Over een hagelkorrel.--De samenstelling van een boot.--De
jacht.--Niets dat de tegenwoordigheid van een mensch
verraadt.--Eene vischvangst van Nab en Harbert.--De omgekeerde
schildpad.--De verdwenen schildpad.--Uitlegging van Cyrus
Smith.
Zeven maanden was het geleden dat de luchtvaarders op het
eiland Lincoln waren geworpen. Sedert dien tijd hadden zij, welke
onderzoekingen zij ook gedaan hadden, geen spoor van eenig menschelijk
wezen ontdekt. Geen rook had de tegenwoordigheid van een mensch op
het eiland verraden. Geen handen-arbeid was er te vinden die zijn
spoor kon aanwijzen, noch in een vroeger noch in het tegenwoordige
tijdperk. Niet alleen scheen het onbewoond, maar men moest zelfs
gelooven, dat het nooit door eenig mensch bezocht was geweest. En
thans was het geheele gebouw hunner overtuiging in een gestort door
een enkel hageltje, dat zij in het lichaam van een konijnvarken hadden
gevonden! Natuurlijk moest dit stuk lood uit een vuurwapen gekomen
zijn en slechts een menschelijk wezen kon dit voorwerp hebben gebruikt!
Toen Pencroff het kogeltje op tafel legde, zagen zijne vrienden
hem met de innigste verbazing aan. Alle gevolgtrekkingen uit deze
gebeurtenis waren van groot gewicht, niettegenstaande haar schijnbare
onbeduidendheid. Toch was hun geest er geheel mede vervuld. De
plotselinge verschijning van een bovennatuurlijk wezen zou hun niet
meer hebben kunnen verwonderen.
Cyrus Smith had niet geaarzeld terstond de onderstelling van dit
zoowel wonderlijke als onverwachte feit te formuleeren. Hij nam het
stukje lood in zijn hand, keerde het om en weder om, betastte het
tusschen duim en voorvinger, en zeide toen:
"Gij zijt overtuigd, Pencroff, dat het diertje door dezen kogel
getroffen niet ouder dan drie maanden was?"
"Nauwelijks, mijnheer Smith," antwoordde Pencroff. "Het zoog nog bij
zijn moeder toen ik het vond."
"Welnu," zeide de ingenieur, "wij hebben dus het bewijs dat hoogstens
drie maanden geleden een geweerschot op het eiland Lincoln is gelost."
"En dat het hageltje," voegde Gideon Spilett er bij, "het konijn wel
getroffen, maar niet gedood heeft."
"Dat is onbetwistbaar," hernam Cyrus Smith, "en ziehier welke gevolgen
men uit dit voorval kan afleiden: òf het eiland was voor onze komst
reeds bewoond, òf drie maanden geleden hebben menschen hier voet aan
wal gezet. Zijn zij hier met hun eigen wil gekomen of bij toeval
gestrand of hebben zij schipbreuk geleden? Deze vragen kunnen wij
eerst later ophelderen. Wat zijn het voor menschen? Europeanen of
Maleiers, vrienden of vijanden van ons? Niets kunnen wij raden,
ook niet of zij het eiland nog bewonen, dan wel verlaten hebben;
dit weten wij evenmin. Maar deze vragen zijn te belangrijk, dan dat
wij langer in de onzekerheid zouden blijven."
"Neen! honderdmaal neen! duizendmaal neen!" riep de matroos uit,
terwijl hij van tafel opstond. "Er zijn geen andere menschen dan wij
op het eiland Lincoln! Wat duivel! Het eiland is niet groot, en zoo
het bewoond was, hadden wij reeds een zijner bewoners gezien!"
"Het tegendeel zou inderdaad zeer zonderling wezen," zeide Harbert.
"Maar nog meer zou het mij verbazen," merkte de reporter aan, "zoo
het konijn met dit kogeltje geboren was!"
"Zoo Pencroff," zeide Nab op ernstigen toon, "zich tenminste niet...."
"Ziet gij dit, Nab?" antwoordde Pencroff hierop. "Ik zou dus reeds
vijf of zes maanden dit kogeltje tusschen mijn kaken hebben. Maar
waar zou het dan verborgen zijn geweest?" voegde de matroos er nog
bij, terwijl hij zijn mond opende, zoodat zijn twee en dertig witte
tanden te zien kwamen. "Zie goed, Nab, en zoo je één holle kies vindt,
dan geef ik je verlof er een half dozijn uit te halen!"
"Wat Nab daar zegt, kunnen wij niet aannemen," antwoordde Cyrus
Smith, die ondanks zijn ernstige gedachten een glimlach niet kon
weerhouden. "Het is vrij zeker dat er hoogstens drie maanden geleden
een geweerschot op het eiland gelost is. Maar ik ben geneigd te
veronderstellen dat zij, die op deze kust gestrand zijn, eerst sedert
kort zich op het eiland bevinden of het slechts overgestoken zijn,
want, indien het eiland bewoond was geweest in den tijd toen wij
den berg Franklin onderzochten, zouden wij de bewoners of zij ons
gezien hebben. Het is dus waarschijnlijk dat eerst sedert eenige
weken schipbreukelingen door den storm op de kust zijn geworpen. Hoe
het ook zij, het is voor ons van groot gewicht dit te weten te komen.
"Toch geloof ik, dat wij voorzichtig te werk moeten gaan," zeide
de correspondent.
"Dat vind ik ook," zeide Cyrus Smith, "want het is, helaas! te vreezen
dat het zeeroovers zijn, die op het eiland voet aan wal hebben gezet!"
"Mijnheer Cyrus," vroeg de matroos, "zou het niet raadzamer wezen,
voor wij een onderzoek instelden, een boot te maken, die ons in staat
stelt, hetzij de rivier op te gaan of de kust om te zeilen? Wij moeten
zorgen, dat we niet overvallen worden."
"Dat is een goed denkbeeld, Pencroff," antwoordde de ingenieur,
"maar wij kunnen het niet uitstellen, want, één maand zullen wij tot
het maken dezer boot wel noodig hebben...."
"Een wezenlijke boot ja," antwoordde de zeeman, "maar wij hebben er
geen noodig die tegen de zee bestand is, en binnen vijf dagen maak
ik een prauw gereed, waarmede wij de rivier kunnen bevaren?"
"Binnen vijf dagen," riep Nab uit, "een boot maken?"
"Ja, Nab, een Indiaansche boot."
"Van hout?" vroeg de neger, op een toon, waaruit duidelijk zijn
ongeloof sprak.
"Van hout of liever van boomschors. Ik herhaal het, mijnheer Cyrus,
dat in vijf dagen de geheele zaak volbracht is."
"Goed, binnen vijf dagen dus!" antwoordde de ingenieur.
"Maar van nu af aan moeten wij zeer voorzichtig wezen," merkte
Harbert op.
"Zeer zeker, beste vrienden," antwoordde Cyrus Smith, "en ik verzoek
u dringend uw jachttochten niet ver van het Rotshuis uit te strekken."
Het maal eindigde minder vroolijk dan Pencroff wel gehoopt had.
Het eiland was dus bewoond of bewoond geweest door anderen dan
de luchtvaarders. Dit was sedert het vinden van het stukje lood
onbetwistbaar geworden, en zulk een ontdekking kon niet anders dan
vrees opwekken.
Cyrus Smith en Gideon Spilett hadden, vóór zij zich ter ruste begaven,
nog een lang gesprek. Zij vroegen zich zelf af, of deze gebeurtenis
niet in eenig verband stond met de onverklaarbare redding van
den ingenieur en andere bijzonderheden, die hun menigmaal hadden
verbaasd. Maar nadat Cyrus Smith het voor en tegen van de zaak
overwogen had, eindigde hij met de woorden:
"Zoudt gij nu uw meening eens willen zeggen, Spilett."
"Ja, Cyrus. Zij is deze: hoe nauwkeurig wij het eiland ook onderzoeken,
wij zullen niets vinden!"
Terwijl Pencroff en Nab voor het maken der boot zorgden, gingen
Harbert en Spilett elken dag op de jacht en natuurlijk liep het
gesprek gewoonlijk over het hageltje. Eens zeide Harbert, het was
den 26sten October:
"Mijnheer Spilett, vindt gij het toch niet zonderling, zoo er eenige
schipbreukelingen op het eiland waren geworpen, dat zij zich nog niet
in de nabijheid van het Rotshuis vertoond hebben?"
"Zeker verwondert mij dit, zoo zij er nog zijn," antwoordde de
reporter, "maar het verwondert mij niet, zoo zij er niet meer zijn!"
"Dus gij denkt dat zij het eiland reeds verlaten hebben?" vroeg
Harbert.
"Dat is meer dan waarschijnlijk, beste jongen; want zoo zij hier
langer waren gebleven en vooral zoo zij hier nog waren, zou toch het
een of ander hun tegenwoordigheid hier verraden hebben."
"Maar zoo zij in de gelegenheid geweest waren weer te vertrekken,
zouden het geen schipbreukelingen zijn?"
"Neen, Harbert, of ik zou ze dan tijdelijke schipbreukelingen
noemen. Het is inderdaad zeer wel mogelijk, dat een windvlaag hen op
het eiland geworpen heeft, zonder dat zij hun schip daarbij verloren,
en dat, toen de storm voorbij was, zij weder zijn weggezeild."
"Maar dat is toch zeker, dat mijnheer Smith de tegenwoordigheid van
menschen op ons eiland meer vreesde dan wenschte!"
"Dat is zoo," antwoordde de reporter, "hij denkt slechts aan zeeroovers
die deze zeeën doorkruisen, en het is beter met die heeren niet in
aanraking te komen."
"Het is toch niet onmogelijk, mijnheer Spilett," hernam Harbert "dat
wij eens de sporen van hun ontscheping vinden, en misschien zijn wij
tot dit doel bestemd."
"Ik zeg geen neen. Een verlaten plaats, een uitgedoofd vuur kunnen
ons op het spoor brengen, en dat zullen wij voortaan op onze
ontdekkingstochten zoeken."
Eens dat Gideon en Harbert weer op jacht waren in een naburig bosch,
waar zeer hooge spitstoeloopende boomen groeiden, die de inboorlingen
van Nieuw-Zeeland den naam van "Kauris" geven, zeide Harbert:
"Nu heb ik iets goeds bedacht, mijnheer Spilett, zoo ik eens in den
top van een dier kaurissen klom, dan zou ik het land vrij ver kunnen
overzien?"
"Het is een goed denkbeeld," zeide de correspondent, "Maar zoudt gij
den top van die reuzenboomen kunnen bereiken?"
"Ik kan het in elk geval beproeven," gaf Harbert ten antwoord.
De vlugge en behendige knaap was in een oogwenk op de eerste takken,
en spoedig was hij in den top.
Van dat verheven punt kon hij zijn blik laten gaan van den zuidelijken
uithoek van het eiland, tot aan kaap Klauw, het zuidwesten van het
voorgebergte Hagedis, tot in het zuidoosten. In het noordwesten
zag hij den berg Franklin, die een groot gedeelte van den horizon
onzichtbaar maakte.
Maar Harbert kon van uit zijn uitkijk, de geheele streek overzien, die
hem nog onbekend was, en aan de vreemdelingen, wier tegenwoordigheid
men duchtte, een schuilplaats had kunnen geven of wellicht nog gaf.
De knaap sloeg alles nauwkeurig gade. Op zee echter was niets te
bespeuren. Geen zeil, noch aan den horizon, noch op de kusten van
het eiland. Toch was het mogelijk, dat achter die hooge boomen een
schip lag, zonder mast, en dat Harbert niet zien kon.
Eenige oogenblikken meende Harbert in het oosten een dunne rookwolk
te zien opstijgen, maar bij nader onderzoek bleek het, dat hij zich
bedroog. Hij nam alles om zich heen met de uiterste zorg waar en zijn
gezicht was zeer scherp.... Neen, zeer zeker was er niets.
Harbert daalde nu weder uit den boom af en de twee jagers keerden
naar het Rotshuis terug. Cyrus Smith hoorde hem bedaard aan, schudde
het hoofd en zeide niets. Hij kon zich over dit punt niet uitlaten
vóor hij het geheele eiland onderzocht had.
Op den morgen van den 28sten October had er een voorval plaats waarvan
zij nog vuriger oplossing verlangden.
Toen zij weder langs de kust dwaalden, op ongeveer twee mijlen afstands
van het Rotshuis, waren Harbert en Nab zoo gelukkig, een zeeschildpad
te vinden.
Harbert zag dit dier het eerst zich tusschen de rotsen bewegen om
zoodoende de zee te bereiken.
"Zie eens, Nab, zie eens!" riep hij uit. Nab snelde er heen.
"Welk een prachtig dier!" zeide Nab, "hoe zullen wij dat machtig
worden?"
"Wel, niets is gemakkelijker, Nab," antwoordde Harbert. "Wij zullen
de schildpad op haar rug leggen en zoodoende kan zij ons niet meer
ontsnappen. Neem uw stok en doe zooals ik."
Het dier scheen te beseffen dat het in gevaar verkeerde, en kroop in
zijn schild. Men zag nu noch zijn kop, noch zijn pooten en het lag
zoo onbeweeglijk als een rots.
Harbert en Nab brachten toen hun stokken onder het lichaam van het
dier en met vereende krachten gelukte het hun, niet zonder moeite,
het op den rug te leggen. Deze schildpad, welke drie voet lang was,
moest minstens vier honderd pond wegen.
"Heerlijk," riep Nab uit, "dat zal onzen vriend Pencroff verheugen."
Pencroff was er dan ook zeer mede in zijn schik, want het vet der
schildpadden, die zich met zeeplanten voeden, is zeer smakelijk. Op
dat oogenblik liet zij haar platten kop even te voorschijn komen.
"En wat zullen wij nu met onze vangst doen?" vroeg Nab. "Wij kunnen
haar niet naar het Rotshuis dragen."
"Wij kunnen haar hier laten, daar zij zich toch niet kan omkeeren,
en wij zullen haar met ons wagentje halen!"
"Dat is uitstekend!"
Toch nam Harbert nog de voorzorg, hoewel Nab het zeer overbodig vond,
het dier groote steenen onder het schild te leggen. Daarop keerden
zij naar het Rotshuis terug, langs het strand, dat toen tengevolge
van de eb, zeer breed was. Harbert, die Pencroff een verrassing
wilde bezorgen, zeide niets van hetgeen hij gevonden had; maar twee
uur later waren zij met hun wagentje weder op het punt, waar zij de
schildpad hadden omgekeerd op het zand, maar zij was verdwenen.
Nab en Harbert zagen elkander verbaasd aan, en zochten toen op het
strand. Het was op deze plaats toch, dat zij de schildpad achtergelaten
hadden. De knaap vond zelfs de steenen terug en hieruit kon hij dus
opmaken, dat hij zich niet had vergist.
"Zoo, zoo," zeide Nab, "deze diertjes kunnen zich dus omkeeren?"
"Het schijnt zoo," antwoordde Harbert, maar hij begreep er niets van,
en zag slechts naar de steenen die op het zand verspreid lagen.
"Pencroff zal nu ook niet in zijn schik zijn!"
"En mijnheer Smith zal weder verlegen zitten om deze plotselinge
verdwijning te verklaren!" dacht Harbert.
"Nu," zeide Nab, die zijn teleurstelling wilde verbergen, "laten wij
er niet over spreken."
"Integendeel Nab, wij moeten het juist vertellen," hernam Harbert.
En zij keerden nu met het wagentje, dat van geen nut was geweest,
naar het Rotshuis terug.
Toen zij aan de timmerwerf kwamen waar de ingenieur en de matroos
werkten, vertelde Harbert hun het voorgevallene.
"O, hoe onhandig zijt gij geweest!" riep de matroos uit. "Gij zijt
minstens vijftig porties schildpadsoep kwijt!"
"Maar Pencroff," hernam Nab, "het is onze schuld niet, dat het dier
ontsnapt is, want wij hebben het omgekeerd."
"Dan hebt gij het niet ver genoeg omgekeerd!" bracht hier de
onhandelbare zeeman tegen in.
"Niet genoeg!" riep Harbert uit. En hij vertelde dat hij juist uit
voorzorg het dier nog tusschen twee steenen had gelegd.
"Dan is er een wonder gebeurd!" hernam Pencroff.
"Ik dacht, mijnheer Cyrus," zeide Harbert, "dat wanneer een schildpad
eenmaal op haar rug ligt zij niet weer op haar pooten kon komen,
vooral wanneer zij zoo groot is?"
"Dat is ook waar, beste jongen," antwoordde Cyrus Smith.
"Hoe heeft zij het dan kunnen doen?"
"Hoever was de schildpad van de zee verwijderd?" vroeg de ingenieur,
die zijn werk had gestaakt en over het voorval nadacht.
"Op vijftien voet afstands, hoogstens," antwoordde Harbert.
"En was het laag water op het oogenblik?"
"Ja, mijnheer Smith."
"Welnu," antwoordde de ingenieur, "wat de schildpad niet op het strand
kan doen, kan zij misschien in het water. Zij zal zich omgekeerd
hebben, toen het weer vloed was, en zoodoende in zee zijn gekomen."
"O, wat zijn wij dom geweest!" riep Nab uit.
"Juist wat ik u daareven reeds gezegd heb," viel Pencroff in.
Cyrus Smith had deze verklaring, die zeer aannemelijk was, aan het
gebeurde gegeven. Maar was hij zelf wel van de juistheid overtuigd? Men
zou het moeten betwijfelen.