XI.

Op den top van den kegel.--Het binnenste van den krater.--De

zee rondom.--Geen land in zicht.--De kust in vogelvlucht

gezien.--Is het eiland bewoond?--Doop der baaien, golven,

kapen en rivieren.--Het eiland Lincoln.

Een half uur later waren Cyrus Smith en Harbert weder op weg naar hun

kamp. De ingenieur zeide slechts tot zijn metgezellen, dat het land,

waarop zij geworpen waren, een eiland was, en dat men den volgenden

dag verder zou overleggen. Vervolgens maakte ieder het zich zoo

gemakkelijk mogelijk om te slapen en in dat hol van basalt op een

hoogte van vijf en twintig honderd voet boven de oppervlakte der zee,

smaakten "de eilandbewoners" een diepe rust.

Den volgenden morgen, 30 Maart, wilde de ingenieur, na een sober

ontbijt, uit een gebraden geit bestaande, weder den top van den

vulkaan bestijgen, teneinde nauwkeurig het eiland op te nemen,

waarop hij en de zijnen gevangen waren, misschien zelfs levenslang,

indien het op grooten afstand van elk land gelegen was, of wanneer het

niet in den weg lag van de schepen, welke de archipel der Stille Zee

bezoeken. Ditmaal volgden allen hem op zijn ontdekkingstocht. Ook

zij wilden het eiland zien, dat al hun behoeften zou moeten

bevredigen. Cyrus Smith volgde denzelfden weg als den vorigen dag. Het

was prachtig weer. De zon steeg aan een effen hemel en verlichtte

met haar stralen het geheele oostelijk gedeelte van den berg.

Men kwam bij den krater. De ingenieur zou hem zelfs in de duisternis

teruggevonden hebben. Nog voor twee uur waren Smith en zijn metgezellen

op den top van den krater vereenigd, op een kegelvormige hoogte,

die zich aan de noordzijde verhief.

"Zee! overal zee!" riepen zij uit, alsof hun lippen dat woord niet

konden weerhouden, dat hen tot eilanders maakte.

De ingenieur en zijn vrienden beschouwden eenige oogenblikken,

sprakeloos en onbeweeglijk, alle punten van den oceaan. Zij drongen

met hun oog tot de uiterste grenzen der onmetelijke watervlakte

door. Maar Pencroff, die zulk een scherp gezicht had, zag niets, en

waarlijk, indien er aan den horizon land ware geweest, al had het zich

ook voorgedaan als een flauwe nevel, de zeeman zou het ongetwijfeld

herkend hebben, want het waren twee ware telescopen die de natuur

onder zijn zware wenkbrauwen geplaatst had.

Van den oceaan richtten zij hun blikken naar het eiland, dat zij

geheel overzagen, en Gideon Spilett was de eerste, die het woord nam

en de belangrijke vraag stelde:

"Hoe groot kan dit eiland zijn?"

Het scheen inderdaad niet groot te midden van den onmetelijken oceaan.

Cyrus Smith dacht eenige oogenblikken na; hij volgde oplettend den

omtrek van het eiland, waarbij hij de hoogte waarop hij zich bevond,

in aanmerking nam, en zeide toen:

"Vrienden, ik geloof niet dat ik mij vergis, wanneer ik den omtrek

van het eiland op ongeveer tweehonderd mijlen schat."

"En bijgevolg is de oppervlakte?...."

"Dat valt moeielijk te bepalen," antwoordde de ingenieur, "want er

zijn te veel bochten."

Cyrus Smith vergiste zich niet in zijn schatting; het eiland had

ongeveer de uitgestrektheid van Malta of Zante in de Middellandsche

Zee; maar het was daarbij veel onregelmatiger, en minder rijk in

kapen, uitstekende punten, baaien, inhammen en kreken. Zijn inderdaad

zonderlinge vorm verwonderde allen, en toen Gideon Spilett, op raad

van den ingenieur, den omtrek er van geteekend had, vond men dat het

geleek op eenig phantastisch dier, een monsterachtig gevind weekdier,

dat op de oppervlakte van de Stille Zee ingeslapen was.

Het eiland zelf maakte in het algemeen daarvan den indruk. Het geheele

zuidelijke gedeelte, van den berg tot de kust, was dicht met hout

begroeid; het was onvruchtbaar en zandig in het noorden. Cyrus Smith en

zijn metgezellen waren niet weinig verwonderd, toen zij tusschen den

vulkaan en de kust een meer zagen, rondom door groene boomen omringd,

waarvan zij het bestaan niet hadden vermoed. Van die hoogte af scheen

het meer en de zee hetzelfde peil te hebben, maar, na er over te hebben

nagedacht, verklaarde de ingenieur, dat de hoogte van dat meer boven de

oppervlakte der zee ongeveer drie honderd voet moest bedragen, want de

bergvlakte die tot kom diende was slechts een verlenging van de kust.

"Het is dus een zoetwatermeer?" vroeg Pencroff.

"Dat kan niet anders," antwoordde de ingenieur, "want het moet gevoed

worden door het water dat van de bergen stroomt."

"Ik zie een klein riviertje dat er zich in uitstort," zei Harbert,

op een smalle beek wijzende.

"Inderdaad," antwoordde Smith, "en daar deze beek het meer van water

voorziet, is het waarschijnlijk dat er aan den zeekant een uitloozing

bestaat, waardoor het overvloedige water ontsnapt. Wij zullen dit op

onzen terugtocht zien."

De vulkaan was niet midden in het eiland gelegen; hij verhief zich

integendeel in het noordwesten en scheen de grens aan te geven der

twee hemelstreken. In het zuidwesten, zuiden en zuidoosten verdween

het laagste gedeelte van het voorgebergte onder een weelderigen

plantengroei.

In het noorden kon men echter zijn vertakkingen volgen die uitliepen in

zandvlakten. Naar dien kant hadden dan ook, tijdens de uitbarstingen,

de vloeibare stoffen een uitweg gezocht en een breede lavastroom

strekte zich uit tot den kleinen inham, die in het noordoosten een

baai vormde.

Er bleef nu nog een ernstige quaestie uit te maken, die van zeer veel

invloed was voor de toekomst der schipbreukelingen.

Was het eiland bewoond?

Het was de verslaggever, die deze vraag deed, waarop men schijnbaar

reeds ontkennend kon antwoorden, na het nauwkeurig onderzoek, dat

naar verschillende kanten van het eiland ingesteld was.

Nergens zag men eenig werk van menschelijke hand. Geen verzameling van

huizen, geen eenzame hut, zelfs geen visschersloods aan de kust. Geen

rookwolkje steeg in de lucht en verried de aanwezigheid van menschen.

Een afstand van dertig mijlen scheidde evenwel de schipbreukelingen van

de verst verwijderde punten, dat is te zeggen, van dat gedeelte, dat

zich naar het zuid-westen uitstrekte, en het zou moeielijk zijn, zelfs

voor oogen als die van Pencroff, daar een woning te ontdekken. Ook kon

men dat gordijn van gebladerte niet optillen, dat drie vierden van

het eiland bedekte, en zien of het al dan niet eenig klein gehucht

verborg. Maar over het algemeen vestigen zich de bewoners van die

kleine eilanden, welke uit de golven van de Stille Zee verrijzen,

aan de kust, en die kust scheen geheel en al verlaten.

Tot het tegendeel uit een nauwkeuriger onderzoek zou zijn gebleken,

kon men dus aannemen, dat het eiland onbewoond was.

Maar werd het ook bezocht, al was het ook slechts nu en dan,

door de bewoners der naburige eilanden? Op die vraag was moeilijk

te antwoorden. Gedurende die onzekerheid moest men echter eenige

voorzorgen nemen tegen een mogelijke landing van naburige volksstammen.

De verkenning van het eiland was volbracht, zijn vorm opgenomen, zijn

hoogte aangeteekend, zijn oppervlakte berekend, zijn toestand, met

betrekking tot water en bergen, verkend. De gesteldheid der bosschen

en vlakten was in het algemeen op het plan van den verslaggever

aangegeven. Men moest nu slechts de hellingen van den berg afdalen en

den bodem onderzoeken uit het drievoudig oogpunt, dat der delfstoffen,

der planten en der dieren. Maar alvorens zijn lotgenooten het sein

tot den terugtocht te geven, zei Cyrus Smith op kalmen, ernstigen

toon tot hen:

"Ziehier, mijne vrienden, het kleine stukje grond waarop de Almachtige

ons geworpen heeft. Hier zullen wij moeten leven, misschien zeer

lang. Misschien zal hier onverwacht hulp komen, indien eenig schip

bij toeval voorbij zeilt.... Ik zeg bij toeval, want dit eiland

is van weinig beteekenis; het heeft zelfs geen haven, die een

toevluchtsoord zou kunnen zijn voor schepen, en het is te vreezen,

dat het ligt buiten elken koers, die gewoonlijk gevolgd wordt,

dat is te zeggen, te zuidelijk voor de schepen, welke de archipels

van de Stille Zee bezoeken, te noordelijk voor diegenen, welke naar

Australië gaan en Kaap Hoorn omzeilen. Ik wil u niets omtrent onzen

toestand verbergen...."

"En gij hebt gelijk, mijn waarde Cyrus," antwoordde de correspondent

met vuur. "Gij hebt met mannen te doen. Zij stellen vertrouwen in u

en gij kunt op hen rekenen. Niet waar, mijne vrienden?"

Harbert en Nab verzekerden Smith van hun gehoorzaamheid en trouw,

en de zeeman stelde zelfs voor om van dat eiland een klein Amerika

te maken. Hij zag geen bezwaar om steden te bouwen, spoorwegen

aan te leggen en zelfs een telegraaf op te richten, en wanneer dit

alles volbracht was, het te gaan aanbieden aan het gouvernement der

Vereenigde Staten. Hij stelde slechts één voorwaarde.

"Welke?" vroeg de correspondent.

"Ons niet meer als schipbreukelingen te beschouwen, maar als

kolonisten, die hier gekomen zijn om een kolonie te stichten!"

Cyrus Smith kon niet nalaten te glimlachen, en het voorstel van den

zeeman werd aangenomen. Vervolgens bedankte hij zijn lotgenooten

en voegde er bij, dat hij rekende op hun energie en op den bijstand

des hemels.

"Welnu, op weg naar de schoorsteenen!" riep Pencroff uit.

"Nog een oogenblik, vrienden," zei de ingenieur, "het komt mij niet

kwaad voor dit eiland een naam te geven evenals aan de kapen, de

golven en de stroomen, die wij aanschouwen."

"Zeer goed," zei de correspondent. "Dat zal in het vervolg de bevelen,

die wij moeten geven of volgen, gemakkelijker maken."

"Inderdaad," zei de zeeman, "het is reeds veel te kunnen zeggen

waarheen men gaat of vanwaar men komt. Dan weet men ten minste dat

men ergens is."

"Bij voorbeeld in de schoorsteenen," zei Harbert.

"Juist!" antwoordde Pencroff. "Die naam is het eenvoudigste, en

ook bij mij is die van zelf opgekomen. Zullen wij aan onze eerste

verblijfplaats den naam geven van Schoorsteenen, mijnheer Cyrus?"

"Ja, Pencroff, omdat gij die zoo gedoopt hebt."

"Goed! en wat de andere betreft, dat is gemakkelijk," hernam de

zeeman. "Laten wij er namen aan geven zooals Robinson, waaruit Harbert

mij zoo dikwijls heeft voorgelezen: "de baai der Voorzienigheid",

"Walvisschen-kaap" en "kaap der bedrogen hoop!"....

"Of liever de namen van de heeren Smith en Spilett of van Nab,"

zei Harbert.

"Mijn naam!" riep Nab uit, terwijl hij zijn schitterende witte tanden

liet zien.

"Waarom niet," antwoordde Pencroff.

"Nab's haven, dat klinkt zeer goed! En dan kaap Gideon...."

"Ik zou de voorkeur geven aan namen, aan ons land ontleend," antwoordde

de correspondent; "zij zouden ons aan Amerika herinneren."

Cyrus Smith was het volkomen met hem eens. Een groote baai in het

oosten, werd de baai der Vereenigde Staten genoemd, een ander in het

zuiden Washingtonbaai; de berg waarop zij stonden werd berg Franklin

gedoopt, en het meer, dat zij voor zich hadden, het Grantmeer. Er

werd besloten de stroomen, bosschen en kreken later een naam te

geven. Een schiereiland, dat in het zuidwesten slechts door een

smalle strook land aan het groote eiland verbonden was, noemde men

het Slangenschiereiland, en de vooruitstekende punt de Hagedis. De

rivier, in wier nabijheid de ballon hen geworpen had kreeg den naam

van de Mercy. Het dichte bosch op het Slangenschiereiland werd het

bosch van het Verre Westen genoemd.

Alles had een naam gekregen en de kolonisten zouden den berg Franklin

verlaten, om naar de Schoorsteenen terug te keeren, toen Pencroff

uitriep:

"Wat zijn wij toch dom!"

"Hoe dat?" vroeg Gideon Spilett, die zijn aanteekeningboek reeds

gesloten had en opstond.

"En ons eiland? Dat hebben we geheel vergeten te doopen."

Harbert wilde het den naam van den ingenieur geven en allen zouden

het zeker met hem eens geweest zijn, ware Smith hem niet in de rede

gevallen met de woorden:

"Laten wij het den naam van een groot burger geven, vrienden, van

hem, die op dit oogenblik strijdt om de eenheid van de Amerikaansche

republiek te verdedigen! Laten wij het Lincoln noemen!"

Een luide toejuiching was het antwoord op dit voorstel.

Dien avond spraken de kolonisten, vóór zij zich ter ruste begaven,

over hun vaderland; zij spraken over dien vreeselijken oorlog,

die het tot een land des bloeds maakte; zij twijfelden niet of het

Zuiden zou weldra onderworpen worden en de zaak van het Noorden, de

zaak der rechtvaardigheid zou, dank zij Grant en Lincoln, zegepralen.

Dit viel voor op den 30sten Maart 1865, en zij waren geheel onbewust

dat er zestien dagen later een vreeselijke moord te Washington zou

gepleegd worden, en dat Abraham Lincoln op goeden Vrijdag door den

kogel van een dweeper zou omkomen.

Het Geheimzinnige Eiland De Luchtschipbreukelingen · 第 15 / 37 题