XVI.

De huisvesting op nieuw besproken.--Een droombeeld van

Pencroff.--Een onderzoek van het noordelijk meer.--De

noordelijke grens van den bergrug.--De slangen.--Het uiteinde

van het meer.--Top is onrustig.--Top zwemt.--Een strijd onder

water.--De zeekoe.

Het was nu de 6de Mei, de dag, die met den 6den November van het

noordelijk halfrond gelijk staat. De lucht werd mistig en men moest

aan eenige toebereidselen voor den winter gaan denken. Toch was de

temperatuur niet veel kouder geworden. Maar al dreigde de koude nog

niet in te vallen, de regentijd naderde toch en op dit verlaten eiland,

te midden der Stille Zee, moest het vaak slecht weder zijn.

De quaestie, een beter verblijf te kiezen, moest dus wel ernstig

besproken en overdacht worden.

Natuurlijk had Pencroff wel eenige voorliefde voor deze woning, die hij

zelf ontdekt had; maar hij begreep ook dat het raadzamer was een andere

te zoeken. Reeds eenmaal was de zee in de Schoorsteenen doorgedrongen

en men kon zich niet weder op nieuw aan zulke onheilen blootstellen.

"Bovendien," voegde Cyrus Smith er bij, toen zij dien dag over dat

onderwerp spraken, "moeten wij toch eenige voorzorgen nemen."

"Waarom? Het eiland is toch onbewoond," zei de correspondent.

"Dat is waarschijnlijk," antwoordde de ingenieur, "hoewel wij het

nog niet geheel en al onderzocht hebben, maar zoo er zich geen enkel

menschelijk wezen op bevindt, vrees ik toch dat de wilde dieren het

niet verlaten zullen hebben. Het beste is dat wij ons tegen alle

aanvallen in veiligheid brengen, en wij moeten vooral niet vergeten

elken nacht een van allen te waken om het vuur te onderhouden. In

ieder geval, vrienden, moeten wij op alles bedacht wezen."

"Wat," zei Harbert, "op zulk een afstand van elk land?"

"Ja, beste jongen," antwoordde de ingenieur. "De zeeroovers zijn

dappere lieden en geduchte boosdoeners, daarom moeten wij onze

maatregelen nemen."

"Welnu," antwoordde Pencroff, "wij zullen ons tegen de wilden, zoowel

tegen de twee- als de viervoetigen beveiligen. Maar, mijnheer Cyrus,

zou het niet beter wezen, als wij, voor iets te ondernemen, het eiland

in zijn geheele uitgestrektheid onderzochten?"

"Ik geloof ook, dat dit het raadzaamste is," zei Gideon Spilett. "Wie

weet of wij aan de tegenovergestelde kust geen grot vinden, die wij

hier tevergeefs hebben gezocht?"

"Maar wel moeten wij er aan denken," hernam Cyrus Smith, "dat wij

ons verblijf bij goed drinkwater moeten opslaan."

"Laten wij dan, mijnheer Cyrus," zei Pencroff, "een huis aan den oever

van het meer bouwen. Noch de steenen, noch de werktuigen ontbreken

ons thans. Nu wij eenmaal steenbakkers, pottebakkers en smeden zijn

geweest, kunnen wij ook wel metselaars worden."

"Ja, maar, vóór wij tot een besluit komen, moeten wij eerst een

onderzoek instellen. Een woning, die door de natuur gemaakt is,

bespaart ons alweder de moeite ze te maken, en zeker zal zij ons een

veiliger woonplaats aanbieden, want zij zal beschut wezen tegen de

vijanden zoowel inlandsche als buitenlandsche."

"Gij hebt gelijk, Cyrus," zei de reporter, "maar wij hebben deze

rotsachtige kust al van alle kanten onderzocht en geen opening,

geen spleet gevonden!"

"Neen, geen enkele," voegde Pencroff er bij. "Zoo wij maar een opening

in dien muur hadden kunnen boren, op een zekere hoogte, zoodat zij

buiten het bereik was, dat zou ons eerst te pas zijn gekomen! Van hier

af zie ik reeds op den gevel die naar de zee gekeerd is, en vijf of

zes kamers in dat huis."

"Met vensters die ze verlichten!" riep Harbert lachend uit.

"En een trap om naar boven te gaan!" voegde Nab er bij.

"Gij lacht er om," riep de matroos uit, "en waarom? Wat is er voor

onmogelijks in? Hebben wij geen bijlen en houweelen. En zou mijnheer

Cyrus geen middel weten om kruit te maken, waarmede wij de mijn kunnen

laten springen?"

Cyrus Smith hoorde met alle kalmte den opgewonden Pencroff aan, terwijl

deze zijn phantastische plannen blootlegde. Om de rotsmassa zelfs door

het springen eener mijn aan te tasten, zou een onmogelijk werk wezen

en het was inderdaad jammer dat de natuur het zwaarste gedeelte dezer

taak niet verricht had. Maar de ingenieur gaf den matroos slechts ten

antwoord dat hij den rotswand maar eens oplettend moest gadeslaan,

van de monding der rivier tot den noordelijken uithoek.

Men ging dus naar buiten en het onderzoek nam een aanvang. Maar

nergens was een holte te ontdekken, slechts nesten van wilde duiven,

en hier en daar een uitstekend gebroken granietblok. De ingenieur

stelde dus voor om langs de hoogte naar de Schoorsteenen terug te

keeren, om dan tegelijk de rivier te onderzoeken. Zij vervolgden hun

weg, aandachtig alles waarnemende daar zij nu een gedeelte van het

eiland betreden hadden, dat hun nog onbekend was. Maar geen enkel

spoor van eenig wild dier deed zich voor; het was ook waarschijnlijk

dat die meer in de zuidelijke bosschen huisden; maar toch gaf het

hun een onaangename gewaarwording, toen Top plotseling voor een

groote slang van ongeveer veertien à vijftien voet lengte stil bleef

staan. Nab doodde haar met één slag. Cyrus Smith beschouwde haar

aandachtig en verklaarde dat zij niet vergiftig was, daar zij tot

de soort der diamantslangen behoorde, waarmede de inboorlingen zich

in Nieuw Zuid-Wales voeden. Maar toch was het mogelijk dat er zich

nog andere bevonden wier beet doodelijk kon zijn, zooals de adders

met gespleten staart, die overeind gaan staan, of de vleugelslangen,

welke kleppen aan de ooren hebben, waardoor zij zich met reusachtige

snelheid kunnen bewegen. Toen Top van den eersten schrik bekomen was,

vervolgde hij met zooveel vuur de jacht op slangen, dat zij beangst

voor hem werden en zijn meester hem dan ook telkens terug moest roepen.

Spoedig hadden zij de monding van de Roode Beek bereikt. Zij herkenden

het punt dat zij reeds bezocht hadden, toen zij den berg Franklin

afdaalden.

Cyrus Smith ontdekte, dat de aanvoer van water zeer aanzienlijk was,

zoodat er noodzakelijk hier of daar een punt moest wezen, waar het

overtollige water afvloeide. Dat punt moest men ontdekken, want daar

zou waarschijnlijk een waterval wezen, dien men als beweegkracht

zou kunnen aanwenden. Zij vervolgden dus nog een eind hun weg, maar

zorgden goed bij elkander te blijven. Het water scheen hoe langer hoe

vischrijker te worden en Pencroff nam zich voor om vischtoestellen

te maken, ten einde dien rijken buit te vermeesteren.

Voor het oogenblik was hun taak slechts de noordelijke punt te

bezoeken. Hier stonden meer boomen, welke aan het landschap een

schilderachtig aanzien gaven. Het Grant-meer lag toen in zijn geheele

uitgestrektheid voor hen; geen koelte deed het lommer bewegen. Top

deed nu en dan een zwerm vogels opvliegen, die Gideon Spilett en

Harbert met hun pijlen begroetten. Harbert had er zelf een getroffen,

die tusschen de struiken viel. Top snelde er heen en bracht een mooien

vogel met grijze vleugels in zijn bek terug. Het was een waterhoen, ter

grootte van een patrijs, doch deze vogel was bij nader onderzoek niet

voor hun avondmaal geschikt en Top moest er zich dus over ontfermen.

Zij volgden nu een oostelijke richting, en kwamen toen weder op

bekend terrein. Op dit oogenblik werd Top, die tot nu toe zeer kalm

was geweest, plotseling onrustig. Het verstandige dier liep maar heen

en weer en stond telkens bij het water stil, alsof hij daar eenig

onzichtbaar wild rook; daarop blafte hij, maar hield zich dan weer

eensklaps stil.

Noch Cyrus Smith, noch zijn makkers sloegen acht op het gedrag van

den hond; maar Top herhaalde zoo onophoudelijk zijn geblaf, dat het

den ingenieur eindelijk wel treffen moest.

"Wat is er dan toch, Top?" vroeg hij.

De hond sprong tegen zijn meester op, en gaf duidelijk zijn onrust

te kennen, waarop hij weder naar het water snelde. Daarop sprong hij

plotseling in het meer.

"Hier Top!" riep Smith, daar hij niet wilde dat de hond in die

onbekende wateren zich zou wagen.

Top keerde op het geroep van zijn meester terug, maar toch kon hij

niet rustig bij hem blijven en scheen hij een dier onder het water

te volgen. Maar het meer was zeer klein en geen golfje rimpelde

de oppervlakte. Menigmaal stonden allen stil en sloegen zij het

oplettend gade, maar er verscheen niets. Er moest hier eenig geheim

achter schuilen. De ingenieur begon er hoe langer hoe meer belang in

te stellen.

"Laten wij onzen ontdekkingstocht tot het einde toe vervolgen,"

zei hij.

Een half uur later hadden zij den zuidoostelijken hoek van het meer

bereikt en bevonden zij zich op de vlakte: het Verre Uitzicht. Bij dit

punt konden zij hun onderzoek van het meer voor geëindigd houden, en

toch had de ingenieur niet kunnen ontdekken waar en hoe de uitloozing

van het water plaats greep.

"Toch moet zulk een uitloozing ergens wezen," herhaalde hij gedurig,

"en daar hij niet boven den grond te vinden is, moet hij aan de

binnenzijde van de rots wezen!"

"Maar waarom stelt ge daar belang in, Cyrus?" vroeg Gideon Spilett.

"Een zeer groot belang zelfs," antwoordde de ingenieur, "want zoo

de uitstorting in de rots zelf plaats heeft, moet zich daar een grot

bevinden, die men zeer gemakkelijk tot een woonplaats kan inrichten,

als men het water afleidt!"

"Maar is het niet mogelijk, mijnheer Cyrus, dat het water in het

meer zelf uitloopt," zeide Harbert, "en dat het door een onderaardsch

kanaal naar zee stroomt?"

"Dat kan zeer goed," antwoordde de ingenieur, "en zoo dat het geval

mocht wezen, dan zijn wij verplicht ons huis zelf te bouwen, daar

dan de natuur de eerste fondamenten niet gelegd heeft."

Zij haastten zich thans om, daar het reeds vijf uur was, de

Schoorsteenen op te zoeken, toen Top weder zijn geblaf liet

hooren. Het was thans zoo heftig, en vóor zijn meester hem nog had

kunnen weerhouden was hij reeds in het water gesprongen.

Allen liepen naar den oever. De hond was echter reeds twintig voet

van hen verwijderd en Cyrus Smith riep hem met alle kracht terug,

toen een kop plotseling boven het water verscheen, dat hier niet diep

scheen te wezen. Harbert herkende terstond het dier en riep uit:

"Een zeekoe!"

Het dier had zich op den hond geworpen, die het te vergeefs trachtte

te ontwijken. Zijn meester kon niets tot zijn redding bijbrengen, en

zelfs vóor dat het denkbeeld bij Gideon en Harbert was opgekomen, om

het met hun pijlen te treffen, was Top reeds onder water verdwenen. Nab

stond op het punt om het arme dier met een ijzeren staaf te hulp te

komen en het ondier in zijn eigen element aan te tasten.

"Terug, Nab," zeide de ingenieur, terwijl hij zijn kloeken dienaar

tegenhield.

Intusschen werd er onder water hevig gestreden; Top kon waarschijnlijk

geen weerstand bieden, en de strijd moest dus met den dood van den hond

eindigen. Maar plotseling, te midden van een grooten kring schuim,

zag men hem weder boven komen. Door een onbekende kracht werd hij

tien voet in de hoogte geworpen, maar zonk weder even zoo spoedig

in de diepte, waarna hij nogmaals bovenkomende, naar den oever zwom

zonder gewond te zijn, als door een wonder gered.

Cyrus Smith en zijn makkers zagen dit zonder het te begrijpen! Dat

was iets onverklaarbaars! Zeker was de zeekoe, terwijl zij den hond

in haar klauwen hield door een ander dier overvallen, en moest zij

thans zich zelve verdedigen.

Maar het duurde niet lang. Het water werd rood gekleurd van bloed

en de zeekoe kwam weldra, te midden van een bloedplas, die zich naar

alle zijden uitbreidde, aan de zuidelijke punt van het meer aan land.

Allen snelden naar dat punt. Het was een geducht dier, van vijftien

à zestien voet lengte en moest ongeveer drie of vierduizend pond

wegen. Aan zijn nek scheen het gewond te zijn, met een zeer scherpen

dolk, zou men zeggen.

Welk dier had dus die vreeselijke zeekoe met één slag kunnen

dooden. Niemand kon het zeggen, en met dit voorval geheel vervuld,

keerden Cyrus Smith en zijn vrienden naar de Schoorsteenen terug.

Het Geheimzinnige Eiland De Luchtschipbreukelingen · 第 20 / 37 题