Cyrus is er.--Pogingen van Pencroff.--Wrijven van hout.--Eiland
of vastland?--De plannen van den ingenieur.--Op welk punt van
de Zuidzee?--In het dichtst van het woud.--De pijnboom.--De
jacht.--Rook die veel belooft.
Met weinige woorden werden Gideon Spilett, Harbert en Nab op de
hoogte van den toestand gebracht. Deze gebeurtenis die zeer ernstige
gevolgen kon hebben,--Pencroff zag het ten minste zoo in,--had
een verschillende uitwerking op de metgezellen van den braven
zeeman. Nab was zoo verheugd zijn meester te hebben weergevonden, dat
hij niet luisterde en zelfs volstrekt niet wilde letten op hetgeen
Pencroff zeide. Harbert scheen eenigermate de vrees van den zeeman
te deelen. Wat den verslaggever betreft, deze antwoordde slechts op
de woorden van Pencroff.
"Op mijn woord van eer, Pencroff, het is mij volmaakt onverschillig! Is
Cyrus er dan niet? Leeft onze ingenieur niet? Hij zal wel weten hoe
hij ons vuur kan verschaffen?"
"Waarmee dan?"
"Met niets."
Wat moest Pencroff daarop antwoorden? Hij antwoordde niet, want in zijn
binnenste deelde hij het vertrouwen, dat zijn metgezellen in Cyrus
Smith stelden. De ingenieur was voor hem een vereeniging van alle
menschelijke wetenschappen en kennis! Het kwam op hetzelfde neer of
men met Cyrus op een verlaten eiland was, dan wel zonder Cyrus in de
meest welvarende stad van de Unie. Met hem kon men aan niets gebrek
hebben. Met hem behoefde men nooit te wanhopen. Al had men dezen
goeden lieden gezegd, dat een vulkaansche uitbarsting dit land zou
vernietigen, dat het verzinken zou in de peillooze diepte van de Stille
Zee, zij zouden kalm geantwoord hebben: "Cyrus is daar! Daar is Cyrus!"
Cyrus Smith moest nu vóór alles onder gebracht worden; men bereidde
hem zoo goed mogelijk een bed van zeegras en de diepe slaap, waarin
hij weldra verzonk, herstelde spoedig zijn krachten.
De nacht was ingevallen en de temperatuur begon tegelijkertijd kouder
te worden door het draaien van den wind naar het noordoosten. Daar
de zee de beschuttingen had verwoest, die Pencroff op verscheidene
plaatsen had aangebracht, begon het zoo te tochten dat de schoorsteenen
bijna onbewoonbaar werden. Het zou er dus slecht voor den ingenieur
hebben uitgezien, indien zijn lotgenooten hem niet zorgvuldig toegedekt
hadden, door zich zelve van hun overkleederen te ontdoen.
Het avondeten bestond dien avond slechts uit die onvermijdelijke
lithodomen, waarvan Harbert en Nab er zooveel op de kust hadden
gevonden; zij wisten echter op de hoogste rotsen nog een eetbare
plant te vinden, die nog al in den smaak viel van den correspondent
en zijn lotgenooten.
"Toch wordt het tijd, dat Cyrus ons te hulp komt," zeide de zeeman.
Het werd intusschen zeer koud en ongelukkig genoeg, men had geen
enkel middel om de koude tegen te gaan.
De zeeman, die inderdaad ongerust werd, beproefde op alle mogelijke
manieren vuur te maken. Nab hielp hem zelfs daarbij. Hij had eenig
droog mos gevonden en door twee keisteenen tegen elkander te slaan,
verkreeg hij vonken; maar het mos, was niet brandbaar genoeg en vatte
geen vlam; die vonken waren toch slechts gloeiende stukjes vuursteen
en hadden niet dezelfde bestanddeelen als die, welke aan het staal
bij het vuurslaan ontspringen. De poging gelukte dus niet.
Pencroff beproefde vervolgens, hoewel hij er niet veel van verwachtte,
om, in navolging van de wilden, twee stukken droog hout tegen
elkander te wrijven. Wanneer volgens de nieuwe theorie, de beweging,
die Nab en hij maakten, in warmte moest overgaan, dan zou deze zeker
voldoende zijn geweest om het water voor een stoomketel aan de kook
te brengen! De uitkomst echter leidde tot niets. De stukken hout
werden warm, dat was alles, en zelfs niet eens zoo warm als zij,
die de beweging maakten.
Na een uur gewreven te hebben, gudste Pencroff het zweet uit alle
poriën en hij wierp spijtig de stukken hout weg.
"Als het waar is, dat de wilden op deze manier vuur maken," zeide hij,
"dan zou het zelfs in den winter warm zijn! Door zoo te wrijven zou
ik nog eerder mijn armen in brand steken!"
Pencroff vergat dat niet alle soorten van hout er toe geschikt zijn
en dat hij er niet den slag van had.
Harbert had den zeeman gadegeslagen en de stukken hout opgenomen,
toen deze ze wegwierp; hij begon met grooten ijver te wrijven en hij
antwoordde, toen Pencroff hem spottend toeriep:
"Wrijf maar, mijn jongen, wrijf maar."
"Ik wrijf alleen om mij zelf warm te maken evenals gij het er door
zijt geworden, Pencroff."
Wat er ook gebeurde, zij moesten zich dien nacht ter ruste leggen
zonder er in geslaagd te zijn vuur te maken.
Spilett, Harbert, Nab en Pencroff strekten zich in een van de gangen
op het zand uit en Top sliep aan de voeten van zijn meester.
Toen de ingenieur den volgenden morgen, 28 Maart, tegen acht uur
ontwaakte, zag hij zijn metgezellen om zich geschaard, die op zijn
ontwaken wachtten; evenals den vorigen avond, waren zijn eersten
woorden:
"Eiland of vasteland?"
Men ziet, deze gedachte vooral hield hem bezig.
"Dit is nu juist wat wij niet weten, mijnheer Smith!" antwoordde
Pencroff.
"Weet gij dat nog niet?..."
"Maar wij zullen het weten," voegde Pencroff er bij, "wanneer gij
ons door dit land den weg hebt gewezen."
"Ik geloof wel het te kunnen ondernemen," antwoordde de ingenieur
die zonder veel inspanning opstond en bleef staan.
"Dat gaat al goed!" riep de zeeman uit.
"Ik zou bijna van honger omkomen," antwoordde Cyrus Smith. "Vrienden,
ik moet iets te eten hebben, en dan ben ik ter uwer beschikking.--Er
is vuur, nietwaar?"
Het duurde eenige oogenblikken, voordat er antwoord op deze vraag
kwam. Pencroff zeide eindelijk:
"Helaas, wij hebben geen vuur, of liever, mijnheer Smith, wij hebben
geen vuur meer!"
Hij vertelde vervolgens, wat er den vorigen avond gebeurd was. Smith
gebruikte inmiddels zijn sober maal, en toen dit genuttigd was,
kruisde hij zijn armen en zeide:
"En dus, mijn vrienden, gij weet nog niet of het lot ons op het
vasteland of wel op een eiland geworpen heeft?"
"Neen, mijnheer Smith," was het antwoord.
"Morgen zullen wij het weten," hernam de ingenieur. "Tot zoolang
staat ons niets te doen."
"Zeker wel," gaf Pencroff ten antwoord.
"Wat dan?"
"Vuur," zeide de zeeman, die ook van zijn kant een idée fixe had.
"Wij zullen vuur maken, Pencroff," antwoordde Cyrus Smith.--"Heb ik
gisteren niet, terwijl gij mij vervoerdet, in het westen een berg
gezien die boven alles uitsteekt?"
"Ja," antwoordde Gideon Spilett, "een berg, die hoog genoeg moet
zijn...."
"Goed," hernam de ingenieur. "Morgen zullen wij den top bestijgen
en zien of dit land een eiland of het vasteland is. Tot zoolang,
ik herhaal het, is er niets te doen."
"Toch wel, vuur!" hernam nogmaals de koppige matroos.
"Maar men zal vuur maken!" antwoordde Gideon Spilett. "Een beetje
geduld, Pencroff."
De zeeman zag Gideon Spilett aan, alsof hij zeggen wilde: "Indien
gij er alleen voor staat om het ons te geven, dan zullen wij nog zoo
spoedig geen biefstuk bakken!" Maar hij zweeg.
Cyrus Smith echter had nog niets geantwoord. De quaestie om vuur te
maken scheen hem al zeer weinig bezig te houden. Gedurende eenige
oogenblikken bleef hij in gedachten verzonken. Eindelijk nam hij het
woord en zeide:
"Mijne vrienden, onze toestand is misschien ellendig, maar hij is
in ieder geval zeer eenvoudig. Of wij zijn op een vasteland, en dan
kunnen wij ten koste van meerdere of mindere vermoeienis, een bewoond
punt bereiken; òf wel, wij zijn op een eiland. In dit laatste geval
blijven ons slechts twee dingen over; indien het eiland bewoond is, dan
zullen wij het met zijn bewoners trachten te vinden; is het verlaten,
dan zullen wij trachten ons alleen te redden en ons hier vestigen,
alsof wij het nooit moesten verlaten!"
"Nooit!" riep de verslaggever uit. "Zegt gij nooit! mijn waarde Cyrus?"
"Het is beter, dadelijk het ergste van de zaken te zien," antwoordde
de ingenieur, "en betere uitkomst als een verrassing te beschouwen."
"Flink!" zeide Pencroff. "En men moet ook nog hopen, dat dit eiland,
als het er een is, niet juist geheel buiten den weg der schepen
ligt! Dat zou al zoo ongelukkig mogelijk zijn!"
"Wij zullen niet eer weten waar ons aan te houden, vóórdat wij den
berg hebben bestegen," antwoordde de ingenieur.
"Maar, mijnheer Cyrus, zult gij morgen de vermoeienis van dien tocht
kunnen doorstaan?" vroeg Harbert.
"Ik hoop het," antwoordde de ingenieur, "maar onder voorwaarde dat
Pencroff en gij, mijn jongen, zult toonen knappe en handige jagers
te zijn."
"Mijnheer Cyrus," viel de zeeman hem in de rede, "daar gij nu toch
van wild spreekt, als ik, bij mijne terugkomst, even zeker kon zijn
het wild te zien braden, als ik nu zeker ben het thuis te brengen...."
"Breng het maar eerst thuis, Pencroff," antwoordde Cyrus Smith.
Men kwam overeen, dat de ingenieur en de correspondent den dag in de
schoorsteenen zouden doorbrengen, om de kust en de hooge vlakte te
onderzoeken. Nab, Harbert en de zeeman zouden intusschen naar het bosch
terugkeeren, een nieuwen voorraad hout opdoen en zich meester maken
van elken vogel of van elk stuk wild, dat onder hun bereik mocht komen.
Tegen tien uur in den morgen gingen zij op weg, Harbert vol vertrouwen,
Nab vroolijk en Pencroff binnensmonds mompelende:
"Als ik bij mijn terugkomst vuur in huis vind, dan heeft het onweder
in eigen persoon het er aangebracht!"
Zij kwamen overeen om met de jacht te beginnen en op den terugtocht
hout in te zamelen. In plaats van, zooals den vorigen keer, de rivier
te volgen, drongen zij dieper in het bosch door, maar dit beantwoordde
niet aan hunne verwachting, want na een uur geloopen te hebben,
hadden zij nog geen wild gezien.
De zon had haar hoogste standpunt nog niet bereikt; de tocht duurde
nog maar altijd voort. Eindelijk werden zij beloond; Harbert ontdekte
namelijk een soort van denneboom, waarvan de vruchten eetbaar waren
en veel overeenkomst met amandelen hadden.
"Dat gaat goed," zeide Pencroff, "zeeplanten in plaats van brood, rauwe
mosselen in plaats van vleesch en amandelen tot dessert, dat is wel een
diner voor menschen die geen enkelen lucifer meer in hun zak hebben!"
"Ge moet niet klagen," antwoordde Harbert.
"Ik klaag niet, mijn jongen," hernam Pencroff, "ik herhaal slechts,
dat het vleesch wel een beetje te veel ontbreekt bij dat maal!"
"Top denkt er anders over...." riep Nab uit, die op een kreupelboschje
toeliep, waarin de hond blaffend verdwenen was. Het keffen van Top
vermengde zich met een zonderling geknor.
De zeeman en Harbert waren Nab gevolgd. Nauwelijks waren de jagers in
het boschje of zij zagen Top, die een beest bij een oor vasthield. Het
was een soort varken, ongeveer twee en een halven voet lang, bruinzwart
van kleur met een harde, maar niet zeer dikke huid, en pooten waarvan
de teenen, die op dat oogenblik aan den grond als genageld stonden,
door vliezen verbonden waren.
Harbert meende dat het een moeraszwijn was, dat is te zeggen, het
grootste soort van de orde der knaagdieren.
Intusschen verweerde het dier zich volstrekt niet tegen den
hond. Het keek dom uit zijn oogen, diep verborgen in een dikke laag
vet. Misschien was dit de eerste maal dat het menschen voor zich zag.
Nab had zijn stok stevig in de hand genomen en wilde het knaagdier
afmaken, toen dit zich eensklaps uit de tanden van Top, die slechts een
stuk van het oor behield, losrukt, een vreeselijk gebrul uitstoot,
op Harbert aanvliegt, dezen op den grond werpt en daarna in het
bosch verdwijnt.
"Ha! die schelm," riep Pencroff uit.
Onmiddellijk volgden zij de sporen van Top en op het oogenblik dat zij
het beest nabij waren verdween het onder water in een grooten poel,
door eeuwenoude pijnboomen omringd.
Nab, Harbert en Pencroff stonden onbeweeglijk. Top was in het water
gesprongen, maar het dier verscheen niet weer.
"Wij moeten wachten," zeide de knaap, "want het zal weldra komen om
adem te halen."
"Zou het niet verdrinken?" vroeg Nab.
"Neen," antwoordde Harbert, "het heeft zwemvliezen en is dus een
amphibie. Maar wij moeten opletten."
Top bleef te water. Pencroff en zijn metgezellen gingen ieder aan
een kant staan, om het beest elken uitweg af te snijden.
Harbert had zich niet vergist. Weinige oogenblikken later verscheen
het zwijn aan de oppervlakte van het water. Top wierp zich in een
sprong op hem en belette het op nieuw onder te duiken. Het volgende
oogenblik was het dier door een slag van den stok van Nab afgemaakt.
"Hoezee!" riep Pencroff, die gaarne door dien kreet zijn vreugde
uitte. "Nu nog slechts een gloeiend kooltje en dit knaagdier zal zelf
tot op de beenderen afgeknaagd worden!"
Pencroff laadde het zwijn op zijn schouders en den stand der zon
gadeslaande, oordeelde hij, dat het ongeveer twee uur zou zijn en
gaf bevel tot den terugtocht.
Dank zij het instinct van Top, konden de jagers den weg, dien zij
gekomen waren, terugvinden. Een half uur later waren zij aan den oever
van de rivier. De zeeman was nog op vijftig passen van de schoorsteenen
verwijderd, toen hij op nieuw een oorverdoovend hoezee aanhief en op
den steenhoop wijzende, uitriep:
"Nab! Harbert! Zie eens!"
Een rookwolk steeg kronkelend boven de rotsen op!