Eene uitvinding van den ingenieur.--De vraag, die Cyrus Smith
bezig houdt.--Op weg naar het gebergte.--Het woud.--Vulkanische
bodem.--Vreemde dieren.--De eerste vlakte.--Een nacht in de
open lucht.--De top van den kegel.
Eenige oogenblikken later stonden de drie jagers voor een knetterend
vuur. Cyrus Smith en de correspondent bevonden zich daar eveneens,
Pencroff staarde hen aan, zonder een woord te zeggen, met zijn zwijn
in de hand.
"Zeker, zeker, mijn jongen," riep de verslaggever uit. "Vuur waarachtig
vuur, dat dit prachtige stuk wild, waaraan wij ons straks te goed
zullen doen, heerlijk zal braden!"
"Maar wie heeft dit aangemaakt?" vroeg Pencroff.
"De zon!"
Het antwoord van Gideon Spilett was zeer juist. De zon had deze warmte
aangebracht, waarover Pencroff zich verwonderde. De zeeman kon zijn
oogen niet gelooven, en hij was zoo buiten zich zelf van verbazing,
dat hij er niet eens aan dacht den ingenieur naar de toedracht der
zaak te vragen.
"Hadt gij dan een brandglas, mijnheer?" vroeg Harbert aan Smith.
"Neen, mijn jongen," antwoordde hij, "maar ik heb er een gemaakt."
En hij liet hem den toestel zien, dien hij voor brandglas gebruikt
had. Het waren slechts de glazen van de horloges van den correspondent
en van hem. Na ze met water gevuld en de randen door middel van een
weinig klei hermetisch aaneengesloten te hebben, had hij een brandglas
vervaardigd, dat, door de zonnestralen op een stuk zeer droog mos te
concentreeren, de ontbranding had veroorzaakt.
De zeeman beschouwde den toestel en keek toen den ingenieur aan zonder
een woord te spreken. Maar zijn blik zeide genoeg! Was Cyrus Smith
voor hem al niet een God, zeker was hij meer dan een mensch. Eindelijk
kreeg hij zijn spraak terug en riep uit:
"Teeken dat aan mijnheer Spilett, teeken dat in uw boek aan."
"Het is reeds aangeteekend," antwoordde de verslaggever.
Weldra had de zeeman, met behulp van Nab, het zwijn aan het
braadspit. De ingenieur en zijn metgezel hadden hun dag goed besteed,
de schoorsteenen waren weder bewoonbaar geworden, doordat de reten met
steen en zand dicht waren gemaakt en de gloed van het vuur zich ook
daar deed gevoelen. Cyrus Smith had zijn krachten weder teruggekregen
en staarde, in gepeins verzonken, naar den top van den berg, dien zij
den volgenden dag zouden bestijgen. Die berg lag ongeveer op zes mijlen
noord-westelijk en verhief zich, naar zijn schatting, drie duizend
vijf honderd voet boven de oppervlakte der zee. Bijgevolg kon iemand,
die op den top stond den horizon met een straal van minstens vijftig
mijlen overzien. Cyrus Smith zou dus waarschijnlijk zonder moeite,
de quaestie van "vasteland of eiland" kunnen oplossen, welke hij,
niet zonder reden, de gewichtigste van allen oordeelde.
Het avondeten werd met grooten smaak genuttigd en na eenige groote
blokken hout op het vuur geworpen te hebben, begaven zich allen
ter ruste.
Den volgenden morgen om half acht waren Cyrus Smith en zijn
lotgenooten, met stokken gewapend, gereed om den tocht te
ondernemen. De rest van het zwijn was voldoende voedsel voor vier en
twintig uur; zij hoopten onder weg echter nieuwen voorraad op te doen;
en de glazen waren dan ook weer op de horloges van den ingenieur en
den verslaggever gezet.
Op raad van Pencroff volgde men den reeds afgelegden weg door het
bosch, daar dit de naaste naar den berg was. Toen zij aan den zoom van
het bosch waren, begon de weg een weinig te hellen. Ten tien uur maakte
men even halt op een plaats vanwaar men den berg in het gezicht had.
"Wij zijn op vulkanisch terrein," zeide Smith tot zijn
metgezellen. Harbert maakte hen opmerkzaam op versche sporen van
groote dieren, wilde of andere.
"Die beesten zullen ons misschien ongaarne hun gebied afstaan,"
merkte Pencroff op.
"Welnu," antwoordde de correspondent, die in Indië reeds tijgerjachten
had mee gemaakt en in Afrika de leeuwen had vervolgd, "wij zullen
ons van hen trachten te ontdoen. Maar laten wij intusschen op onze
hoede zijn."
Om twaalf uur werd er een tweede halt gemaakt om te ontbijten,
waarna het troepje zich weer in beweging zette, maar nu door vrij
dik kreupelhout. In de schaduw fladderde een groot aantal vogels,
tot het geslacht der fazanten behoorende. Gideon Spilett doodde met
een steenworp een van deze vogels, waarop Pencroff, die waarschijnlijk
door de lucht honger had gekregen, gulzige blikken wierp.
De weg werd voortdurend moeielijker, want hij ging nu steil naar
de hoogte en ieder moest nauwkeurig toezien, waar hij zijn voet
zette. Nab en Harbert gingen vooraan, Pencroff was de laatste;
tusschen hen in liepen Cyrus en de verslaggever. De dieren, die op
deze hoogte verblijf hielden--en hun sporen ontbraken niet--moesten
noodzakelijk behooren tot die rassen met vasten voet en lenig lichaam,
waartoe de gemzen en wilde geiten behooren. Men zag er zelfs eenigen,
maar Pencroff scheen ze niet met een juisten naam aan te duiden,
want eensklaps riep hij uit:
"Schapen!"
Allen bleven stilstaan op vijftig passen afstand van een half dozijn
groote dieren met krachtige horens, die naar achteren gebogen en plat
aan het uiteinde waren, hun vacht was wollig, maar verborgen onder
lang zijdeachtig haar van licht gele kleur.
Het waren geen gewone schapen, maar een soort, dat algemeen gevonden
wordt in de bergen der gematigde luchtstreken en waaraan Harbert den
naam gaf van wilde rammen.
"Zitten er ook bouten en koteletten aan?" vroeg de zeeman.
"Ja," antwoordde Harbert.
"Nu dan zijn het ook schapen!" hernam Pencroff.
Deze beesten bleven onbeweeglijk en met verwonderden blik tusschen de
blokken basalt staan alsof zij voor de eerste maal menschelijke wezens
aanschouwden. Toen verdwenen zij in een paar sprongen achter de rotsen.
"Tot weerziens!" riep Pencroff hun op zulk een echt komischen toon na,
dat zijn metgezellen begonnen te lachen.
Zeven uur lang waren zij bergopwaarts gegaan; de duisternis viel in en
men besloot te kampeeren om de krachten te herstellen, het avondeten
te nuttigen en vervolgens te slapen. Het weer was prachtig, de hemel
onbewolkt en de nacht nog niet geheel donker. Te midden van eenige
rotsen vond men een schuilplaats. Hoewel de brandstof niet overvloedig
was, wisten de zeeman, Nab en Harbert spoedig zooveel mos en droog
hout bij elkander te zoeken, dat er binnen weinige oogenblikken een
knetterend vuurtje opvlamde, dat alleen diende om de koude nachtlucht
een weinig tegen te gaan. Nab bewaarde den fazant voor den volgenden
dag, de overblijfsels van het zwijn en eenige dozijnen amandelen
vormden nu het souper. Het was nog geen half zeven, toen dit reeds
afgeloopen was.
Cyrus Smith kwam op de gedachte om, voor hij ter ruste ging, den
omtrek nog eens op te nemen; hij wilde zich overtuigen of men het
pad kon volgen dat rondom dezen kegel liep, voor het geval dat de
zijden te stijl mochten zijn en men den top aldus niet zou kunnen
bereiken. Kon men echter geen van beiden, dan was het onmogelijk het
westelijke gedeelte van de streek op te nemen en men zou het doel
van den tocht gedeeltelijk missen.
Zonder zijn vermoeienis te tellen, liet de ingenieur Pencroff en
Nab voor slaapplaatsen zorgen, Gideon Spilett zijn aanteekeningen
schrijven en volgde hij zelf den weg, die om den top liep. Harbert
vergezelde hem.
Na een marsch van ongeveer twintig minuten, konden Smith en Harbert
niet verder: op dat punt vloeide de helling der beide kegels ineen;
ter zelfder tijd werd hun echter de kans geopend om regelrecht op den
top af te gaan. Zij bevonden zich namelijk voor een diepe spleet in
den berg. Het was de mond van den krater, die zich bovenaan bevond,
de hals, als het ware, waardoor de vloeibare stoffen uitgeworpen
werden in den tijd dat de vulkaan nog in werking was. De lava was
hard geworden, het metaalschuim had zich gezet en vormde een soort
van natuurlijke trap met breede treden, die het beklimmen van den
top van den berg gemakkelijk maakten.
In een oogopslag overzag Cyrus Smith den stand van zaken en, zonder
aarzelen, begaf hij zich, door zijn jeugdigen makker gevolgd,
in de groote spleet te midden van een diepe duisternis. Men moest
nog ongeveer duizend voet stijgen. Zou de helling binnen den krater
begaanbaar zijn? Men moest het onderzoeken. De ingenieur wilde zijn
tocht voortzetten, zoolang hij door niets daarin belemmerd werd.
Wat den vulkaan zelf betrof, het viel geen oogenblik te betwijfelen
of hij was geheel uitgedoofd. Geen rookwolkje steeg er uit. Geen
vlam was er in de diepte zichtbaar. Geen gerommel, geen geluid, geen
beweging kwam er uit deze donkere put, die mogelijk doordrong tot in
het binnenste der aarde. Zelfs de atmosfeer in den krater was door
geen enkelen zwavelachtigen damp bezwangerd. Het was meer dan een
sluimerende vulkaan, het was een geheel uitgedoofde.
De poging van Cyrus Smith moest slagen. Langzamerhand zagen Harbert en
hij, terwijl zij stegen, den krater boven hun hoofd wijder worden. Het
gedeelte van den hemel dat zij boven zich zagen werd al grooter en
grooter. Bij elken stap, dien Smith en Harbert deden kregen zij nieuwe
sterren in het gezicht. Het schitterde prachtig.
Het was even voor acht uur toen Cyrus Smith en Harbert hun voet zetten
op den top van den berg.
Het was geheel duister en zij konden niet verder dan twee mijlen
zien. Werd dit onbekende land door de zee omgeven, of hechtte het zich
in het westen aan eenig vasteland van de Stille Zee? Men kon het nog
niet onderscheiden. In het westen maakte een nevelachtige streep,
die scherp tegen den horizon afstak, de duisternis nog grooter en
het oog kon niet beslissen of hemel en water in éen lijn samenvloeiden.
Plotseling echter vertoonde zich een flauw licht aan een punt van
den horizon, dat langzaam daalde, naarmate de wolk steeg.
Het was de smalle sikkel van de maan, die weldra zou verdwijnen;
maar haar licht was voldoende om de lijn van den horizon, waarvoor
de wolk verdwenen was, duidelijk af te teekenen, en de ingenieur zag
een oogenblik haar beeld zich in een vloeiende oppervlakte trillend
weerspiegelen.
Cyrus Smith vatte de hand van den knaap en zeide op ernstigen toon,
op het oogenblik dat de maan in de golven verdween:
"Een eiland!"