Nog wilden de twee bondgenooten het niet opgeven: zij besloten tot eene

nieuwe poging. Maar eene noordpoolreis was geene zaak van gering belang:

„by de Kooplieden alleen konde ’t selfde seer qualijck te weghe

ghebracht worden sonder eenighe hulpe ofte assistentie midtsgaders d’

authoriteyt van ’t Landt daer toe te hebben[46].” Het vaderland had zich

tot bijstand onmachtig verklaard: men moest zich dus elders heenwenden.

Aan een terugkeer in Russische dienst viel voor Brunel niet te denken:

vernamen wij reeds, dat hij tijdens zijn bezoek aan Balak niet van plan

was zich bij de Russische onderneming naar het oosten aan te sluiten,

hoe zou men hem ontvangen, nu hij van het geheim den geheimzinnigen

Russen afgezien gebruik gemaakt had om den streng verboden handel op

Siberië zelf te ondernemen? Hoe zou men den ontwerper van het plan

beschouwen, terwijl de geldschieter Moucheron zelf, die nog in 1584

talrijke schepen naar de Witte Zee zond, daar met zulke wantrouwende

blikken werd aangezien, dat hij het raadzaam oordeelde den winstgevenden

handel eerlang te staken?[47] Maar eene andere mogendheid bleef hun

over. Denemarken, reeds lang misnoegd over de tochten naar de Witte Zee,

die zijnen Sondtol afbreuk deden, zou gaarne de gelegenheid aangrijpen

om zelf in het noorden machtig te worden. Daarheen wendde zich dan ook

eerlang Brunel en sloot uit naam van Moucheron met den koning eene

overeenkomst, waarbij Z. M. den Zeeuwschen koopman verscheidene

privilegiën schonk en hem zelfs ƒ 100,000 voor zijne moeite beloofde,

zoo hij den tocht wilde doen ondernemen en zijne kennis voor den koning

beschikbaar stellen. Maar ook ditmaal kwam er van de reis niets: mag men

Moucheron gelooven, dan »prefereerde hy den dienst ende welvaert van

deze landen” ten slotte boven het bevoordeelen van den vreemdeling, en

was dus zuivere vaderlandsliefde de oorzaak, dat hij zich ongeneigd

toonde den Deen te helpen[48].

[46] Linschoten, Voyasie ofte schip-vaert. (Voor-reden.)

[47] Contract van Moucheron met de Staten van Zeeland, bij: De

Jonge, Opkomst. I p. 17.

[48] Dit bericht heeft De Jonge bekend gemaakt uit het contract van

Moucheron met de Staten van Zeeland. (De Jonge, Opkomst. I p. 17.)

Maakt ook dit wel wat laat opgekomen gewetensbezwaar bij iemand, die zoo

goed wist wat hij wilde als de latere handlanger van Hendrik IV, een

eenigszins verdacht figuur, zeker is het dat Brunel minder nauwgezet

was. De wegen der beide krachtvolle mannen scheiden zich hier. Terwijl

Moucheron zich langzamerhand en in het geheim voor verdere

noordpoolreizen voorbereidde, zocht Brunel elders bevrediging voor zijn

onleschbaren dorst naar avonturen. Eenmaal in betrekking met Denemarken

bood hij den koning aan de lang verlorene Groenlandsche koloniën voor

hem te gaan opzoeken. Het aanbod van den ervaren noordpoolreiziger kon

niet anders dan welkom zijn aan eene natie, die reeds vroeger een paar

maal tochten met dit doel had ondernomen, en gretig werd dan ook de

voorslag aangenomen. Brunel trad dadelijk in Deenschen dienst en gaf

niet eerder zijne pogingen op, voordat drie vruchtelooze reizen, door

hem in achtereenvolgende jaren ondernomen, hem van de ijdelheid van zijn

streven hadden overtuigd[49].

[49] Dit interessante bericht omtrent Brunel heb ik gevonden bij:

Megiser, Septentrio Novantiquus (1613), die op p. 174 verhaalt:

„Innerhalb 100 Iahren haben die Dennenmercker den Strich oder Weg

dahin (d. i. naar Groenland) verlohren. Darumb dann beij vnsern

Zeiten, Olivier Brunel, ein wolerfahrner Stewrman dreij Iahr nach

einander vom König von Dennenmarck gegen Mitternacht gesandt worden,

diese Insul Gronland zu suchen.” Ik heb er een oogenblik aan

gedacht, of met die drie reizen in drie opeenvolgende jaren ook die

van Hall c. s. (1605-7) bedoeld zouden kunnen zijn.

Het komt mij waarschijnlijk voor, dat Brunel zich daarna in zijn

vaderland heeft nedergezet om krachtig mede te werken tot

verwezenlijking zijner geliefkoosde plannen en om de begeerte zijner

landgenooten naar betere kennis van het geheimzinnige noorden te

prikkelen. Wij weten toch, dat de latere noordpoolreizen der

Nederlanders voor geen gering deel aan zijne bemoeiingen moeten

toegeschreven worden[50]; wij kunnen nagaan, dat hij met Barendsz.

zelven uitvoerig over zijne ervaringen moet gesproken hebben[51].

Waarschijnlijk ging hij met zijne onderrichtingen voort tot aan zijnen

dood, die zeker op het einde der zestiende eeuw voorgevallen is: althans

in 1577 was hij »al een bedaeght man”[52]. Zijn naam bleef wijd en zijd

bekend: Engelschen en Nederlanders vermelden hem als iemand van gezag en

ondervinding[53]. Slechts de zorgeloosheid der geschiedschrijvers is

oorzaak, dat wij zoolang onbekend gebleven zijn met de lotgevallen van

eenen landgenoot, wiens naam als die van zoovele reizigers dier tijden

tot nog toe nagenoeg het eenige was, dat van hem ter onzer kennis was

gekomen[54].

[50] Hessel Gerritsz verhaalt (Beschr. v. d. Samoyeden-Landt. p. 2),

dat „de tochten der Engelschen ~ende van Olivier Brunel~” aanleiding

tot de Nederlandsche noordpoolreizen gegeven hebben.--Ik vermoed,

dat Brunel om tot die reizen aan te sporen zelfs eene brochure heeft

uitgegeven, waarin hij zijne lotgevallen in het noorden beschreef.

Het boekje is waarschijnlijk de aan prof. Fruin (Tien jaren p. 241

Noot 2) onbekend gebleven bron van Wassenaer.

[51] Dit maak ik op uit het feit, dat Barendsz. Kostin-sjar

~herkende~ volgens de beschrijving door Brunel daarvan gegeven. (De

Veer, Drie seylagien. Eerste reis. fol. 7.)

[52] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 93.--Het tijdstip van zijnen

dood maak ik op uit het feit, dat hij, bekend als hij was en na al

zijne bemoeiingen, niet voorkomt onder de bevelhebbers der drie

noordpoolreizen van 1594-97. Ook sprak Hessel Gerritsz. reeds in

1613 van zijne reis als die van „Oliverii ~cuiusdam~ Bunelli.”

(Descr. detect. freti, bij: Asher, Hudson. p. 237)--Ik geloof dan

ook niet, dat hij in 1606 bij de ongelukkige noordpoolreis van John

Knight tegenwoordig geweest kan zijn, wat men anders zou kunnen

opmaken uit de volgende mededeeling. Aan het einde van het journaal

der reis (bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 831) staat vermeld: „The

rest of this Iournall, from the death of Master John Knight, was

written by Oliuer Browne (of „Brownel”) one of the Company.” (De

laatste letter van den naam Brownel is niet duidelijk afgedrukt.)

Maar al is de lezing „Brownel” (de gewone Engelsche verbastering van

„Brunel”) juist, dan schijnt het toch vreemd, dat een oud en

ervaren, algemeen bekend zeeman als hij nog in eene ondergeschikte

betrekking zou gevaren hebben. Onmogelijk is het echter volstrekt

niet, dat wij hier een belangrijk bericht over den verderen

levensloop van onzen landgenoot bezitten. Dat Brunel te gelijk met

Knight uit Deenschen in Engelschen dienst overgegaan is en zoodoende

het noordwesten op nieuw bezocht, is op zich zelf niet

onwaarschijnlijk, te minder daar de Engelschman Josiah Logan nog in

1611 nauwkeurig wist te zeggen, hoe Brunel Kostin-sjar gevonden had.

(Beke, Three voyages. p. XLIII.) Ik maak hieruit op, dat deze

Engelsche noordpoolreiziger, die uit de ons bekende veel kortere

Nederlandsche berichten niet geput kan hebben, Brunel persoonlijk

moet gekend hebben. En bovendien zou het feit, dat Brunel zich na

zijne mislukte noordpoolreis in 1584 voortdurend in Deenschen en

Engelschen dienst bevond, zijne afwezigheid op de latere

Nederlandsche noordpoolreizen en Hessel Gerritsz.’ onbekendheid met

zijne lotgevallen voldoende verklaren.

[53] Vgl. de bij Beke (Three voyages. p. XLIII, XLIII) aangehaalde

gezegden van Barendsz., Hudson en Logan. Zie ook het contract van

Moucheron met Zeeland, bij: De Jonge, Opkomst. I p. 17.

[54] Ik ben in de beschrijving van het leven van Brunel uitvoeriger

geweest dan ik over de verdere Nederlandsche noordpoolreizen zijn

zal, omdat hetgeen over dezen persoon, die reeds vroeger de aandacht

der geschiedkundigen getrokken heeft, bekend is, gevonden wordt in

allerlei oude werken. De eenige, die er een overzicht van geeft

is--behalve De Jonge, die natuurlijk zeer kort is,--Hamel, wiens

boek door het geheele gemis van opgaven der bronnen minder

vertrouwen geniet dan het verdient. De drie nu volgende, beroemde

ontdekkingsreizen der Nederlanders zijn echter meer dan voldoende

bekend: ik zal dus bij het verhalen daarvan den tegenovergestelden

weg inslaan en mij zooveel mogelijk bekorten.

Maar waren ook zijne daden vergeten, de uitwerkselen daarvan zijn sinds

eeuwen wereldberoemd. Brunel zelf schijnt de uitvoering zijner plannen

niet meer beleefd te hebben, maar zijn deelgenoot Moucheron vatte met de

hem eigene energie het oude, niet vergeten plan weder met kracht aan,

zoodra hij een geringe kans van slagen zag. Gedurende de lange jaren,

dat de onderneming schijnbaar was opgegeven, had hij door zijne

bloedverwanten te Archangel en te Londen, door personen, die hij alleen

met dat doel naar Rusland zond, onvermoeid de meest volledige

inlichtingen verzameld over de kansen op eene noordoostelijke doorvaart

en de resultaten door Russen en Engelschen reeds verkregen[55]. In 1593

kon hij zich dan ook tot Maurits Van Nassau wenden[56] en, door dezen

aan de Staten aanbevolen, in December aan den thesaurier van Zeeland

Jacob Valcke en aan de Gecommitteerde Raden dier provincie zijne plannen

ontvouwen. De Staten van Zeeland toonden zich dadelijk geneigd tot

medewerking: zij boden Moucheron het bestuur over de onderneming aan en

1/3 van de in- en uitgaande rechten der langs den nieuwen weg te

vervoeren goederen, mits hij 1/4 van de kosten droeg. Toen echter de

zaak door eene conferentie van Moucheron met Maurits, Oldenbarnevelt,

Cant, Maelson en Valcke meer algemeen bekend werd, mengde zich ook

Holland daarin en beide provinciën besloten geheel op eigene kosten

zonder tusschenkomst van Moucheron den tocht te doen ondernemen. Den

ontwerper beloofden zij met eene som gelds of eene jaarwedde voor hem en

zijne nakomelingen te zullen beloonen. Moucheron moest, hoewel hij

liever zelf als aandeelhouder in de verwachte voordeelen der onderneming

had willen deelen, toegeven en hij sloot met de Staten van Holland en

Zeeland een contract, waarbij hij zich verbond hen voor de ontworpen

reis met zijne verkregen kennis bij te staan. Na lange beraadslagingen

en vele conferentiën met Moucheron werd eindelijk 11 Mei 1594 de

Instructie voor de expeditie vastgesteld en den 16 door de

Staten-Generaal bekrachtigd. Dit gewichtige stuk bevatte den last om de

Yugorsky-sjar, de straat tusschen het vaste land en het eiland

Vaigatsch, door te zeilen, te trachten over de Kara-zee het voorgebergte

Tabin te bereiken en van daar na alle kusten, eilanden, havens en

reeden, alle zeeën en andere wateren goed opgenomen te hebben, na de

nauwkeurigste waarnemingen omtrent vloed en eb en andere belangrijke

verschijnselen in het scheepsjournaal te hebben aangeteekend, onverwijld

huiswaarts te keeren. Het zoeken van den verderen weg werd voor eene

volgende reis bewaard[57].

[55] Zie hierover en over de verdere voorbereidingen tot de

expeditie: Linschoten, Voyasie ofte schip-vaert by Noorden om.

(Voor-reden.)--Contr. der Stn. v. Zeeland met Moucheron, als bijlage

achter de Notulen Zeeland 1594.--Le Petit, Gr. chron. anc. et mod.

II p. 651.--De Jonge, Opkomst v. h. Nederl. gezag in Oost-Indië. I

p. 14-18.--Een uitnemend en tot in bizonderheden volkomen juist

overzicht van de aanleiding en voorbereiding der Nederlandsche

noordpoolreizen vindt men bij: Fruin, Tien jaren. p. 238-54.--In:

Begin ende Voortgangh van de Oost-Indische Compagnie (Inleid. p. 1,

2) worden Jacob Valcke en Christoffel Roeltius, Thesaurier en

Pensionaris van Zeeland, en de bekende kooplieden Balthazar De

Moucheron, Jan Jansz. Carel en Dirk van Os als de voornaamste

aanleggers der noordoostelijke tochten genoemd. Eveneens bij: Van

Meteren, Comment. ofte Memor. fol. CXXV.

[56] Le Petit. Gr. chron. anc. et mod. II p. 651.--Linschoten,

Voyasie ofte schip-vaert by Noorden om. (Voor-reden.)

[57] „Instructie voor Wilhem Barentsz. waer naer hy hem sal hebben

te reguleren, omme die reyse by Noorden (Noua Sembla) om t’

ondersoucken ende te vinden naer ’t Coninckryck van China enz.” dd.

16 Mei 1594, in het Register der „Instructien zedert 1588 tot 1610.”

R.-A.

Ondertusschen had de Amsterdamsche regeering, wier opmerkzaamheid zich

weldra op de onderneming vestigde, het plan opgevat om voor zich een

aandeel in den roem en het voordeel daarvan te verkrijgen. Aangevuurd

door haren burger, den beroemden cosmograaph Petrus Plancius, besloot

zij tegelijk met de Staten-Generaal een schip voor eigene rekening naar

het noorden uit te zenden. De plannen, door de hooge regeering in

overleg met Moucheron gemaakt, droegen echter de goedkeuring der

Amsterdammers niet weg. Zij besloten de inzichten van Plancius te

volgen. Misschien onder den invloed der berichten van Brunel, die

ongetwijfeld van den Russischen handelsweg naar het oosten door

Matyushin-sjar ten noorden van Novaya Zemlya (~propria~) gesproken had,

verkondigde Plancius de leer, dat de weg door Yugorsky-sjar met vele

moeielijkheden verbonden was (de reis van Pet en Jackman had dit

voldoende bewezen) en dat men dus de voorkeur moest geven aan het zoeken

van eenen doortocht ten noorden van Novaya Zemlya[58]. De instructie,

aan de Amsterdammers door de Staten-Generaal gegeven, luidde dus, dat

zij overeenkomstig met deze begrippen den weg aan de beide andere

schepen voorgeschreven wel een eind ver moesten volgen, maar dat zij

vóor het bereiken van Novaya Zemlya daarvan moesten afwijken en trachten

dit land te omzeilen. Na het bereiken van kaap Tabin moest ook deze

expeditie na soortgelijke waarnemingen als de andere langs denzelfden

weg huiswaarts keeren[59].

[58] Tot het aannemen van Plancius’ meening werkte ongetwijfeld mede

de onzekerheid of Novaya Zemlya een eiland dan wel ten noordoosten

met het vaste land verbonden was. Was het laatste waar, dan voerde

de Yugorsky-sjar niet naar eene opene zee maar naar eene baai, die

geen uitgang ten oosten had. (Vgl. o. a. Hessel Gerritsz’

aanteekeningen op de kaart van Massa in: Beschr. v. d.

Samoyeden-Landt.--Ook de Instr. der Mosc. Comp. aan Bassendine c. s.

en aan Pet en Jackman, aangehaald hiervóor p. 17 Noot

2{[24]}.--Eindelijk nog: Philosophical Transactions. Vol. X (1675)

p. 418.)

[59] Instr. der Stn.-Gen. voor Wilhem Barentsz., dd. 16 Mei 1594,

in: Instructieboek der Stn.-Gen. 1588-1610. R.-A.

Wel niet te gelijk, maar toch op denzelfden dag (5 Juni 1594) verlieten

de beide expedities de reede van Texel. Den vorigen dag had men besloten

gezamenlijk den tocht tot Kildin te maken en Cornelis Cornelisz. Nay,

den kapitein van een der beide schepen van de Staten-Generaal, tot

opperbevelhebber van de geheele vloot benoemd. Den 23 Juni lag men te

zamen voor Kildin: spoedig daarop vertrok elk in de hem voorgeschrevene

richting. Wij zullen eerst de grootste der beide uitrustingen op haren

weg volgen.

De twee schepen, de Swane van Veere en de Mercurius van Enkhuizen,

uitgerust onder toezicht van Moucheron en Maelson, vertrokken 2 Juli

naar Vaigatsch. Op de Swane was kapitein Cornelis Cornelisz. Nay van

Enkhuizen, die meermalen voor Moucheron op de Witte Zee gevaren had,

stuurman Pieter Dircksz. Strickbolle van Enkhuizen, een zeeman, die

zijne ervaring mede in dienst der Moucherons had verkregen; als commies

was daar de bekende Francoys De la Dale, een bloedverwant van Moucheron,

die lang voor hem aan de monden der Dwina vertoefd had; Christoffel

Splindler, een Slavoniër die te Leiden gestudeerd had, ging als tolk

mede. Op de Mercurius was kapitein Brandt Ysbrandtsz. Tetgales van

Enkhuizen en stuurman Claes Cornelisz. uit dezelfde stad; de commies was

de beroemde Jan Huygen Van Linschoten. Wat kon men niet van de

vereenigde pogingen van zoovele ervarene en geleerde mannen verwachten!

Het resultaat der onderneming was, hoezeer ook door tijdgenooten

geroemd, slechts gering: de Nederlanders kwamen langs denzelfden weg als

Pet en Jackman ongeveer tot hetzelfde punt als hunne voorgangers. Reeds

dadelijk door drijfijs bemoeielijkt zeilden zij langs de Russische kust,

staken de Witte Zee en de Cheskaia-golf over en bereikten 18 Juli den

mond der Pechora. Den 21 kwamen zij bij Vaigatsch voor anker, zeilden na

vele onderzoekingen de Yugorsky-sjar door en bereikten 1 Augustus de zee

van Kara. Ook daar werden zij zeer door drijfijs gehinderd, maar na

moedig doorzetten kwamen zij 9 Augustus op omstreeks 71° NB. in eene

opene zee. Zij meenden daarom wel wat voorbarig de doorvaart naar Indië

gevonden te hebben en »stemden met een ghemeen accoort de Cours weder

naer ’t Vaderslandt te stellen om aldaer (hun Godt sulcks gunnende) dese

wel-gheluckte begonnen vaert, met blijdtschap te communiceren.” Aan

verschillende, zooals zij meenden door hen ontdekte plaatsen hadden zij

namen gegeven. Zoo noemden zij Yugorsky-sjar de straat van Nassau,

Vaigatsch het Enkhuizer eiland, de Kara-zee de Nieuwe Noordzee, twee

eilanden het Maelsons- en het Staten-eiland[60]. Fier op het resultaat

hunner reis, die hen naar zij meenden voorbij den Ob en in het gezicht

van kaap Tabin gebracht had, ontmoetten Nay en de zijnen den 16 Augustus

ten westen van Vaigatsch de Amsterdammers, die minder hoog van zich

zelven denkende in werkelijkheid aan het voorgestelde doel veel nader

gekomen waren.

[60] Vgl. over deze reis: Linschoten, Voyasie ofte schip-vaert by

Noorden om. (Eerste reis.)

Deze expeditie bestond uit slechts éen schip, de Mercurius, dat een

jacht of visschersschuit bij zich had. De geringe krachten der

onderneming werden echter ruimschoots opgewogen door de tegenwoordigheid

van Willem Barendsz. als kapitein. Het is voldoende zijnen naam te

noemen om voor den lezer dadelijk het beeld op te roepen van dezen

beroemden Terschellinger, den ervaren stuurman, die »~van syne kintsche

daghen aen~ altijt gheneghen gheweest was, omme nae alle syn vermoghen,

de Landen die hy bewandelde oft beseylde, Caertsghewyse met den

omloopenden Zeen, Wateren, ende Streckinghen af te beelden”[61],--den

vromen held, die volgens zijne zinspreuk »Niet sonder God”[62]

deed,--den man eindelijk, wiens karakter zijnen onderhoorigen tegelijk

diep ontzag en warme genegenheid inboezemde. Het is dan ook overbodig

meer over zijnen persoon te zeggen; van zijne vroegste lotgevallen is

het onmogelijk iets van belang mede te deelen.

[61] Barentzoen, Nieuwe beschr. ende Caertboeck vande Midlandtsche

Zee. (Voorrede.)

[62] Barentzoen, Caertb. vande Midlandtsche Zee. (Lofdicht.)--De

opvoeding van Barendsz. schijnt door Beke (Three voyages. p. LV) met

recht „good if not learned” genoemd te zijn: uit de opdracht van het

Caertboeck blijkt, dat hij Latijn verstond.

Den 29 Juni verliet de Amsterdamsche expeditie Kildin, den 4 Juli kreeg

zij Novaya Zemlya in het gezicht ten noorden van Matyushin-sjar. De lijn

der kust volgende bereikte Barendsz. reeds 10 Juli zonder vele

moeielijkheden kaap Nassau, het punt van waar de kust zich oostwaarts

wendt, maar reeds drie dagen later ontmoette hem veel ijs en het overige

gedeelte der reis ging daardoor met ontelbare bezwaren gepaard. Steeds

heen en weer zeilende kwam het schip eerst 29 Juli op 77° NB. bij het

noordelijkste punt van Novaya Zemlya, dat IJskaap genoemd werd, en twee

dagen later bij de Oranje-eilanden, die nog steeds de herinnering aan

Willem Van Oranje bewaren. Juist op dit punt, waar de lang gezochte zee

van Kara zich opende, moest Barendsz. zijne pogingen opgeven: de zee was

vol drijfijs en de bemanning weigerde verder te gaan. Men zeilde terug

geheel langs Novaya Zemlya tot de zuidpunt toe, miste echter

Matyushin-sjar, waar men juist de kust eenige dagen verlaten had, en

bereikte na lang omzwerven Vaigatsch. Den 16 Augustus ontmoette

Barendsz. daar Nay en de zijnen[63].

[63] Vgl. over deze reis: De Veer, Drie seylagien na de

Coninckrycken van Catthay ende China. (Eerste reis.)

Den 16 September 1594 kwam de verzamelde vloot behouden in het vaderland

aan. De bevelhebbers deden dadelijk verslag van hunne verrichtingen aan

Maurits, aan de Staten-Generaal en aan de Staten van Holland, in

tegenwoordigheid van eenen afgevaardigde van Zeeland. Het resultaat van

Nay’s reis, hoe gering het ons moge schijnen, en ook het verslag door de

Amsterdammers uitgebracht, waren wel geschikt om den Staten moed te

geven tot verdere pogingen. Beide ondernemingen hadden ten oosten van

Novaya Zemlya eene opene zee gevonden; beide konden meenen, dat de

bezwaren op eenen weg naar Oost-Indië niet onoverkomelijk waren.

Dadelijk werden dan ook de voorbereidende maatregelen getroffen om op

nieuw uit te zeilen. Door middel van den bekenden Emanuel Van Meteren,

Nederlandsch consul te Londen, werden inlichtingen ingewonnen van den

Engelschen geograaph Richard Hakluyt. Het bericht door dezen gegeven

luidde alleszins bemoedigend: Hakluyt geloofde, ook onafhankelijk van de

door de Nederlanders verkregen kennis, vast aan het vinden van den

noordoostelijken doortocht. Door al deze berichten was men in Nederland

vol hoop; men vreesde zelfs nu reeds mededinging van Frankrijk langs den

te vinden weg: men stelde voor de straat van Nassau te versterken en zoo

aan alle vreemde natiën den pas af te snijden; tot het verder

voortzetten der ontdekkingsreizen werd zonder aarzeling besloten.

Holland was de eerste provincie, die van de zaak sprak. Reeds in October

1594 werd de zaak daar in de statenvergadering behandeld. Ook Zeeland

toonde zich ijverig: Moucheron was den Staten weder met raad en daad

behulpzaam. Na langdurige conferentiën van Holland en Zeeland onderling

en van deze provinciën met de Staten-Generaal, werd 9 Mei 1595 tot het

ondernemen eener tweede reis op staatskosten besloten: de instructie

werd 16 Juni vastgesteld[64].

[64] De Jonge, Opkomst v. h. Nederl. gezag in Oost-Indië. I p. 20,

21.--De Instructie is afgedrukt in de „Voyasie” van Linschoten op

fol. 24.

Het plan dezer tweede Nederlandsche noordpoolreis leeren wij nauwkeurig

kennen uit de »pointen geproponeert opte Nauigatie benoorden om, naeden

Coninckrycken van China ende Japan.”[65] Het voornemen was zich 11 Juni

in het Marsdiep te verzamelen en van daar ten spoedigste langs Vaigatsch

naar kaap Tabin te zeilen. Twee jachten waren bestemd om de tijding van

het bereiken van dit moeielijk te naderen punt dadelijk in het vaderland

aan te brengen. De expeditie zou ondertusschen van kaap Tabin

voortstevenen »naede haeuen ende Stadt van Guinsay”, aldaar landen en

moeite doen om den vrijen handel te bekomen, vooral er op lettende »wat

Coopmanschappen aldaer aengenaem waren, ende voor retour herwaert

szouden wezen te becommen.” Dezelfde pogingen moesten de schippers,

wanneer het hun hier mislukte, herhalen in alle havens van Azië’s

oostkust tot aan het noorden van Japan. Slaagde men ook daar niet, dan

moesten de schepen terugkeeren om in Juli, Augustus of uiterlijk

September 1596 straat Nassau weder te kunnen passeeren. Evenals het

vorige jaar kreeg de bemanning last »van alles goede notitie te houden”

en twee jachten af te zenden om den terugweg benoorden Novaya Zemlya te

beproeven onder belofte van »eerlycke recompense extraordinarie by

succes.” Zooveel wat de reis zelve betrof; de Staten wenschten echter

reeds dadelijk de handelsbelangen te bevorderen en besloten »omme te

aengenamer te wezen in de voorszeide landen” »eenige Coopmanschap” aan

de schepen te doen medegeven. Ten einde de ondernemingszucht der

kooplieden, »die op zoe onzekere reyse niet gaerne en zouden

hazarderen,” te prikkelen, zou men hen »daertoe Inviteren” door de

belofte van vrijdom van in- en uitgaande rechten en van de vracht. Ook

kolonisatieplannen werden gekoesterd; ten minste men besloot, dat »oick

geleth soude werden oft men eenige quaetdoenders op het Landt soude

stellen.”[66]

[65] Zie dit merkwaardige stuk in de verzameling: Noordsche togten,

1. R.-A.--Deze „pointen” werden den 9 Mei 1595 in tegenwoordigheid

van Moucheron en andere gecommitteerden der Staten van Zeeland in de

vergadering der Staten-Generaal geresumeerd. Men besloot de reis ~op

die punten~ vermeerderd met de adviezen der comparanten en op eene

nadere instructie te ondernemen, en de kosten uit den opbrengst der

konvooien en licenten te vinden. (R. S.-G. 9 Mei 1595.)

[66] Daertoe werd besloten; Van Meteren (Comment. ofte memor. fol.

CXXV) verhaalt: „eenighe souden daer ontrent verwinteren, om te

weten hoe langhe den Winter ende ghevries daer duert, daer toe

ghereetschappe mede nemende om stoven op te stellen.”

Geschiedenis der Noordsche Compagnie · 第 4 / 52 段