XX.

De regentijd.--De quaestie der kleeding.--Een jacht op

zeehonden.--Vervaardiging van waskaarsen.--Werkzaamheden in

het Rotshuis.--Een oesterput.--Wat Harbert in zijn zak vindt.

De winter viel hier in met de maand Juni, die overeenkomt met de

maand December in het noordelijk halfrond. Hij begon met stortregens

en stormen zonder tusschenpoozen. Wel moesten de bewoners van het

Rotshuis zulk een woning, waar de verschillende weersgesteldheden

hen niet konden deeren, op prijs stellen. De Schoorsteenen zouden

een onvoldoende schuilplaats tegen de koude zijn geweest, en het was

wel te vreezen dat het hooge water, door den wind gedreven, er binnen

zou stroomen. Cyrus Smith nam dan ook eenige maatregelen tegen deze

mogelijkheid, opdat niet al hun ijzer en werktuigen die daar bewaard

waren, zouden verroesten.

De geheele maand Juni brachten zij met verschillenden arbeid door,

maar noch de jacht, noch de vischvangst behoefden zij te laten,

zoodat hun keuken in een goeden toestand bleef. Pencroff plaatste,

zoodra hij in de gelegenheid was, op verschillende plaatsen vallen,

waarvan hij groote verwachting had. Hij had een aantal strikken

gemaakt en elken dag kwam er een nieuwe voorraad konijnen in het

Rotshuis binnen. Nab besteedde zijn tijd met het zouten en rooken

van vleesch, wat hun goeden bouillon in den winter zou geven.

Nu moesten zij het gewichtige punt der kleeren nog bespreken. Zij

hadden geen andere dan die welke zij droegen, toen de ballon hen

op het eiland had geworpen. Het waren warme en stevige kleederen;

ook hadden zij er veel zorg voor gedragen, evenals voor hun linnen

dat zij zeer schoon hadden gehouden, maar toch moesten zij weldra

iets anders hebben. Bovendien, zouden zij, wanneer het een strenge

winter was, veel van de kou hebben te lijden.

Maar hier schoot het vernuft van Cyrus Smith te kort. Hij had

alles zoo spoedig mogelijk in orde gebracht, een woning gemaakt,

voor voeding gezorgd en de kou kon hen dus overvallen, vóór dat het

vraagstuk der kleeren opgelost werd. Zij moesten dus wel besluiten

den winter zonder klagen door te komen. Als het zachter weer werd

zou hun eerste werk zijn jacht op de wilde schapen te maken, die zij

bij het onderzoek van den berg Franklin gezien hadden, en wanneer zij

eenmaal de wol hadden zou de ingenieur wel raad weten om daarvan een

warme en stevige stof te maken. Maar hoe? Hij zou er zich op bedenken.

"Nu, als wij de luiken van het Rotshuis maar sluiten!" zeide

Pencroff. "Wij hebben overvloed van brandstof en er bestaat geen

enkele reden, om er zuinig mede te zijn."

"Bovendien," zeide Gideon Spilett, "is het eiland Lincoln dicht genoeg

bij den evenaar gelegen, om geen strenge winters te vreezen. Hebt gij

ons niet gezegd, Cyrus, dat de vijf en dertigste graad overeenkomt

met die van Spanje op het andere halfrond?"

"Zeker," antwoordde de ingenieur, "maar sommige winters zijn in Spanje

zeer koud! Sneeuw en ijs is er dan in overvloed en het eiland Lincoln

kan er ook veel van te lijden hebben. Maar in elk geval, het is een

eiland, en op een eiland is de temperatuur nog al gematigd."

"En waarom, mijnheer Cyrus?" vroeg Harbert.

"Omdat de zee kan beschouwd worden als een onmetelijke bewaarplaats,

waarin de hitte van den zomer opgezameld wordt. Als het winter is dan

geeft zij die warmte terug, waardoor de streken die in de nabijheid

van den Oceaan liggen voor minder koude te vreezen hebben; in den

zomer zoowel als in den winter blijft de luchtgesteldheid gematigd."

"Wij zullen zien," antwoordde Pencroff. "Ik zal er mij nog maar niet

over bekommeren of het dezen winter warm of koud zal zijn. Maar dit

is zeker, dat de dagen reeds kort en de avonden lang worden. Laat

ons liever eens aan de verlichting denken."

"Niets is gemakkelijker," antwoordde Cyrus.

"Om te bepraten?"

"Neen, om op te lossen."

"En wanneer zullen wij beginnen?"

"Morgen door jacht te maken op zeehonden."

"Om vetkaarsen te maken?"

"Foei, Pencroff, wat denkt ge wel! waskaarsen!"

Dit was inderdaad het plan van Cyrus Smith. Het was een zeer

uitvoerbaar plan, daar zij kalk en zwavelzuur hadden, en zij op het

eiland zich genoegzaam van vet konden voorzien.

Den 5den Juni staken zij met een bootje naar het eilandje over. Zij

hadden een voordeelige jacht en spoedig hadden Nab en Pencroff

de zeehonden van hun huid ontdaan en brachten zij hun vet naar het

Rotshuis. Ongeveer driehonderd pond vet hadden ze tot hun beschikking

voor het maken der kaarsen. Vierentwintig uur later konden zij 's

avonds het Rotshuis verlichten. Die geheele maand ontbrak het hun

niet aan werk. De schrijnwerkers hadden veel te doen. Men verbeterde

de werktuigen, die zij zeer ruw gemaakt hadden; en ook vervaardigden

zij er nog verschillende bij.

Onder anderen gelukte het hun scharen te maken, en zij waren thans

in staat hunne haren en baard te knippen. Zij konden, zoo al niet

zich scheren, dan toch hun baard in den vorm brengen, dien zij

verkozen. Harbert had er trouwens geen, Nab zeer weinig, maar hunne

metgezellen waren zoo begroeid, dat het bezit van een schaar meer

dan noodig was. Zij slaagden er ook in een zaag te maken, maar dat

kostte ontzaglijk veel moeite. Toch geraakten zij in het bezit van

zulk een onmisbaar voorwerp.

Nu vervaardigden zij tafels, stoelen, kasten, waarmede zij de

voornaamste kamers bemeubelden, en zelfs ledikanten, waarvan het

beddengoed bestond uit een matras en een overdek. De keuken met

planken, waarop zij de verschillende keukengereedschappen konden

plaatsen, het fornuis, de gootsteen, alles zag er keurig uit, en

Nab bewoog zich in dat vertrek met een deftigheid alsof hij in een

chemisch laboratorium werkte.

Maar nu moesten de schrijnwerkers vervangen worden door timmerlui. De

nieuwe uitloozing, die men door het springen van de mijn had

verkregen, noodzaakte hen twee bruggen te bouwen, een op de vlakte

van het Verre Uitzicht, de andere op het strand. Die vlakte toch

was evenals het strand doorsneden door een stroom, welke men

noodzakelijk moest oversteken om het noordelijk gedeelte van het

eiland te bereiken. Wilden zij dit niet doen, dan zouden zij een

grooten omweg hebben moeten maken en de bronnen van de Roode Beek

moeten omtrekken. Het eenvoudigste was dus om op de bergvlakte en op

het strand twee bruggen te bouwen, twintig à vierentwintig voet lang,

waarvan eenige boomen den grondslag zouden uitmaken.

Nab en Pencroff maakten van de gelegenheid gebruik om naar de

oesterbank te gaan, die zij bij de duinen hadden ontdekt, en zij

legden daar een oesterput aan waarvan de kolonisten veel genot hadden.

Men ziet dus, dat het eiland Lincoln, hoewel zijn bewoners nog

slechts een klein gedeelte doorkruist hadden, reeds voldoende in

hun behoeften voorzag. Aan vleesch ontbrak het hun niet, evenmin

aan plantaardig voedsel, dat het gebruik daarvan een weinig moest

matigen. Zij hadden zelfs suiker gemaakt, zonder riet of beetwortels,

door het verzamelen van acer saccharum uit de planten, die men ook

in de gematigde luchtstreken vindt. Ook thee en zout hadden zij in

overvloed, maar een ding ontbrak hun .... brood.

Tot nog toe hadden zij niets kunnen vinden wat hun dit kon

vergoeden. Maar eens, toen zij op een regenachtigen dag bij elkaar

zaten en Harbert bezig was zijn vest te verstellen, riep de knaap

eensklaps uit:

"Zie eens, mijnheer Cyrus. Hier is een graankorrel!"

En hij liet zijn makkers een graankorreltje zien, dat hij in zijn

vestzak gevonden had.

Het vinden van dezen graankorrel moesten zij hieraan toeschrijven,

dat Harbert, toen hij in Richmond was, de duiven voerde, welke hij

van Pencroff gekregen had.

"Een graankorrel?" riep Cyrus Smith op levendigen toon.

"Ja, mijnheer Smith, maar slechts éen!"

"Welnu, beste jongen," zeide Pencroff glimlachend, "daar hebben we

ook wat aan! Wat kunnen we met dat eene graankorreltje doen?"

"Wij zullen er brood van maken," antwoordde Cyrus Smith.

"Brood, gebak, taart!" hervatte de matroos. "Aan het brood dat wij

van dit graantje kunnen maken, zullen wij ons ook niet verslikken!"

Harbert die aan dezen vondst weinig waarde hechtte, wilde het korreltje

wegwerpen, maar Cyrus Smith nam het, onderzocht het en zag dat het

nog niet bedorven was. Daarop wierp hij een blik op den zeeman:

"Pencroff," zeide hij op kalmen toon, "weet gij hoeveel aren éen

graantje schiet?"

"Een, veronderstel ik!" antwoordde de matroos verwonderd over deze

vraag.

"Tien, Pencroff. En weet gij hoeveel korrels zulk een aar bevat?"

"Neen, dat weet ik niet."

"Op zijn minst tachtig," ging Cyrus Smith voort. "Dus wanneer wij

dit graantje zaaien, zullen wij bij den eersten oogst acht honderd

korrels hebben; bij den tweeden zes honderd veertig duizend, bij

den derden vijf honderd twaalf millioen, bij den vierden meer dan

vierhonderd milliard."

Allen luisterden met ingespannen aandacht naar Cyrus Smith. Die cijfers

verbaasden hen ten hoogste. Toch waren zij juist. De ingenieur ging

kalm voort.

"En Pencroff, weet gij wel hoeveel schepel deze vier honderd milliard

korrels uitmaken?"

"Neen," antwoordde de matroos, "maar wel weet ik, dat ik een domkop

ben!"

"Welnu, meer dan drie millioen, daar er honderd dertig duizend in

een schepel gaan, Pencroff."

"Drie millioen!" riep Pencroff verbaasd uit.

"Drie millioen!"

"In vier jaar," vervolgde Cyrus Smith, "en zelfs in twee jaar, wanneer

wij, zooals ik hoop, tweemaal 's jaars kunnen oogsten. Dus Harbert,

gij hebt daar een belangrijken vondst gedaan. Alles, mijn vrienden,

kan ons in den toestand, waarin wij verkeeren, te stade komen. Vergeet

dat toch vooral niet!"

"Maar nu moesten wij het maar gaan zaaien," zeide Harbert.

"Ja," hervatte Gideon Spilett, "en zoo voorzichtig mogelijk."

"Als het maar ontkiemt!" riep de matroos.

"Het zal zeker ontkiemen," zeide Smith.

Het was thans de 20ste Juni. Eerst waren zij van plan het in een

bloempot te zaaien, maar bij nader overleg achtten zij het raadzamer,

het aan de aarde toe te vertrouwen. Dienzelfden dag had de gewichtige

gebeurtenis plaats, en het is onnoodig er bij te voegen, dat alle

voorzorgen werden genomen om de onderneming te doen slagen. Gelukkig

was het weer dien dag vrij goed. Zij zaaiden de graankorrel op de

bergvlakte, nadat zij eerst de plek van alle andere planten gezuiverd

hadden; en toen de grond omgespit was, haalden zij zelfs de insecten

en wormen er uit. Daarop legden zij in het kuiltje eenige goede

aarde, waaronder zij een weining kalk gemengd hadden. Zij zetten

er een hek omheen en eindelijk werd de graankorrel in de vochtige

aarde gelegd. Was het niet of zij een eersten steen legden? Deze

gebeurtenis herinnerde Pencroff aan den dag, toen hij zijn eenigen

lucifer aanstak en met hoeveel zorg hij dit deed. Maar ditmaal was

het een veel gewichtiger zaak. Want het zou hun wel gelukt zijn vuur

te krijgen op welke wijze ook, maar geen menschelijke macht zou een

graankorrel kunnen wedergeven, zoo die niet mocht ontkiemen!

Het Geheimzinnige Eiland De Luchtschipbreukelingen · 第 24 / 37 题