Toen de Engelschen zich in 1553 aan den mond der Dwina bij het klooster

van St. Nikolaas gevestigd hadden, was er door hen geene moeite gespaard

om zich bij voortduring in het uitsluitend bezit van den handel op die

streken te handhaven[30]. Slechts gedurende korten tijd had hun dit

mogen gelukken; reeds twaalf jaren na de aankomst der Engelschen waren

de Nederlanders er in geslaagd het spoor hunner voorgangers ten minste

gedeeltelijk te vinden. In het jaar 1565 toch knoopte zekere Philip

Winterkönig, een banneling uit Wardöhuus, betrekkingen met Nederland

aan; een schip uit Enkhuizen kwam door zijne tusschenkomst naar de

plaats, waar spoedig Kola verrijzen zou[31]. Reeds het volgende jaar

(1566) durfden twee Antwerpsche kooplieden, Simon Van Salingen en

Cornelis De Meijer, van Kola langs de kust gestevend, de Witte Zee

inzeilen. Zij landden aan den mond van den Onega en reisden verder als

Russen verkleed overland naar Moscou[32]. Schijnt ook deze moedige

tocht, die geen ander doel had dan de regeling van partikuliere zaken,

niet dadelijk tot het vestigen van handelsbetrekkingen met de Witte Zee

geleid te hebben, de nederzetting te Kola bleef bestaan en nam weldra

maatregelen om den directen handel met de Dwina in te leiden. Zij zond

daartoe een vertrouwd persoon met Russische schepen naar Kholmogorui

(eene stad, dicht bij de Engelsche nederzetting op het Rozen-eiland

gelegen) om de Russische taal te leeren, waarschijnlijk ook om eenige

voor de vestiging van handelsbetrekkingen noodige inlichtingen in te

winnen. Die man was geen ander dan de vroeger zoo bekende[33],

tegenwoordig voor velen raadselachtige Olivier Brunel[34].

[30] Vgl. Hamel, Tradescant der Aeltere. p. 204-20.

[31] Hamel, Tradescant. p. 150 Noot, 293, 318.

[32] Hamel, Tradescant. p. 212 Noot, 318.

[33] Dat Olivier Brunel op het laatst der zestiende eeuw een persoon

van Europeesche vermaardheid was, blijkt reeds daaruit, dat bijna

alle berichtgevers (o. a. Gerrit De Veer, Moucheron, Logan en

Hudson) zijnen naam zonder eenige verdere aanduiding noemen.

[34] De berichten omtrent Brunel vindt men verzameld bij: Beke,

Three voyages. p. XXXVII-LI. De voornaamste bron (Wassenaer, Hist.

verhael. VIII fol. 93) is hem echter ontgaan. Aan den heer De Jonge

komt de eer toe, het eerst op dit allerbelangrijkste bericht de

aandacht gevestigd te hebben. Te groote bescheidenheid geeft echter

den schijn, alsof hij zijne mededeelingen over Brunel alleen aan

Hamel ontleend heeft, wiens verhaal door Beke zéer ten onrechte „a

hypothetical biographical memoir” genoemd wordt.

De nu bijna vergeten naam van Olivier Brunel verdient door den

toekomstigen schrijver onzer handelsgeschiedenis in hooge eer gehouden

te worden; ook in dit overzicht der Nederlandsche ontdekkingsreizen moet

hij de eerste plaats innemen. Brunel was niet alleen de grondlegger van

Nederlands handel op de Witte Zee, hij was ook onze eerste reiziger in

het noorden. Laat ons zien in hoeverre wij uit de hier en daar

verspreide losse berichten de levensgeschiedenis van dezen

belangwekkenden man kunnen reconstrueeren[35].

[35] Ik neem hierbij de hypothese van Hamel over, die Olivier Brunel

met Alferius vereenzelvigt. (Zie: Hamel, Tradescant. p. 316-19.) De

juistheid dezer scherpzinnige gissing (te scherpzinniger omdat Hamel

Wassenaers bericht slechts kende uit de verkorte mededeelingen van

Scheltema in zijn: Rusland en de Nederlanden. I p. 39) wordt ook

door De Jonge (Opkomst v. h. Nederl. gezag in Oost-Indië. I p. 10,

14) erkend. Daar deze echter de gronden zijner meening niet opgeeft,

wil ik ze hier mededeelen om aan het ongeloof van mannen als Beke

een einde te maken. Wij weten dan, dat in 1581 twee personen, beiden

den niet gewonen naam van Olivier dragende, waarvan de een „natione

Belga,” de ander „domo Bruxella” was, sinds lange jaren aan de Witte

Zee gewoond hadden. Neemt men in aanmerking, dat eerst in 1578 zich

eenige weinige Nederlanders voor het eerst daarheen begeven hadden,

dan is reeds deze overeenkomst vrij in het oog vallend. Beider

ontwikkeling was dezelfde: de een, Alferius was volgens Balak geen

geleerde maar een man van rijpe ervaring; de ander, Brunel, had zijn

leven als handelsreiziger in het noorden doorgebracht. Ook in beider

levensomstandigheden is er eene treffende overeenkomst: Alferius

„captivus aliquot annos vixit in Moscovitarum ditione, apud viros

illic celeberrimos Iakouius et Vnekius”; Brunel werd in Rusland

„eenighe jaren in gevanckenisse gehouden” en „daer uyt verlost door

de Ameckers, dat seer treffelycke koopluyden zyn, ende haer houden

tot Coolwitsogda”, die Brunel daarna „eenighe jaren gedient” heeft.

„Iakouius et Vnekius” werden reeds door Lütke, die van Brunel

waarschijnlijk niets wist, voor Iakov en Grigory Anikiew gehouden;

Hamel was overtuigd, dat met de „Ameckers” alleen de Anikiews te

Sol-Wütschegodsk bedoeld konden worden, hoewel zijn berichtgever

Scheltema „Coolwitsogda” (Sol-Wütschegodsk) willekeurig in „Cool”

(Kola) veranderd had. Alferius verder werd in 1581 naar Nederland

gezonden, Brunel ging daar jaarlijks heen, Brunel reisde dikwijls

over land naar Rusland, Alferius deed de reis langs de kusten der

Oostzee. Alferius was dikwijls in dienst zijner patroons aan den Ob

geweest, Brunel was jarenlang handelsbediende geweest bij Russen,

die jaarlijks op den Ob handelden; Alferius zou van Nederland uit

den noordelijken doortocht zoeken, Brunel is als de eerste

Nederlandsche noordpoolreiziger bekend. Eindelijk: Brunel was een

der bewerkers van de Nederlandsche noordpoolreizen en sprak daarover

met den Zuid-Nederlander Moucheron; Alferius was op reis naar den

Zuid-Nederlander Mercator, onder wiens medewerking Moucheron den

stoot gaf tot het ondernemen dier noordpoolreizen.--Al deze redenen

doen mij geen oogenblik aarzelen, voor Alferius Olivier Brunel te

schrijven: de enkele bezwaren wegen niet tegen deze groote

overeenkomst op.

Olivier Brunel werd in de eerste helft der zestiende eeuw te Brussel

geboren. Van zijne eerste levensjaren is ons volstrekt niets bekend. Men

kan gissen, dat hij reeds in 1565 met de eerste Enkhuizer schepen te

Kola gekomen is; men kan het er voor houden, dat hij, evenals vele

Zuid-Nederlandsche koopmansgeslachten, zooals de Moucherons, de Le

Maire’s, de Usselincxs en anderen, Alva’s dwingelandij ontvluchtende,

zich eerst later daarheen begeven heeft. Zeker is het, dat hij reeds

spoedig na de vestiging der Nederlanders te Kola de bovenvermelde reis

naar Kholmogorui aanvaardde. Het geluk diende hem daar niet: spoedig

door de Engelschen opgemerkt en als concurrent gevreesd werd hij door

hen als spion overgeleverd aan de Russische regeering, die hem te

Jaroslawl verscheidene jaren gevangen hield. Eindelijk daagde er voor

hem hulp op: de gebroeders Iakov en Grigory Anikiew[36], die tot het

aanzienlijke handelshuis der Stroganows te Sol-Wütschegodsk behoorden,

verzochten en verkregen van den czaar zijne vrijheid. De edelmoedige

kooplieden hadden alle reden zich over de weldaad aan Brunel bewezen te

verblijden: hun beschermeling nam ijverig en opmerkzaam deel aan de

jaarlijksche tochten, die de Russen naar het oosten ondernamen. Zoowel

te land door Samojedenland en Siberië, als ter zee langs de kust voorbij

de rivier de Pechora, bereikte hij met hen den door Engelschen en

Nederlanders vergeefs gezochten Ob. Op een dier reizen, die

waarschijnlijk nu en dan ook langs den in Rusland gewonen weg door

Matyushin-sjar gingen, werd hij door zijnen Russischen gids in

Kostin-sjar gebracht, eene zeeëngte die door dit bezoek aan Europa

bekend werd.

[36] Zie over de Anikiews en hunne plannen zeer uitvoerig: Massa,

Beschryvinge van Siberia, in: Hessel Gerritsz, Beschr. v.

Samoyeden-Landt. Zij hadden o. a. „eenighe van hunne Slaven ende

Knechten, tot 10 ofte 12 toe met de Samoieden in haer Lant gesonden,

bevelende de selve, dat se alle ’t Landt datse door-reysden, alles

wel neerstelyck bespieden souden, ende oock alle haer manieren,

wooningen, leven ende ghebaerden wel ordentelijck souden

op-teeckenen, om so van alles goedt rapport te doen, als sy weder

t’huys souden comen, d’welck eens geschiet zijnde, heeft hyse,

dieder geweest waren, wel ghetracteert, ende oock goede gunste

toe-ghedragen, dan heeft haer neerstelijck bevolen te swyghen, ende

oock heeft hy ’t neerstelijck by hem gehouden, sonder yemant daer

van te vermanen, maer heeft het Jaer daer aen volghende meerder

partye daer heenen ghesonden, oock eenighe zyner Vrienden, met

Coopmanschap van kleynder weerden, als Duytsche Cramerye, Bellen

ende dierghelijcke dinghen: dese zijn oock met gereyst, ende hebbent

oock gelijck als d’andere alles wel door-snuffelt ende doorsien,

ende reysden tot de Riviere Oby toe, door vele Woestynen, ende

verscheyden Rivieren, die daer vele zijn, ende maeckten met sommighe

Samoyeden aldaer groote Vruntschap ende Alliantie.... In somma,

door-saghen ’t alles, ende quaemen met rijckdommen van Bont weder

t’huys, ende hebbende Anica doen van alles verstaen, daer hy nae

wenschte, soo dreef hy met zyne Vrunsten eenighe Coopmanschappe op

die Landen, eenighe jaren langh, so dat dese Aniconij heel machtich

wierden.” Deze Aniconij „woonden inde Stadt Osoil, op de Riviere

Witsogda ghelegen.” Is het niet, alsof deze beschrijving een

commentaar is op het ons reeds van Alferius Brunel en zijne patroons

bekende? en is het wel gewaagd onzen landgenoot onder deze „Slaven

ende Knechten,” die de Aniconij „wel ghetracteert ende oock goede

gunste toe-ghedraghen hebben,” eene eervolle plaats aan te wijzen?

Weldra maakte de ondergeschikte zich echter voor zijne meesters nog

verdienstelijker door het openen van nieuwe wegen voor hunnen handel.

Met de Nederlandsche kolonie te Kola en met de behoeften van den

Nederlandschen handel goed bekend, opperde Brunel het plan om in het

westen eene gelegenheid te zoeken tot afzet der Russische producten. Om

dit plan uit te voeren vertrok hij zelf, begeleid door twee

bloedverwanten der Anikiews en met passen van den czaar naar Kola,

huurde daar een Nederlandsch schip en kwam behouden te Dordrecht aan.

Daar vonden de Russische bezoekers goede gelegenheid om hunne waren te

verkoopen. Het overblijvende gedeelte werd te Antwerpen en te Parijs

voordeelig geplaatst, en toen Brunel het volgende jaar bij zijne

patroons teruggekomen was, toonden dezen zich met het resultaat der reis

zeer ingenomen. Zij besloten tot het aanknoopen van geregelde

handelsbetrekkingen met Kola en van daar uit met Nederland. Zoo bezocht

Brunel jaarlijks als agent der Anikiews beide plaatsen.

Het duurde niet lang of hij maakte van zijne gunstige positie gebruik om

het plan uit te voeren, waarom hij jaren geleden met zoo ongelukkigen

uitslag in Rusland gekomen was. Hij trad in overleg met zekeren Jan Van

de Walle en in 1577 haalde hij dezen over om overland de reis naar

Rusland mede te maken. Van de Walle maakte zich zijnen tijd uitnemend te

nutte: reeds het volgende jaar werd het eerste Nederlandsche schip door

stuurman Jan Jacobsz mette Lippen van Alkmaar in den Pudoshemscomond

der Dwina voor anker gebracht. (1578.) Dit schip, uit Vlissingen

uitgezeild, behoorde aan Gillis Van Eychelenberg, gezegd Hoofman, een

Antwerpsch koopman te Middelburg gevestigd; als zijn agent was Jan Van

de Walle daarop aanwezig. Onder de schepen, die tegelijk met dat van

Hoofman in Rusland aankwamen, bevond zich reeds dadelijk dat van Adriaan

Crijt, een zeekapitein in dienst van den bekenden Balthazar De

Moucheron.

De handel van Nederland met de Witte Zee was zoodoende gevestigd.

Spoedig kwam Melchior De Moucheron zich als agent van zijnen

bloedverwant Balthazar aan den Dwina-mond vestigen. De

handelsnederzetting werd verlegd naar een haven bij het klooster van St.

Michiel; weinige jaren later verrees daar de stad Novo-Kholmogorui,

meestal Archangelsk genoemd. Na langdurige aarzeling waren de Engelschen

genoodzaakt hunne nederzetting op het Rozen-eiland te verlaten en zich

in de nieuwe reeds bloeiende koopstad te vestigen: de Nederlandsche

energie was hun te machtig, Nederlands handel bloeide weldra meer dan

die van Engeland, dat toch den weg gebaand had[37]. Dit alles uitvoerig

te verhalen ligt buiten ons bestek: wij keeren tot Olivier Brunel terug.

[37] Zie over de vestiging van den Nederlandschen handel op de Witte

Zee: Wassenaer, Hist. verhael. p. 89-93.--De Jonge, Opkomst. I p.

9-14.--Purchas, Pilgrimes. III p. 464.--Uitvoerig bij: Scheltema,

Rusland en de Nederlanden. I, en bij: Hamel, Tradescant, passim.

Reeds twee jaren nadat Brunel den Nederlandschen handel op Rusland had

bevestigd, vinden wij hem bezig met nog grootscher en avontuurlijker

plannen. Het was het jaar 1580, toen Pet en Jackman onder den toeloop

van duizenden op eene nieuwe noordoostelijke reis uitgevaren waren, toen

de geleerde wereld in gespannen verwachting den uitslag van deze poging

verbeidde. Ook aan den Dwina-mond zullen de Russen, die dagelijks met de

dienaars der Moscovische Compagnie in aanraking kwamen, zonder twijfel

kennis gekregen hebben van de verwachtingen, die men omtrent den

noordelijken doortocht koesterde. Niet te verwonderen was het zeker, dat

Russen, met de kusten der IJszee oneindig beter bekend dan de

Engelschen, van die meerdere kennis gebruik trachtten te maken, om aan

de plannen op het vinden van den noordoostelijken doortocht gebouwd deel

te nemen[38]. De Anikiews hadden reeds dadelijk een Zweedsch

scheepsbouwmeester in hun dienst, die zich bezighield met het bouwen van

twee tot die reis geschikte schepen. Brunel, de Nederlandsche

handelsreiziger, kreeg van hen den last om in Antwerpen bekwame

stuurlieden en matrozen te huren, al was het tegen hooge prijzen.

[38] Dat Engelsche en Russische kaarten Brunel tot zijne reis

aangespoord hebben, blijkt uit de mededeeling van Hessel Gerritsz

(Beschryvinghe van Samoyeden-Landt. p. 2), die trouwens met Brunel

en zijne daden reeds veel minder bekend schijnt dan Barendsz en

zijne tijdgenooten.--Overigens komt het mij waarschijnlijk voor, dat

de twee schepen, door de Anikiews uitgerust, eerder met de plannen

tot de verovering van Siberië omstreeks dien tijd in verband gestaan

zullen hebben, dan met het zoeken van den noordoostelijken

doortocht. Massa (Beschr. v. Siberia. p. 4) is zeer uitvoerig in het

verhalen van het aandeel door de Anikiews aan dien tocht genomen.

Op zijnen weg daarheen kwam Brunel in Februari 1581 op het eiland Oesel

in de golf van Riga, waar hij in de stad Arensburg eene samenkomst had

met zekeren Johan Balak, een cosmograaph met den beroemden Gerard

Mercator bevriend. Balak, die zeer veel belang schijnt gesteld te hebben

in ontdekkingstochten, gaf hem eenen aanbevelingsbrief aan Mercator te

Duisburg mede. Uit dezen brief, door Hakluyt bewaard, kennen wij de

plannen en inzichten van onzen landgenoot. Zoo Balak het ons niet

uitdrukkelijk verzekerde, uit de mededeelingen van Brunel zelven zouden

wij het reeds kunnen opmaken, dat hij, de koopman, geen geleerde was,

maar een man van rijke ervaring: zijne plannen getuigen niet van de

studie van Plinius, maar daarentegen van eene betrekkelijk nauwkeurige

kennis van de Siberische kusten.

Brunel was dan voornemens een schip van weinig diepgang in Nederland met

koopmansgoederen te beladen, in de Witte Zee eenige ervaren Russen te

huren, zich van den noodigen proviand te voorzien en in de maand Mei ter

ontdekking uit te zeilen. Oostwaarts voorbij het eiland Dolgoi

gestevend, wilde hij den mond der Pechora bezoeken, onderweg alle kusten

en zeeën nauwkeurig opnemen en zooveel mogelijk de afstanden bepalen.

Vooral den mond der Pechora wilde hij als een geschikt station voor de

heen- en terugreis nauwkeurig onderzoeken. Langs de kust door de

Yugorsky-sjar stevenende, de Karabaai overstekende, meende hij spoedig

aan den Ob te zullen komen. Eenige van de vele monden dezer rivier wilde

Brunel opnemen en dan twaalf dagen de rivier stroomopwaarts opzeilen

totdat hij aan de plaats kwam, waar een andere groote rivier, de Yaks

Olgush genaamd (de Taz-rivier?), zich in den Ob uitstortte. Op zijne

reizen overland was hij vroeger reeds op die plaats geweest, waar de

inboorlingen hem verzekerd hadden, dat zij, wanneer zij daarheen varende

den Ob in drie dagen waren overgestoken, rijke scheepsladingen door

zwarte menschen de rivier (namelijk de Yaks Olgush) hadden zien

afvoeren. Eene nabijgelegene rivier, de Ardoh (de Keta of de Taimyr?),

die zich in het meer van Kittai[39] (Keta of Taimyr?) uitstortte,

begrensde dan ook het land, bewoonde door de Carrah Colmak, dat niets

anders was dan het rijke en beroemde Cathay. (Khatangsk?) Brunel hoopte

daar te overwinteren en het volgende jaar naar de Witte Zee terug te

keeren.

[39] China heet volgens Hamel in het Russisch nog steeds Kittai.

Dit was het plan, dat de oudste Nederlandsche noordpoolreiziger zich had

voorgesteld. Tot den mond van den Ob had hij zijne eigene ondervinding

om hem te leiden. Verder moest hij alleen op de onvolkomene berichten

der Samojeden afgaan. En dat dezen geene veilige gidsen waren, blijkt

reeds bij eene oppervlakkige studie der kaarten. De verwarring, door

Plinius’ berichten gesticht, was nauwelijks grooter dan die, waartoe de

verhalen der wilde stammen Brunel brachten. Tot den Ob kunnen wij hem

volgen. Maar zoo al de gissingen, hier en daar over zijn verderen tocht

uit de overeenkomst van naam en ligging door mij gewaagd, juist zijn, in

ieder geval blijkt het, dat de opgaven der afstanden voorbij den Ob

geheel verkeerd zijn. En Brunel zou zeker spoedig hebben bemerkt, dat

bij den Ob zijne reis eerst begon.

De ontwerper zelf was van de deugdelijkheid zijner plannen overtuigd.

Niet echter zijne Russische weldoeners, het vaderland moest het voordeel

genieten, dat de jarenlange nasporingen van den handelsreiziger zou

beloonen. Nu hij zelf eindelijk de noodige kennis voor het aanvaarden

der reis verkregen had, besloot Brunel dadelijk, de liefde tot het

vaderland hooger stellende dan de dankbaarheid, om eenige kooplieden in

Nederland voor zijn plan te winnen. Dadelijk na zijne aankomst stelde

hij alles in het werk om tot de verwezenlijking zijner geliefkoosde

denkbeelden te komen. Ik geloof dan ook niet, dat het gewaagd is aan te

nemen, dat het op zijnen aandrang was, dat eenige kooplieden aan prins

Willem I het voorstel deden om door het noordoosten eenen weg naar

Oost-Indië te zoeken, mits de regeering hen ondersteunde. De bekende

Middelburgsche koopman Balthazar De Moucheron[40], de beroemde geleerde

Gerard Mercator[41], beiden evenals Brunel Zuid-Nederlandsche ballingen,

beiden met hem goed bekend, schijnen aan dit plan niet vreemd geweest te

zijn. De toestand des lands was echter te benard, dan dat de regeering

het op zich had kunnen nemen veel geld te wagen in ondernemingen,

waarvan de uitslag zoo twijfelachtig was als van deze. Hoe ingenomen de

prins persoonlijk met het plan zijn mocht, aan ondersteuning van

staatswege viel dus niet te denken.[42]

[40] Zie over Moucheron: De Jonge, Opkomst v. h. Ned. gezag. I p.

109-12.

[41] Moll, Zeetogten der Nederl. p. 46.--Reeds lang vóor 1581 had

Mercator, volgens den brief van Balak, van de reizen naar den

noordpool bizondere studie gemaakt.

[42] De Jonge, Opkomst. I p. 15.--Linschoten, Voyasie ofte

schipvaert by Noorden om. (Voor-reden.)

De beide ondernemende Zuid-Nederlanders, Brunel en Moucheron, lieten

zich echter niet afschrikken. Het komt mij hoogstwaarschijnlijk voor,

dat in 1584 op kosten van Moucheron de eerste Nederlandsche

noordpoolreis ondernomen werd[43]. Hoe dit zij, zeker is het, dat aan

Brunel de eer dier eerste reis toekomt. Met een schip van Enkhuizen--de

stad, die reeds sinds 1565 handel dreef op Kola,--vertrok de onvermoeide

reiziger »lange voor Willem Barentszoons reis” naar het noorden om het

verre Cathay te bereiken. Evenals al zijne navolgers, die, kooplieden in

merg en been als de Nederlanders waren, zich ook op zulke gevaarlijke

reizen niet van den handel wilden onthouden[44], hield ook Brunel zich

onderweg bezig met het aanknoopen van handelsbetrekkingen met de

Samojeedsche stammen. Zijne pogingen waren hem echter noodlottig: nog

voordat hij Novaya Zemlya bereikt had, nam zijne reis een einde. De

rivier de Pechora, die hij blijkens den brief van Balak reeds vroeger

als zeer ondiep had leeren kennen, verzwolg zijn schip, dat reeds met

eene rijke lading kostbare handelsartikelen (pelterijen, bergkristal en

Russisch glas) bevracht was[45].

[43] Ik maak dit op uit het bericht van den hier zéér welingelichten

Middelburgschen notaris Le Petit (Gr. chron. anc. et mod. II p.

651), die op het jaar 1594 verhaalt, dat Balthazar De Moucheron

„s’asseurant sur cela (d. i. de berichten uit Rusland over de

mogelijkheid van den noordelijken doortocht) ~oultre la petite

espreuve que dix années auparavant il en avoit desia faite~,

advertit le prince Maurice de la délibération qu’il avoit de

chercher ledit passage.” Moucheron deed juist in 1584 met kracht

eene uitrusting op de Witte Zee en wij weten, dat hij dien handel

sedert, „mits dat zijnen naem in desen eenichsins kennelic ende

ruchtbaer gemaect was, nyet en heeft moghen ofte derven vervolgen

ende continueren.” (De Jonge, Opkomst. I p. 15, 17.)--Wel verhaalt

Linschoten (Voyasie, Voor-reden) dat „etlijcke Kooplieden ende

andere dese Noordtsche Vaert ofte ondersoeckinghe langhe ghesocht

hebben op de baen te brenghen; maer dat dat altijdt achterghebleven

is tot op het Iaer 1593,” maar het bericht van den anders natuurlijk

zeer betrouwbaren getuige is toch bepaald onjuist, daar wij weten

dat Brunel omstreeks 1584 eene mislukte reis deed. Het eenige, dat

tegen het noemen van Moucheron als reeder van Brunels schip pleit,

is het feit, dat deze laatste uit Enkhuizen vertrok, terwijl de

Moucherons zooals men weet te Middelburg, later te Veere gevestigd

waren.

[44] Zoo moest b. v. ook de tweede noordpoolreis (van 1595) volgens

de Instructie alleen dienen om handelsbetrekkingen met Cathay en

andere Aziatische landen aan te knoopen: verder dan Japan mochten de

schepen nog niet gaan.

[45] Van Meteren, Comment. ofte memor. fol. CXXV. („Sints,” d. i. na

Pet en Jackman in 1580, „heeft Olivier Brunel uyt Hollant de

Noordooste passagie ghesocht, ende ontdeckte”, d. i. onderzocht (?),

„de Reviere van Pechora.”)--Beschr. v. d. Samoyeden-Landt. p.

2.--Ook Van Dam (Gesch. der O.-I. C. MS. R.-A.) spreekt van

vruchtelooze noordpoolreizen, door Nederlanders op het voetspoor der

Engelschen ~reeds vóor~ 1594 ondernomen.

Geschiedenis der Noordsche Compagnie · 第 3 / 52 段