[4] Tot die expedities behooren o. a. die van Jan van Kolno

+--------------------------------------------------------------------+

| Opmerkingen van de bewerker: |

| |

| Tekst die in het originele werk schuingedrukt, gespatiëerd of in |

| klein-kapitalen is afgedrukt wordt hier weergegeven als _tekst_, |

| ~tekst~, respectievelijk TEKST. Superscript wordt weergegeven als |

| ^{tekst}. |

| |

| Voor de duidelijkheid zijn om sommige breuken haakjes geplaatst. |

| |

| Voetnoten zijn verplaatst en hernummerd; waar de tekst verwijst |

| naar noot x op bladzijde y is de tekst niet gewijzigd, het nummer |

| van de voetnoot wordt hier tussen accolades gegeven. Bijvoorbeeld: |

| p. 17 noot 2 in het originele werk wordt hier weergegeven als p. |

| 17 noot 2{[24]}. |

+--------------------------------------------------------------------+

GESCHIEDENIS

DER

NOORDSCHE COMPAGNIE.

GESCHIEDENIS

DER

NOORDSCHE COMPAGNIE

DOOR

M^{r}. S. MULLER F^{z}.

UITGEGEVEN DOOR HET

PROVINCIAAL UTRECHTSCH GENOOTSCHAP

VAN

KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN.

UTRECHT,

GEBR. VAN DER POST.

Uitgevers van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap.

1874.

GEDRUKT BIJ G. A. VAN HOFTEN, TE UTRECHT.

BEANTWOORDING

DER

PRIJSVRAAG:

„EEN HISTORISCH OVERZICHT VAN DE ONTDEKKINGEN DER HOLLANDERS IN DE

NOORDPOOLZEEËN EN VAN HUNNE VESTIGING OP ENKELE PUNTEN, VOORNAMELIJK

OP SPITSBERGEN, ALSMEDE VAN DE INTERNATIONALE GESCHILLEN DER

NEDERLANDSCHE REPUBLIEK MET ENGELAND, DENEMARKEN EN ZWEDEN, OVER DE

VAART EN VISSCHERIJ IN HET NOORDEN.”

ONDER DE SPREUK:

Plus ultra;

AAN WELKE

DOOR HET PROVINCIAAL UTRECHTSCH GENOOTSCHAP

VAN

KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN,

OP DEN 24 JUNI 1873,

DE GOUDEN EEREPRIJS

IS TOEGEWEZEN.

VOORREDE.

_Een enkel woord vooraf bij het in het licht zenden van dit boek ter

rechtvaardiging van titel en inhoud, die niet geheel beantwoorden aan

het geëischte in de door het Provinciaal Utrechtsch Genootschap

uitgeschreven prijsvraag._

_Mijne aandacht werd het eerst op deze zaak gevestigd door de vermelding

der internationale geschillen over vaart en visscherij in de IJszee, een

onderwerp mij van vroeger bekend. Het bleek mij echter aanstonds,

dat de hoofdinhoud der vraag--de geschiedenis der Nederlandsche

ontdekkingsreizen naar de noordpool--eene afzonderlijke, uitvoerige

studie vorderde, en hoe meer ik mij daarin verdiepte, hoe meer ik de

overtuiging erlangde, dat tusschen de reizen, door de Nederlanders

herhaaldelijk naar Novaya Zemlya ondernomen om den noordelijken

doortocht te zoeken, en de tochten, door hen in latere jaren ter

walvischvangst naar Spitsbergen gedaan, nauwelijks eenig verband

bestond. De vereeniging van beide onderwerpen in éen boek scheen mij

onmogelijk. Eerst nadat ik kennis gekregen had van de tot dusver geheel

onbekende latere Nederlandsche noordpoolreizen, gelukte het mij een

aanknoopingspunt te vinden. Dien band tusschen de twee ongelijksoortige

onderwerpen meende ik gevonden te hebben in de geschiedenis der

Noordsche Compagnie._

_En zoodra ik dezen weg om uit de moeielijkheid te geraken gevonden had,

kreeg het onderwerp voor mij dadelijk groote aantrekkelijkheid. Er is

niet veel studie noodig om zich te overtuigen, dat het ~eenige~, dat tot

nog toe van deze compagnie bekend was, bestaat in eenige weinige

bladzijden, door Aitzema in zijn groot werk aan een of twee punten uit

hare geschiedenis gewijd. Wat men overigens daarover vindt, is niets dan

naschrijverij en omwerking van het weinige, dat Aitzema gaf. En toch

bleek het mij weldra, dat men wel is waar terecht de geschiedenis der

geoctrooieerde Oost- en West-Indische Compagniën met groote voorliefde

behandeld had, maar dat toch de veronachtzaming van de lotgevallen der

derde zuster, de Noordsche Compagnie, zeer te bejammeren was._

_De vroege val van dit lichaam heeft de Nederlandsche geschiedschrijvers

geheel doen vergeten, dat de Noordsche Compagnie gedurende haar bijna

dertigjarig bestaan nagenoeg de eenige Nederlandsche handelsvereeniging

was, die expedities uitzond ter verkenning van de noordsche

streken,--dat zij het was, die de Nederlanders in staat stelde, daar met

de Engelschen gelijken tred te houden en ze soms voorbij te

streven,--dat zij niettegenstaande schijnbaar onoverkomelijke

moeielijkheden lange jaren alleen onder alle Europeesche natiën op de

kusten der IJszee gevestigd bleef,--dat de handhaving van de eer der

Nederlandsche vlag in die wateren tegen verschillende machtige volken

langen tijd alleen aan hare handen toevertrouwd was,--en eindelijk dat

hare geschiedenis eene leerzame bijdrage zou kunnen leveren voor de

kennis der te weinig bestudeerde handelspolitiek van de Nederlanders der

zeventiende eeuw._

_Ik zette mij dan ook dadelijk aan het werk, en was zoo gelukkig drie

rijke bronnen voor de geschiedenis der Noordsche Compagnie te vinden,

die in dit opzicht nog onbearbeid waren, en ons voor het verlies van het

archief der vereeniging eenigszins schadeloos stellen. In de Resolutiën

der Staten-Generaal ontdekte ik reeds dadelijk een lange lijst van

besluiten, die op dit onderwerp betrekking hadden, en die, hoewel steeds

zeer kort, een vaste leiddraad voor de geschiedenis der vereeniging

leverden. Het bekende werk van Purchas bood verder een schat van nog

onopgemerkte berichten over het begin van de walvischvangst der

Nederlanders en hunne geschillen daarover met de Engelschen. Eindelijk

trof ik op het Rijks-archief eene portefeuille met stukken aan, die door

wijlen den rijks-archivaris Bakhuizen Van den Brink--meest uit de

liassen der inkomende brieven aan de Staten-Generaal--waren

bijeengebracht, en die onder den titel »Noordsche togten” eene wel is

waar ongeordende, maar overigens voor mijn onderwerp geheel

gereedgemaakte verzameling bleken te zijn. Dáarin vond ik de meeste

eenigszins uitvoerige bouwstoffen voor mijn werk. Het viel mij

gemakkelijk, het ontbrekende uit de liassen van brieven, uit Denemarken

aan de Staten-Generaal gericht, uit de verhalen van enkele ambassaden en

uit de Sententiën van het Hof van Holland nog eenigermate aan te vullen,

en het resultaat van dit alles bied ik hierbij aan het publiek aan. Wil

men zeggen, dat het weinig is, ik zal de eerste zijn om het te erkennen.

Nu het archief der compagnie eenmaal verloren is, moeten er natuurlijk

bijna op elke bladzijde van hare inwendige geschiedenis vraagteekens

blijven staan, en met name moet al, wat naar statistiek zweemt, steeds

wijde gapingen vertoonen. Nog veel hinderlijker is het gemis der

archiefstukken bij het verhaal der ontdekkingsreizen. Ik heb in het

daarover handelende hoofdstuk bijna niets anders kunnen doen, dan de

bronnen te gebruiken, waarop reeds de aandacht gevestigd was door den

heer De Jonge, wiens niet genoeg te waardeeren verdienste het is, dat

hij bijna voor elk gedeelte der geschiedenis van onze handel en zeevaart

nieuwe bronnen geopend heeft. De hoogste lof, dien ik hierbij kan

oogsten, is dan ook, dat ik een goed gebruik gemaakt heb van wat hij

gevonden heeft. Ongelukkig geven die bronnen hier echter bijna niets

over de resultaten der ontdekkingsreizen, en voor aardrijkskunde en

cosmographie is het verhaal dan ook zonder waarde. Maar de enkele namen,

dagteekeningen en aanduidingen van bezochte kusten, die ik heb kunnen

opsporen, geven op verrassende wijze een nieuwe getuigenis van de

verbazende volharding en de uitgebreide kundigheden onzer voorvaderen.

Mocht het mij gelukt zijn, die nieuwe aanspraak van het voorgeslacht op

onze bewondering in het licht te stellen!_

_Nog een enkel woord. Men zal in dit werk niet gesproken vinden van de

in de prijsvraag vermelde geschillen met Zweden. Ik heb daarvan niet het

minste spoor kunnen ontdekken. In het door mij behandelde tijdvak hebben

ze zonder eenigen twijfel niet plaats gehad, en ook al was mij van

latere diplomatieke geschillen met Zweden iets gebleken, ik zou gemeend

hebben de eenheid van mijn werk niet te mogen verbreken ter wille dier

in ieder geval onbeduidende twisten.--Anders is het gesteld met het

eerste hoofdstuk van dit boek. Het valt in het oog, dat het hier niet

thuis behoort. Ware ik vrij geweest in de behandeling van mijn

onderwerp, ik had dit hoofdstuk met de nu onvermijdelijke inleiding dan

ook laten vervallen en alleen in een kort woord vooraf de Nederlandsche

ontdekkingsreizen in het noorden vóor 1614 besproken, met bizondere

vermelding der plannen van Thorne, Plancius en Barendsz. en der reizen

van Jan Cornelisz. Ryp en Henry Hudson, die samen de eer van

Spitsbergens ontdekking moeten deelen. Ik voelde echter geene vrijheid

datgene weg te laten, wat blijkbaar voor den steller der prijsvraag de

hoofdzaak was geweest._

_Zooveel ter rechtvaardiging van mijn plan en de groote uitbreiding, die

dit boek daardoor erlangde. Er blijft mij over, met een enkel woord mijn

hartelijken dank te betuigen aan allen, die mij bij de bewerking daarvan

behulpzaam zijn geweest. Ik noem hier gaarne in het bizonder den heer

rijks-archivaris Van den Bergh, wiens welwillendheid voor allen, die van

de aan zijne zorg toevertrouwde schatten gebruik willen maken, trouwens

algemeen bekend is,--den heer bibliothecaris Campbell, die mij zelfs met

opoffering van zijn vrijen tijd in de gelegenheid heeft willen stellen

de uitvoerige excerpten uit Purchas’ zeldzaam werk, die ik behoefde, te

vervaardigen,--den heer Leupe, die niet moede werd mij voor mijn werk

nieuwe bouwstoffen aan te wijzen, waarvan hij bij zijne langdurige

studiën over de Nederlandsche reizen der zeventiende eeuw kennis had

gekregen,--en eindelijk den heer Baudet te Utrecht, die met meer dan

gewone hulpvaardigheid mij wel heeft willen behulpzaam zijn bij het

teekenen der hierbij gevoegde kaart._

INLEIDING.

»Men kan zich niets treurigers denken dan het voorkomen van Spitsbergens

kusten, wanneer de heuvelen, bedekt met versch gevallen sneeuw, in nevel

en mist gehuld zijn, maar men zal ook niet licht een schitterender en

vrolijker tafereel aanschouwen, wanneer op een schoonen dag de

wolkenlooze hemel prijkt in zijn onovertroffen donkerblauwen tint,

terwijl de zon hare stralen uitschiet, getemperd door die eigenaardig

zachte en toch heldere atmospheer, die een besneeuwd landschap altijd

omgeeft. Op zulk eenen dag is de wind bij het land nauwelijks merkbaar,

dikwijls is het zelfs volkomen stil, maar de stranden zijn vol beweging

en leven. De geheele natuur schijnt dankbaar te zijn voor den heerlijken

zonneschijn, al wat leeft verheugt zich en is vrolijk.

»Zulk een dag was de 4^{e} Juni (1818). Wij allen waren verrast door de

verandering van de sombere atmospheer der opene zee in den vrolijken

glans, die de heuvelen en de kalme oppervlakte van de Magdalena-baai

bestraalde. Niemand voelde de koude, en toch waren wij omringd door

sneeuw en ijs, toch stond de thermometer slechts even boven het

vriespunt. Verschillende soorten van amphibiën, duizenden vogels, die

hier bijeen waren, schenen zooveel zij konden van de kortstondige warmte

te genieten, die hun de zonneschijn bood. Reeds vroeg in den morgen

weergalmde het strand onophoudelijk van de vrolijke kreten der

watervogels; overal vermengde zich het afgebroken geblaf van den zeehond

met het speelsche gebrul van troepen walrussen, die zich in de

zonnestralen koesterden.

»Zeker, er was geen harmonie in deze vreemde mengeling van geluiden;

maar toch hoorden wij ze met genoegen omdat wij wisten dat dit alles

eene uiting was van geluk. Het was een genoegen van denzelfden aard als

dat van iederen reiziger, die op een helderen avond in een tropisch

klimaat luistert naar het vrolijk gegons van duizenden gevleugelde

insecten, zoodra de zon is ondergegaan. Zoo verschillend heeft de groote

Schepper der natuur zijne giften verdeeld! In de verschroeiende hitte

onder de keerkringen wekt het dalen der zon duizenden kleine wezens tot

vrolijkheid en beweging op, waartoe zij onder de stekende stralen der

middagzon de kracht niet hadden. Hier integendeel is de zonsondergang

het teeken tot algemeene rust.

»Zoodra die tijd van den dag in de Magdalena-baai was aangebroken,

ontstond er dan ook eene stilte, die aan het verhevene grensde, eene

stilte, slechts afgebroken door het barsten van een ijsberg of het

vallen van stukken rots, die van de bergen afrolden. En zelfs deze

geluiden, die over de kalme oppervlakte der baai weergalmden, braken het

algemeene zwijgen niet af: als zij weldra in de verte verstierven, was

de stilte die ze achterlieten nog dieper dan te voren.

»Over dag ging de aanwezigheid onzer schepen niet onopgemerkt voorbij.

De vogelen ontweken ons in hun vlucht. Elk geraas, dat toevallig gemaakt

werd, was daar vreemd: de zeevogels, die tusschen de rotsen vischten,

trokken zich verder terug, geheele troepen van dieren, die anders

grootendeels in diepen slaap zouden verzonken geweest zijn, bleven

wakker en op hunne hoede. Telkens wanneer er iets op het dek viel,

lichtten zij hunne koppen op en wierpen onderzoekende blikken over de

baai, als om te vernemen waardoor zulk een ongewone stoornis werd

veroorzaakt. Deze zwakke geluiden, die op bewoonde plaatsen zeker

onopgemerkt zouden gebleven zijn, bewezen meer dan iets anders hoezeer

de mensch hier een vreemdeling is. Ik moet bekennen, dat deze bewustheid

iets streelends had door de overtuiging, dat wij ons op eene plek

bevonden, slechts zelden vóor ons door menschen bezocht.”[1]

[1] Beechey, Voyage of Discovery towards the North Pole, gecit. in:

White, Spitzbergen and Greenland. p. VIII-X.

Zóo moet Spitsbergen zich vertoond hebben aan hen, die op het einde der

zestiende eeuw het vroeger geheel onbekende land bezochten; zóo

beschrijft nog in onze eeuw een Engelschman den indruk, dien de

verlatene stranden van dit barre gewest op hem maakten. En geen wonder,

zoo Spitsbergen eeuwen achtereen eenzaam was! De natuur schijnt dit

land, verscholen in den uitersten hoek der aarde, door een dam van ijs

aan den blik der menschen te hebben willen onttrekken. Reeds de groote

bezwaren, verbonden aan het bezoeken van streken, waar schijnbaar niets

is wat den mensch kan aanlokken, leiden tot de gevolgtrekking, dat

Spitsbergen voor altoos even eenzaam blijven zou als de ontdekkers het

vonden.

Toch is dit niet het geval geweest. In de eeuwen, die tusschen de

ontdekking en het hierboven beschreven bezoek verliepen, is het land

niet alleen herhaaldelijk bezeild, maar zijn de steeds met sneeuw en

ijs bedekte kusten het tooneel geweest van het drukke gewoel eener

handelsnederzetting, de bron waaruit een jeugdig volk een winst van

millioenen te voorschijn bracht, een voorwerp om welks bezit zelfs de

machtigste volken der zeventiende eeuw lang en hardnekkig gestreden

hebben. »Indien men deeze tyden hadde mogen beleeven, of noch beleeven

mogt,” roept een Hollandsch schrijver uit, »wat zou men zich met lust en

yver aan de Visschery konnen overgeeven! Want gelyk meest alles door

schaade of voordeel, welgevallig of ongevallig, licht of zwaar werd

gemaakt, zoo is dan by gevolg, dit voor veelen een behaaglyke Visschery

geweest, geevende niet alleen groot voordeel aan de Reeders, maar

teffens voor de Commandeurs, Harponiers en meer andere Belanghebbers,

die door veel te vangen, zoo veel te meer partgeldt verdienden. Alle de

Kookeryen en Pakhuizen maakten gelykzaam een buurt of klein Dorp uit, ’t

welk dieshalven niet oneigentlyk naar de nering, het Dorp Smeerenburg

wierd genoemt. Nademaal de Schepen dubbelt volk voerden, zoo was ’t daar

dagelyks ’t zy in de Schepen, in de Sloepen of op ’t Landt niet weinig

drok; derhalven quamen ’er ook met deeze Schepen, gelyk in de Leegers,

eenige Zoetelaars over, die in hun eigen behuizing, of in de Pakhuizen

hunne Waaren, als Brandewyn, Tabak, en meer diergelyke dingen

verkochten; insgelyks quamen er ook Bakkers om Broodt te bakken,

wordende des morgens wanneer de warme bollen en ’t wittebroodt uit den

oven quam, op den Hoorn geblaazen; zulks dat aan dit Smeerenburg,

omtrent den zelvigen tydt met Batavia gesticht, in dien tydt lustig wat

te doen viel, schoon echter niet in vergelyking met deeze Javaansche

Hoofdstadt; niet te min was ’er mede al vry veel gewoel, en naar de

gelegentheit van ’tLandt taamelyk wat te bekomen, mogelyk ook de Wyn en

Brandewyn reedelyk goed koop.”[2]

[2] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 215, 227, 228.

Zulk eene drukte, zulk een gewoel vertoonde zich aan den bezoeker van

Spitsbergen lang voordat een halve eeuw na de ontdekking verloopen was;

nog een halve eeuw later en de kusten waren sedert lang weder tot hare

vorige eenzaamheid teruggekeerd! Slechts een enkele verdwaalde

walvischvaarder, een zeldzame wetenschappelijke reiziger storen nu en

dan met groote tusschenpoozen den ijsbeer en den zeehond in hunne

worstelingen op leven en dood. Zelfs de reusachtige bewoner der zee, de

walvisch, heeft voor goed Spitsbergens stranden verlaten.

Kan men zich wonderlijker geschiedenis van een land denken? Sinds de

vroegste tijden onbewoond, plotseling gedurende een halve eeuw druk

bezocht, zoo druk dat de wedijverende natiën elkander van de kust

trachten te verdringen, en daarna even plotseling en voor goed in de

eenzaamheid teruggevallen! Zeker, de lotbedeeling van alle staten is

rijk aan verrassende wendingen, welk land heeft echter zulk eene korte

en tevens zulk eene belangwekkende geschiedenis?

Het is mijn voornemen deze geschiedenis van Spitsbergen in de volgende

bladen te verhalen; de ontvouwing der redenen, die tot het bevolken en

het verlaten van dit land geleid hebben, zal mij tevens gelegenheid

geven een belangrijk en nog onbeschreven hoofdstuk van onze eigene

handelsgeschiedenis te schetsen. Voordat ik echter daartoe overga, is

het noodig een overzicht te geven van de vroegste tochten in de IJszee,

die middellijk tot de ontdekking van Spitsbergen geleid hebben.

* * * * *

Reeds vroeg in de middeleeuwen, kort na den dood van Karel den Groote,

was er eene natie, die bijna de geheele uitgestrektheid der noordelijke

IJszee, voor zooverre zij het tooneel was van de ontdekkingsreizen der

zestiende en zeventiende eeuw, had bevaren. Deze natie, de Noormannen,

had niet slechts hoog in het noorden hare koloniën steeds meer

vooruitgeschoven totdat zelfs Groenlands westkust op een trap van

beschaving stond, die in die streken sedert niet weder bereikt is, maar

zij bezat zelfs vrij nauwkeurige kennis van het groote vasteland aan den

overkant des aardbols, dat eerst vele eeuwen later aan het overige

Europa bekend zou worden. Door de uitvoerige verhalen, die hunne

kroniekschrijvers daarvan hebben nagelaten, kunnen wij ons eene vrij

duidelijke voorstelling van de bedoelde ontdekkingstochten maken.

Had nog vóor 890 de Noorman Octher de Noordkaap omzeild en, verre

voorbij de plek waar later Kola stond gestevend, zijne reis misschien

tot zelfs aan de Witte Zee uitgestrekt, reeds vroeger was IJsland door

zijnen landgenoot Naddodr ontdekt (860) en spoedig daarop door Ingolfr

gekoloniseerd (874). Het kon niet lang duren of de zeevarende bewoners

van IJsland, dat als het ware de brug vormt van Europa naar Amerika,

werden bekend met het bestaan van Groenland. En werkelijk was dit zoo.

Wel had de eerste ontdekking van dit groote vasteland door den IJslander

Gumbiörn (880) naar het schijnt geen gevolg, maar toen een ander, Erikr

Rauthi genaamd, in 982 en 983 de kusten nader onderzocht had, was

spoedig bij hem het besluit gerijpt eene volkplanting van IJsland

daarheen te voeren, een besluit reeds in 985 en 986 ten uitvoer gelegd.

De vestiging leidde weldra tot eene kolonisatie op uitgebreide schaal.

In twee gedeelten, den Ooster- en Westerbygd, gescheiden door de

onbewoonbare wildernis Ubygd, bevolkten de IJslanders de zuidwestkust

van Groenland.[3] De nederzetting, vooral de meest zuidelijk gelegen

Oosterbygd, bloeide aanvankelijk zéer. Vele dorpen, waarbij na de

bekeering der bewoners tot het Christendom (door Leifr Erikson omstreeks

990) verscheidene kerken verrezen, ontstonden langzamerhand. In jacht en

visscherij en door talrijke kudden vond men overvloedige middelen van

bestaan. Het verkeer met Noorwegen was levendig, de handel niet

onbelangrijk; het schijnt zelfs dat de Groenlandsche kolonie schatting

aan het moederland betaalde. En geen wonder! de volkplanting wist zich

zelve te helpen en scheen door hare ondernemingszucht te toonen, dat zij

levenskracht bezat. Immers niet alleen strekten zich de tochten der

jeugdige Groenlandsche nederzetting ter walvischvangst hoog in het

noorden door straat Davis tot in de Baffinsbaai uit, zóo zelfs dat zij

in 1266 het eiland Disco bereikten, maar ook het verkeer met het

Amerikaansche vasteland was levendig. Reeds spoedig na de aankomst in

Groenland had Bjarni Herjulfrson toevallig de streek lands bij het

tegenwoordige Boston ontdekt (986) en sinds het jaar 1000 was de verdere

ontdekking van dit heerlijke gewest, dat men Vinland noemde, gevolgd:

overwinteringen in het zachte klimaat waren niet zeldzaam geweest.

Hoewel kolonisatie en zelfs handel door de vijandige houding der

inboorlingen onmogelijk bleek, ondernamen de stoutmoedige Groenlanders

eeuwenlang gedurig tochten naar het nieuwe land. Voornamelijk om de

rijke ladingen hout, die zij daar vonden, was het te doen: hout was een

artikel in het eigen land niet te vinden en toch bepaald onmisbaar.

[3] Volgens de vroeger algemeen heerschende meening was het

Groenlands oostkust, die door IJslanders bevolkt werd. Het is hier

de plaats niet, deze meening te wederleggen, die voornamelijk

schijnt te steunen op den verkeerd begrepen naam Oosterbygd. Door de

resultaten van Graahs expeditie naar Groenlands oostkust en het

vinden der ruines van de Noorweegsche huizen op Groenlands westkust

schijnt mij de zaak echter nu uitgemaakt.

En toch, niettegenstaande al de ontwikkelde energie ging de kolonie

eindelijk te niet. Op den duur schijnt het klimaat, de grond van

Groenland te bar geweest te zijn, dan dat de bewoners onafhankelijk van

alle hulp uit Europa konden bestaan. Aanvankelijk was dan ook het

verkeer vrij geregeld geweest: na den dood van den bisschop van

Groenland was altijd dadelijk weder een opvolger derwaarts gezonden; ook

tot het drijven van handel landden niet zelden schepen, die de

Groenlanders van noodzakelijke levensbehoeften voorzagen. Toen echter in

de eerste jaren der vijftiende eeuw de beroemde Margaretha van

Denemarken in een oogenblik van ontevredenheid plotseling alle verkeer

met de verafgelegene kolonie verbood, hielden natuurlijk alle berichten

uit Groenland op. Langzamerhand vergat men in Europa de eens zoo

bloeiende volkplanting, en toen jaren later de koningen van Denemarken

hunne fout inziende expedities uitzonden om het verkeer te hernieuwen,

was het te laat. De Noorsche nederzetting in Groenland was verdwenen en

alle reizigers kwamen onverrichter zake terug.[4] Vele eeuwen duurde het

eer men weder eenige geringe sporen vond, dat Groenlands westkust

eertijds door eene beschaafde bevolking bewoond geweest was. Hoewel ons

dus natuurlijk over den ondergang der kolonie alle berichten ontbreken,

is het niet moeielijk te gissen, hoe eene nederzetting, die eeuwen

bestaan had, zoo plotseling verdwenen is.

[4] Tot die expedities behooren o. a. die van Jan van Kolno

(verkeerdelijk ook Szkolno en Anskoeld genoemd) in 1476 (Richardson,

Polar regions. p. 33.--Asher, Hudson the Navigator, p. XCVIII),--van

Walkendorp in 1521 en van Paulus Stygotus, Deensch landvoogd op

IJsland, in 1564 (Berghaus, Wat men van de aarde weet. I p.

121.--Nicolai, Relation. Vorredt. p. 7),--van Henningson in 1578

(Barrow, Abrégé chronol. V p. 18),--van Olivier Brunel in de laatste

jaren der zestiende eeuw (Megiser, Septentrio Novantiquus. p.

174),--van Lindenau en Hall in 1605 en 1606, van Richardson en Hall

in 1607 (Barrow, Abrégé chronol. V p. 24-29.--Barrow, Voyages into

the arctic regions. p. 169, 73)--en van Jens Munck in 1619, 20.

(Richardson, Polar regions. p. 107, 8.--Barrow, Abr. chronol. V p.

55-69.)

Men weet, dat de pest, die onder den naam van de zwarte dood in de

veertiende eeuw geheel Europa doorgetrokken was, ook de kleine bevolking

van Groenland geweldig geteisterd had; men weet, dat een inval uit het

zuiden, waarschijnlijk van Amerikaansche inboorlingen, de gedunde

bevolking nog had doen verminderen; men weet eindelijk, dat de

kustbewoners langen tijd veel te lijden hadden gehad van binnenlandsche

vijanden. Het waren de reeds door de herhaalde tochten der Noormannen

naar hun land verbitterde Amerikanen, die, toen in de veertiende eeuw

eene volksverhuizing der tegenwoordige bewoners van Amerika, de

roodkleurige Indianen, hen steeds meer naar het oosten drong, besloten

hadden de gelegenheid aan te grijpen om zich op hunne oude vijanden te

wreken. Zij waren straat Davis overgestoken en hadden zich weldra op

Groenlands westkust gevestigd. Deze wilde horden, de tegenwoordige

Eskimo’s, hadden sedert dien tijd jarenlang een bitteren krijg met de

Europeesche bewoners gevoerd. In 1379 waren zij eindelijk aanvallend

tegen de kleinste der beide volkplantingen, den Westerbygd, opgetreden.

De hulp, den bedreigden kolonisten door hunne stamgenooten uit den

Oosterbygd ijlings toegezonden, was te laat gekomen[5]: de troepen

hadden slechts rookende puinhoopen gevonden en geen levend wezen was er

sinds dien tijd in den eens zoo bloeienden Westerbygd gezien. Het kan

bijna niet twijfelachtig zijn, of de bevolking van den Oosterbygd, door

Denemarken aan zich zelve overgelaten, door herhaalde rampen gedund,

onderging een gelijk lot. Eskimosche overleveringen wijzen nog de plaats

aan, waar de laatste Noorman strijdende voor zijn land bezweek.[6]

[5] Aan het hoofd dezer expeditie stond Ivar Bere of Bardseu, die

onder den naam van Iver Booty eene zekere vermaardheid heeft

verkregen in de geschiedenis der ontdekkingsreizen door de

vertaling, die Barendsz van zijne aanteekeningen over den weg naar

Groenland maakte.

[6] Het verhaal dezer Noorsche tochten is voornamelijk ontleend aan:

Richardson, The polar regions. p. 20-30.--Vgl. daarover en over de

Noorsche ruines in Groenland ook: Hayes, The land of desolation. p.

45-72.--Berghaus, Wat men van de aarde weet. I p. 118-20.--Asher,

Hudson the Navigator. p. LIX vlg. CLXIII.--Reeds in de vorige eeuw

had men daarvan vrij nauwkeurige kennis. Zie het verhaal bij:

Barrow, Abr. chronol. V p. 1-18. Ook: Mauricius, Naleesingen tot

Weederlegging van ’t regt gepraetendeert by Noorwegen op de

Noordelijke Landen. (R.-A.), die echter de geloofwaardigheid dezer

verhalen zeer betwijfelt.--Alle berichten zijn oorspronkelijk

ontleend aan IJslandsche kronieken, grootendeels uitgegeven in

Rafn’s Antiquitates Americanae.

De geschiedenis dezer ontdekkingen--wanneer men ze zoo noemen mag, nu er

nieuwe ontdekkingen op geographisch en historisch gebied noodig zijn

geweest om zoowel het ontdekte land als de geschiedenis der ontdekkers

zelven aan de beschaafde wereld bekend te maken,--ze is voor ons op het

oogenblik van weinig belang. Zoo ik er desniettemin een paar bladzijden

aan wijdde, dan is het omdat in een overzicht der vroegste reizen in de

noordelijke IJszee de vermelding er van niet ontbreken mag, en vooral

omdat het waarschijnlijk mag heeten, dat de beide ontdekkers van

Amerika, Columbus en Cabot, bij hunne bezoeken aan IJsland juist door de

verhalen over de Noorsche tochten het plan hebben opgevat tot hunne

latere reizen. Zóo knoopt een dunne draad de Noorsche ontdekkingen aan

die van het overige Europa vast.

Want niet lang nadat de Groenlandsche koloniën zoo ellendig waren te

niet gegaan, verspreidde zich over geheel Europa de lust tot

ontdekkingen, die eens de Scandinaviërs tot hunne avontuurlijke tochten

had aangespoord. Aangevuurd door de schitterende uitkomsten der

Portugeesche reizen, vooral door de wonderen, die van de door Columbus

betreden landstreken verhaald werden, wenschten alle natiën in het

aangewezen spoor te volgen. De Italianen, de ijverigsten van allen, die

in hun eigen verbrokkeld land de middelen niet vonden om hun dorst naar

avonturen te lesschen, verspreidden zich over de geheele wereld en velen

boden aan vreemde vorsten hunne nuttige diensten aan. Zulk een man was

Columbus zelf, zulk een man was ook Giovanni Cabot.

Elke geschiedenis van de ontdekkingsreizen naar het noorden behoort te

beginnen met eene eervolle vermelding der namen van dezen genialen

reiziger en zijnen uitnemenden zoon Sebastiaan. De Cabots zijn minder

bekend dan Columbus, maar zij hebben bijna evenveel aanspraak op den

dank van het nageslacht. Al volgden zij ook slechts op de baan die

Columbus geopend had, toch zijn zij de eigenlijke ontdekkers van

Amerika[7] en hunne meer veelzijdige werkzaamheid heeft hunnen naam ook

op het gebied der noordpoolreizen met onverwelkbare lauweren

omkransd[8]. Giovanni Cabot, een Venetiaan die zich te Bristol gevestigd

had, verkreeg 5 Maart 1496 van Hendrik VII van Engeland eene akte om met

zijne drie zonen ter ontdekking van onbekende streken te mogen uitvaren.

De reis, die daarop door hem ondernomen werd, leverde de belangrijkste

resultaten: den 24 Juni 1497 zette Cabot bij Newfoundland het eerst den

voet op Amerikaanschen grond en zeilde van daar eenige weken zuidwaarts

langs eene geheel onbekende kust. De koning was door de mededeeling

hiervan zoo verrast, dat hij dadelijk een nieuw patent aan den reiziger

verleende (13 Februari 1498). Weldra rustten de Cabots zich dan ook tot

eene tweede ontdekkingsreis uit. Ditmaal was het Giovanni Cabots tweede

zoon Sebastiaan, die den tocht ondernam. Zijn doel was echter niet het

verder onderzoeken van het nieuwgevonden land: Amerika werd steeds door

hem beschouwd als een hinderpaal voor het vinden van zijn ideaal, een

korten weg naar Oost-Indië. Ook het resultaat van deze reis was

allergewichtigst. Het moet ieder met bewondering voor Cabot vervullen,

dat hij, de eerste die het plan om eene noordwestelijke doorvaart naar

Oost-Indië te zoeken opwierp, de eerste die daarnaar zocht, reeds

dadelijk de twee wegen vond, die ook nu nog als de eenige beschouwd

worden, die kans op welslagen in het noordwesten bieden: de beide

zeeëngten, die haren naam, met voorbijgaan van haren ontdekker, van de

veel latere reizigers Davis en Hudson hebben ontvangen[9].

[7] Cabot bereikte het vaste land van Amerika in 1497, dus een jaar

vóor Columbus. Bovendien schijnt Cabot de eerste geweest te zijn,

die bemerkte, dat de gevondene landstreken niet een deel van Azië

waren, maar een nieuw, tot dusverre geheel onbekend werelddeel. (cf.

Asher, Hudson the Navigator. p. LXXI.)

[8] Zie over de Cabots: Hamel, Tradescant der Aeltere. p. 89,

90.--Rundall, Voyages tow. the North-west, p. 4-6.--Richardson,

Polar regions. p. 36 vlg.,--en vooral: Asher, Hudson the Navigator,

p. LXVI-LXXV, CII, CXX-CXXIII.--Het hoofdwerk over de Cabots is:

Biddle, Memoir of Sebastian Cabot.

[9] Waarschijnlijk werd straat Davis door Cabot eerst op zijne reis

van 1517 ontdekt. De berichten omtrent de beide reizen zijn echter

zeer verward. (cf. Asher, Hudson the Navigator, p. LXXIII, CXX.)

Het voorbeeld door Cabot gegeven vond weldra navolging. In eenen tijd,

toen de lust tot ontdekkingen nagenoeg geheel Europa bezielde, was het

niet meer dan natuurlijk, dat ook bijna alle handeldrijvende natiën

Cabot op zijnen weg volgden. Het zoeken van eenen doortocht naar

Oost-Indië midden door Amerika werd het doel van verscheidene

ondernemingen. Van de meesten zijn slechts zeer onvolledige berichten

tot ons gekomen, slechts de meer bekende vermeld ik hier. De Portugeezen

waren ook hier wederom de eersten. Reeds in 1501 deed een edelman van

die natie, Gaspar de Cortereal, een reis naar Amerika’s noordkust.

Misschien onder het zoeken naar Hudsons-straat, misschien ook terwijl

hij trachtte een anderen weg dan den door Cabot aangewezene te vinden,

verviel hij in eene zeer natuurlijke en later algemeene vergissing. De

wijde mond van de St. Laurens-rivier, die in de golf van dien naam

eindigt, werd voor eene zeeëngte gehouden. De berichten, die men al

spoedig van de inboorlingen verkreeg over de groote zee, waarnaar die

stroom leidde (de vijf groote Amerikaansche meren) konden niet anders

dan dit vermoeden bevestigen. Cortereal was de eerste die dezen weg

onderzocht. Zijne ontdekkingen bepaalden zich dan ook tot de golf en de

riviermonding van St. Laurens en tot de omliggende kusten. Een tweede

tocht leidde tot geen verder resultaat en de moedige reiziger zelf vond

daarbij den dood.

Ook de Franschen deden spoedig pogingen om hun aandeel in den roem

hunner tijdgenooten te bemachtigen. Maar eerst na twintig jaren

vruchteloos gezocht te hebben, vonden zij krachtige hulp in den

Venetiaan Giovanni di Verazzano, die zijne diensten aan Frans I aanbood.

De koning nam ze gretig aan en gaf hem het bevel over een schip,

waarmede de reiziger in 1524 den oceaan overstak. Verazzano handelde

onder de bepaalde overtuiging, dat er een westelijke doortocht naar

Oost-Indië ~moest~ zijn, naar het schijnt echter zonder bepaald plan

~waar~ die was. Om zeker te zijn, dat de gewenschte zeeëngte hem niet

ontsnappen zou, stuurde hij zuidwestelijk en ontdekte de Amerikaansche

kust op 34° NB. Van daar noordwaarts langs het strand stevenende

onderzocht hij de baaien, die hij ontmoette (voornamelijk den mond der

Hudsons-rivier en de Narraganset-baai) en zette zijne tochten voort tot

de noordpunt van Newfoundland. Omtrent de St. Laurensbaai schijnt hij

beter ingelicht te zijn geweest dan zijne voorgangers; maar daardoor

moest hij nu ook, toen de levensmiddelen begonnen te ontbreken, naar

huis keeren zonder zelfs hoop op een bepaalden doortocht te kunnen

geven. De bekende reizen van den Franschman Jaques Cartier in 1534 en

1535 slaagden nog minder goed: evenals Cortereal bepaalde hij zich tot

onderzoekingen op de St. Laurensrivier, waar hij meende den

noordwestelijken doortocht te zullen vinden. De volkplantingen door

Cartier later (1540) naar de dus bekend geworden streken gevoerd hebben

zijnen naam echter een eervolle plaats in de geschiedenis verzekerd.

De Spanjaarden, bezitters van een gedeelte der Amerikaansche streken,

waardoor men verwachtte dat de doortocht zou loopen, waren niet het

minst ijverig in het zoeken daarnaar. Sinds 1500 deden zij onophoudelijk

tochten langs de kust, voornamelijk in Middel-Amerika. De beroemde

Fernando Cortez maakte zelfs een plan om de geheele Noord-Amerikaansche

kust, zoowel de oost- als de westzijde te doen onderzoeken door eene

daartoe met opzet uitgeruste expeditie, die van het zuiden beginnende

niet rusten zou voordat zij verder noordwaarts den doortocht gevonden

had. De verdienstelijkste tocht der Spanjaarden was echter die onder den

Portugees Estevan Gomez. Deze uitstekende zeeman, die naar het schijnt

in zijnen tijd voor eene autoriteit op het gebied der cosmographie

gehouden werd, verkende slechts weinige maanden na Verazzano (1525) op

last van Karel V dezelfde kusten, die de Venetiaan had bevaren, maar in

omgekeerde richting. Waar hij zijne reis begon is niet zeker, maar het

staat vast, dat hij de Amerikaansche kust ten noorden van 41° NB. tot

aan de West-Indische eilanden nauwkeurig opnam en de meest volledige

berichten over land en volk medebracht. De kaart, die hij van de door

hem geziene kust opmaakte, staat verre boven de gelijktijdige van

Verazzano. De interessante reis van Gomez, die trouwens niet nader tot

het voorgestelde doel leidde, was de laatste tocht van belang, die

voorloopig ondernomen werd. De Engelschen begonnen zich omstreeks dezen

tijd mede in het strijdperk te vertoonen, maar hunne eerste pogingen

waren zwak en zonder eenig belangrijk resultaat.

Twee redenen schijnen omstreeks 1530 samengewerkt te hebben om de

pogingen om westwaarts naar Oost-Indië te zeilen te doen opgeven. De

hoofdreden zal natuurlijk wel geweest zijn de slechte uitslag van

zoovele ondernemingen, die bijna jaar op jaar gedurende meer dan het

vierde eener eeuw waren beproefd. Alle reizen, die in deze eerste

periode volbracht waren, hadden wel is waar geleid tot eene betrekkelijk

nauwkeurige kennis van Amerika’s oostkust, maar tot het voorgestelde

doel, het vinden van eenen korten weg naar Oost-Indië, was men geen stap

genaderd. Voor een lateren tijd bleef het bewaard het spoor door Cabot

aangewezen te volgen en in het verre noordwesten naar een doortocht te

zoeken[10]; voorloopig werd de tot dusverre betreden weg algemeen

verlaten, en terwijl de Spanjaarden op het voetspoor van Cortez in

verschillende expedities Amerika’s westkust onderzochten zonder de

doorvaart te vinden, gaven de andere natiën hunne pogingen geheel op.

Maar een tweede reden bracht daartoe niet weinig bij. De expedities om

het rijke Oost-Indië en het mythische Cathay, het land waarvan men

zoovele wonderen verhaalde, te vinden hadden de Europeanen meer en meer

opmerkzaam gemaakt op de schatten, die het nieuwontdekte westelijke

vasteland zelf in niet minderen overvloed aanbood. Langzamerhand begon

dan ook de lust om die zoo gemakkelijk te bereiken voordeelen te

bemachtigen, de overhand te krijgen op de begeerte om de Indische

rijkdommen, waarvan de oudheid gewaagd had, te winnen. En de reizen naar

Amerika’s kusten met dat doel gemaakt, hadden natuurlijk niet meer den

omvang, waardoor de vroegere zulke uitgebreide resultaten op het gebied

der aardrijkskunde hadden opgeleverd. Want voortaan waren het bepaalde

punten van het nieuwe vasteland zelf, waarheen men zijne tochten

richtte, en alleen het voortdurend toenemende verkeer was oorzaak, dat

ook deze reizen na lange jaren aanmerkelijk bijdroegen tot de

geographische kennis van Amerika’s kusten. De landstreek, waarop ik

hierbij voornamelijk het oog heb, is Newfoundland. Het was reeds den

eersten reizigers niet ontgaan, dat de bijzonder groote overvloed van

kabeljauw, die zich op de kusten van dat land bevond, een bron van

voordeel zou kunnen zijn, die niet verwaarloosd diende te worden, en

toen eenmaal de weg daarheen gewezen was, verschenen hoe langer hoe meer

Portugeesche, Spaansche en vooral Fransche schepen in die rijke wateren.

De Franschen, wier Baskische broeders reeds van ouds als onverschrokkene

visschers bekend stonden, verdrongen eindelijk hunne mededingers geheel

van dat gebied, maar niet voordat de Portugeezen de geheele kust tot

zelfs in Hudsons-baai bezeild en vrij nauwkeurig opgenomen hadden. (vóor

1570.)[11]

[10] In deze eerste periode had men over het algemeen het voetspoor

gevolgd van Columbus, die eenvoudig westwaarts naar Oost-Indië had

willen zeilen. Toen men het bestaan van Amerika ontdekt had, zocht

men ergens midden door dat werelddeel een doortocht, die zeker de

eenvoudigste weg naar Oost-Indië zou geweest zijn. Nadat deze

pogingen vruchteloos gebleken waren, beproefde men natuurlijk den

kortsten weg, den noordoostelijken doortocht. Eerst toen ook hier

zich groote moeielijkheden opdeden, wendde men zich naar het

noordwesten en in deze glansrijke tweede periode van het zoeken naar

de westelijke doorvaart, nagenoeg uitsluitend door Engelschen

beproefd, onderscheidden zich vooral mannen als Frobisher, Davis,

Weymouth, Bileth en Baffin. Over deze reizen vindt men uitvoerige

berichten in: Purchas his Pilgrimes. III.

[11] In dit overzicht der ontdekkingsreizen op de Amerikaansche kust

volg ik bijna uitsluitend de uitnemende inleiding voor: Asher,

Hudson the Navigator. p. LXV-CI.

Lang voor dien tijd was echter het zoeken van een noordelijken doortocht

naar Oost-Indië, of zooals men toen algemeen zeide naar China en Cathay,

reeds weder hervat en wel volgens een geheel nieuw plan.

De pauselijke bul, waarbij aan de Portugeezen de nieuw ontdekte landen

op de oostelijke helft van den aardbol, aan de Spanjaarden die op de

westelijke helft werden geschonken (1493), had dezen in hun eigen oog

gerechtigd alle andere natiën van de vaart op de hun toebehoorende

landen, bekend of onbekend, uit te sluiten. Er waren maatregelen genomen

om de demarcatielijn juist te trekken (congres van Badajoz 1524)[12], en

men was eindelijk tot eene vreedzame oplossing gekomen. Het laat zich

begrijpen, dat dit alles door de overige Europeesche natiën met leede

oogen werd aangezien. Mocht ook voor niet-katholieke natiën het

pauselijk woord geen gewicht in de schaal leggen, de beide begunstigde

mogendheden hechtten daaraan des te meer, en daar zij in de zeeën, die

den toegang naar het zoo begeerde Oost-Indië openden, oppermachtig

waren, deed hun wil om anderen uit te sluiten hier alles af. Maar deze

toestand was op den duur niet te dulden: voor de uitgeslotenen was het

alles waard het verre land te bereiken en de wrevel tegen de

overweldigers was algemeen. Eene handeldrijvende natie als de Engelsche,

bovendien steeds in oppositie tegen Spanje, moest wel het eerst

ongeduldig worden over den opgelegden dwang. Het was dus waarschijnlijk,

dat Engeland eene nieuwe poging zou doen om Oost-Indië te bereiken,

zoodra zich een kans opdeed om dien stap te doen met eenige hoop op

goeden uitslag.

[12] Zie daarover: Hakluyt, Divers voyages. p. 47 Noot 2.

En die kans deed zich op. In 1548 was Sebastiaan Cabot, die sinds zijne

vorige tochten met een korte tusschenpoos[13] in Spaanschen dienst was

geweest, in Engeland teruggekomen. Een reis naar het noordwesten in 1517

ondernomen had hem de overtuiging geschonken, dat zoo al een doortocht

naar Oost-Indië in die richting te vinden was, de moeielijkheden daaraan

verbonden toch in ieder geval te groot waren dan dat die weg voor den

geregelden handel met Oost-Indië van eenig nut zou kunnen zijn. Zijn

aandacht viel nu op de eenige zee, die nog kans op eenen nieuwen weg

scheen aan te bieden.

[13] In die tusschenpoos volbracht Cabot in Engelschen dienst zijne

noordwestelijke reis van 1516 of 1517.

Het hooge noorden van Europa was sinds de dagen van Octher niet meer

bezocht geworden: de beschaafde wereld was geheel onbekend met de kusten

der IJszee. Slechts onbepaalde voorstellingen vormde men zich van die

streken, voorstellingen voornamelijk aan de schriften van Plinius en

andere oude geographen ontleend. Dezen hadden geleerd, dat de kust van

Azië ten noorden in een kaap uitliep, die kaap Tabin (kaap Taimyr?)

genoemd werd. Van dat punt zou de kust recht naar het zuiden loopen.

Door eene straat, de straat van Anian genaamd (de Behring-straat),

meende men onmiddellijk het rijke Cathay, een mythisch land ten noorden

van China, te kunnen bereiken; de weg van daar naar China en Oost-Indië

zou niet moeielijk te vinden zijn.--Dezen weg wilde Cabot nu inslaan. De

moeielijkheden daaraan verbonden waren hem onbekend; het onmiskenbare

voordeel, dat deze weg boven alle andere bood, de kortheid, moest ieder

in het oog vallen. Vast besloten om ten minste een proef te wagen,

vinden wij Cabot dan ook reeds weinige jaren na zijne laatste mislukte

noordwestelijke reis, in 1522 en 1523 bezig met onderhandelingen, om aan

zijne vaderstad Venetië de voordeelen van deze vaart te verzekeren[14].

Maar te vergeefs! Venetië was door hare ligging aan gene zijde van de

straat van Gibraltar te veel afhankelijk van Spanje’s goedvinden om het

te wagen de bedoelingen dier groote mogendheid te weerstreven op een

punt van zooveel belang. Cabot was dus genoodzaakt van zijn ideaal af te

zien: Venetië zou de vruchten van de plannen door haren zoon gemaakt

niet plukken. Maar nauwelijks was de geniale grijsaard vele jaren later

in Engeland teruggekeerd, of hij maakte gebruik van de gunstige

gelegenheid en het jarenlang geliefkoosde plan werd ter tafel gebracht.

[14] Cabot heeft dus de prioriteit boven Robert Thorne, die in 1527

nieuwe plannen over den noordelijken doortocht naar Oost-Indië

opperde. Zie Thorne’s werkjes afgedrukt in: Hakluyt, Divers Voyages

to America.

En niet zonder vrucht! Het eerste resultaat van Cabots bemoeiingen was

reeds in 1551 de oprichting eener nieuwe compagnie, die bestemd schijnt

geweest te zijn om het overwicht, dat de Hansesteden door hare

privilegiën in Engelands handel hadden, te vernietigen en de eigen

werkzaamheid der Engelschen door het openen van nieuwe banen voor het

verkeer op te wekken. De belangrijke plaats, die deze compagnie ook in

ons verhaal innemen zal, maakt het noodig over haar iets uitvoeriger te

spreken[15]. Het was eene maatschappij op aandeelen van 25 p. St.;

binnen korten tijd had men de som van 6000 p. St. bijeen en kon de

compagnie onder den naam van »~The Mystery, Company and Fellowship of

Merchants Adventurers for discovery of unknown lands~” hare

werkzaamheden beginnen. Cabot werd tot president voor zijn geheele leven

benoemd. Het doel was, zooals reeds uit den naam blijkt, het ontdekken

van nieuwe landen; het aanknoopen van handelsbetrekkingen zou daarmede

natuurlijk gepaard gaan. Reeds de eerste tocht der compagnie, waarover

later meer, bepaalde voor goed de richting, waarin zich hare

ondernemingen voortaan zouden bewegen. Er werden namelijk reeds in 1553

handelsbetrekkingen met Rusland aangeknoopt, en hoewel de compagnie

haar doel, het ontdekken van vreemde landen, niet uit het oog

verloor,--hoewel door hare pogingen de Engelsche walvischvangst een

tijdlang bloeide, bleven toch de betrekkingen met Rusland zoozeer

hoofdzaak, dat de naam der compagnie geheel in vergetelheid geraakte en

men haar gewoonlijk de Moscovische of Russische Compagnie noemde.

[15] Zie Hakluyts uitvoerig verhaal der omstandigheden, die tot de

vestiging dezer compagnie leidden, in de inleiding van: Beke, Three

voyages by the North-east. p. II-IV.

In Engeland was men trouwens zeer met de handelwijze der nieuwe

vereeniging ingenomen. Dadelijk na de terugkomst der eerste expeditie

verkreeg zij (6 Februari 1555) van Philips en Maria verschillende

privilegiën en octrooi voor den uitsluitenden handel op het noorden. De

compagnie werd in dit stuk aangeduid door de omschrijving: »~The

Merchants adventurers of England for the discovery of lands,

territories, isles, dominions and seignories unknown~.” Toen later, door

de groote winsten die de maatschappij maakte aangelokt, andere

Engelschen inbreuk op haar octrooi maakten en onder allerlei

voorwendsels trachtten de beperkende bepalingen der wet te

ontduiken[16], toonde Elisabeth hoezeer zij het bestaan der compagnie op

prijs stelde, door op nieuw in uitdrukkelijke bewoordingen het

uitsluitend recht der vereeniging, voortaan »~The Fellowship of English

Merchants for the Discovery of New Trades~” genaamd, te handhaven.

(1566)[17] Onder laatstgemelden naam heeft de Moscovische Compagnie de

eeuwen getrotseerd en bestaat zij tot op dit oogenblik[18].

[16] Zie over deze inbreuken op het octrooi der Moscovische

Compagnie: Hamel, Tradescant der Aeltere. p. 204, 212, ook p. 220,

cf. p. 201 Noot 1, 214 Noot 2, 216 Noot 2.

[17] Sommigen verhalen, dat deze bevestiging van het octrooi onder

Elizabeth ~bij parlementsakte~ is geschied.

[18] Zie over de Moscovische Compagnie: Hamel, Tradescant. p. 88-90,

162, 212.--Asher, Hudson the Navigator p. CII, CIII, CXXIII,

CXXV.--Beke, Three voyages by the north-east. p. II-IV,

VII.--Hakluyt, Divers voyages. p. LXXXV, LXXXVI.--Read, Hist. inq.

conc. Henry Hudson. p. 21 vlg.

Geschiedenis der Noordsche Compagnie · 第 1 / 52 段