Wat men bij Top vindt.--Het vervaardigen van pijl en boog.--Een
steenbakkerij.--Keus en raad.--De eerste "pot op 't vuur."--De
bijvoet.--Het zuiderkruis.--Eene belangrijke astronomische
waarneming.
"Welnu, mijnheer Cyrus, waar moeten wij mede beginnen?" vroeg Pencroff
den volgenden morgen aan den ingenieur.
"Met het begin," antwoordde Cyrus Smith.
En het was inderdaad letterlijk waar dat de kolonisten met het begin
moesten beginnen. Zij bezaten zelfs de noodige gereedschappen niet
om gereedschappen te maken, en zij bevonden zich niet in den toestand
der natuur, die de wet volgt: "tijd spaart arbeid." Tijd ontbrak hun,
omdat zij dadelijk moesten voorzien in al hunne levensbehoeften,
en moesten zij al niet alles uitvinden, zij moesten toch alles
samenstellen. Hun ijzer en hun staal waren nog slechts delfstoffen,
hunne potten en pannen nog slechts klei, hun linnen en kleederen
moesten nog gesponnen worden.
Men moet echter bekennen, dat die kolonisten "mannen" waren in de
schoone en krachtige beteekenis van het woord. De ingenieur Smith
kon door geen handiger metgezellen bijgestaan worden, noch met
meer toewijding en ijver. Hij had hen beproefd. Hij wist wat zij
vermochten. Het zou werkelijk moeite kosten vijf menschen bijeen te
brengen, die beter geschikt waren te strijden tegen het noodlot en
zekerder waren daar over te zegepralen.
"Met het begin," had Cyrus Smith gezegd. Het begin, waarvan de
ingenieur sprak, was het vervaardigen van een toestel, dat dienen
kon om hetgeen de natuur verschafte in andere vormen te brengen. Men
kent de rol, die de warmte speelt bij deze verandering van vorm. Dus
brandstoffen als hout en steenkool waren reeds aanstonds bruikbaar. Men
moest slechts een oven samenstellen om ze aan te wenden.
"Waartoe moet die oven dienen?" vroeg Pencroff.
"Om potten te maken, die wij hoog noodig hebben," antwoordde Cyrus
Smith.
"En waarmede zullen wij den oven maken?"
"Met steenen."
"En deze steenen?"
"Van klei. Vooruit dan vrienden. Om het vervoeren te voorkomen, zullen
wij onze werkplaats aanleggen op de plaats, waar wij de grondstoffen
vinden. Nab zal voor provisie zorgen en vuur zal ons niet ontbreken
om onze spijzen te bereiden."
"Neen," antwoordde de correspondent, "maar als wij gebrek aan spijs
krijgen, omdat wij geen wapen voor de jacht hebben?"
"Hadden wij maar een mes!" riep de zeeman uit.
"Wat dan?" vroeg Cyrus Smith.
"Dan maakte ik spoedig pijl en boog, en wij zouden wild in overvloed
hebben."
"Ja, een mes, een snijdend werktuig...." zeide de ingenieur in zichzelf
sprekend. Op hetzelfde oogenblik viel zijn blik op Top, die aan den
oever van de rivier heen en weer snuffelde. Smith scheen plotseling
op een inval te komen:
"Top, hier!" riep hij.
Op het bevel van zijn meester snelde de hond toe. Deze nam den kop
van Top tusschen zijn handen, ontdeed hem van de halsband, die het
dier droeg, brak deze in twee stukken en zeide:
"Hier hebt ge twee messen, Pencroff!"
Twee vreugdekreten waren het antwoord van den zeeman. De halsband
van Top bestond uit een smalle band hard staal. Het moest dus slechts
op een biksteen geslepen worden; de rotsen van dit fijne zand waren
talloos langs de kust en twee uur later bestonden de werktuigen van de
kolonie in twee scherpe messen, waarvoor men gemakkelijk twee sterke
heften had kunnen vinden.
Het bezit van dit eerste werktuig werd als een overwinning beschouwd;
het was inderdaad een zeer gewichtige overwinning, die hoogst
welkom was.
De tocht werd aanvaard. Onderweg ontdekte Harbert een boom, waarvan
de Indianen in Zuid-Amerika de takken gebruiken om hunne bogen te
maken. Het was de "crejimba" een soort van palmboom, die geen eetbare
vruchten oplevert. Lange, rechte takken werden afgebroken, ontbladerd
en aan de uiteinden dunner gesneden dan in het midden, zoodat men
nog slechts een plant moest vinden, geschikt om er de pees van te
vervaardigen. Deze werd verschaft door een soort van maluweplant,
die bijzonder sterke vezels levert, welke te vergelijken zijn met
de zenuwen van een dier. Op deze wijze verkreeg Pencroff een boog
van vrij groote kracht, waaraan nog slechts de pijlen ontbraken. Die
pijlen zouden geen moeielijkheid opleveren; er waren rechte takken
zonder knoesten in overvloed, maar een zelfstandigheid, welke het
ijzer moest vervangen aan de punt was moeilijker te vinden. Pencroff
beweerde echter, dat nu hij zijn deel aan het werk gedaan had, het
toeval het overige wel zou doen.
De kolonisten kwamen op het terrein, dat zij den vorigen avond
opgenomen hadden. Het bestond uit zachte klei, die gebruikt wordt
om steenen en pannen te bakken en bijgevolg uitmuntend geschikt
was voor het werk dat men ging ondernemen. Men bracht er zand bij
om ze vaster te maken; de steenen werden gevormd en boven een vuur
van takkebossen gebakken. Die dag en de volgende werden met dezen
arbeid doorgebracht. Een geoefend werkman kan, zonder machine, in
vier en twintig uur tien duizend steenen vormen; maar in de twee
dagen, welke de vijf steenbakkers van het eiland Lincoln werkten,
vervaardigden zij er niet meer dan drie duizend, die bij elkander
gezet werden, totdat het aantal voldoende zou zijn om ze te bakken,
hetgeen nog drie à vier dagen zou duren.
Cyrus Smith begon den 2den April de ligging van het eiland tot zijn
ernstig onderzoek te maken.
Den vorigen avond had hij nauwkeurig aangeteekend, op welk uur de
zon achter den horizon verdwenen was, de straalbreking in aanmerking
nemende. Dien morgen ging hij met niet minder juistheid het uur na,
waarop zij weder verrees. Er waren twaalf uur, vier en twintig minuten
voorbijgegaan tusschen dat op- en ondergaan. Dien dag zou de zon
dus zes uur twaalf minuten na haar opkomst den meridiaan passeeren
en het punt, dat zij op dat oogenblik aan den hemel zou innemen,
zou het noorden zijn.
Op het bepaalde uur nam hij het punt waar, plaatste twee boomen
zoodanig, dat zij hem als baken konden dienen en verkreeg aldus een
onveranderlijke meridiaan voor zijn verdere waarnemingen.
De twee dagen, welke aan het bakken van de steenen voorafgingen, werden
doorgebracht met het bijeenzoeken van brandstoffen. In het bosch werden
takken gesneden en al het gevallen hout opgeraapt. Middelerwijl werd
er in de omstreken gejaagd, te meer daar Pencroff nu in het bezit
was van een boog en eenige dozijnen pijlen met scherpe punt. Top
had deze punten verschaft door het aanbrengen van een stekelvarken,
dat als wild niet veel waarde had, maar van onbetwistbaar nut was
wegens de scherpe stekels, waarmede het was overdekt. De punten
werden stevig aan de pijlen bevestigd en de verslaggever en Harbert
waren spoedig een paar geoefende schutters, zoodat er steeds wild in
overvloed was. Hoe lekker en smakelijk het ook gereed werd gemaakt,
het was toch altijd maar wild en nog eens wild, en de kolonisten
zouden overgelukkig zijn geweest als zij weer het gekook van een
eenvoudigen pot gehoord hadden; maar men moest wachten tot de pot
gemaakt was en bijgevolg tot dat de oven gereed zou zijn.
Op de tochten die zich tot een nauwen kring om de steenbakkerij
beperkten, zagen de jagers versche sporen van groote dieren met
sterke klauwen; zij konden echter nog niet bepalen tot welke soort
deze behoorden. Cyrus Smith beval de grootste voorzichtigheid aan,
want het was wel waarschijnlijk dat er in het bosch eenige wilde
dieren zouden schuilen. En hij had gelijk. Gideon Spilett en Harbert
zagen op een dag inderdaad een dier, dat veel overeenkomst had met
een jaguar. Het viel gelukkig niet op hen aan, want zij zouden er
misschien niet dan met eenige ernstige wonden zijn afgekomen. Maar
Gideon Spilett nam zich vast voor aan alle wilde dieren een oorlog op
leven en dood te verklaren en er het eiland van te zuiveren, zoodra
hij in het bezit zou zijn van een deugdelijk wapen, dat is te zeggen,
van een van die geweren, waarop Pencroff aanspraak maakte.
Reeds vroeg in den morgen van 6 April waren de ingenieur en zijn
lotgenooten bijeen op een open plek in het bosch, waar men de steenen
zou bakken. Dit moest natuurlijk in de open lucht geschieden en niet in
ovens of liever de opeenhooping van de steenen zou een reusachtige oven
zijn, die zich zelf zou bakken. De brandstoffen, welke uit takkebossen
bestonden, werden op den grond gelegd en daarom heen plaatste
men verscheidene rijen droge steenen, die weldra een grooten kubus
vormden, waarin men luchtgaten maakte. Met dit werk ging een gansche
dag voorbij en eerst 's avonds kon men de takkebossen aansteken.
Dien nacht legde niemand zich te slapen, en men waakte zorgvuldig,
dat het vuur niet verflauwde. Acht en veertig uur bracht men in
gespannen verwachting door, maar zij hadden de voldoening dat hun werk
uitmuntend geslaagd was. Aan de rookende massa moest vervolgens tijd
tot afkoeling gelaten worden en Nab en Pencroff vervoerden intusschen,
door Smith geleid, op een draagbaar van takken gevlochten, een groot
aantal steenen, waarvan het voornaamste bestanddeel koolzure kalk was,
en welke steenen in overvloed op den noordelijken oever van het meer
gevonden werden.
Toen deze steenen door de warmte ontleed werden, verkreeg men dikke
ongebluschte kalk, die zeer sterk uitzette toen zij gebluscht werd,
en even zuiver was alsof zij verkregen was door de verkalking van
krijt en marmer. Met een weinig zand gemengd om het te sterk indrogen
er van te beletten, leverde deze kalk een voortreffelijke metselspecie.
Den 9den April was de ingenieur in het bezit van eene goede hoeveelheid
bereide kalk en eenige duizenden steenen.
Zonder een oogenblik verloren te laten gaan, begon men aan het
samenstellen van een oven, die moest dienen tot het bakken van
verscheidene potten en pannen, voor huiselijk gebruik onmisbaar. Daarin
slaagde men zonder groote moeielijkheid. Vijf dagen later was de oven
gevuld met steenkolen, waarvan de ingenieur een laag ontdekt had aan
den mond van de Roode Beek en de eerste rookwolken stegen op uit een
schoorsteen van ongeveer twintig voet hoog. De open plek in het bosch
was in een werkplaats herschapen en Pencroff was overtuigd, dat uit
dezen oven alle voortbrengselen van de tegenwoordige nijverheid te
voorschijn zouden komen.
Het eerst werden er potten en pannen gebakken om de spijzen van
de kolonisten te bereiden. De vorm was nog wel gebrekkig, maar zij
beantwoordden aan hun doel, en dit was het voornaamste.
Pencroff wilde zich overtuigen of de aarde, toebereid, zooals zij
dit was om de pannen te bakken, de naam van "pijpaarde", welke er
aan gegeven was, verdiende; hij maakte daarom eenige grove pijpen,
die hij prachtig vond, maar waaraan de tabak, helaas, ontbrak! Een
gemis, dat Pencroff onophoudelijk gevoelde.
"Maar, evenals al het andere, zal de tabak ook wel komen!" riep hij
bij herhaling met het volste vertrouwen uit.
Tot den 15den April hield deze arbeid aan. Nu de kolonisten
pottenbakkers waren geworden, deden zij ook niets anders dan potten
bakken. Wanneer Cyrus Smith het oogenblik gekomen zou achten hen in
smeden te veranderen, zouden zij smeden zijn. Maar den volgenden dag
was het Zondag en wel de eerste Paaschdag en allen kwamen overeen
dien dag te vieren door rust te nemen.
De oven doofde uit en de potten werden naar de Schoorsteenen
meegenomen. Op den terugtocht deed de ingenieur een belangrijke
ontdekking; hij vond namelijk een zelfstandigheid, die geschikt was om
de zwam te vervangen. Hij nam er een zekere hoeveelheid van in zijn
hand en liet die Pencroff zien, welke, vervuld als hij was met de
tabak, niet anders dacht of het was die, volgens hem, onmisbare plant.
"Neen," antwoordde Cyrus Smith, "voor de geleerden is dit de chineesche
bijvoet, en voor ons zal het zwam zijn."
Deze bijvoet was inderdaad een zeer brandbare stof, als zij goed
gedroogd was en vooral later, toen de ingenieur haar in salpeterzure
potasch dompelde, die overvloedig op het eiland gevonden werd, en
niets anders is dan salpeter.
Nab zorgde dien avond voor een goed maal, waarbij het brood, dat nog
steeds aan de kolonisten ontbrak, vervangen werd door de gekookte
wortelknollen van de "caladium macrorhizum," een niet-kruid-aardige
plant, die onder de keerkringen den vorm van een boom heeft.
Vóór zij slapen gingen, wilden de kolonisten nog eens van het
prachtige weer genieten. Cyrus Smith was reeds geruimen tijd in
gedachte verzonken, toen hij plotseling aan Harbert vroeg:
"Hebben wij vandaag niet den 15den April?"
"Ja, mijnheer Cyrus," antwoordde Harbert.
"Welnu, wanneer ik mij niet vergis, is het morgen een van die vier
dagen van het jaar, waarop de ware tijd samenvalt met den gemiddelden
tijd, dat is te zeggen, mijn jongen, dat de zon morgen, op eenige
seconden na, den meridiaan zal passeeren, juist wanneer onze uurwerken
den middag aanwijzen. Indien het weer dan gunstig is, hoop ik ongeveer
de geographische lengte van het eiland te kunnen bepalen."
"Zonder instrumenten, zonder sextant?" vroeg Gideon Spilett.
"Ja," hernam de ingenieur. "En daar de nacht helder is, wil ik nog
dezen avond de breedte trachten te bepalen door de hoogte te berekenen
van het Zuiderkruis. Het is namelijk niet voldoende, dat wij weten, dat
dit land een eiland is, wij moeten zoo nauwkeurig mogelijk berekenen op
welken afstand het gelegen is, hetzij van de Amerikaansche, hetzij van
de Australische kust of van de voornaamste eilanden van de Stille Zee."
"Inderdaad," zei de correspondent. "Wij konden er wel eens meer belang
bij hebben een schip dan een huis te bouwen, wanneer wij bij toeval
op een honderd mijlen van een bewoonde kust zijn."
"Daarom zal ik dezen avond de breedte en morgen de lengte van het
eiland Lincoln trachten te bepalen." Inderdaad berekende hij, alleen
op de gegevens door Harbert medegedeeld, door het stellen van staken,
de juiste ligging van het eiland.