De vallen.--Vossen.--Wilde zwijnen.--Sneeuwstorm.--De
mandenmakers.--De grootste koude.--Kristallisatie van
suiker.--De geheimzinnige put.--Plan tot onderzoek.--De
hagelkorrel.
Die vinnige koude duurde voort tot den 15den Augustus, zonder evenwel
het maximum der graden Fahrenheit te overtreffen, die tot nog toe
waargenomen waren. Als de dampkring kalm was, konden zij gemakkelijk
zulk een lage temperatuur doorstaan; maar als de wind opstak, dan
was het nauwelijks voor hen uit te houden omdat zij dun gekleed
waren. Pencroff begon te treuren, dat er op het eiland Lincoln niet
eenige beren huisden, liever nog dan die vossen en zeehonden, wier
bonte vellen zoo veel te wenschen overlieten.
"De beren," zeide hij, "zijn gewoonlijk goed gekleed, en ik zou
niets liever willen dan gedurende den winter hun warmen dikken pels
te leenen."
"Maar," antwoordde Nab lachende, "die beren zouden er misschien niet
in toestemmen, Pencroff, om u hun pels te leenen. Die beestjes zijn
ook geen heiligen!"
"Wij zouden ze er wel toe noodzaken, Nab; wij zouden hen wel dwingen,"
antwoordde Pencroff op een toon van gezag.
Maar die groote vleeschetende dieren huisden niet op het eiland,
zij hadden er zich tenminste nog niet laten zien.
Harbert, Pencroff en de verslaggever besloten evenwel vallen te
plaatsen op de bergvlakte en aan de zoomen van het bosch. Volgens den
zeeman zou elk dier, welk ook, een goede vangst zijn en knaagdieren
of vleeschetende dieren, die door de nieuwe strikken gevangen konden
worden, zouden hoogst welkom zijn in het Rotshuis.
Deze vallen waren intusschen zeer eenvoudig; de kolonisten maakten
diepe kuilen in den grond, legden er een laag takken en gras over,
die de opening verborg en plaatsten onderin het een of andere lokaas,
waarvan de reuk de aandacht van de beesten trok; dit was alles. Men
moet er echter bijvoegen, dat de kuilen niet willekeurig gegraven
waren, maar op plaatsen waar talrijke sporen van viervoetige dieren
bewezen, dat deze in grooten getale voorbij trokken. Zij werden
elken dag nagezien en men vond in de eerste dagen tot drie keer toe
van dezelfde vossen, die men reeds op den rechteroever van de rivier
gezien had.
"O zoo! er zijn dus alleen vossen in dit land!" riep Pencroff uit,
toen hij voor den derden keer zulk een dier, dat schuw onder in de
val zat, er uit haalde. "Beesten, die tot niets deugen!"
"Zeker zijn zij tot iets goed?" zeide Spilett.
"Waartoe dan?"
"Om ze als lokaas te gebruiken!"
De correspondent had gelijk en van dat oogenblik af werden de doode
vossen altijd tot dat doel gebezigd.
De zeeman had ook strikken gemaakt van de vezels van een plant en
deze strikken brachten grooter voordeel aan dan de vallen. Er ging
zelden een dag voorbij, zonder dat er een konijn gevangen werd. Men
at elken middag konijnen, maar Nab wist zulk een afwisseling in het
bereiden der sausen te brengen, dat de kolonisten er zich volstrekt
niet over beklaagden.
In de tweede week van Augustus leverden de vallen een paar keer iets
anders op dan die honden, iets veel nuttigers. Het waren eenige van die
wilde zwijnen, die zij reeds aan de noordzijde van het meer bespeurd
hadden. Pencroff behoefde ditmaal niet te vragen of die dieren eetbaar
waren. Dit kon men gemakkelijk zien aan hunne overeenkomst met het
Amerikaansche en Europeesche varken.
"Maar dat zijn geen varkens," zeide Harbert. "Ik waarschuw je,
Pencroff."
"Jongenlief," antwoordde de zeeman, terwijl hij zich over de val boog
en een van de vertegenwoordigers van dat soort bij zijn staart naar
boven trok; "laat mij gelooven dat het varkens zijn!"
"Waarom?"
"Omdat ik dat prettig vind!"
"Houdt ge dan zooveel van varkens, Pencroff?"
"Ik houd dol veel van varkens," antwoordde de zeeman, "vooral om hun
pooten, als ze er acht in plaats van vier hadden, zou ik nog dubbel
zooveel van hen houden!"
Den 15den Augustus veranderde de dampkring plotseling door het keeren
van den wind naar het noord-westen. De luchtgesteldheid steeg eenige
graden, en de dampen, die in de lucht opgezameld waren, gingen weldra
in sneeuw over. Het geheele eiland was door een witte laag overdekt
en toonde zich onder een nieuw voorkomen aan zijne bewoners. Gedurende
eenige dagen viel de sneeuw overvloedig en lag weldra twee voet hoog.
De wind blies heftig en in het Rotshuis hoorde men de zee op de klippen
breken. Op sommige plaatsen ontstond er als het ware een hoos en steeg
de sneeuw op in hooge draaiende kolommen, die op waterhozen geleken en
zich wentelden om haar basis en die men op schepen door een kanonschot
uit elkaar doet stuiven. Daar de storm uit het noordwesten woei en
dwars over het eiland blies, bleef het Rotshuis door zijn ligging
voor een rechtstreekschen aanval gespaard. Maar te midden van die
sneeuwjacht, die hevig als in de poolstreken was, konden noch Cyrus
Smith, noch zijn metgezellen zich buiten wagen, hoe gaarne zij dit
ook gedaan hadden. Zij bleven dus vijf dagen, van 20 tot 25 Augustus,
opgesloten. Zij hoorden den wind in de bosschen loeien, die er zeker
onder moesten lijden. Er zouden ongetwijfeld verscheidene boomen
ontworteld worden, maar Pencroff troostte zich met de gedachte,
dat hem dan de moeite gespaard werd ze om te hakken.
"De wind is houthakker geworden, laat hij zijn gang maar gaan,"
herhaalde hij.
Er bestond overigens ook geen middel om hem dit te beletten.
Hoe dankbaar waren de bewoners van het Rotshuis, dat zij zulk een
sterke en onwrikbare schuilplaats hadden! Cyrus Smith kreeg wel zijn
rechtmatig deel in den dank, maar de natuur had hun toch die grot
verschaft en hij had haar slechts ontdekt. Daar waren zij allen
in veiligheid en kon de storm hen niet bereiken. Hadden zij op de
bergvlakte een huis van steen en hout gebouwd, dan zou dit zeker
de woede van zulk een orkaan niet hebben kunnen weerstaan. Wat de
Schoorsteenen betreft, men was vast overtuigd, dat zij volstrekt
onbewoonbaar waren, als men slechts het bulderen van de golven hoorde,
want zoodra de zee het eilandje overstroomde, zou zij al hare woede
daarop bot vieren. Maar hier in het Rotshuis, te midden van die rotsen,
die tegen lucht en water bestand waren, hier had men niets te vreezen.
Gedurende de weinige dagen, dat zij opgesloten waren, bleven de
kolonisten niet rusten. Er was hout in planken gezaagd in overvloed
in het magazijn en langzamerhand werd het huisraad, wat tafels en
stoelen betrof, voltallig.
De schrijnwerkers werden vervolgens mandenmakers, en daarin slaagden
zij zeer goed. Ze hadden aan den noordelijken oever van het meer een
groot rijsbosch ontdekt, waar de wilgen in menigte groeiden. Vóór het
regengetij hadden Pencroff en Harbert deze nuttige boomen binnengehaald
en hunne takken waren nu uitmuntend tot dat doel geschikt. De eerste
proeven waren slecht, maar door de handigheid en het vernuft van de
werklieden werd het materiaal van de kolonie weldra vermeerderd met
manden van allerlei aard en grootte.
Gedurende de laatste week van de maand Augustus veranderde het weer nog
eenmaal. De temperatuur werd lager en de storm bedaarde. De kolonisten
haastten zich om naar buiten te gaan. Er stond zeker twee voet sneeuw,
maar men kon zonder veel inspanning over hare harde oppervlakte loopen;
Cyrus Smith en zijn metgezellen bestegen toen de bergvlakte.
Welk een verandering! Dat bosch, dat nog groen was toen zij het voor
het laatst zagen, verdween nu onder een en dezelfde kleur. Alles was
wit, van den top van den berg Franklin tot aan de kust, de bosschen,
de weiden, het meer, de rivieren en de oevers. Het water van de Mercy
stroomde onder een gewelf van ijs, dat men bij eb en vloed met een
oorverdoovend leven hoorde kruien. Tallooze vogels fladderden over
de bevroren oppervlakte van het meer; het waren eenden, watersnippen,
duikerhoenen en anderen. Er waren er duizenden. De rotsen, waartusschen
de waterval stroomde, waren met ijskegels bedekt. Men zou gezegd
hebben dat het water ontsnapte uit een monsterachtigen drakenkop,
die gehouwen was met de phantasie van een kunstenaar uit den tijd
der Renaissance. Men kon de schade, die door den storm in het bosch
veroorzaakt was, nog niet beoordeelen, en men moest daarmede wachten
tot de laag sneeuw verdwenen zou zijn.
Gideon Spilett, Pencroff en Harbert namen deze gelegenheid waar om
hunne vallen na te zien. Zij konden ze niet gemakkelijk onder de sneeuw
terugvinden. Zij moesten zelfs oppassen om er niet zelf in te vallen,
hetgeen gevaarlijk en vernederend tevens zou zijn; een put te graven
en er zelf in te vallen! Zij waren echter voorzichtig en vonden hun
vallen onbeschadigd terug. Zij waren echter allen ledig en in den
omtrek waren er toch verscheidene sporen van dieren, waaronder enkele
indrukken van scherpe klauwen. Harbert twijfelde niet of het eene of
andere vleeschetende dier, tot het geslacht der katten behoorende,
had daar rondgezworven, hetgeen ook overeenstemde met de meening van
den ingenieur omtrent de aanwezigheid van wilde dieren op het eiland
Lincoln. Zeker huisden verscheurende dieren vooral in het dichtste
gedeelte van het bosch, maar door den honger er toe gedwongen, hadden
zij zich tot op de bergvlakte gewaagd. Roken zij misschien de bewoners
van het Rotshuis?
"Maar waaruit bestaat dan dat kattengeslacht?" vroeg Pencroff.
"Uit tijgers," antwoordde Harbert.
"Ik dacht dat men deze beesten slechts in warme landen vond?"
"In de nieuwe wereld," antwoordde de knaap, "vindt men ze van
Mexico tot in de Pampas van Buenos Ayres. En daar Lincoln ongeveer
dezelfde breedte heeft als de provincies van la Plata, is het niet
te verwonderen dat men er eenige tijgers vindt."
"Goed, wij zullen oppassen," antwoordde Pencroff.
Eindelijk verdween de sneeuw door de zachte temperatuur, die weder
begon te stijgen. De regen viel bij stroomen neer, en dank zij den dooi
was er weldra niets meer van die witte massa te zien. Niettegenstaande
het slechte weer, deden de kolonisten van alles weder nieuwen
voorraad op, zoowel van planten als van dieren. Hiervoor moesten
zij noodzakelijk eenige keeren door het bosch en zij bevonden, dat
er een zeker aantal boomen door den laatsten storm geveld waren. De
zeeman en Nab belaadden zelfs verscheidene malen hun handwagen met
steenkolen, opdat men dan weder eenige tonnen brandstof zou hebben. In
het voorbijgaan zagen zij dat de schoorsteen van den steenoven zeer
veel van den storm te lijden had gehad, en er minstens zes voet
afgebroken was.
Terzelfder tijd werd ook de voorraad hout van het Rotshuis vernieuwd,
en men maakte daarbij gebruik van den stroom der Mercy, die weder
vrij van ijs was geworden, om de noodige vrachten aan te voeren. Het
zou kunnen gebeuren dat de koude nog niet voorbij was.
Zij brachten eveneens een bezoek aan de Schoorsteenen, en de kolonisten
mochten blij zijn dat zij daar niet gedurende den storm gewoond
hadden. De zee had er geduchte sporen van verwoesting achtergelaten.
Zij hadden, bleek het, niet te vergeefs nieuwen voorraad
brandstof opgedaan. De kolonisten hadden nog niet met de strenge
koude afgerekend. Men weet, dat de maand Februari zich op het
noordelijk halfrond vooral kenmerkt door groote daling van de
temperatuur. Hetzelfde geval heeft op het zuidelijk halfrond plaats,
en het einde van Augustus, welke maand overeenstemt met Februari in
Noord-Amerika, ontkomt niet aan deze wet van het klimaat.
Den 25sten draaide de wind plotseling naar het zuidoosten, nadat er
voor de tweede maal een groote hoeveelheid sneeuw en regen was gevallen
en het werd vinnig koud. Volgens den ingenieur zou een thermometer
van Fahrenheit niet minder dan 8 graden onder nul aangewezen hebben,
en deze koude werd nog ondragelijker door een scherpen wind die
verscheidene dagen aanhield. De kolonisten moesten op nieuw in het
Rotshuis blijven, en daar alle openingen in den rotswand hermetisch
gesloten moesten worden en nu slechts zooveel lucht in mochten laten
als hoog noodig was voor de luchtverversching, werden er zeer veel
kaarsen verbruikt. De kolonisten stelden zich meestal met het licht,
dat het vuur gaf, tevreden, waaraan dan ook geen brandstof gespaard
werd. Soms waagde de een of de andere zich op het strand, te midden van
de ijsschotsen, welke de vloed daar aanspoelde, maar men keerde spoedig
naar het Rotshuis terug, en het was niet zonder veel moeite en pijn
aan hunne handen dat zij de sporten van de touwladder vasthielden. Bij
die vinnige kou, brandde dat hout hunne vingers.
Gedurende deze gevangenschap, moesten de bewoners van het Rotshuis
toch hun tijd doorbrengen. Cyrus Smith ondernam daarom een werk dat
binnen 's huis geschieden kon.
De kolonisten hadden geen andere suiker tot hun gebruik dan het sap
dat zij uit den ahornboom trokken door diepe inkervingen in den stam
te maken.
Maar Cyrus Smith wist een beter middel, en op een dag zeide hij tot
zijn metgezellen dat zij raffinadeurs zouden worden.
"Raffinadeurs!" zeide Pencroff. "Dat is een warm werkje, geloof ik?"
"Zeer warm!" antwoordde de ingenieur.
"Welnu, dan is het er nu juist de tijd voor!"
Om dit sap te kristalliseeren was het voldoende om het door een zeer
eenvoudige bewerking te zuiveren. Zij stortten het in groote aarden
potten op het vuur en lieten het een poos lang verdampen, waardoor
het schuim zich weldra aan de oppervlakte vertoonde. Zoodra het dik
begon te worden, roerde Nab er langzaam met een houten lepel in, de
verdamping werd daardoor verhaast en tegelijkertijd het aanbranden
belet.
Nadat het een paar uur had staan koken op een flink vuur, dat
evenveel goed deed aan de werklieden als aan de zelfstandigheid die
bewerkt moest worden, was het sap in een dikke stroop veranderd. De
stroop werd in de aarden vormen overgegoten, die in denzelfden oven
daarvoor gebakken waren en waarvan men verschillende figuren had
gemaakt. Toen de stroop den volgenden ochtend afgekoeld was, waren
het brooden en koeken. Het was suiker, wel wat rood van kleur, maar
bijna doorschijnend en goed van smaak.
De koude hield tot half September aan en de bewoners van het Rotshuis
begonnen hunne gevangenschap wel wat lang te vinden. Bijna elken dag
beproefden zij naar buiten te gaan, maar te vergeefs. Zij werkten dus
onophoudelijk om hunne woning in volmaakte orde te brengen. Onder het
werken praatte men. Cyrus Smith onderwees zijn lotgenooten in alles en
verklaarde hun vooral de practische toepassingen der wetenschap. De
kolonisten hadden geen bibliotheek tot hunne beschikking; maar
de ingenieur was voor hen een gewillig boek, altijd opengeslagen
op de bladzijde die ieder noodig had, een boek dat al hunne vragen
beantwoordde, en dat zij dikwijls opsloegen. Zoo ging de tijd voorbij
en deze kloeke mannen schenen voor de toekomst niet meer te vreezen.
Het werd echter tijd dat er een einde kwam aan die gedwongen
opsluiting. Allen verlangden naar het zachte jaargetijde of ten
minste naar het eind van deze ondraaglijke kou. Waren zij slechts zoo
gewend, dat zij dat weer konden trotseeren, welke tochten zouden zij
niet beproefd hebben, door de duinen zoowel als door het moeras! Het
wild moest gemakkelijk te naderen zijn, en hun jacht zou zeker veel
opgeleverd hebben. Maar Cyrus Smith was er voor alles op gesteld dat
allen hun gezondheid in acht namen, want hij had alle armen noodig
en zijn raad werd opgevolgd.
De meest ongeduldige in deze gevangenschap, na Pencroff, was
natuurlijk Top. De trouwe hond vond het veel te eng en te benauwd in
het Rotshuis. Hij draaide van de eene kamer naar de andere en uitte
op zijn manier zijne verveling.
Cyrus Smith merkte dikwijls op, dat de hond, wanneer hij in de
nabijheid kwam van een diepen put, die met de zee in verband stond
en waarvan de opening in het magazijn uitkwam, een zonderling gebrom
deed hooren. Top draaide soms om dien put heen, die slechts door
een plank gesloten was. Enkele malen trachtte hij zijn pooten onder
de plank te brengen, alsof hij haar wilde wegschuiven. Hij jankte
daarbij zoo zonderling, dat men er uit op kon maken, dat hij woedend
of ongerust was.
De ingenieur sloeg hem menigmaal gade. Wat was er dan in dien afgrond,
dat zulk een indruk maakte op het verstandige dier? Het was zeker dat
die put in zee uitkwam. Zou hij zich mogelijk in dunne buizen verdeelen
en door het geheele eiland loopen? Stond hij misschien met andere
onderaardsche spelonken in verband? Zou misschien het een of andere
zeemonster van tijd tot tijd op den bodem van den put verschijnen? De
ingenieur wist niet wat hij er van denken moest en kon niet nalaten,
zich de onmogelijkste dingen voor te stellen. Daar hij gewoon was op
het gebied der wetenschappelijke werkelijkheid diep door te dringen,
kon hij het niet verdragen dat hij zich liet meeslepen op het gebied
van het onwaarschijnlijke en bijna bovennatuurlijke; maar hoe het te
verklaren, dat Top, een van die honden, welke hun tijd niet verbeuzelen
met de maan aan te blaffen, steeds bleef ruiken en luisteren bij de
opening van dezen afgrond, zoo er niets voorviel dat zijn onrust kon
gaande maken? Het gedrag van Top wekte in hooger mate de belangstelling
van Cyrus Smith op dan hij zich zelven wel wilde bekennen.
De ingenieur deelde zijn bevindingen evenwel slechts aan Gideon Spilett
mede, daar hij het onnoodig achtte zijn metgezellen bekend te maken
met de gedachten, welke onwillekeurig bij hem oprezen op grond van
iets, dat misschien slechts een gril van Top was.
De kou week eindelijk. Het regende nog wel, er viel zelfs nog sneeuw en
nu en dan stak de wind heftig op, maar dit hield slechts kort aan. Het
ijs was gesmolten en de sneeuw ontdooid; de kust, de bergvlakte,
de oevers van de rivier en het bosch waren weder begaanbaar. Deze
terugkeer van de lente verheugde de bewoners van het Rotshuis zeer
en weldra brachten zij daar slechts de uren van hun nachtrust en van
hun middagmaal door.
Zij jaagden veel in de tweede helft van September, hetgeen Pencroff
reden gaf om met vernieuwden aandrang vuurwapens te vragen, die hij
beweerde dat hem door Cyrus Smith waren beloofd. Deze wel wetende, dat
het hem onmogelijk was, zonder bijzondere werktuigen daartoe, geweren
te maken die eenigen dienst konden bewijzen, stelde het werk steeds
tot later uit. Hij deed overigens opmerken, dat Harbert en Gideon
Spilett bekwame boogschutters waren geworden, dat het voortreffelijkste
wild als konijn-varkens, kangaroes, waterzwijnen, duiven, trapganzen,
wilde eenden, watersnippen, in één woord pluimgedierte en ander wild
onder hun pijlen vielen, en dat men bijgevolg nog kon wachten. Maar
de koppige zeeman was doof aan dat oor, en hij liet den ingenieur
geen rust voordat hij aan zijn verzoek zou voldaan hebben. Gideon
Spilett ondersteunde den wensch van Pencroff.
"Wanneer er op het eiland, zooals men moet gelooven," zeide hij,
"verscheurende dieren zijn, dan moet men zich voorbereiden om ze te
bestrijden en uit te roeien. Er kan een oogenblik komen dat dit onze
eerste plicht zal zijn."
Maar op dat tijdstip was het niet de quaestie van vuurwapens, die Cyrus
Smith bezig hield, maar wel die der kleederen. Die, welke de kolonisten
droegen waren dien winter meegegaan, maar konden niet tot den volgenden
winter duren. Hetgeen men zich tot elken prijs moest verschaffen was
de huid van vleeschetende dieren of de wol van herkauwende, en daar
er muffeldieren in overvloed waren, wilde men trachten een kudde er
van bij elkander te krijgen, die dan uitsluitend tot het gebruik der
kolonisten zou gehouden worden. De beide gewichtige plannen, welke men
gedurende het zachte jaargetijde ten uitvoer moest brengen, waren:
een omheinde plaats te maken voor de huisdieren en een plein in te
richten voor het gevogelte, in een woord, een soort van boerderij
aanteleggen op een gedeelte van het eiland.
Bijgevolg moest men met het oog op de toekomstige inrichtingen,
noodzakelijk het onbekende gedeelte van het eiland Lincoln gaan
verkennen, namelijk de groote bosschen, die zich op den rechteroever
van de rivier uitstrekten van haar mond tot aan het uiterste gedeelte
van het kleine schiereiland, en over de geheele westelijke kust.
Men wachtte dus met zeker ongeduld, toen er iets voorviel dat het
verlangen van de kolonisten nog versterkte om hun geheele gebied
te verkennen.
Het was de 24ste October. Pencroff had dien dag de vallen nagezien. In
een daarvan had hij drie dieren gevonden, welke hoogst welkom waren
geweest. Het was een muskuszwijn met twee jongen.
Pencroff keerde verheugd over zijn vangst naar het Rotshuis terug en
zooals gewoonlijk maakte hij veel ophef van zijn jacht.
"Nu zullen wij smullen, mijnheer Cyrus!" riep hij uit. "En gij ook,
mijnheer Spilett, gij zult er ook van eten!"
"Dat wil ik gaarne," antwoordde de verslaggever, "maar waar zal ik
van eten."
"Van het speenvarkentje!"
"Komaan, Pencroff, een speenvarkentje? Ik dacht minstens dat gij
getruffeerde patrijzen bracht!"
"Wat?" riep Pencroff uit. "Zoudt gij soms een speenvarkentje
versmaden?"
"Neen," antwoordde Spilett, zonder eenige opgewondenheid, "en als
men er niet te veel van eet...."
"Goed, goed, mijnheer de journalist," hernam de zeeman, die niet
gaarne zag dat men zijn jacht geringschatte, "zijt gij zoo kieskeurig
uitgevallen? Zeven maanden geleden, toen wij op dit eiland aan wal
kwamen, zoudt gij maar al te gelukkig zijn geweest zulk een stuk wild
te ontmoeten!....
"Nu ziet gij alweer dat de mensch nooit volmaakt, noch tevreden is."
"Nu," hernam Pencroff, "ik hoop dat Nab in dit geval een uitzondering
zal maken. Zie eens! Deze twee jonge zwijntjes zijn nog geen drie
maanden oud. Zij zullen zoo malsch als boter zijn! Kom Nab! Ik zal
zelf bij het klaarmaken zijn."
De zeeman en Nab gingen naar de keuken en verdiepten zich in hunne
kookkunst.
Men liet hen hun gang gaan. Nab en hij bereidden een kostelijk maal
van de twee speenvarkentjes, een soep van kangaroe, gerookte ham,
amandelen, thee van Oscoego,--in een woord, alles wat er goeds
te vinden was; maar van alle schotels was die der gestoofde
speenvarkentjes de voornaamste.
Te vijf uur begon het diner in een van de zalen van het Rotshuis De
kangaroe-soep stond dampend op tafel. Men smulde er aan.
Op de soep volgden de speenvarkentjes, die Pencroff zelf wilde
voorsnijden en waarvan hij reusachtige portiën aan zijn dischgenooten
toediende.
Deze speenvarkentjes smaakten overheerlijk, en Pencroff verslond zijn
deel toen plotseling een kreet en een vloek hem ontsnapten.
"Wat is er?" vroeg Cyrus Smith.
"Ik.... ik.... ik breek mijn tand!" antwoordde Pencroff.
"Zoo, zoo! er zijn dus steenen in uwe speenvarkentjes?" zeide Gideon
Spilett.
"Ik zou het bijna gelooven," zeide Pencroff, terwijl hij het voorwerp
uit zijn mond haalde dat hem een tand kostte!....
Het was geen steen.... Het was een kogeltje!