aandrijven gereed het voorgestelde doel, de ontdekking van nieuwe
landen, te bereiken. Reeds in 1553 zeilde eene expeditie naar het
noordoosten. In plaats van Cabot, die te oud was om persoonlijk de
ontberingen eener noordelijke ontdekkingsreis te verduren, werd Sir Hugh
Willoughby, een ervaren krijgsman van aanzienlijke familie[19], aan het
hoofd der onderneming gesteld. Als opperstuurman werd hem de bekwame
Richard Chancellor toegevoegd. De drie schepen, waaruit de kleine vloot
bestond, de Bona Esperanza, de Edward Bonaventure en de Bona
Confidentia, verlieten de haven van Ratcliff den 10 Mei 1553. Geheel
Engeland zag met belangstelling den uitslag der onderneming te gemoet.
Het resultaat was dubbel belangrijk. Niettegenstaande een hevige storm
reeds spoedig op de kust van Noorwegen den Edward Bonaventure, met
Richard Chancellor aan boord, van de overige schepen scheidde, zeilden
beide afdeelingen moedig voort. Willoughby ontdekte den 14 Augustus
Novaya Zemlya. Hij bereikte dat gedeelte van het eiland, dat de
Ganzenkust heet en dat op de nieuwste kaarten ter zijner eere
Willoughby-land genoemd wordt[20]. Het ijs belette hem te landen en na
vruchteloos getracht te hebben noordwaarts te zeilen besloot hij de
Russische kust op te zoeken. Hij bereikte den mond van de rivier
Warsina, waar het ijs hem insloot. In deze zeer ongunstig gelegen haven
in eene verlatene streek moesten de daarop niet voorbereide schepen
overwinteren. Het volgend voorjaar vonden de Laplanders ze beiden
ingevroren: de geheele bemanning was van koude en gebrek omgekomen.
[19] Zie over den persoon en de familie van Willoughby met zeer
overdrevene uitvoerigheid: Hamel, Tradescant der Aeltere. p. 91-104.
[20] Dat Willoughby-land en de Ganzenkust identiek zijn, wordt nu
algemeen erkend. (Beke, Three voyages by the north-east. p.
V.--Asher, Hudson the Navigator, p. CXXIV, CLVIII.--Hamel,
Tradescant der Aeltere. p. 110.) De eer van dit overtuigend bewezen
te hebben komt toe aan Rundall. (Voyages towards the north-west. p.
III-VI.)--Tot zoover is men het eens; over de quaestie of Willoughby
~na~ de ontdekking van Novaya Zemlya ook Spitsbergen heeft gevonden
~kan~ nog eenig verschil bestaan. Bij de overtuigende gronden door
Rundall (l. c. p. VI-XII) ~tegen~ dit gevoelen aangevoerd, zou men
m. i. nog deze kunnen voegen, dat het onwaarschijnlijk, ja bijna
onmogelijk is, dat Willoughby in een reis van negen dagen door eene
altijd met ijs bezette zee (terwijl hij in het gunstigste geval
slechts ~drie~ dagen noordelijk gezeild is en overigens meest
zuidoost of zuidwest) den grooten afstand heeft afgelegd tusschen
Novaya Zemlya’s zuidwestpunt en Spitsbergen.
Van meer dadelijk belang voor de compagnie was het resultaat door
Chancellor bereikt. Met zijn schip, waarvan de bekende Stephen Burrough
kapitein was, oostwaarts gezeild, kwam hij in de Witte Zee en landde 24
Augustus 1553 aan den mond van de Dwina. Welwillend ontvangen
overwinterde de bemanning aldaar. Chancellor zelf vertrok over land naar
Moscou, waar hij den czaar bereid vond tot het aanknoopen van
handelsbetrekkingen. Dit heugelijk bericht, door hem het volgende jaar
aan zijne lastgevers overgebracht, gaf aanleiding tot het aanknoopen van
een geregeld verkeer tusschen Engeland en den mond der Dwina, waar
spoedig op het Rozen-eiland bij Kholmogorui eene kolonie van Engelschen
verrees[21].
[21] Zie over het handelsverkeer tusschen Engeland en Rusland
voornamelijk in de eerste twintig jaren: Hamel, Tradescant der
Aeltere 1618 in Russland. In dit zeer geleerde, zeer onsystematisch
bewerkte en met vele onbelangrijke kleinigheden opgevulde boek vindt
men over dezen handel nauwkeurige en uitvoerige berichten van het
grootste belang, die grootendeels uit de voor ons zoo moeielijk
toegankelijke Russische archieven geput zijn.
Niettegenstaande deze handel weldra bijna alle aandacht der jeugdige
compagnie tot zich trok, werden toch de pogingen tot het ontdekken van
den noordoostelijken doortocht naar Oost-Indië niet opgegeven. Reeds in
1556 werd Stephen Burrough, die kapitein was geweest van Chancellors
schip, uitgezonden om nadere kennis omtrent de noordoostelijke zee te
verkrijgen en bepaaldelijk om den mond van de rivier den Ob te
verkennen. Met een klein schip de Searchthrift verliet hij 23 April
Gravesend, bevond zich 9 Juni te Kola, stak verder oostwaarts gezeild
den mond der Witte Zee over en volgde van daar nagenoeg de lijn der
Russische kust. Langs het eiland Kolguev bereikte de moedige zeeman den
31 Juli Vaigatsch, waar hij landde; hij zag Novaya Zemlya en ontdekte
den ingang naar de zee van Kara, de breede naar hem genoemde
Burroughs-straat, ook wel Kara-straat geheeten[22]. Maar toen hij de nog
door geen Europeaan bezeilde zee was ingevaren, vond hij het ijs daar in
zulke hoeveelheden ronddrijven, dat hij het ongeraden achtte verder te
gaan. Den 5 Augustus keerde hij terug en kwam 11 September behouden te
Kholmogorui aan.
[22] Dat deze straat later voor de noordpoolreizen zelden of nooit
meer gebruikt werd, is waarschijnlijk aan hare ondiepte toe te
schrijven. Massa teekent toch daarbij op zijne kaart (in Hessel
Gerritsz’ Beschr. v. Samoyeden-Landt) aan: „Hier machmen by hoogh
water overvaeren, anders ist droogh.” Witsen (Noord en oost
Tartarye. p. 921) is van een ander gevoelen en verhaalt, dat „de
Moskoviten de vaert benoorden ’t Eiland Waigats na de Binnen-zee
schouwen, maer meest altoos de doortogt naest aen de vaste Kust
gebruiken, hoewel de Noorder-straet het diepste is. Zy zyn
vreesachtig,” voegt hij er bij, „dat van die zyde meer gevaer is, om
dat aldaer de meeste Ys-schollen zoude(n) zyn.”
Hoezeer deze reis de geographische wetenschap eene belangrijke schrede
voor uitbracht, waren hare praktische resultaten eer ontmoedigend dan
verblijdend. De zekerheid was wel is waar verkregen, dat de hinderpaal,
die zich zoo onverwachts in de IJszee tot ver in het noorden uitstrekte,
den toegang naar het oosten niet geheel sloot, maar men had zich tevens
kunnen overtuigen, dat de verdere weg naar Oost-Indië met vele bezwaren
bezet was,--dat niet alleen kaap Tabin, het doel waarnaar ieder zeeman
streefde, maar zelfs de mond van den Ob niet gemakkelijk te bereiken
was. Onder deze omstandigheden besloot de compagnie, meer en meer door
den handel op de Dwina beziggehouden, eenen weg in te slaan, die
waarschijnlijk spoediger tot resultaten van praktisch belang zou leiden
dan de tot dusver beproefde. Verschillende pogingen werden door Anthony
Jenkinson op haren last aangewend om overland het rijke Cathay te
bereiken en onderweg handelsbetrekkingen met Perzië aan te knoopen.
Maar dit plan mislukte volkomen: de onderlinge oorlogen der aldaar
wonende stammen beletten, dat er een vreedzame handelsweg door Azië’s
binnenlanden geopend werd[23].
[23] Hamel, Tradescant der Aeltere. p. 199-203.--Read, Henry Hudson.
p. 55, 59.
Toen het zoodoende gebleken was, dat de weg overland aan meer bezwaren
en meer wisselvalligheden onderworpen was dan die over zee, sloeg de
compagnie den ouden weg op nieuw in. Herhaaldelijk beproefde zij van de
noordelijke kusten ten minste eene eenigszins nauwkeurige kennis te
verkrijgen. Het doel was bij die tochten niet zoozeer het omzeilen van
kaap Tabin,--de onverwachte ontdekking van Novaya Zemlya schijnt de
toenmalige geographen aan de juistheid van Plinius’ mededeelingen te
hebben doen twijfelen,--maar voornamelijk om te onderzoeken of ergens
voorbij den Ob de kust zich al dan niet noordwestwaarts omwendde en door
aansluiting aan Novaya Zemlya’s noordoostpunt een baai vormde, die aan
alle verdere pogingen om den doortocht naar Oost-Indië langs dien weg te
vinden eens en voor goed een onoverkomelijken hinderpaal in den weg
moest leggen. Tevens werd den reizigers op het hart gedrukt om te
onderzoeken, of het door Willoughby ontdekte land al dan niet verbonden
was met het door Burrough geziene Novaya Zemlya, en om te ontdekken
hoedanig de gesteldheid was van de kusten van den Ob en van de bewoners
dier streken.[24]
[24] De instructiën aan Bassendine c. s. in 1568 en aan Pet en
Jackman in 1580 door de Moscovische Compagnie gegeven, zijn nagenoeg
volkomen eensluidend wat het doel der reis betreft. Men moet echter
uit dit feit geene conclusiën trekken over de algemeene verspreiding
der daarin vervatte beschouwingen, immers ~beide~ stukken zijn van
de hand van den bekenden William Burrough. (Hamel, Tradescant der
Aeltere. p. 223 en vooral p. 185 Noot 1.--Beke, Three voyages. p.
XXV.) De lijst van geschriften van W. Burrough in de inleiding van
Hakluyts Divers voyages (p. LXI) moet dus met deze beide vermeerderd
worden.
Van de tochten met dit oogmerk ondernomen zijn ons slechts zeer
onvolledige berichten bewaard gebleven. Slechts van éene reis, die van
Arthur Pet en Charles Jackman in 1580, kunnen wij een eenigszins
volledig overzicht geven. Evenals in 1553 was de belangstelling in dezen
tocht, waaraan men een meer dan gewoon gewicht schijnt gehecht te
hebben, in Engeland zeer levendig. Met twee schepen, de George en de
William, verlieten Pet en Jackman, twee ervaren zeelieden, 31 Mei 1580
de reede van Harwich. Reeds den 24 Juni, niet ver voorbij Wardöhuus,
moest echter Jackman tot herstel van zijn ontredderd scheepje--de
William--de kust opzoeken. Pet zette zijne reis moedig voort: hij
bereikte, Willoughby’s spoor volgende, Novaya Zemlya nagenoeg op
dezelfde plaats als zijn voorganger en maakte zoodoende de identiteit
van Novaya Zemlya en Willoughby-land voor goed uit, een feit, waarop
door de toenmalige geographen echter geen acht geslagen is. Op eenigen
afstand van de kust--ijs en mist beletten hem haar geheel te
volgen--zeilde Pet langs Novaya Zemlya, miste den ingang van
Burroughs-straat, die vol ijs zat, en kwam 17 Juli in de baai van
Pechora aan. Bij de eerste goede gelegenheid vertrok hij weder van daar;
volgde de Russische kust en ontdekte de tweede opening, die toegang
verleent tot de zee van Kara, Yugorsky-sjar, door de Hollanders later
straat van Nassau, door de nieuwere geographen echter naar haren
ontdekker Pets-straat genoemd. Na vruchtelooze pogingen om door het ijs
te breken, ontmoette onze reiziger volgens afspraak zijnen tochtgenoot
Jackman bij Vaigatsch. Beide bevelhebbers besloten nu noordwaarts te
zeilen om eene ijsvrije zee te zoeken, maar vruchteloos! Na eene nieuwe
beraadslaging besloot men de reis op te geven en den terugtocht aan te
nemen. Pet kwam 26 December behouden te Ratcliff aan, Jackman
overwinterde in eene Noorweegsche haven en men heeft sedert dien tijd
niets meer van hem vernomen.
Van de overige expedities, door de Moscovische Compagnie omstreeks dezen
tijd uitgezonden, weten wij uiterst weinig.[25] Uit verspreide berichten
vernemen wij, dat er in 1568 een plan heeft bestaan tot eene expeditie
met geheel hetzelfde doel als die van Pet en Jackman, onder Bassendine,
Woodcocke en Browne, en dat deze expeditie waarschijnlijk vertrokken is.
Vóor 1584 zijn er nog verschillende andere reizen door Engelschen
gemaakt met het doel om den mond van den Ob te vinden, en wel niet
zonder belangrijke resultaten, die echter ongelukkig alle voor de
wetenschap verloren zijn gegaan. De eerste dier reizen had ten gevolge
het vinden van den weg ter zee naar den mond van den Ob, eene
wetenschap, die aan Europa niet bekend werd, daar alle deelnemers aan de
expeditie door de Samojeden vermoord werden.[26] Zekere Anthony Marsh,
onbekend met het resultaat door zijne landgenooten verkregen, deed in
dienst der compagnie nogmaals den landweg beproeven. Een Rus met name
Bodan, bereikte op zijnen last zoodoende den Ob weder, maar de czaar
keurde dergelijke proefnemingen ten sterkste af: hij zette Bodan
gevangen, ontnam hem zijn rijke voorraad koopmansgoederen en belette
daardoor op nadrukkelijke wijze alle verdere proefnemingen met
gebruikmaking van de verkregen kennis. Marsh beraamde eindelijk in 1584
een nieuw plan om den Ob te bereiken. Eenige Russen zouden voor hem in
twee vaartuigen de rivier de Pechora opzeilen, van daar door eene andere
rivier, door hen Ouson genoemd (de Ussa?), in den Ob komen en dien met
den stroom afzakken. De Russen gaven aan Marsh de keus tusschen dezen
weg en dien door Mathijs-straat over de zee van Kara naar den mond van
den Ob. Of er ooit iets van deze onderneming gekomen is, is niet bekend.
Eene ontdekking van niet minder belang was de kennis, die Marsh door
deze Russen verkreeg van het bestaan en de ligging van Mathijs-straat
zelve (Matyushin-sjar tusschen Novaya Zemlya en Mathijs-land), de derde
en voor zoover bekend is de laatste weg naar de zee van Kara[27].
[25] Zie intusschen daarover: Hamel, Tradescant. p. 313, 22.
[26] Zie over deze reis breedvoerig: Hamel, Tradescant der Aeltere.
p. 322 Noot 2. Hamel plaatst haar op goede gronden in 1581 en maakt
het waarschijnlijk, dat Jackman en de zijnen de moedige reizigers
geweest zijn, die hier den dood vonden.
[27] Van een vierden weg door Novaya Zemlya naar de zee van Kara,
tusschen Mathijs-land en Lütke’s-land wordt het bestaan wel vermoed;
het is echter nog niet gelukt hem te ontdekken. Hamel (Tradescant.
p. 321) gelooft er niet aan.
Hoe belangrijk de tot 1584 verkregen uitkomsten zijn mochten, men kon
zich niet verhelen, dat men na dertig jaren zoekens nog slechts éene
schrede op den moeielijken weg naar Oost-Indië gevorderd was. Ook nu men
den mond van den Ob bereikt had, bleven de grootste hinderpalen op dien
weg zelfs ondoorzocht. Volgde men Plinius’ uitspraken, dan bleef de
verre noordelijkste punt van Azië kaap Tabin nog steeds in het duister;
het bleef twijfelachtig of op zulk eene noordelijke hoogte de zee
bevaarbaar was. En de vrees, dat de zee van Kara niets dan eene groote
baai zou zijn, die den weg naar Oost-Indië afsloot, was niet weggenomen.
Onder deze omstandigheden schijnt de compagnie, die nu reeds naar haren
uitgebreiden handel op de Witte Zee terecht den naam van Moscovische
droeg, besloten te hebben aan dien handel al hare aandacht te wijden.
Noch Hakluyt, die zooveel belang gesteld had in de noordpoolreis van
1580 en wiens beroemd werk ~Principal Navigations~ eerst in 1589
verscheen, (de tweede editie is van 1598),--noch Purchas, die de
wetenschappelijke nalatenschap van dezen uitnemenden geleerde in
materiëelen en immateriëelen zin aanvaardde, melden iets van Engelsche
ontdekkingsreizen naar het noordoosten na 1584. De reis van Pet en
Jackman schijnt de laatste expeditie van eenig belang geweest te zijn,
door Engelschen uitsluitend tot het doen van ontdekkingen naar het
noordoosten uitgezonden, totdat de opmerking, dat de IJszee in den
walvisch een onmetelijken rijkdom in hare wateren verborg, op nieuw tot
het opsporen van onbekende landen aanzette[28].
[28] In het verhaal dezer noordoostelijke tochten volgde ik
voornamelijk de uitnemende inleiding voor: Beke, Three voyages by
the north-east.
Maar de taak, die de Engelschen na moedig en ijverig pogen dus
onafgewerkt gelaten hadden, werd dadelijk door eene andere natie
opgevat. De rivaliteit, die Engeland en Nederland gedurende de geheele
zeventiende eeuw verdeelde, nam reeds op het einde der zestiende een
aanvang. In de onherbergzame wateren der IJszee begon een strijd, die
zich van daar over alle oorden der wereld zou uitbreiden,--een strijd,
die op de geschiedenis van geheel Europa den beslissendsten invloed zou
oefenen.
HOOFDSTUK I.
DE NEDERLANDERS IN DE IJSZEE. (1565-1613.)
»Men miskent het doel der wetenschap, als men hare waarheden minder hoog
schat, omdat men de nuttige toepassingen niet ontdekt, die men daarvan
zal kunnen maken[29]”. Zoo is het waarlijk! De wetenschap is het slechts
te doen om waarheid op elk gebied: met de eischen der praktijk kan zij
zich niet dan accidenteel bezighouden. Gelukkig echter is het nut der
wetenschap daarom nog niet uitsluitend in het ontdekken van waarheden
gelegen, die, hoe gewichtig ook, toch soms zeer koel door het algemeen
ontvangen worden. De onbaatzuchtige geleerde, wien het alleen om die
waarheden te doen is, doet soms op zijnen weg ongezochte en onverwachte
ontdekkingen, die aanleiding geven tot het verbeteren van bestaande of
het scheppen van nieuwe toestanden,--ontdekkingen, die door personen
alleen op praktische resultaten bedacht bezwaarlijk zouden zijn gedaan.
Op deze wijze zijn verreweg de meeste der uitvindingen verkregen, die de
negentiende eeuw zoo oneindig ver boven de vorige verheffen; op deze
wijze verwierven ook de Nederlandsche noordpoolreizigers der zeventiende
eeuw een ongedachten prijs voor hunne inspanning.
[29] Spruyt, De achterhoede van het idealisme. (Gids, Juni 1872. p.
391.)
De herhaalde reizen door de Nederlanders op het einde der zestiende en
in het begin der zeventiende eeuw in de IJszee gedaan, versierden de
namen der eenvoudige zeelieden die ze ondernamen met onverwelkbare
lauweren, en zelfs nog zeer onlangs verleenden onverwachte ontdekkingen
aan den roem van hun moed en volharding nieuwen glans. Zij brachten over
tot dien tijd nagenoeg onbekende streken verrassende berichten en
bewezen aan de wetenschap dier dagen belangrijke diensten. Maar te
gelijk verwierven zij ook voor hunne volharding eene belooning van
practischen aard, al werd het doel, dat zij zich voorgesteld hadden, in
weerwil van al hunne inspanning niet bereikt. De gezochte handelsweg
naar Oost-Indië bleek meer en meer een hersenschim, maar onverwachts
werd den moedigen ontdekkers een ruim veld geopend, waarop de energie
hunner landgenooten door het vestigen der walvischvangst eerlang
schatten zou verwerven.
Men make uit het voorgaande de gevolgtrekking niet, dat het den helden
op wie ik het oog heb om een zuiver wetenschappelijk belang te doen was.
Overdreven zucht tot verheerlijking van het voorgeslacht moge soms de
Staten voorgesteld hebben als edele menschen, die van liefde tot de
wetenschap blakende kostbare expeditiën uitrustten om de menschheid met
de wonderen der IJszee bekend te maken; teleurgestelde nationale trots
moge het zelfs den moedigen ontdekkers tot schande aangerekend hebben,
dat zij niet uit zuivere zucht om de kennis van den aardbol te
vermeerderen maar uit baatzucht hunne reizen ondernamen: deze
traditioneele voorstellingen, deze overdreven eischen zijn even onjuist
als onbillijk. Reeds in theorie schijnt het voor eene regeering
onwenschelijk, de plannen van zuiver wetenschappelijke mannen, die zich
met de eischen der practijk niet inlaten, uit hare middelen te steunen.
Partikulieren als Hakluyt en Mercator mogen tijd en geld overhebben voor
het doen van nasporingen, die slechts theoretisch nut opleveren; de
staat, die het algemeen belang moet behartigen, kan zich met die
nasporingen niet inlaten, wanneer er niet gegronde hoop bestaat, dat ze
tot een praktisch nuttig resultaat zullen leiden. Het is reeds veel, zoo
de regeering door premiën en belooningen voor verkregen uitkomsten de
beoefening der wetenschap aanmoedigt; eerst wanneer de geleerde
onderzoekingen haar bevorderlijk schijnen voor het algemeen belang mag
zij zelve daaraan deelnemen. Hoeveel te minder mag men hoogere eischen
stellen aan de leiders van den gewapenden opstand tegen Spanje, in eenen
tijd toen geld en nogmaals geld het doel der verarmde onderzaten bij al
hunne ondernemingen was en zijn moest, toen de behoefte van den geest
aan iets hoogers dan de belangen der geldkist zich bijna uitsluitend
uitte in een streng vasthouden aan den onlangs aangenomen kerkvorm! Hoe
getuigt het veeleer voor den ruimen blik der Staten-Generaal, voor hun
gezonden practischen zin, voor hunne verlichte denkbeelden, dat zij niet
meer maar ook niet minder deden dan men zelfs in gewone omstandigheden
van eene regeering eischen mag!
Want de laatste twintig jaren der zestiende eeuw waren waarlijk geene
gewone: het was een donkere tijd van algemeene ellende. De
godsdiensttwisten, die Europa beroerd hadden, lieten bijna alle staten
uitgeput achter en nog was er overal overvloedige brandstof opgehoopt,
die eerlang de vlammen feller dan te voren zou doen uitbarsten. Spanje
was door den reeds langen oorlog met zijne oproerige onderdanen verzwakt
en verspilde zijne krachten met pogingen om in Frankrijk de leiding der
zaken in handen te krijgen. En wel stuitten die pogingen af op den
nationalen zin van het Fransche volk, maar Hendrik IV won slechts een
land, sinds lange jaren door bijna onafgebroken bloedige twisten
geteisterd en nog steeds door den bittersten partijhaat verdeeld. In
Duitschland heerschte na de overwinning der protestantsche partij een
betrekkelijke rust, maar de aanhoudende verdeeldheden deden reeds
voorzien, dat de godsdienst ook hier in de politiek haar laatste woord
nog niet gesproken had. Ook Engeland, dat onder het bestuur der
protestantsche koningin tijden van ongekende welvaart doorleefde, moest
alle aandacht wijden aan den toestand van het buitenland, wilde het
zijne zelfstandige plaats tusschen de nog steeds vijandig tegen elkaar
overstaande partijen behouden. Slechts éen volk ontwikkelde onder de
algemeene verslapping plotseling groote energie. Het godsdienstige
antagonisme, dat overal elders zoo nadeelig werkte, had in Nederland
integendeel alle sluimerende krachten gewekt. Met taaie volharding werd
de strijd gestreden; het enthousiasme van een jeugdig volk, dat zich nu
voor het eerst één voelde tegen den algemeenen vijand, wekte tot groote
daden op. Had ook Holland zelf in de middeleeuwen zijne vlag reeds op
eene niet onaanzienlijke handelsvloot doen wapperen, de overkomst van
talrijke Zuid-Nederlandsche vluchtelingen had nieuwen moed en nieuwe
talenten in de bevolking ontwikkeld. De voorname Vlamingen, die in die
jaren dikwijls den toon aangaven en in bijna alle ondernemingen van
eenig belang gemoeid waren, deelden aan de Noord-Nederlanders hun
heftigen ijver mede voor kerkelijke rechtzinnigheid, maar ook hunne
ondernemingszucht en hunne ervaring in handel en nijverheid, en
bepaalden zoodoende zelfs voor een goed deel het karakter der
Nederlandsche natie gedurende den tachtigjarigen oorlog. Gesterkt door
deze even talentvolle als vermogende schare, doorleefden de Hollanders
bange tijden zonder te bezwijken: het gevaar en het ongeluk scheen hun
slechts een nieuwe prikkel tot krachtsinspanning te zijn. Geleid door
eene regeering, die, hoewel in geenen deele als eens haar vorstelijke
leider den tijd waarin men leefde vèr vooruit, toch steeds in hare
betrekkingen met handel en nijverheid eene even vrijzinnige als
vrijgevige politiek volgde, geraakte het jonge gemeenebest eerlang tot
verbazenden bloei. Niet tevreden met de oude banen, zocht de ontluikende
energie naar nieuwe wegen om de welvaart te vermeerderen en onder het
krijgsrumoer, dat haar soms van nabij dreigde, vond de wetenschap op het
kleine plekje gronds reeds toen eene eervolle plaats.
Dit waren tijden, waarin stoute, geniale plannen konden gevormd worden,
maar de kamergeleerde, de wetenschappelijke onderzoeker vond er geen
plaats. Wie lust tot dergelijke bezigheid voelde, wijdde zich aan de
theologie, die aller harten innam: buiten de kerk dwong de nood der
tijden tot rusteloos werken, tot het zoeken van winst. In dien tijd
moest een Plancius leven, rechtzinnig theoloog en wakker geleerde als
éen, maar die misschien aan de geographische studiën zijne aandacht niet
zou gewijd hebben, als hij er niet het eenige middel in gezien had om
den noorderlijken doortocht naar het rijke Indië te vinden. Het was dit
veelbelovende plan, dat aan de geographie in die dagen nieuwe vlucht
gaf; daarmede waren schatten te verwerven, daardoor was Spanje gevoelig
te treffen, daarvoor was dus ook de sympathie van regeering en volk.
Stap voor stap naderde men het begeerde doel; allen werkten samen om het
te verwezenlijken. Maar niet de geleerden gaven aan de uitvoering van
het plan den krachtigsten stoot: een man der practijk, een
Zuid-Nederlander bracht daartoe het meeste bij, evenals het weder
eenvoudige kooplieden, weder Zuid-Nederlanders zouden zijn, die door het
vestigen eener nieuwe nering de vruchten plukten van de inspanning
hunner voorgangers.
* * * * *