Eenige graden onder nul.--Onderzoek van het moeras in
het zuidoosten.--De Chilische honden.--Een gesprek over de
zee.--Gezicht op de zee.--Het werk der infusiediertjes.--Wat
er van de wereld zal worden.
Sedert dat oogenblik ging er geen dag voorbij of Pencroff bracht een
bezoek aan zijn "korenveld." En wee de insecten, welke zich in de
nabijheid daarvan bevonden, want geen een bleef er gespaard.
Tegen het einde van de maand Juni, na onafgebroken regenbuien viel de
winter in en den 29sten zou een thermometer van Fahrenheit, ongeveer
twintig graden boven nul aangewezen hebben.
Den volgenden dag, 30 Juni, was het nog kouder. Het meer was
bijna dichtgevroren. Voortdurend moesten zij hout op het vuur
leggen. Gelukkig had Pencroff niet gewacht tot het water bevroren
was om zijn houtvlotten naar hun bestemming te brengen. Ook hadden
zij bij den berg Franklin steenkolen gevonden. De groote hitte die
deze verspreidden, toen de temperatuur nog lager was, werd algemeen
gewaardeerd, vooral toen den 4den Juli de thermometer tot acht
graden Fahrenheit zonk. Een tweede schoorsteen hadden zij in de
eetzaal aangebracht.
Eindelijk besloten zij den 5den Juli bij droog weer een gedeelte van
het eiland te gaan onderzoeken. Reeds ten zes uur in den ochtend
begaven Smith, Spilett en Pencroff, Harbert en Nab zich zoo warm
mogelijk gekleed op weg. Gewapend met houweelen, strikken, bogen en
pijlen, en voorzien van een goeden voorraad levensmiddelen, verlieten
zij het Rotshuis, voorafgegaan door Top.
Zij sloegen den kortsten weg in, en die kortste weg was de rivier
over te steken, op de ijsschotsen, welke er in dreven.
"Maar," deed de reporter opmerken, "zij kunnen toch de plaats van
een wezenlijke brug niet vervangen?"
Bij het werk dat zij nog te doen hadden, voegden zij nu nog een
brug. Nog geen halve mijl hadden zij afgelegd, toen eensklaps uit
een dicht begroeid bosch een aantal viervoetige dieren te voorschijn
kwamen, die door Top's geblaf op de vlucht werden gejaagd.
"Het zijn vossen, zou ik zeggen!" riep Harbert, toen hij de geheele
bende vóor zich zag wegrennen.
Het waren inderdaad vossen, maar zeer groote en die zoo blaften,
dat Top zelf er verbaasd over scheen te zijn, want hij stond stil en
gaf zoodoende aan die vlugge dieren den tijd te ontsnappen.
De hond had alle recht om hierover verbaasd te wezen, daar hij de
natuurlijke geschiedenis niet kende. Maar door hun geblaf hadden de
vossen met hun grijs roodachtige huid en zwarten staart, die in een
witte pluim eindigde, hun oorsprong bekend gemaakt. Harbert gaf hun
dan ook terstond den naam van Chilische honden. Deze dieren hooren
thuis in Chili, en in die streken van Amerika, welke tusschen dertig
en veertig graden zuiderbreedte gelegen zijn. Het speet Harbert geducht
dat Top niet een van die vleeschetende dieren machtig was geworden.
"Kan men ze eten?" vroeg Pencroff, die de vertegenwoordigers der
dierenwereld altijd uit dit bijzondere oogpunt beschouwde.
"Neen," antwoordde Harbert, "maar de dierkundigen zijn het nog
niet eens of de oogappels dezer vossen voor den dag of voor den
nacht geschikt zijn, en of men ze niet onder de soort honden moet
rangschikken."
Cyrus Smith kon een glimlach niet weerhouden, bij het hooren dezer
opmerking van den knaap, die voor zijn denkenden geest getuigde. Wat de
matroos betreft, daar deze dieren toch niet onder degenen behoorden,
welke men eten kon, ging het hem verder weinig aan. Maar in elk geval
was het toch raadzaam, dat zij eenige voorzorg tegen mogelijk bezoek
van deze dieren namen, wanneer zij vogels mochten houden.
Toen zij nog eenigen tijd hun tocht voortgezet hadden, besloten zij
een vuur aan te leggen en Nab zou dan een maal bereiden, bestaande
uit koud vleesch en thee. Terwijl zij dit gebruikten sloegen zij
de natuur rondom zich gade. Dit gedeelte van het eiland Lincoln was
zeer onvruchtbaar, en verschilde met alle overige westelijke streken,
wat den reporter tot de slotsom leidde, dat zoo het toeval hen op
dit strand geworpen had, zij een zeer treurig denkbeeld van hun
toekomstige woonplaats hadden moeten krijgen.
"Ik geloof zelfs dat wij het niet zouden kunnen bereikt hebben,"
antwoordde de ingenieur, "want de zee is diep en zij biedt ons zelfs
geen rots aan, waar wij een schuilplaats hadden kunnen vinden. Vóor
het rotshuis zijn tenminste nog klippen, een eilandje, en dat verhoogt
de kans om hier te blijven leven. Het is hier niets dan een woestenij!"
"Het is toch ook opmerkelijk," hernam Gideon Spilett, "dat dit eiland,
betrekkelijk klein, zulk een verschil van grondgestelheid aanbiedt. De
voortbrengselen behooren thuis in zeer groote landen. Men zou geneigd
zijn te gelooven, dat het westelijk gedeelte van het eiland Lincoln,
zoo rijk en vruchtbaar, begrensd werd door het warme water van de
golf van Mexico, en dat de noordelijke en zuidelijke kust bespoeld
worden door een ijszee."
"Gij hebt gelijk, beste Spilett," antwoordde Cyrus Smith, "deze zelfde
opmerking heb ik ook reeds bij mij zelfgemaakt. Dit eiland, zoowel in
zijn vorm als voortbrengselen, is zeer zonderling. Men zou zeggen, dat
het een verzameling was van al hetgeen een vasteland oplevert, en het
zou mij zelfs niet verwonderen dat het vroeger vasteland was geweest."
"Hoe? vasteland te midden van den Stillen Oceaan!" riep Pencroff uit.
"Waarom niet?" antwoordde Cyrus Smith. "Waarom zou Australië,
Nieuw-Ierland, alles wat de aardrijkskundigen Australië noemen,
vereenigd met de archipels van den Stillen Oceaan, niet een zesde
werelddeel hebben gevormd, van even groot belang als Europa, Azië,
Afrika of Zuid- en Noord-Amerika? Ik kan het zelfs niet uit mijn
hoofd zetten, dat alle eilanden, die in dezen Oceaan liggen, slechts
toppen zijn van een vasteland dat geheel overstroomd is, maar dat in
de voorwereld boven het water uitstak."
"En het eiland Lincoln zou een gedeelte van dat vasteland uitgemaakt
hebben?"
"Zeer waarschijnlijk," hernam Cyrus Smith; "en hierdoor laat zich
de verscheidenheid van voortbrengselen, welke men hier vindt, zeer
gemakkelijk verklaren."
"En evenzoo dat groot aantal dieren, welke zich hier bevinden,"
voegde Harbert er bij.
"Dat is weder een nieuwe bewijsreden voor mijn stelling. Het is zeker,
naar hetgeen wij gezien hebben, dat hier vele dieren zijn, en wat nog
zonderlinger is, dat zij veel verscheidenheid aanbieden. Hiervoor
moet ook een reden zijn, en naar mijn inzien, heeft het eiland
Lincoln vroeger een gedeelte van het vasteland uitgemaakt en is het
langzamerhand door den Stillen Oceaan verzwolgen."
"Dus kan, op een mooien dag," hernam Pencroff, die nog niet geheel
overtuigd was, "het overige gedeelte van dit oude land op zijn beurt
verdwijnen, en blijft er tusschen Amerika en Azië niets meer over?"
"Zeker," antwoordde Cyrus Smith, "milliarden op milliarden, voor het
bloote oog onzichtbare diertjes, werken thans tot de opbouwing."
"En wat voor soort van metselaars zijn dat?" vroeg Pencroff.
"De infusiediertjes van het koraal," hernam Cyrus Smith. "Zij hebben,
door hun aanhoudend werken het eiland Clermont-Tonnerre gebouwd en nog
andere koraal-eilanden, die in zoo groote hoeveelheid in den Stillen
Oceaan gevonden worden. Een millioen van deze infusiediertjes wegen
nog geen milligram, en toch met het zout der zee, met die vaste
bestanddeelen, welke in het water voorhanden zijn, leveren deze
diertjes een kalkachtige stof, en deze kalkachtige stoffen vormen
onmetelijke onderzeesche grondslagen, die even vast en hard zijn als
die welke van graniet zijn gevormd. Eertijds, in het eerste tijdperk
der schepping, gebruikte de natuur het vuur, en heeft zij de landen
door opwerping voortgebracht; maar nu laat zij haar plaats vervullen
door de microscopische diertjes, omdat hare groote kracht in het
binnengedeelte der aarde waarschijnlijk verminderd is,--een bewijs
hiervan is, dat de vulkanen meer en meer uitdooven. En ik geloof dat,
eeuwen op eeuwen, infusiediertjes op infusiediertjes dezen Stillen
Oceaan misschien eenmaal in een vasteland kunnen doen herscheppen,
dat dan door een nieuw geslacht bewoond en bebouwd zal worden."
"Maar dat zal lang duren," zeide Pencroff.
"De natuur heeft den tijd aan zich!" antwoordde de ingenieur.
"Maar waartoe zou dit nieuwe vasteland dienen?" vroeg Harbert. "Mij
dunkt dat de tegenwoordige uitgestrektheid der bewoonbare landen
voldoende is voor het menschdom. Maar de natuur doet niet wat zij
niet moet doen."
"Daar hebt ge gelijk in," hernam de ingenieur, "maar luister op welke
wijze men de noodzakelijkheid van nieuwe landen voor de toekomst
kan verklaren, en vooral in deze warme landstreek waar de meeste
koraalriffen zich bevinden. Tenminste mijn verklaring komt mij zeer
natuurlijk voor."
"Wij luisteren naar u, mijnheer Smith."
"Ziehier mijn denkbeeld. De geleerden nemen algemeen aan, dat onze
aarde eenmaal vergaan zal, of liever dat het dierlijk en plantaardig
leven daarop niet meer mogelijk zal wezen, tengevolge van de kou
waaraan zij zal zijn blootgesteld. Maar, waar zij het niet over
eens zijn, is over de oorzaak van deze afkoeling. Sommigen meenen
die te moeten toeschrijven aan de steeds afnemende kracht van de
warmte der zon; anderen weder aan de uitdooving der vuren, die in
onze aarde zijn, en die een grooteren invloed op haar uitoefenen
dan men algemeen vermoedt. Ik voeg mij bij de laatsten, daar ik
ook geloof dat de maan een afgekoeld hemellichaam is, dat dus
niet bewoond kan worden, ofschoon de zon toch steeds haar zelfde
hoeveelheid warmte op haar doet stralen. Zoo de maan afgekoeld is,
moet men het daaraan toeschrijven dat het inwendige vuur, waaraan
zij evenals alle andere hemellichamen haar bestaan te danken heeft,
geheel is uitgedoofd. Maar, wat de oorzaak hiervan ook zijn moge,
onze aarde zal eenmaal ook afgekoeld worden, maar die afkoeling zal
zeer langzaam geschieden. Wat zal er dan gebeuren? De gematigde
luchtstreken zullen vroeg of laat evenmin bewoonbaar zijn als de
poolstreken. Alzoo zullen de menschen zoowel als de dieren meer en
meer de keerkringen naderen, waar zij beter onder het bereik der zon
zijn. Een ontzaglijke volksverhuizing zal dan plaats hebben. Europa,
Midden-Azië, Noord-Amerika zullen verlaten worden, evenals Australië en
Zuid-Amerika. De dieren zullen de menschen volgen. Zoowel het planten-
als dierenrijk zal zich meer naar den evenaar verplaatsen.
"Het middengedeelte van Zuid-Amerika en Afrika zullen het meest bevolkt
worden. De Laplanders en Samojeden zullen dezelfde luchtgesteldheid,
welke zij aan de poolzeeën vonden, dan aan de Middellandsche Zee
vinden. Wie zegt ons, dat in dit tijdperk de streken bij den evenaar
niet te klein zullen wezen om het menschdom te huisvesten en te
voeden? Waarom zou dus de natuur die alles voorziet, niet nu reeds,
ten einde een wijkplaats aan de geheele planten- en dierenwereld te
geven, onder den evenaar de grondslagen hebben gelegd van een nieuw
vasteland en hiertoe de infusiediertjes hebben gekozen?"
"Menigmaal heb ik over al deze dingen nagedacht, en ik geloof
inderdaad dat het aanzien van onze aarde eenmaal geheel veranderen zal,
tengevolge van de oprijzing van nieuwe landen; de oude zullen door
de zee verzwolgen worden en in de volgende eeuwen zullen Columbussen
de eilanden van Ghimborasso, Himalaya en Mont-Blanc gaan ontdekken,
die de overblijfselen zullen zijn van een verzwolgen Amerika, Azië
of Europa. Eindelijk zullen natuurlijk die nieuwe eilanden op hun
beurt onbewoonbaar worden; de warmte zal ook daar afnemen, evenals
een lichaam dat sterft en het leven zal van de aarde verdwijnen, zoo
niet voor altijd, dan toch voor het oogenblik. Misschien zal onze
bol dan tot rust komen en zich weder door haar dood herstellen om
eenmaal een hoogere plaats in te nemen. Maar dit alles, mijn vrienden,
is het geheim van den Schepper aller dingen, en wat het werk dezer
infusiediertjes betreft, wellicht heb ik te ver in de geheimen der
toekomst willen doordringen."
"Beste Cyrus," antwoordde Gideon Spilett, "deze theorieën zijn voor
mij profetieën, en eenmaal zullen zij verwezenlijkt worden."
"Dat is het geheim van God," antwoordde de ingenieur.
"Dat alles is goed en wel," zeide Pencroff toen, die aandachtig
geluisterd had, "maar kunt gij mij zeggen, of het eiland Lincoln door
infusiediertjes is gemaakt?"
"Neen," hernam Cyrus Smith, "het is geheel van vulkanischen oorsprong."
"Dan zal het eenmaal verdwijnen?"
"Waarschijnlijk."
"Ik hoop dan dat wij er niet meer zijn zullen."
"Neen, stel u gerust, Pencroff, wij zullen er niet meer zijn, omdat
wij niet den minsten lust hebben om te sterven en misschien zal het
ons gelukken eraf te komen."
"Maar laten wij ons hier toch inrichten alsof we tot in de eeuwigheid
hier moeten blijven. Men moet niets ten halve doen."
Hiermede eindigde dit gesprek. Het ontbijt was afgeloopen. Zij
hervatten hun onderzoek en nu naderden zij dat gedeelte waar de
moerassige streek een aanvang nam.
Het was een moeras, waarvan de uitgestrektheid tot aan de afronding van
het eiland in het zuidoosten ongeveer twintig vierkante mijlen bedroeg.
Een menigte vogels fladderden boven deze stilstaande wateren. Maar
bij gebrek aan geweer, waren zij genoodzaakt hen door pijlschoten
te dooden.
Tegen vijf uur 's avonds keerden Cyrus Smith en zijn vrienden naar
hun woning terug over de brug, welke zij den vorigen ochtend gemaakt
hadden.
Om acht uur 's avonds zaten zij weder bij elkaar in het Rotshuis.