De lengte van het eiland.--Een ontdekkingstocht ten
noorden.--Een oesterbank.--Plannen voor de toekomst.--De zon
gaat door den meridiaan.--De ligging van Lincoln.
De uitslag van de berekeningen, welke Cyrus Smith op den 15den
April maakte, was, dat het eiland Lincoln gelegen was op den
zevenendertigsten graad zuiderbreedte.
De ingenieur zou de lengte bepalen, wanneer de zon den meridiaan
zou passeeren.
Men besloot den zondag te besteden met, na hun kleederen gewasschen
te hebben, een wandeling te maken of liever een verkenningstocht
tusschen de noordzijde van het meer en de Haaien-golf, en indien
het weer het toeliet, zou men den tocht in het zuiden tot kaap
Zuid-Mandibule uitstrekken. Zij wilden provisie meenemen en eerst
's avonds thuis komen.
Om half negen waren allen gereed en begaven zij zich langs de beek
op weg. Aan de andere zijde, op een klein eilandje, stapte een groot
aantal vogels statig op en neer. Het waren duikers, een soort van
ganzen, die men dadelijk herkent aan het onaangename gekrijsch dat
zij maken en dat eenige overeenkomst heeft met het balken van een
ezel. Pencroff beschouwde deze slechts uit een oogpunt van eetbaarheid,
en het deed hem onuitsprekelijk veel genoegen, toen hij hoorde,
dat hun vleesch, hoewel zwart van kleur, zeer goed te gebruiken was.
Men zag ook groote amphibieën over het zand kruipen, waarschijnlijk
zeehonden, die het eilandje tot toevluchtsoord gekozen schenen
te hebben. Men kon deze dieren onmogelijk als een bruikbare spijs
beschouwen, want hun vleesch is traanachtig en onsmakelijk; Cyrus
Smith sloeg ze echter aandachtig gade en zonder zijn denkbeelden er
over mede te deelen, zei hij tot zijn metgezellen, dat zij weldra
het eilandje zouden bezoeken.
Langs den oever lagen tallooze schelpen, waarvan eenigen van hooge
waarde zouden geweest zijn voor een natuurkundige. Het waren onder
anderen driehoekschelpen, ammonshoorns, phasiasnellen enz. Maar
hetgeen het meest van nut kon zijn, was een groote oesterbank die
bij laag water zichtbaar was en door Nab aangewezen werd tusschen de
rotsen op ongeveer vier mijlen afstands van de Schoorsteenen.
"Nab heeft vandaag den kost verdiend," riep Pencroff uit, terwijl
hij de oesterbank beschouwde.
"Het is inderdaad een gelukkige ontdekking," zei de verslaggever,
"en, als het waar is, dat elke oester, zooals men beweert, vijftig à
zestig duizend eieren legt, dan hebben wij daar een onuitputtelijken
voorraad."
"Ik geloof echter, dat oesters niet zeer voedzaam zijn," merkte
Harbert op.
"Neen," antwoordde Cyrus Smith. "De oester bevat slechts zeer weinig
stikstofhoudende bestanddeelen en iemand, die er zich uitsluitend
mee mocht willen voeden, had er niet minder dan vijftien à zestien
dozijn daags noodig."
"Welnu," antwoordde Pencroff, "wij kunnen menig gros verslinden,
voordat de bank ledig is. Als wij er eens een paar voor ons ontbijt
namen?"
Nab en Harbert maakten eenige van die schelpdieren los, zonder antwoord
af te wachten, daar zij wel wisten dat het voorstel ieder welkom moest
zijn. Zij deden ze in een net, dat Nab gemaakt had van de vezels van
heemst, en waarin het verdere maal ook was geborgen. Vervolgens zette
men den weg tusschen de duinen en de zee, langs de kust voort.
Cyrus Smith keek van tijd tot tijd op zijn horloge, om vooral het
oogenblik niet voorbij te laten gaan, waarop hij de zon kon schieten.
Dit geheele gedeelte van het eiland was zeer onvruchtbaar tot aan het
punt, waar de baai der Vereenigde Staten eindigde, dat men kaap Zuid
Mandebule genoemd had. Men zag er slechts zand en schelpen, vermengd
met stukken lava. Eenige zeevogels kwamen nu en dan op dit verlaten
strand, zeemeeuwen, groote stormvogels en zelfs wilde eenden, die
met recht de begeerlijkheid van Pencroff opwekten. Hij trachtte wel
ze met zijn pijlen te treffen, maar zonder gevolg, want zij bleven
niet zitten en men zou ze in hun vlucht moeten raken.
De zeeman vond hierin alweder een geschikte gelegenheid om den
ingenieur weder de volgende opmerking te maken:
"Ziet ge wel, mijnheer Cyrus, zoolang wij niet een of twee jachtgeweren
hebben, zal ons materieel niet volmaakt zijn."
"Zeker, Pencroff," antwoordde de verslaggever, "maar het hangt slechts
van u af. Verschaf ons ijzer voor de loopen, staal voor de batterijen,
salpeter, kool en zwavel voor kruit, kwik en salpeterzuur voor het
knalzuurzout, en eindelijk lood voor de kogels en dan zal Cyrus ons
geweren van de beste soort maken."
"O!" antwoordde de ingenieur, "wij kunnen al deze bestanddeelen
zonder twijfel op het eiland vinden, maar een vuurwapen eischt zeer
veel zorg en goede gereedschappen. Maar wij zullen later zien."
"Waarom hebben wij dan ook al die wapens en gereedschappen die
met ons in het schuitje waren, overboord geworpen, zelfs onze
zakmessen!" bromde Pencroff.
"Maar, als wij dat niet gedaan hadden, Pencroff, zouden wij met den
ballon tot op den bodem der zee gezonken zijn!" antwoordde Harbert.
"Ja, dat is waar, ge hebt gelijk, mijn jongen!"
Oogenblikkelijk ging hij tot een ander onderwerp over en zei:
"Maar daar valt mij iets in, wat zal Jonathan Forster en zijn
metgezellen verbaasd hebben gestaan, toen zij den volgenden morgen
de plaats verlaten en den ballon gevlogen vonden!"
"Dat is wel het laatste waarover ik mij zal bekommeren!" antwoordde
de correspondent.
"Nu heb ik daar toch het eerst aan gedacht," zei Pencroff vol
zelfvoldoening.
"Een mooie gedachte, Pencroff," hernam Gideon Spilett lachende,
"en wie heeft ons gebracht waar wij nu zijn!"
"Ik ben liever hier dan in de handen der Zuidelijken!" riep de zeeman
uit, "vooral sedert mijnheer Cyrus de goedheid heeft gehad zich bij
ons te voegen!"
"En ik ook, waarachtig!" stemde de correspondent in. "Bovendien,
wat ontbreekt ons hier? Niets!"
"Of.... alles!" antwoordde Pencroff, die in lachen uitbarstte en zijn
breede schouders schudde. "Maar vroeg of laat zullen wij het middel
ontdekken om weg te komen!"
"En misschien eerder dan gij wel denkt, vrienden," zei toen de
ingenieur, "indien het eiland Lincoln slechts op matigen afstand is
gelegen van bewoonde eilanden of vastland. Binnen een uur zullen wij
dit weten. Ik heb geen kaart van de Stille Zee, maar het zuidelijk
gedeelte staat mij helder voor den geest. Ten westen van het eiland
Lincoln ligt, volgens de breedte, die ik gisteren verkregen heb,
Nieuw-Zeeland en ten oosten Chili; maar die twee landen liggen minstens
zesduizend mijlen van elkander. Er blijft dus slechts over te bepalen,
welke plaats dit eiland inneemt op deze groote uitgestrektheid zee, en
dat zullen wij aanstonds door de lengte juist genoeg te weten komen."
"Is het niet de Pomotou-archipel," vroeg Harbert, die, wat de breedte
betreft, het dichtst bij ons is?"
"Ja," antwoordde de ingenieur, "maar wij zijn er toch door een afstand
van meer dan twaalfhonderd mijlen van gescheiden."
"En daar?" vroeg Nab, die met de grootste belangstelling het gesprek
gevolgd had, en naar het zuiden wees.
"Daar, niets," antwoordde Pencroff.
"Niets, inderdaad," voegde de ingenieur er bij.
"En, Cyrus," vroeg de correspondent, "wanneer Lincoln op slechts twee
à drie honderd mijlen van Nieuw-Zeeland of Chili gelegen is?...."
"Welnu," antwoordde de ingenieur, "dan bouwen wij in plaats van een
huis een schip, en meester Pencroff zal zich met het besturen daarvan
belasten...."
"Zeker, zeker, mijnheer Cyrus," riep de zeeman uit, "ik ben aanstonds
gereed het ambt van kapitein te aanvaarden.... zoodra gij de middelen
zult gevonden hebben om een schip samen te stellen, waarmee wij ons
op zee vertrouwen kunnen!"
"Wij zullen er een bouwen, als het noodig is!" antwoordde Cyrus Smith.
Intusschen naderde de tijd, waarop de waarneming moest geschieden. Hoe
zou Cyrus Smith het aanleggen om, zonder een enkel instrument, het
passeeren van de zon door den meridiaan gade te slaan? Dit ging het
verstand van Harbert te boven.
De kolonisten waren op ongeveer zes mijlen van de Schoorsteenen
verwijderd, en niet ver van de plaats in de duinen waar de ingenieur
gevonden was na zijn wonderbaarlijke redding. Zij besloten daar halt
te houden en alles werd voor het ontbijt gereed gemaakt, want het
was half twaalf. Harbert ging water halen uit de beek, die er dicht
bij stroomde en bracht het in een kruik, welke Nab medegenomen had.
Cyrus Smith maakte zich intusschen tot zijn astronomische waarneming
gereed. Hij koos een gedeelte van het strand dat door de afnemende
zee volkomen waterpas geworden was, en stak er een stok van zes voet
lang loodrecht in.
Harbert begreep toen hoe de ingenieur te werk zou gaan om den doorgang
van de zon door den meridiaan te bepalen. Het was door middel van de
schaduw die de stok op het zand wierp, een middel, dat, bij gebrek aan
instrumenten, hem een voldoende juistheid zou geven voor het resultaat,
dat hij wilde verkrijgen.
Het oogenblik dat die schaduw het minimum van lengte zou bereiken,
zou juist het zuiden zijn. En het was voldoende dat men het verste
punt van de schaduw waarnam, om het oogenblik te bepalen, waarop zij,
na steeds korter geworden te zijn, weder langer werd.
De verslaggever stond met zijn horloge in de hand gereed om te zeggen
hoe laat het precies was, als de schaduw het kortst zou zijn.
De zon ging intusschen langzaam voort; de schaduw van den stok werd
al korter en korter, en toen het Cyrus Smith voorkwam dat hij langer
begon te worden, riep hij uit:
"Hoe laat?"
"Vijf uur en een minuut," antwoordde Gideon Spilett onmiddellijk.
De waarneming moest nu nog slechts becijferd worden. Niets was
gemakkelijker. Er was, zooals men ziet, precies vijf uur verschil
tusschen den meridiaan van Washington en dien van het eiland Lincoln,
dat is te zeggen, het was middag op Lincoln, toen het reeds vijf uur
in den avond te Washington was. De zon doorloopt in haar schijnbare
beweging om de aarde, een graad in vier minuten, dus vijftien graden
in een uur. In een uur doorloopt zij vijftien graden, dus in vijf
uur vijfmaal vijftien graden, gelijk aan vijf en zeventig graden.
Daar Washington ligt op 77° 3' 11'' westelijk van den meridiaan van
Greenwich,--die de Amerikanen evenals de Engelschen tot uitgangspunt
van de lengte aangenomen hebben,--volgt er uit, dat het eiland, in
ronde cijfers, gelegen was op zeven en zeventig graden, plus vijf en
zeventig graden ten westen van den meridiaan van Greenwich, dat is
alzoo op honderd twee en vijftig graden westerlengte.
Cyrus Smith deelde dat resultaat aan zijn metgezellen mee, en alles
in aanmerking nemende, meende hij te kunnen verzekeren, dat het
eiland Lincoln gelegen was tusschen de vijf en dertigste en zeven en
dertigste parallel en tusschen den honderd vijftigsten en honderd vijf
en vijftigsten meridiaan ten westen van den meridiaan van Greenwich.
Het was zeer waarschijnlijk, dat het eiland Lincoln zoover verwijderd
lag van elk land of eiland, dat men het niet wagen mocht, dien afstand
in een eenvoudige, zwakke boot af te leggen.
Door deze waarneming kwam men tot de zekerheid, dat het eiland op
minstens twaalf honderd mijlen gelegen was van Taiti en van de eilanden
der Pomotou-archipel en op achttien honderd mijlen van Nieuw-Zeeland,
en eindelijk op meer dan vier duizend vijf honderd mijlen van de
Amerikaansche kust!
Cyrus Smith herinnerde zich niet dat er eenig eiland gelegen was in
dat gedeelte van de Stille Zee, waar zij nu overtuigd waren, dat het
eiland Lincoln lag.