarop „langs de westzijde
van het land.” 24 Juni: Cross-bay. 25-27 Juni: tusschen Spitsbergen
en Prince Charles’ foreland. 28 Juni: om Vogelhoek Z. langs de kust.
29 Juni: langs de kust tot de zuidpunt van het eiland. 30 Juni: ZO.
door de zee. 1 Juli: Beereneiland.--Barendsz.’ journaal komt ~in
hoofdzaak~ met deze beschrijving van den tocht overeen; vooral in de
chronologische volgorde der feiten verschilt hij echter nu en dan en
over het geheel geeft hij ook de gevolgde koersen veel nauwkeuriger
op.
[77] De koers van Rijp na zijne scheiding van Heemskerck wordt hier
voor het eerst medegedeeld. Ik ontleen dien voornamelijk aan de door
De Jonge gevonden getuigenis van Rijp zelven. (Opkomst. I p. 24.) De
woorden zijn niet overal duidelijk, maar in verband met de
mededeeling van De Veer op 1 Juli 1596 (en van Van Meteren, Comment.
ofte memor. fol. CLIII), dat Rijp op nieuw naar 80° NB. wilde zeilen
en wel ~oostelijk~ van Spitsbergen, en met de berichten van zijne
aankomst bij Vogelhoek, kan ik de woorden van Rijp: „et prist son
cours en amont (naar het noorden?) ~a tour d’iceluy pays~,” niet
anders verstaan dan door het omzeilen van Spitsbergen aan te nemen.
Daarmede stemt volkomen overeen het verhaal van Rijps plannen en
reis door Hessel Gerritsz. (Hist. de Spitsb. p. 10), die Barendsz.’
journaal voor zich had liggen.--Vgl. over de reis van Rijp ook:
Pontanus, Beschr. v. Amst. p. 168.
Onderwijl hadden Heemskerck en Barendsz. een geheel andere richting
gevolgd. Den 17 Juli kwamen zij in het gezicht van Novaya Zemlya. Op
nieuw volgde Barendsz. nu de noordwestkust van het eiland, die hem
reeds in 1594 bekend geworden was. Weken lang worstelde het schip met
het ijs en den 15 Augustus bereikte men eindelijk de Oranje-eilanden,
het verste punt der eerste reis. Ditmaal gelukte het verder te gaan.
Zuidoostwaarts de kust volgende zeilde men den Hoek van Begeerte om en
kwam 21 Augustus in de IJshaven aan, waar het schip geheel in het ijs
beklemd raakte. Hoe de Nederlanders hier van den 26 Augustus 1596 tot
den 14 Juni 1597 onder 76° NB. op eene onbewoonde barre plaats in een
hut van planken moesten overwinteren, hoe zij daarna in twee opene
schuiten de terugreis aannamen, hoe Barendsz. onderweg overleed, hoe
zijne lotgenooten na tallooze gevaren ontmoet te hebben eindelijk 2
September te Kola een Nederlandsch koopvaardij schip vonden, waarop hun
vroegere tochtgenoot Jan Cornelisz. Rijp kapitein was, en hoe zij van
daar 29 October in de Maas aangekomen te Amsterdam in hunne pelzen van
vossenvel rapport van hun wedervaren deden,--zijn zaken, die te bekend
zijn om ze hier uitvoerig te verhalen[78].
[78] Zie over deze reis: De Veer, Drie seylagien na de Coninckrycken
van Catthay ende China. (Derde reis.)--Ook: Hamel, Tradescant der
Aeltere. p. 148 Noot 1.
Het verslag, dat Heemskerck en de zijnen van hunne avontuurlijke reis
deden, was niet geschikt om tot verdere proefnemingen aan te moedigen.
Men mocht hen prijzen om den betoonden moed en volharding; men mocht hun
den lof geven, dat zij verder dan een hunner voorgangers in het noorden
waren doorgedrongen, te verhelen was het niet, dat de doortocht niet
gevonden was en dat, ook al had geen land de reizigers gestuit, de zee
zelve dicht bezet met drijfijs een bijna even onoverkomelijken
hinderpaal had opgeleverd. Men moest wel door eene harde
noodzakelijkheid gedrongen worden, wanneer men die bijna onbevaarbare
zee als handelsweg gebruiken wilde. En die noodzakelijkheid bestond
reeds niet meer. Waren reeds in het begin van 1596 de uitkomsten van
Linschotens reizen in Portugeeschen dienst bekend geworden, in hetzelfde
jaar als Heemskerck keerde Houtman met de eerste Nederlandsche vloot uit
Oost-Indië terug. De gewone weg, waarom men Spanje en Portugal steeds
zoozeer benijd had, was gevonden: wat behoefde men zich een nieuwen
doortocht te zoeken, die zooveel meer moeielijkheden aanbood?