De doorgraving van Suez heeft ook een egyptisch dichter opgewekt
zijn hart in zangen lucht te geven. Wij deelen hierbij de vertaling
van eenige koupletten mede van een lied door Sheik Refaah-Bey
vervaardigd. De dichter is eene ulema of mohammedaansch priester,
leeraar bij de moskee El-Azhar. Hij was de beste kweekeling onder
de jongelieden, die de egyptische regeering in 1826 naar Frankrijk
zond onder de leiding van den waardigen Jomard. Dit lied werd op
muziek gesteld en is op last van Z. H. den onderkoning gevoegd bij
de vier andere nationale zangen van denzelfden dichter, die door
de egyptische troepen worden geleerd en die zij in koor zingen. De
fransche vertaling is gemaakt door den heer Perron, aan wien Mohammed
Saïd zelf het origineel ter vertaling gegeven heeft.
De zang zelf wordt voorafgegaan door eene soort van inleiding. De
gewoonte der Muzelmannen brengt mede, nimmer eenig letterkundig,
wetenschappelijk of godsdienstig werk te schrijven, al is het nog zoo
eenvoudig of nog zoo kort, zonder het door eene vrome aanroeping of
toewijding te doen voorafgaan.
"Land van Egypte, verheug u onder het roemrijke bestuur van uwen Saïd;
door hem klimmen wij op tot den top van grootheid; hij overlaadt ons
met de weldaden zijner werken.
"Egypte heeft de wereld vervuld met zijne wonderen; het heeft
bewonderenswaardige steden geschapen; het heeft getoond wat
volksdeugden vermogen; zijne ruïnen verkondigen nog zijne macht.
"Egypte heeft de alleenheersching gegrondvest; het trad daardoor
uit de duisternis te voorschijn; het verhief zich boven de sterren;
zijne monumenten bevatten de jaarboeken van zijn verleden.
"Eertijds, dit weet men, stortte de Nijl zijne wateren in een lang
kanaal; dit was het werk der wetenschap; het voerde die wateren naar
de zee van Kolzoum; het werd door ons verzuim weder opgevuld.
"Toen de hemel de macht aan Saïd gaf en het ongeluk vlood, deed God
zien, dat het groote kanaal een gemakkelijk werk was, als wij slechts
onze spaden in den grond wilden steken.
"Egypte, verhef u en wees fier! men zal het oude kanaal van Omar
heropenen; dat grootsche werk, waarvan onze voorvaderen reeds eenmaal
de voordeelen genoten, en dat hun tot roem strekte.
"Die landengte, het is een heilige plicht haar te doorboren; de wereld
is verontwaardigd haar nog te zien bestaan; haar te doorsteken zal
met smarten gepaard gaan, maar dan ook zullen onze smarten voor
altoos verdwijnen.
"Dat zag en besliste met een oogopslag Saïd, de vorst onzer eeuw,
de prins van het goede; en het kanaal antwoordt hem onbeschroomd:
'Een teeken van u is een bevel voor mij.'
"Zoo werd eenmaal de slagboom, die aan de barbarijsche kusten bestond,
in de landengte van Gades door Alexander verbroken; onze geschiedboeken
vermelden het.
"De westersche wateren vereenigden zich met de Middellandsche golven;
de wijde baghaz van Tarik werd geopend. Hetzelfde werk wordt thans
door ons volbracht.
"De liefde van de eene zee voor de andere is als de liefde van de
parel voor den boezem der schoonheid. Daar zullen onze schepen als
verloofden doorvaren, en zij die wij beminnen zullen onder ons komen.
"De mannen der woestijn, de mannen der beschaafde wereldstreken,
door de verleidelijke bekoorlijkheden van deze weldaad aangetrokken,
zullen tot ons komen als vruchtbaarmakende regens, en de wonderen
hunner nijverheid zullen ons komen liefkozen.
"De geleerden van alle landen zullen ons kunnen bezoeken; de
vermaardheden van het vernuft zullen Egypte beminnen. En wanneer wij
eenig beroemd man ontmoeten, zullen wij hem trachten te behouden,
zoo als wij de visschen in onze netten vangen.
"Haast u dezen weg van geluk te openen, die ons moet voeren naar Mekka,
tot de heilige plaatsen van de bedevaart. Het is de vorst van Egypte
die ons beschermt.
"Reeds voleindigt hij de landwegen; hij bedekt ze met ijzer; hij
vereenigt en hij regelt ze: onze reizen zullen geene lengte meer
hebben.
"Wij geven aan onzen Nijl zijne oude luisterrijke kroon terug; van
nu af aan hebben wij niets meer te verlangen. Hoe zouden Tyrus en
Carthago thans nog in grootheid met ons kunnen wedijveren!
"Ons vaderland, wij liefkozen het zoo als eene moeder haar kind
liefkoost; wij zouden het terugkoopen tegen den prijs van al het bloed
onzer vijanden. Hem, wiens hart tegen ons vaderland was, zouden wij
door onze zwaarden verscheuren."--
Als slot van onze beschouwing over den toestand van het groote
zeekanaal, deelen wij aan onze lezers nog het volgende mede.
De heer de Lesseps heeft aan een aantal kamers van koophandel, zoowel
in Frankrijk als elders, eene circulaire gericht, ten einde bekend te
maken, dat sedert 1 Januari 1865 de eerste weg van gemeenschap tusschen
de Middellandsche en Roode zee is voltooid. De maatschappij heeft
tien kleine stoombooten besteld, welke dienen moeten om platboomde
vaartuigen van weinig diepgang op het nieuwe kanaal te slepen. De
heer de Lesseps noodigt de bedoelde kamers uit, tegen 6 April ieder
een gedelegeerde naar Alexandrië te zenden, ten einde een en ander
in oogenschouw te nemen.