XXII.

De vallen.--Vossen.--Wilde zwijnen.--Sneeuwstorm.--De

mandenmakers.--De grootste koude.--Kristallisatie van

suiker.--De geheimzinnige put.--Plan tot onderzoek.--De

hagelkorrel.

Die vinnige koude duurde voort tot den 15den Augustus, zonder evenwel

het maximum der graden Fahrenheit te overtreffen, die tot nog toe

waargenomen waren. Als de dampkring kalm was, konden zij gemakkelijk

zulk een lage temperatuur doorstaan; maar als de wind opstak, dan

was het nauwelijks voor hen uit te houden omdat zij dun gekleed

waren. Pencroff begon te treuren, dat er op het eiland Lincoln niet

eenige beren huisden, liever nog dan die vossen en zeehonden, wier

bonte vellen zoo veel te wenschen overlieten.

"De beren," zeide hij, "zijn gewoonlijk goed gekleed, en ik zou

niets liever willen dan gedurende den winter hun warmen dikken pels

te leenen."

"Maar," antwoordde Nab lachende, "die beren zouden er misschien niet

in toestemmen, Pencroff, om u hun pels te leenen. Die beestjes zijn

ook geen heiligen!"

"Wij zouden ze er wel toe noodzaken, Nab; wij zouden hen wel dwingen,"

antwoordde Pencroff op een toon van gezag.

Maar die groote vleeschetende dieren huisden niet op het eiland,

zij hadden er zich tenminste nog niet laten zien.

Harbert, Pencroff en de verslaggever besloten evenwel vallen te

plaatsen op de bergvlakte en aan de zoomen van het bosch. Volgens den

zeeman zou elk dier, welk ook, een goede vangst zijn en knaagdieren

of vleeschetende dieren, die door de nieuwe strikken gevangen konden

worden, zouden hoogst welkom zijn in het Rotshuis.

Deze vallen waren intusschen zeer eenvoudig; de kolonisten maakten

diepe kuilen in den grond, legden er een laag takken en gras over,

die de opening verborg en plaatsten onderin het een of andere lokaas,

waarvan de reuk de aandacht van de beesten trok; dit was alles. Men

moet er echter bijvoegen, dat de kuilen niet willekeurig gegraven

waren, maar op plaatsen waar talrijke sporen van viervoetige dieren

bewezen, dat deze in grooten getale voorbij trokken. Zij werden

elken dag nagezien en men vond in de eerste dagen tot drie keer toe

van dezelfde vossen, die men reeds op den rechteroever van de rivier

gezien had.

"O zoo! er zijn dus alleen vossen in dit land!" riep Pencroff uit,

toen hij voor den derden keer zulk een dier, dat schuw onder in de

val zat, er uit haalde. "Beesten, die tot niets deugen!"

"Zeker zijn zij tot iets goed?" zeide Spilett.

"Waartoe dan?"

"Om ze als lokaas te gebruiken!"

De correspondent had gelijk en van dat oogenblik af werden de doode

vossen altijd tot dat doel gebezigd.

De zeeman had ook strikken gemaakt van de vezels van een plant en

deze strikken brachten grooter voordeel aan dan de vallen. Er ging

zelden een dag voorbij, zonder dat er een konijn gevangen werd. Men

at elken middag konijnen, maar Nab wist zulk een afwisseling in het

bereiden der sausen te brengen, dat de kolonisten er zich volstrekt

niet over beklaagden.

In de tweede week van Augustus leverden de vallen een paar keer iets

anders op dan die honden, iets veel nuttigers. Het waren eenige van die

wilde zwijnen, die zij reeds aan de noordzijde van het meer bespeurd

hadden. Pencroff behoefde ditmaal niet te vragen of die dieren eetbaar

waren. Dit kon men gemakkelijk zien aan hunne overeenkomst met het

Amerikaansche en Europeesche varken.

"Maar dat zijn geen varkens," zeide Harbert. "Ik waarschuw je,

Pencroff."

"Jongenlief," antwoordde de zeeman, terwijl hij zich over de val boog

en een van de vertegenwoordigers van dat soort bij zijn staart naar

boven trok; "laat mij gelooven dat het varkens zijn!"

"Waarom?"

"Omdat ik dat prettig vind!"

"Houdt ge dan zooveel van varkens, Pencroff?"

"Ik houd dol veel van varkens," antwoordde de zeeman, "vooral om hun

pooten, als ze er acht in plaats van vier hadden, zou ik nog dubbel

zooveel van hen houden!"

Den 15den Augustus veranderde de dampkring plotseling door het keeren

van den wind naar het noord-westen. De luchtgesteldheid steeg eenige

graden, en de dampen, die in de lucht opgezameld waren, gingen weldra

in sneeuw over. Het geheele eiland was door een witte laag overdekt

en toonde zich onder een nieuw voorkomen aan zijne bewoners. Gedurende

eenige dagen viel de sneeuw overvloedig en lag weldra twee voet hoog.

De wind blies heftig en in het Rotshuis hoorde men de zee op de klippen

breken. Op sommige plaatsen ontstond er als het ware een hoos en steeg

de sneeuw op in hooge draaiende kolommen, die op waterhozen geleken en

zich wentelden om haar basis en die men op schepen door een kanonschot

uit elkaar doet stuiven. Daar de storm uit het noordwesten woei en

dwars over het eiland blies, bleef het Rotshuis door zijn ligging

voor een rechtstreekschen aanval gespaard. Maar te midden van die

sneeuwjacht, die hevig als in de poolstreken was, konden noch Cyrus

Smith, noch zijn metgezellen zich buiten wagen, hoe gaarne zij dit

ook gedaan hadden. Zij bleven dus vijf dagen, van 20 tot 25 Augustus,

opgesloten. Zij hoorden den wind in de bosschen loeien, die er zeker

onder moesten lijden. Er zouden ongetwijfeld verscheidene boomen

ontworteld worden, maar Pencroff troostte zich met de gedachte,

dat hem dan de moeite gespaard werd ze om te hakken.

"De wind is houthakker geworden, laat hij zijn gang maar gaan,"

herhaalde hij.

Er bestond overigens ook geen middel om hem dit te beletten.

Hoe dankbaar waren de bewoners van het Rotshuis, dat zij zulk een

sterke en onwrikbare schuilplaats hadden! Cyrus Smith kreeg wel zijn

rechtmatig deel in den dank, maar de natuur had hun toch die grot

verschaft en hij had haar slechts ontdekt. Daar waren zij allen

in veiligheid en kon de storm hen niet bereiken. Hadden zij op de

bergvlakte een huis van steen en hout gebouwd, dan zou dit zeker

de woede van zulk een orkaan niet hebben kunnen weerstaan. Wat de

Schoorsteenen betreft, men was vast overtuigd, dat zij volstrekt

onbewoonbaar waren, als men slechts het bulderen van de golven hoorde,

want zoodra de zee het eilandje overstroomde, zou zij al hare woede

daarop bot vieren. Maar hier in het Rotshuis, te midden van die rotsen,

die tegen lucht en water bestand waren, hier had men niets te vreezen.

Gedurende de weinige dagen, dat zij opgesloten waren, bleven de

kolonisten niet rusten. Er was hout in planken gezaagd in overvloed

in het magazijn en langzamerhand werd het huisraad, wat tafels en

stoelen betrof, voltallig.

De schrijnwerkers werden vervolgens mandenmakers, en daarin slaagden

zij zeer goed. Ze hadden aan den noordelijken oever van het meer een

groot rijsbosch ontdekt, waar de wilgen in menigte groeiden. Vóór het

regengetij hadden Pencroff en Harbert deze nuttige boomen binnengehaald

en hunne takken waren nu uitmuntend tot dat doel geschikt. De eerste

proeven waren slecht, maar door de handigheid en het vernuft van de

werklieden werd het materiaal van de kolonie weldra vermeerderd met

manden van allerlei aard en grootte.

Gedurende de laatste week van de maand Augustus veranderde het weer nog

eenmaal. De temperatuur werd lager en de storm bedaarde. De kolonisten

haastten zich om naar buiten te gaan. Er stond zeker twee voet sneeuw,

maar men kon zonder veel inspanning over hare harde oppervlakte loopen;

Cyrus Smith en zijn metgezellen bestegen toen de bergvlakte.

Welk een verandering! Dat bosch, dat nog groen was toen zij het voor

het laatst zagen, verdween nu onder een en dezelfde kleur. Alles was

wit, van den top van den berg Franklin tot aan de kust, de bosschen,

de weiden, het meer, de rivieren en de oevers. Het water van de Mercy

stroomde onder een gewelf van ijs, dat men bij eb en vloed met een

oorverdoovend leven hoorde kruien. Tallooze vogels fladderden over

de bevroren oppervlakte van het meer; het waren eenden, watersnippen,

duikerhoenen en anderen. Er waren er duizenden. De rotsen, waartusschen

de waterval stroomde, waren met ijskegels bedekt. Men zou gezegd

hebben dat het water ontsnapte uit een monsterachtigen drakenkop,

die gehouwen was met de phantasie van een kunstenaar uit den tijd

der Renaissance. Men kon de schade, die door den storm in het bosch

veroorzaakt was, nog niet beoordeelen, en men moest daarmede wachten

tot de laag sneeuw verdwenen zou zijn.

Gideon Spilett, Pencroff en Harbert namen deze gelegenheid waar om

hunne vallen na te zien. Zij konden ze niet gemakkelijk onder de sneeuw

terugvinden. Zij moesten zelfs oppassen om er niet zelf in te vallen,

hetgeen gevaarlijk en vernederend tevens zou zijn; een put te graven

en er zelf in te vallen! Zij waren echter voorzichtig en vonden hun

vallen onbeschadigd terug. Zij waren echter allen ledig en in den

omtrek waren er toch verscheidene sporen van dieren, waaronder enkele

indrukken van scherpe klauwen. Harbert twijfelde niet of het eene of

andere vleeschetende dier, tot het geslacht der katten behoorende,

had daar rondgezworven, hetgeen ook overeenstemde met de meening van

den ingenieur omtrent de aanwezigheid van wilde dieren op het eiland

Lincoln. Zeker huisden verscheurende dieren vooral in het dichtste

gedeelte van het bosch, maar door den honger er toe gedwongen, hadden

zij zich tot op de bergvlakte gewaagd. Roken zij misschien de bewoners

van het Rotshuis?

"Maar waaruit bestaat dan dat kattengeslacht?" vroeg Pencroff.

"Uit tijgers," antwoordde Harbert.

"Ik dacht dat men deze beesten slechts in warme landen vond?"

"In de nieuwe wereld," antwoordde de knaap, "vindt men ze van

Mexico tot in de Pampas van Buenos Ayres. En daar Lincoln ongeveer

dezelfde breedte heeft als de provincies van la Plata, is het niet

te verwonderen dat men er eenige tijgers vindt."

"Goed, wij zullen oppassen," antwoordde Pencroff.

Eindelijk verdween de sneeuw door de zachte temperatuur, die weder

begon te stijgen. De regen viel bij stroomen neer, en dank zij den dooi

was er weldra niets meer van die witte massa te zien. Niettegenstaande

het slechte weer, deden de kolonisten van alles weder nieuwen

voorraad op, zoowel van planten als van dieren. Hiervoor moesten

zij noodzakelijk eenige keeren door het bosch en zij bevonden, dat

er een zeker aantal boomen door den laatsten storm geveld waren. De

zeeman en Nab belaadden zelfs verscheidene malen hun handwagen met

steenkolen, opdat men dan weder eenige tonnen brandstof zou hebben. In

het voorbijgaan zagen zij dat de schoorsteen van den steenoven zeer

veel van den storm te lijden had gehad, en er minstens zes voet

afgebroken was.

Terzelfder tijd werd ook de voorraad hout van het Rotshuis vernieuwd,

en men maakte daarbij gebruik van den stroom der Mercy, die weder

vrij van ijs was geworden, om de noodige vrachten aan te voeren. Het

zou kunnen gebeuren dat de koude nog niet voorbij was.

Zij brachten eveneens een bezoek aan de Schoorsteenen, en de kolonisten

mochten blij zijn dat zij daar niet gedurende den storm gewoond

hadden. De zee had er geduchte sporen van verwoesting achtergelaten.

Zij hadden, bleek het, niet te vergeefs nieuwen voorraad

brandstof opgedaan. De kolonisten hadden nog niet met de strenge

koude afgerekend. Men weet, dat de maand Februari zich op het

noordelijk halfrond vooral kenmerkt door groote daling van de

temperatuur. Hetzelfde geval heeft op het zuidelijk halfrond plaats,

en het einde van Augustus, welke maand overeenstemt met Februari in

Noord-Amerika, ontkomt niet aan deze wet van het klimaat.

Den 25sten draaide de wind plotseling naar het zuidoosten, nadat er

voor de tweede maal een groote hoeveelheid sneeuw en regen was gevallen

en het werd vinnig koud. Volgens den ingenieur zou een thermometer

van Fahrenheit niet minder dan 8 graden onder nul aangewezen hebben,

en deze koude werd nog ondragelijker door een scherpen wind die

verscheidene dagen aanhield. De kolonisten moesten op nieuw in het

Rotshuis blijven, en daar alle openingen in den rotswand hermetisch

gesloten moesten worden en nu slechts zooveel lucht in mochten laten

als hoog noodig was voor de luchtverversching, werden er zeer veel

kaarsen verbruikt. De kolonisten stelden zich meestal met het licht,

dat het vuur gaf, tevreden, waaraan dan ook geen brandstof gespaard

werd. Soms waagde de een of de andere zich op het strand, te midden van

de ijsschotsen, welke de vloed daar aanspoelde, maar men keerde spoedig

naar het Rotshuis terug, en het was niet zonder veel moeite en pijn

aan hunne handen dat zij de sporten van de touwladder vasthielden. Bij

die vinnige kou, brandde dat hout hunne vingers.

Gedurende deze gevangenschap, moesten de bewoners van het Rotshuis

toch hun tijd doorbrengen. Cyrus Smith ondernam daarom een werk dat

binnen 's huis geschieden kon.

De kolonisten hadden geen andere suiker tot hun gebruik dan het sap

dat zij uit den ahornboom trokken door diepe inkervingen in den stam

te maken.

Maar Cyrus Smith wist een beter middel, en op een dag zeide hij tot

zijn metgezellen dat zij raffinadeurs zouden worden.

"Raffinadeurs!" zeide Pencroff. "Dat is een warm werkje, geloof ik?"

"Zeer warm!" antwoordde de ingenieur.

"Welnu, dan is het er nu juist de tijd voor!"

Om dit sap te kristalliseeren was het voldoende om het door een zeer

eenvoudige bewerking te zuiveren. Zij stortten het in groote aarden

potten op het vuur en lieten het een poos lang verdampen, waardoor

het schuim zich weldra aan de oppervlakte vertoonde. Zoodra het dik

begon te worden, roerde Nab er langzaam met een houten lepel in, de

verdamping werd daardoor verhaast en tegelijkertijd het aanbranden

belet.

Nadat het een paar uur had staan koken op een flink vuur, dat

evenveel goed deed aan de werklieden als aan de zelfstandigheid die

bewerkt moest worden, was het sap in een dikke stroop veranderd. De

stroop werd in de aarden vormen overgegoten, die in denzelfden oven

daarvoor gebakken waren en waarvan men verschillende figuren had

gemaakt. Toen de stroop den volgenden ochtend afgekoeld was, waren

het brooden en koeken. Het was suiker, wel wat rood van kleur, maar

bijna doorschijnend en goed van smaak.

De koude hield tot half September aan en de bewoners van het Rotshuis

begonnen hunne gevangenschap wel wat lang te vinden. Bijna elken dag

beproefden zij naar buiten te gaan, maar te vergeefs. Zij werkten dus

onophoudelijk om hunne woning in volmaakte orde te brengen. Onder het

werken praatte men. Cyrus Smith onderwees zijn lotgenooten in alles en

verklaarde hun vooral de practische toepassingen der wetenschap. De

kolonisten hadden geen bibliotheek tot hunne beschikking; maar

de ingenieur was voor hen een gewillig boek, altijd opengeslagen

op de bladzijde die ieder noodig had, een boek dat al hunne vragen

beantwoordde, en dat zij dikwijls opsloegen. Zoo ging de tijd voorbij

en deze kloeke mannen schenen voor de toekomst niet meer te vreezen.

Het werd echter tijd dat er een einde kwam aan die gedwongen

opsluiting. Allen verlangden naar het zachte jaargetijde of ten

minste naar het eind van deze ondraaglijke kou. Waren zij slechts zoo

gewend, dat zij dat weer konden trotseeren, welke tochten zouden zij

niet beproefd hebben, door de duinen zoowel als door het moeras! Het

wild moest gemakkelijk te naderen zijn, en hun jacht zou zeker veel

opgeleverd hebben. Maar Cyrus Smith was er voor alles op gesteld dat

allen hun gezondheid in acht namen, want hij had alle armen noodig

en zijn raad werd opgevolgd.

De meest ongeduldige in deze gevangenschap, na Pencroff, was

natuurlijk Top. De trouwe hond vond het veel te eng en te benauwd in

het Rotshuis. Hij draaide van de eene kamer naar de andere en uitte

op zijn manier zijne verveling.

Cyrus Smith merkte dikwijls op, dat de hond, wanneer hij in de

nabijheid kwam van een diepen put, die met de zee in verband stond

en waarvan de opening in het magazijn uitkwam, een zonderling gebrom

deed hooren. Top draaide soms om dien put heen, die slechts door

een plank gesloten was. Enkele malen trachtte hij zijn pooten onder

de plank te brengen, alsof hij haar wilde wegschuiven. Hij jankte

daarbij zoo zonderling, dat men er uit op kon maken, dat hij woedend

of ongerust was.

De ingenieur sloeg hem menigmaal gade. Wat was er dan in dien afgrond,

dat zulk een indruk maakte op het verstandige dier? Het was zeker dat

die put in zee uitkwam. Zou hij zich mogelijk in dunne buizen verdeelen

en door het geheele eiland loopen? Stond hij misschien met andere

onderaardsche spelonken in verband? Zou misschien het een of andere

zeemonster van tijd tot tijd op den bodem van den put verschijnen? De

ingenieur wist niet wat hij er van denken moest en kon niet nalaten,

zich de onmogelijkste dingen voor te stellen. Daar hij gewoon was op

het gebied der wetenschappelijke werkelijkheid diep door te dringen,

kon hij het niet verdragen dat hij zich liet meeslepen op het gebied

van het onwaarschijnlijke en bijna bovennatuurlijke; maar hoe het te

verklaren, dat Top, een van die honden, welke hun tijd niet verbeuzelen

met de maan aan te blaffen, steeds bleef ruiken en luisteren bij de

opening van dezen afgrond, zoo er niets voorviel dat zijn onrust kon

gaande maken? Het gedrag van Top wekte in hooger mate de belangstelling

van Cyrus Smith op dan hij zich zelven wel wilde bekennen.

De ingenieur deelde zijn bevindingen evenwel slechts aan Gideon Spilett

mede, daar hij het onnoodig achtte zijn metgezellen bekend te maken

met de gedachten, welke onwillekeurig bij hem oprezen op grond van

iets, dat misschien slechts een gril van Top was.

De kou week eindelijk. Het regende nog wel, er viel zelfs nog sneeuw en

nu en dan stak de wind heftig op, maar dit hield slechts kort aan. Het

ijs was gesmolten en de sneeuw ontdooid; de kust, de bergvlakte,

de oevers van de rivier en het bosch waren weder begaanbaar. Deze

terugkeer van de lente verheugde de bewoners van het Rotshuis zeer

en weldra brachten zij daar slechts de uren van hun nachtrust en van

hun middagmaal door.

Zij jaagden veel in de tweede helft van September, hetgeen Pencroff

reden gaf om met vernieuwden aandrang vuurwapens te vragen, die hij

beweerde dat hem door Cyrus Smith waren beloofd. Deze wel wetende, dat

het hem onmogelijk was, zonder bijzondere werktuigen daartoe, geweren

te maken die eenigen dienst konden bewijzen, stelde het werk steeds

tot later uit. Hij deed overigens opmerken, dat Harbert en Gideon

Spilett bekwame boogschutters waren geworden, dat het voortreffelijkste

wild als konijn-varkens, kangaroes, waterzwijnen, duiven, trapganzen,

wilde eenden, watersnippen, in één woord pluimgedierte en ander wild

onder hun pijlen vielen, en dat men bijgevolg nog kon wachten. Maar

de koppige zeeman was doof aan dat oor, en hij liet den ingenieur

geen rust voordat hij aan zijn verzoek zou voldaan hebben. Gideon

Spilett ondersteunde den wensch van Pencroff.

"Wanneer er op het eiland, zooals men moet gelooven," zeide hij,

"verscheurende dieren zijn, dan moet men zich voorbereiden om ze te

bestrijden en uit te roeien. Er kan een oogenblik komen dat dit onze

eerste plicht zal zijn."

Maar op dat tijdstip was het niet de quaestie van vuurwapens, die Cyrus

Smith bezig hield, maar wel die der kleederen. Die, welke de kolonisten

droegen waren dien winter meegegaan, maar konden niet tot den volgenden

winter duren. Hetgeen men zich tot elken prijs moest verschaffen was

de huid van vleeschetende dieren of de wol van herkauwende, en daar

er muffeldieren in overvloed waren, wilde men trachten een kudde er

van bij elkander te krijgen, die dan uitsluitend tot het gebruik der

kolonisten zou gehouden worden. De beide gewichtige plannen, welke men

gedurende het zachte jaargetijde ten uitvoer moest brengen, waren:

een omheinde plaats te maken voor de huisdieren en een plein in te

richten voor het gevogelte, in een woord, een soort van boerderij

aanteleggen op een gedeelte van het eiland.

Bijgevolg moest men met het oog op de toekomstige inrichtingen,

noodzakelijk het onbekende gedeelte van het eiland Lincoln gaan

verkennen, namelijk de groote bosschen, die zich op den rechteroever

van de rivier uitstrekten van haar mond tot aan het uiterste gedeelte

van het kleine schiereiland, en over de geheele westelijke kust.

Men wachtte dus met zeker ongeduld, toen er iets voorviel dat het

verlangen van de kolonisten nog versterkte om hun geheele gebied

te verkennen.

Het was de 24ste October. Pencroff had dien dag de vallen nagezien. In

een daarvan had hij drie dieren gevonden, welke hoogst welkom waren

geweest. Het was een muskuszwijn met twee jongen.

Pencroff keerde verheugd over zijn vangst naar het Rotshuis terug en

zooals gewoonlijk maakte hij veel ophef van zijn jacht.

"Nu zullen wij smullen, mijnheer Cyrus!" riep hij uit. "En gij ook,

mijnheer Spilett, gij zult er ook van eten!"

"Dat wil ik gaarne," antwoordde de verslaggever, "maar waar zal ik

van eten."

"Van het speenvarkentje!"

"Komaan, Pencroff, een speenvarkentje? Ik dacht minstens dat gij

getruffeerde patrijzen bracht!"

"Wat?" riep Pencroff uit. "Zoudt gij soms een speenvarkentje

versmaden?"

"Neen," antwoordde Spilett, zonder eenige opgewondenheid, "en als

men er niet te veel van eet...."

"Goed, goed, mijnheer de journalist," hernam de zeeman, die niet

gaarne zag dat men zijn jacht geringschatte, "zijt gij zoo kieskeurig

uitgevallen? Zeven maanden geleden, toen wij op dit eiland aan wal

kwamen, zoudt gij maar al te gelukkig zijn geweest zulk een stuk wild

te ontmoeten!....

"Nu ziet gij alweer dat de mensch nooit volmaakt, noch tevreden is."

"Nu," hernam Pencroff, "ik hoop dat Nab in dit geval een uitzondering

zal maken. Zie eens! Deze twee jonge zwijntjes zijn nog geen drie

maanden oud. Zij zullen zoo malsch als boter zijn! Kom Nab! Ik zal

zelf bij het klaarmaken zijn."

De zeeman en Nab gingen naar de keuken en verdiepten zich in hunne

kookkunst.

Men liet hen hun gang gaan. Nab en hij bereidden een kostelijk maal

van de twee speenvarkentjes, een soep van kangaroe, gerookte ham,

amandelen, thee van Oscoego,--in een woord, alles wat er goeds

te vinden was; maar van alle schotels was die der gestoofde

speenvarkentjes de voornaamste.

Te vijf uur begon het diner in een van de zalen van het Rotshuis De

kangaroe-soep stond dampend op tafel. Men smulde er aan.

Op de soep volgden de speenvarkentjes, die Pencroff zelf wilde

voorsnijden en waarvan hij reusachtige portiën aan zijn dischgenooten

toediende.

Deze speenvarkentjes smaakten overheerlijk, en Pencroff verslond zijn

deel toen plotseling een kreet en een vloek hem ontsnapten.

"Wat is er?" vroeg Cyrus Smith.

"Ik.... ik.... ik breek mijn tand!" antwoordde Pencroff.

"Zoo, zoo! er zijn dus steenen in uwe speenvarkentjes?" zeide Gideon

Spilett.

"Ik zou het bijna gelooven," zeide Pencroff, terwijl hij het voorwerp

uit zijn mond haalde dat hem een tand kostte!....

Het was geen steen.... Het was een kogeltje!

Het Geheimzinnige Eiland De Luchtschipbreukelingen · 第 26 / 37 题