De huisvesting op nieuw besproken.--Een droombeeld van
Pencroff.--Een onderzoek van het noordelijk meer.--De
noordelijke grens van den bergrug.--De slangen.--Het uiteinde
van het meer.--Top is onrustig.--Top zwemt.--Een strijd onder
water.--De zeekoe.
Het was nu de 6de Mei, de dag, die met den 6den November van het
noordelijk halfrond gelijk staat. De lucht werd mistig en men moest
aan eenige toebereidselen voor den winter gaan denken. Toch was de
temperatuur niet veel kouder geworden. Maar al dreigde de koude nog
niet in te vallen, de regentijd naderde toch en op dit verlaten eiland,
te midden der Stille Zee, moest het vaak slecht weder zijn.
De quaestie, een beter verblijf te kiezen, moest dus wel ernstig
besproken en overdacht worden.
Natuurlijk had Pencroff wel eenige voorliefde voor deze woning, die hij
zelf ontdekt had; maar hij begreep ook dat het raadzamer was een andere
te zoeken. Reeds eenmaal was de zee in de Schoorsteenen doorgedrongen
en men kon zich niet weder op nieuw aan zulke onheilen blootstellen.
"Bovendien," voegde Cyrus Smith er bij, toen zij dien dag over dat
onderwerp spraken, "moeten wij toch eenige voorzorgen nemen."
"Waarom? Het eiland is toch onbewoond," zei de correspondent.
"Dat is waarschijnlijk," antwoordde de ingenieur, "hoewel wij het
nog niet geheel en al onderzocht hebben, maar zoo er zich geen enkel
menschelijk wezen op bevindt, vrees ik toch dat de wilde dieren het
niet verlaten zullen hebben. Het beste is dat wij ons tegen alle
aanvallen in veiligheid brengen, en wij moeten vooral niet vergeten
elken nacht een van allen te waken om het vuur te onderhouden. In
ieder geval, vrienden, moeten wij op alles bedacht wezen."
"Wat," zei Harbert, "op zulk een afstand van elk land?"
"Ja, beste jongen," antwoordde de ingenieur. "De zeeroovers zijn
dappere lieden en geduchte boosdoeners, daarom moeten wij onze
maatregelen nemen."
"Welnu," antwoordde Pencroff, "wij zullen ons tegen de wilden, zoowel
tegen de twee- als de viervoetigen beveiligen. Maar, mijnheer Cyrus,
zou het niet beter wezen, als wij, voor iets te ondernemen, het eiland
in zijn geheele uitgestrektheid onderzochten?"
"Ik geloof ook, dat dit het raadzaamste is," zei Gideon Spilett. "Wie
weet of wij aan de tegenovergestelde kust geen grot vinden, die wij
hier tevergeefs hebben gezocht?"
"Maar wel moeten wij er aan denken," hernam Cyrus Smith, "dat wij
ons verblijf bij goed drinkwater moeten opslaan."
"Laten wij dan, mijnheer Cyrus," zei Pencroff, "een huis aan den oever
van het meer bouwen. Noch de steenen, noch de werktuigen ontbreken
ons thans. Nu wij eenmaal steenbakkers, pottebakkers en smeden zijn
geweest, kunnen wij ook wel metselaars worden."
"Ja, maar, vóór wij tot een besluit komen, moeten wij eerst een
onderzoek instellen. Een woning, die door de natuur gemaakt is,
bespaart ons alweder de moeite ze te maken, en zeker zal zij ons een
veiliger woonplaats aanbieden, want zij zal beschut wezen tegen de
vijanden zoowel inlandsche als buitenlandsche."
"Gij hebt gelijk, Cyrus," zei de reporter, "maar wij hebben deze
rotsachtige kust al van alle kanten onderzocht en geen opening,
geen spleet gevonden!"
"Neen, geen enkele," voegde Pencroff er bij. "Zoo wij maar een opening
in dien muur hadden kunnen boren, op een zekere hoogte, zoodat zij
buiten het bereik was, dat zou ons eerst te pas zijn gekomen! Van hier
af zie ik reeds op den gevel die naar de zee gekeerd is, en vijf of
zes kamers in dat huis."
"Met vensters die ze verlichten!" riep Harbert lachend uit.
"En een trap om naar boven te gaan!" voegde Nab er bij.
"Gij lacht er om," riep de matroos uit, "en waarom? Wat is er voor
onmogelijks in? Hebben wij geen bijlen en houweelen. En zou mijnheer
Cyrus geen middel weten om kruit te maken, waarmede wij de mijn kunnen
laten springen?"
Cyrus Smith hoorde met alle kalmte den opgewonden Pencroff aan, terwijl
deze zijn phantastische plannen blootlegde. Om de rotsmassa zelfs door
het springen eener mijn aan te tasten, zou een onmogelijk werk wezen
en het was inderdaad jammer dat de natuur het zwaarste gedeelte dezer
taak niet verricht had. Maar de ingenieur gaf den matroos slechts ten
antwoord dat hij den rotswand maar eens oplettend moest gadeslaan,
van de monding der rivier tot den noordelijken uithoek.
Men ging dus naar buiten en het onderzoek nam een aanvang. Maar
nergens was een holte te ontdekken, slechts nesten van wilde duiven,
en hier en daar een uitstekend gebroken granietblok. De ingenieur
stelde dus voor om langs de hoogte naar de Schoorsteenen terug te
keeren, om dan tegelijk de rivier te onderzoeken. Zij vervolgden hun
weg, aandachtig alles waarnemende daar zij nu een gedeelte van het
eiland betreden hadden, dat hun nog onbekend was. Maar geen enkel
spoor van eenig wild dier deed zich voor; het was ook waarschijnlijk
dat die meer in de zuidelijke bosschen huisden; maar toch gaf het
hun een onaangename gewaarwording, toen Top plotseling voor een
groote slang van ongeveer veertien à vijftien voet lengte stil bleef
staan. Nab doodde haar met één slag. Cyrus Smith beschouwde haar
aandachtig en verklaarde dat zij niet vergiftig was, daar zij tot
de soort der diamantslangen behoorde, waarmede de inboorlingen zich
in Nieuw Zuid-Wales voeden. Maar toch was het mogelijk dat er zich
nog andere bevonden wier beet doodelijk kon zijn, zooals de adders
met gespleten staart, die overeind gaan staan, of de vleugelslangen,
welke kleppen aan de ooren hebben, waardoor zij zich met reusachtige
snelheid kunnen bewegen. Toen Top van den eersten schrik bekomen was,
vervolgde hij met zooveel vuur de jacht op slangen, dat zij beangst
voor hem werden en zijn meester hem dan ook telkens terug moest roepen.
Spoedig hadden zij de monding van de Roode Beek bereikt. Zij herkenden
het punt dat zij reeds bezocht hadden, toen zij den berg Franklin
afdaalden.
Cyrus Smith ontdekte, dat de aanvoer van water zeer aanzienlijk was,
zoodat er noodzakelijk hier of daar een punt moest wezen, waar het
overtollige water afvloeide. Dat punt moest men ontdekken, want daar
zou waarschijnlijk een waterval wezen, dien men als beweegkracht
zou kunnen aanwenden. Zij vervolgden dus nog een eind hun weg, maar
zorgden goed bij elkander te blijven. Het water scheen hoe langer hoe
vischrijker te worden en Pencroff nam zich voor om vischtoestellen
te maken, ten einde dien rijken buit te vermeesteren.
Voor het oogenblik was hun taak slechts de noordelijke punt te
bezoeken. Hier stonden meer boomen, welke aan het landschap een
schilderachtig aanzien gaven. Het Grant-meer lag toen in zijn geheele
uitgestrektheid voor hen; geen koelte deed het lommer bewegen. Top
deed nu en dan een zwerm vogels opvliegen, die Gideon Spilett en
Harbert met hun pijlen begroetten. Harbert had er zelf een getroffen,
die tusschen de struiken viel. Top snelde er heen en bracht een mooien
vogel met grijze vleugels in zijn bek terug. Het was een waterhoen, ter
grootte van een patrijs, doch deze vogel was bij nader onderzoek niet
voor hun avondmaal geschikt en Top moest er zich dus over ontfermen.
Zij volgden nu een oostelijke richting, en kwamen toen weder op
bekend terrein. Op dit oogenblik werd Top, die tot nu toe zeer kalm
was geweest, plotseling onrustig. Het verstandige dier liep maar heen
en weer en stond telkens bij het water stil, alsof hij daar eenig
onzichtbaar wild rook; daarop blafte hij, maar hield zich dan weer
eensklaps stil.
Noch Cyrus Smith, noch zijn makkers sloegen acht op het gedrag van
den hond; maar Top herhaalde zoo onophoudelijk zijn geblaf, dat het
den ingenieur eindelijk wel treffen moest.
"Wat is er dan toch, Top?" vroeg hij.
De hond sprong tegen zijn meester op, en gaf duidelijk zijn onrust
te kennen, waarop hij weder naar het water snelde. Daarop sprong hij
plotseling in het meer.
"Hier Top!" riep Smith, daar hij niet wilde dat de hond in die
onbekende wateren zich zou wagen.
Top keerde op het geroep van zijn meester terug, maar toch kon hij
niet rustig bij hem blijven en scheen hij een dier onder het water
te volgen. Maar het meer was zeer klein en geen golfje rimpelde
de oppervlakte. Menigmaal stonden allen stil en sloegen zij het
oplettend gade, maar er verscheen niets. Er moest hier eenig geheim
achter schuilen. De ingenieur begon er hoe langer hoe meer belang in
te stellen.
"Laten wij onzen ontdekkingstocht tot het einde toe vervolgen,"
zei hij.
Een half uur later hadden zij den zuidoostelijken hoek van het meer
bereikt en bevonden zij zich op de vlakte: het Verre Uitzicht. Bij dit
punt konden zij hun onderzoek van het meer voor geëindigd houden, en
toch had de ingenieur niet kunnen ontdekken waar en hoe de uitloozing
van het water plaats greep.
"Toch moet zulk een uitloozing ergens wezen," herhaalde hij gedurig,
"en daar hij niet boven den grond te vinden is, moet hij aan de
binnenzijde van de rots wezen!"
"Maar waarom stelt ge daar belang in, Cyrus?" vroeg Gideon Spilett.
"Een zeer groot belang zelfs," antwoordde de ingenieur, "want zoo
de uitstorting in de rots zelf plaats heeft, moet zich daar een grot
bevinden, die men zeer gemakkelijk tot een woonplaats kan inrichten,
als men het water afleidt!"
"Maar is het niet mogelijk, mijnheer Cyrus, dat het water in het
meer zelf uitloopt," zeide Harbert, "en dat het door een onderaardsch
kanaal naar zee stroomt?"
"Dat kan zeer goed," antwoordde de ingenieur, "en zoo dat het geval
mocht wezen, dan zijn wij verplicht ons huis zelf te bouwen, daar
dan de natuur de eerste fondamenten niet gelegd heeft."
Zij haastten zich thans om, daar het reeds vijf uur was, de
Schoorsteenen op te zoeken, toen Top weder zijn geblaf liet
hooren. Het was thans zoo heftig, en vóor zijn meester hem nog had
kunnen weerhouden was hij reeds in het water gesprongen.
Allen liepen naar den oever. De hond was echter reeds twintig voet
van hen verwijderd en Cyrus Smith riep hem met alle kracht terug,
toen een kop plotseling boven het water verscheen, dat hier niet diep
scheen te wezen. Harbert herkende terstond het dier en riep uit:
"Een zeekoe!"
Het dier had zich op den hond geworpen, die het te vergeefs trachtte
te ontwijken. Zijn meester kon niets tot zijn redding bijbrengen, en
zelfs vóor dat het denkbeeld bij Gideon en Harbert was opgekomen, om
het met hun pijlen te treffen, was Top reeds onder water verdwenen. Nab
stond op het punt om het arme dier met een ijzeren staaf te hulp te
komen en het ondier in zijn eigen element aan te tasten.
"Terug, Nab," zeide de ingenieur, terwijl hij zijn kloeken dienaar
tegenhield.
Intusschen werd er onder water hevig gestreden; Top kon waarschijnlijk
geen weerstand bieden, en de strijd moest dus met den dood van den hond
eindigen. Maar plotseling, te midden van een grooten kring schuim,
zag men hem weder boven komen. Door een onbekende kracht werd hij
tien voet in de hoogte geworpen, maar zonk weder even zoo spoedig
in de diepte, waarna hij nogmaals bovenkomende, naar den oever zwom
zonder gewond te zijn, als door een wonder gered.
Cyrus Smith en zijn makkers zagen dit zonder het te begrijpen! Dat
was iets onverklaarbaars! Zeker was de zeekoe, terwijl zij den hond
in haar klauwen hield door een ander dier overvallen, en moest zij
thans zich zelve verdedigen.
Maar het duurde niet lang. Het water werd rood gekleurd van bloed
en de zeekoe kwam weldra, te midden van een bloedplas, die zich naar
alle zijden uitbreidde, aan de zuidelijke punt van het meer aan land.
Allen snelden naar dat punt. Het was een geducht dier, van vijftien
à zestien voet lengte en moest ongeveer drie of vierduizend pond
wegen. Aan zijn nek scheen het gewond te zijn, met een zeer scherpen
dolk, zou men zeggen.
Welk dier had dus die vreeselijke zeekoe met één slag kunnen
dooden. Niemand kon het zeggen, en met dit voorval geheel vervuld,
keerden Cyrus Smith en zijn vrienden naar de Schoorsteenen terug.