De regentijd.--De quaestie der kleeding.--Een jacht op
zeehonden.--Vervaardiging van waskaarsen.--Werkzaamheden in
het Rotshuis.--Een oesterput.--Wat Harbert in zijn zak vindt.
De winter viel hier in met de maand Juni, die overeenkomt met de
maand December in het noordelijk halfrond. Hij begon met stortregens
en stormen zonder tusschenpoozen. Wel moesten de bewoners van het
Rotshuis zulk een woning, waar de verschillende weersgesteldheden
hen niet konden deeren, op prijs stellen. De Schoorsteenen zouden
een onvoldoende schuilplaats tegen de koude zijn geweest, en het was
wel te vreezen dat het hooge water, door den wind gedreven, er binnen
zou stroomen. Cyrus Smith nam dan ook eenige maatregelen tegen deze
mogelijkheid, opdat niet al hun ijzer en werktuigen die daar bewaard
waren, zouden verroesten.
De geheele maand Juni brachten zij met verschillenden arbeid door,
maar noch de jacht, noch de vischvangst behoefden zij te laten,
zoodat hun keuken in een goeden toestand bleef. Pencroff plaatste,
zoodra hij in de gelegenheid was, op verschillende plaatsen vallen,
waarvan hij groote verwachting had. Hij had een aantal strikken
gemaakt en elken dag kwam er een nieuwe voorraad konijnen in het
Rotshuis binnen. Nab besteedde zijn tijd met het zouten en rooken
van vleesch, wat hun goeden bouillon in den winter zou geven.
Nu moesten zij het gewichtige punt der kleeren nog bespreken. Zij
hadden geen andere dan die welke zij droegen, toen de ballon hen
op het eiland had geworpen. Het waren warme en stevige kleederen;
ook hadden zij er veel zorg voor gedragen, evenals voor hun linnen
dat zij zeer schoon hadden gehouden, maar toch moesten zij weldra
iets anders hebben. Bovendien, zouden zij, wanneer het een strenge
winter was, veel van de kou hebben te lijden.
Maar hier schoot het vernuft van Cyrus Smith te kort. Hij had
alles zoo spoedig mogelijk in orde gebracht, een woning gemaakt,
voor voeding gezorgd en de kou kon hen dus overvallen, vóór dat het
vraagstuk der kleeren opgelost werd. Zij moesten dus wel besluiten
den winter zonder klagen door te komen. Als het zachter weer werd
zou hun eerste werk zijn jacht op de wilde schapen te maken, die zij
bij het onderzoek van den berg Franklin gezien hadden, en wanneer zij
eenmaal de wol hadden zou de ingenieur wel raad weten om daarvan een
warme en stevige stof te maken. Maar hoe? Hij zou er zich op bedenken.
"Nu, als wij de luiken van het Rotshuis maar sluiten!" zeide
Pencroff. "Wij hebben overvloed van brandstof en er bestaat geen
enkele reden, om er zuinig mede te zijn."
"Bovendien," zeide Gideon Spilett, "is het eiland Lincoln dicht genoeg
bij den evenaar gelegen, om geen strenge winters te vreezen. Hebt gij
ons niet gezegd, Cyrus, dat de vijf en dertigste graad overeenkomt
met die van Spanje op het andere halfrond?"
"Zeker," antwoordde de ingenieur, "maar sommige winters zijn in Spanje
zeer koud! Sneeuw en ijs is er dan in overvloed en het eiland Lincoln
kan er ook veel van te lijden hebben. Maar in elk geval, het is een
eiland, en op een eiland is de temperatuur nog al gematigd."
"En waarom, mijnheer Cyrus?" vroeg Harbert.
"Omdat de zee kan beschouwd worden als een onmetelijke bewaarplaats,
waarin de hitte van den zomer opgezameld wordt. Als het winter is dan
geeft zij die warmte terug, waardoor de streken die in de nabijheid
van den Oceaan liggen voor minder koude te vreezen hebben; in den
zomer zoowel als in den winter blijft de luchtgesteldheid gematigd."
"Wij zullen zien," antwoordde Pencroff. "Ik zal er mij nog maar niet
over bekommeren of het dezen winter warm of koud zal zijn. Maar dit
is zeker, dat de dagen reeds kort en de avonden lang worden. Laat
ons liever eens aan de verlichting denken."
"Niets is gemakkelijker," antwoordde Cyrus.
"Om te bepraten?"
"Neen, om op te lossen."
"En wanneer zullen wij beginnen?"
"Morgen door jacht te maken op zeehonden."
"Om vetkaarsen te maken?"
"Foei, Pencroff, wat denkt ge wel! waskaarsen!"
Dit was inderdaad het plan van Cyrus Smith. Het was een zeer
uitvoerbaar plan, daar zij kalk en zwavelzuur hadden, en zij op het
eiland zich genoegzaam van vet konden voorzien.
Den 5den Juni staken zij met een bootje naar het eilandje over. Zij
hadden een voordeelige jacht en spoedig hadden Nab en Pencroff
de zeehonden van hun huid ontdaan en brachten zij hun vet naar het
Rotshuis. Ongeveer driehonderd pond vet hadden ze tot hun beschikking
voor het maken der kaarsen. Vierentwintig uur later konden zij 's
avonds het Rotshuis verlichten. Die geheele maand ontbrak het hun
niet aan werk. De schrijnwerkers hadden veel te doen. Men verbeterde
de werktuigen, die zij zeer ruw gemaakt hadden; en ook vervaardigden
zij er nog verschillende bij.
Onder anderen gelukte het hun scharen te maken, en zij waren thans
in staat hunne haren en baard te knippen. Zij konden, zoo al niet
zich scheren, dan toch hun baard in den vorm brengen, dien zij
verkozen. Harbert had er trouwens geen, Nab zeer weinig, maar hunne
metgezellen waren zoo begroeid, dat het bezit van een schaar meer
dan noodig was. Zij slaagden er ook in een zaag te maken, maar dat
kostte ontzaglijk veel moeite. Toch geraakten zij in het bezit van
zulk een onmisbaar voorwerp.
Nu vervaardigden zij tafels, stoelen, kasten, waarmede zij de
voornaamste kamers bemeubelden, en zelfs ledikanten, waarvan het
beddengoed bestond uit een matras en een overdek. De keuken met
planken, waarop zij de verschillende keukengereedschappen konden
plaatsen, het fornuis, de gootsteen, alles zag er keurig uit, en
Nab bewoog zich in dat vertrek met een deftigheid alsof hij in een
chemisch laboratorium werkte.
Maar nu moesten de schrijnwerkers vervangen worden door timmerlui. De
nieuwe uitloozing, die men door het springen van de mijn had
verkregen, noodzaakte hen twee bruggen te bouwen, een op de vlakte
van het Verre Uitzicht, de andere op het strand. Die vlakte toch
was evenals het strand doorsneden door een stroom, welke men
noodzakelijk moest oversteken om het noordelijk gedeelte van het
eiland te bereiken. Wilden zij dit niet doen, dan zouden zij een
grooten omweg hebben moeten maken en de bronnen van de Roode Beek
moeten omtrekken. Het eenvoudigste was dus om op de bergvlakte en op
het strand twee bruggen te bouwen, twintig à vierentwintig voet lang,
waarvan eenige boomen den grondslag zouden uitmaken.
Nab en Pencroff maakten van de gelegenheid gebruik om naar de
oesterbank te gaan, die zij bij de duinen hadden ontdekt, en zij
legden daar een oesterput aan waarvan de kolonisten veel genot hadden.
Men ziet dus, dat het eiland Lincoln, hoewel zijn bewoners nog
slechts een klein gedeelte doorkruist hadden, reeds voldoende in
hun behoeften voorzag. Aan vleesch ontbrak het hun niet, evenmin
aan plantaardig voedsel, dat het gebruik daarvan een weinig moest
matigen. Zij hadden zelfs suiker gemaakt, zonder riet of beetwortels,
door het verzamelen van acer saccharum uit de planten, die men ook
in de gematigde luchtstreken vindt. Ook thee en zout hadden zij in
overvloed, maar een ding ontbrak hun .... brood.
Tot nog toe hadden zij niets kunnen vinden wat hun dit kon
vergoeden. Maar eens, toen zij op een regenachtigen dag bij elkaar
zaten en Harbert bezig was zijn vest te verstellen, riep de knaap
eensklaps uit:
"Zie eens, mijnheer Cyrus. Hier is een graankorrel!"
En hij liet zijn makkers een graankorreltje zien, dat hij in zijn
vestzak gevonden had.
Het vinden van dezen graankorrel moesten zij hieraan toeschrijven,
dat Harbert, toen hij in Richmond was, de duiven voerde, welke hij
van Pencroff gekregen had.
"Een graankorrel?" riep Cyrus Smith op levendigen toon.
"Ja, mijnheer Smith, maar slechts éen!"
"Welnu, beste jongen," zeide Pencroff glimlachend, "daar hebben we
ook wat aan! Wat kunnen we met dat eene graankorreltje doen?"
"Wij zullen er brood van maken," antwoordde Cyrus Smith.
"Brood, gebak, taart!" hervatte de matroos. "Aan het brood dat wij
van dit graantje kunnen maken, zullen wij ons ook niet verslikken!"
Harbert die aan dezen vondst weinig waarde hechtte, wilde het korreltje
wegwerpen, maar Cyrus Smith nam het, onderzocht het en zag dat het
nog niet bedorven was. Daarop wierp hij een blik op den zeeman:
"Pencroff," zeide hij op kalmen toon, "weet gij hoeveel aren éen
graantje schiet?"
"Een, veronderstel ik!" antwoordde de matroos verwonderd over deze
vraag.
"Tien, Pencroff. En weet gij hoeveel korrels zulk een aar bevat?"
"Neen, dat weet ik niet."
"Op zijn minst tachtig," ging Cyrus Smith voort. "Dus wanneer wij
dit graantje zaaien, zullen wij bij den eersten oogst acht honderd
korrels hebben; bij den tweeden zes honderd veertig duizend, bij
den derden vijf honderd twaalf millioen, bij den vierden meer dan
vierhonderd milliard."
Allen luisterden met ingespannen aandacht naar Cyrus Smith. Die cijfers
verbaasden hen ten hoogste. Toch waren zij juist. De ingenieur ging
kalm voort.
"En Pencroff, weet gij wel hoeveel schepel deze vier honderd milliard
korrels uitmaken?"
"Neen," antwoordde de matroos, "maar wel weet ik, dat ik een domkop
ben!"
"Welnu, meer dan drie millioen, daar er honderd dertig duizend in
een schepel gaan, Pencroff."
"Drie millioen!" riep Pencroff verbaasd uit.
"Drie millioen!"
"In vier jaar," vervolgde Cyrus Smith, "en zelfs in twee jaar, wanneer
wij, zooals ik hoop, tweemaal 's jaars kunnen oogsten. Dus Harbert,
gij hebt daar een belangrijken vondst gedaan. Alles, mijn vrienden,
kan ons in den toestand, waarin wij verkeeren, te stade komen. Vergeet
dat toch vooral niet!"
"Maar nu moesten wij het maar gaan zaaien," zeide Harbert.
"Ja," hervatte Gideon Spilett, "en zoo voorzichtig mogelijk."
"Als het maar ontkiemt!" riep de matroos.
"Het zal zeker ontkiemen," zeide Smith.
Het was thans de 20ste Juni. Eerst waren zij van plan het in een
bloempot te zaaien, maar bij nader overleg achtten zij het raadzamer,
het aan de aarde toe te vertrouwen. Dienzelfden dag had de gewichtige
gebeurtenis plaats, en het is onnoodig er bij te voegen, dat alle
voorzorgen werden genomen om de onderneming te doen slagen. Gelukkig
was het weer dien dag vrij goed. Zij zaaiden de graankorrel op de
bergvlakte, nadat zij eerst de plek van alle andere planten gezuiverd
hadden; en toen de grond omgespit was, haalden zij zelfs de insecten
en wormen er uit. Daarop legden zij in het kuiltje eenige goede
aarde, waaronder zij een weining kalk gemengd hadden. Zij zetten
er een hek omheen en eindelijk werd de graankorrel in de vochtige
aarde gelegd. Was het niet of zij een eersten steen legden? Deze
gebeurtenis herinnerde Pencroff aan den dag, toen hij zijn eenigen
lucifer aanstak en met hoeveel zorg hij dit deed. Maar ditmaal was
het een veel gewichtiger zaak. Want het zou hun wel gelukt zijn vuur
te krijgen op welke wijze ook, maar geen menschelijke macht zou een
graankorrel kunnen wedergeven, zoo die niet mocht ontkiemen!