IV

De eerste ontwerpen van het kanaal.

Het denkbeeld van een kanaal naar Suez klimt tot de hoogste oudheid

op. Reeds sinds overoude tijden bestond er een kanaal, dat zijnen

aanvang nam even boven Bubaste aan den Nijl en zijne uitmonding had

in de Roode zee. Dit kanaal (zie Panorama van de landengte van Suez,

bladz. 77, onder No. 6, en bladz. 92) ondernomen door Necho, zoon

van Psammetichus, die van het jaar 616 tot 600 voor de christelijke

jaartelling regeerde, en voortgezet door Darius, zoon van Hystaspes,

werd door Ptolomeus II verbeterd en voltooid.

De romeinsche Keizers deden aan dit kanaal aanzienlijke werken en

verbeteringen uitvoeren; maar de Khaliefen, die het kanaal eerst goed

onderhielden, lieten het later geheel verwaarloozen; naar het schijnt,

hield de scheepvaart op dat kanaal op tusschen de jaren 762 en 767

van onze jaartelling.

Dat de vroegere kanaalontwerpers er niet op bedacht waren, om

eene doorgraving van de landengte in de richting van Port-Saïd,

dat is eene verbinding van de Roode zee met de Middellandsche zee,

te bewerkstelligen, kunnen wij hun niet kwalijk nemen, daar Egypte

alleen handelsbetrekkingen met Arabië had, en zelfs de beginselen

van eenen transito-handel tusschen de Middellandsche en Roode zeeën

nog niet bestonden.

De Farao's en de perzische Koningen waren er dan ook alleen op

bedacht, den uitvoer der voortbrengselen van Egypte naar de Roode

zee gemakkelijk te maken; en ter bereiking van dit doel, brachten zij

de Nijlvallei in gemeenschap met den Arabischen zeeboezem, door eene

afleiding van den Pelusischen tak, waarvan de wateren door de vallei

Toumilat naar het meer Timsah afvloeiden.

De Ptolomeën konden er niet aan denken eene rechtstreeksche

doorsnijding van de landengte te ondernemen: zij zouden bovendien

evenzeer verplicht zijn geweest een zijtak naar de Nijlvallei te

maken. Zij voldeden volkomen en met veel minder kosten, aan de

handelsbehoeften van hunnen tijd, door het kanaal der Farao's te

herstellen en te verruimen.

Onder de romeinsche Keizers waren de behoeften ongeveer dezelfde; maar

de verzanding van den Pelusischen tak van den Nijl, en de meerdere

diepgang der schepen bemoeilijkten de scheepvaart tusschen Bubaste

en de Erythreesche, dat is de Roode zee; dit maakte de verdieping van

het kanaal noodzakelijk; het voedingspunt moest ook hoogerop genomen

worden, aan den top van de Delta, waar thans Kaïro ligt.

Naar men zegt zou bij de verovering van Egypte door de Arabieren,

Amroe, de bevelhebber onder Omar, het denkbeeld hebben opgevat, de

beide zeeën te vereenigen door een kanaal van Suez naar Pelusium,

dat door het water van den Nijl zou worden gevoed; maar Omar zou

zich daartegen hebben verzet. Dit is echter zeer onzeker; wel blijkt

dat Amroe het kanaal der Caesars heeft doen herstellen. De Khalif

Abou-Jafar-el Manzor, 754-775 na de christelijke jaartelling,

deed het echter weder dichten, om het hoofd der opstandelingen,

Mohammed-Ben-Aby-Thaleb, in zijne bewegingen te belemmeren, en Mekka

en Medina uit te hongeren.

Sultan Selim II (1566-1574), zoon van Soliman den Groote, kwam

op het vroegere denkbeeld der Farao's terug. Toen hij zijnen

beroemden vader opvolgde, had hij het geluk in den groot-vizier

Mohammed-Sokolli iemand van veel verlichting, geestkracht en

staatkundige kennis te vinden. Sokolli dacht steeds aan het bevorderen

van de welvaart van het ottomannische rijk. Zijn geest was zijn

eeuw verre vooruit, voornamelijk op het gebied van de wetenschap

der staathuishoudkunde. Hij zag den rijkdom eens volks in den

landbouw, den handel en de scheepvaart, en wilde door de nijverheid

van Konstantinopel datgene maken, waartoe de natuur het door zijne

ligging had bestemd: het groote entrepot van Azië, Europa en Afrika.

Tot aanbeveling van zijne plannen omtrent Suez, wees hij op de

noodzakelijkheid, om in voorkomende gevallen ten spoedigste militaire

macht naar de kusten van Arabië te kunnen brengen, die door oproerige

bevolkingen werden bewoond. Hij wilde daartoe door de doorgraving van

de landengte van Suez aan de turksche vloten eene vrije doorvaart van

de Middellandsche naar de Roode zee verschaffen. Een algemeene opstand

in Arabië verhinderde evenwel ook de uitvoering van dit voornemen.

Moerad III (1574-1595), opvolger van Selim II, verloor te midden

van eene zeer woelige regeering de doorgraving niet uit het oog,

waarschijnlijk door den volhardenden ijver van Sokolli, die in zijne

waardigheden gehandhaafd was gebleven en deze behield, tot dat hij

door moordenaarshanden om het leven kwam.

Twee onlangs ontdekte stukken laten omtrent de plannen van Sultan

Moerad geen twijfel hoegenaamd over. Het zijn twee brieven van Jacques

Savarie, heer van Lancosme, fransch gezant bij de Porte van wege de

Ligue. Uit deze brieven, in het britsch museum te Londen bewaard,

blijkt, dat men, in 1586, voor de doorgraving van de landengte van

Suez 100,000 menschen, 40,000 ezels en 12,000 kameelen wilde bezigen;

het hooge bedrag der kosten was, volgens den gezant, de eenige reden

waarom van dit voornemen werd afgezien.

Eenige jaren later werd door den beroemden aardrijkskundige d'Anville

verzekerd, dat hij te Parijs een turksch gezant had ontmoet, die

beweerde door den Sultan naar Egypte te zijn gezonden om te onderzoeken

of het kanaal uitvoerbaar was.

Eindelijk komen wij tot de regeering van Moestapha III (1757-1773);

deze stelde in de verbinding der beide zeeën groot belang, en indien

hij lang genoeg had geleefd, zou hij wellicht destijds reeds dit

groote werk tot stand hebben gebracht.

De verovering van Egypte door de Franschen deed het vraagstuk van het

kanaal van Suez op nieuw herleven. Het ontging den doordringenden blik

van Napoleon I niet. Nauwelijks was deze in Egypte aangekomen, of hij

begaf zich naar Suez, om persoonlijk het terrein te onderzoeken en het

werk der Farao's, zoo mogelijk, weder aan te vangen. In December 1798

vertrok hij van Kaïro naar Suez, vergezeld van Berthier, Caffarelli,

Gantheaume, Monge, Berthollet, Costaz en anderen; hij was de eerste,

die ten noorden van Suez de overblijfselen hervond van het oude

kanaal. Door de vallei Toumilat naar Kaïro terugkeerende, bezocht

hij bij Bulbeïs het andere uiteinde van het kanaal der Farao's.

Dit uitstapje droeg rijke vruchten. De ingenieur Lepère werd belast,

eene memorie op te maken over de verbinding van de Middellandsche en

de Roode zeeën. Deze memorie, waarvan de voltooiing door den oorlog

vertraagd werd, kon eerst den 6_den_ December 1800 aan den eersten

consul worden aangeboden. Het is in dit stuk, dat de ongelukkige

misstelling voorkomt, waarmede trouwens de overlevering overeenstemde,

dat de stand van de Roode zee 9,908 el hooger zou zijn dan die van

de Middellandsche zee.

De beroemde Laplace en de groote wiskundige Fouguier twijfelden reeds

aan deze uitkomst; de latere onderzoekingen hebben den toen beganen

misslag aan het licht gebracht, zoodat het thans buiten tegenspraak

is, dat de stand der beide zeeën (met uitzondering van het verschil

der getijden) genoegzaam gelijk kan worden gerekend. In de memorie van

Lèpere bleef echter het denkbeeld eener dadelijke gemeenschap tusschen

Suez en Pelusium niet onvermeld. Hij schijnt zelfs geneigd aan te

nemen, dat dit kanaal geschikt kon zijn voor de groote scheepvaart,

maar hij werd door twee redenen daarvan teruggehouden. Vooreerst

dacht hij, dat de moeilijkheden om eene veilige reede te Suez te

verkrijgen onoverkomelijk waren; en ten andere stelde hij, naar

aanleiding van eenige weinige afdoende opmerkingen van den generaal

Andreossy, dat de onmogelijkheid om te Pelusium eene haven te maken,

volkomen bewezen was.

Het kanaal van Suez naar Pelusium, zuidoostwaarts gelegen van

Port-Saïd, werd evenwel als eene hersenschim aangemerkt, terwijl er

ook aan het andere ontwerp niet verder gedacht werd. Toen echter de

scheepvaart en de handel zich steeds meer ontwikkelden, moest zich

de noodzakelijkheid aan eene verkorte gemeenschap levendig doen

gevoelen. Wel was er sinds de ontdekking van de Kaap de Goede Hoop

eene betere gemeenschap tusschen Europa en Indië tot stand gebracht,

maar in deze eeuw van stoom en telegrafen, kwam de reis om de Kaap

de Goede Hoop menigeen veel te langzaam voor; en Engeland, dat als

voorname zeemogendheid een overwegend belang had bij die verkorte

verbinding, is dan ook de eerste geweest, die de zoogenaamde

overlandmail, met gebruikmaking van stoombooten als anderszins,

heeft in het leven geroepen.

Maar de tegenwoordige tijd eischt nog meer. Men verlangt niet alleen

een sneller vervoer van personen en brieven naar Indië en terug, maar

ook voor goederen, ter bevordering van een spoediger handelsverkeer. En

dit kan alleen geschieden door een groot zeekanaal, bevaarbaar voor

schepen van het grootste charter, gemakkelijk van doortocht, altijd

open, altijd veilig, zoo als het voor de tegenwoordige betrekkingen

tusschen Europa en Indië gevorderd wordt.

Te midden van ver strekkende plannen, die de verheffing van Egypte

ten doel hadden, dacht Mehemed-Ali, de grondlegger der tegenwoordige

dynastie in Egypte, van tijd tot tijd wel aan het kanaal van Suez; maar

dewijl de voorstellen, die hem gedaan werden, altijd alleen gewaagden

van eene vereeniging van den Nijl met de Roode zee, keurde hij ze om

ernstige politieke redenen steeds af, daar hij de gelegenheid niet

wilde openen, om met oorlogsschepen tot in het hart van Egypte door

te dringen.

In dezen toestand bleef de zaak tot in 1840, toen het vraagstuk weder

op nieuw aller aandacht trok. In het eerst wilde men echter niets

weten van eene vereeniging der beide zeeën, omdat men nog altijd

in de meening verkeerde, dat de Roode zee veel hooger lag dan de

Middellandsche: eene dwaling, die echter omstreeks het jaar 1847

geheel werd opgeheven door de heeren Bourdaloue en Talobot, die het

gewichtig feit in het licht stelden dat de stand der beide zeeën,

zooals reeds hierboven is aangemerkt, nagenoeg gelijk is.

In 1854 kwam op eene reis van Z.H. Mahomed Saïd, met den

heer Ferdinand de Lesseps door de lybische woestijn gedaan, de

doorgraving der landengte op nieuw ter sprake; en door ondersteuning

der fransche regeering verkreeg de Lesseps in November 1854 de acte

van concessie. Nu werd er eene internationale commissie benoemd om

een bepaald onderzoek te doen naar de verschillende ontwerpen van

doorgraving. Het zou ons te ver voeren, indien wij de verschillende

ontwerpen in al hunne bijzonderheden mededeelden. Voor het oogenblik

zij het genoeg, dat de internationale commissie, bestaande uit

beroemde ingenieurs en zeevaartkundigen van onderscheidene natiën,

op den 30 October 1855 voor het eerst te Parijs te zamen kwam, onder

voorzitterschap van den heer Ferdinand de Lesseps, en dat alstoen

tot de doorgraving werd besloten van Suez naar Port-Saïd, gelijk

wij deze op blz. 77 in het Panorama van de landengte aanschouwelijk

hebben voorgesteld; de kosten van het werk werden op ongeveer vijf

en negentig millioen guldens geraamd, welke raming later echter zeer

aanzienlijk werd gewijzigd.

De heer F.W. Conrad, aan wiens reisverhaal wij vele belangrijke

bijzonderheden te danken hebben, deelt ons ook nog de vertaling

mede van den firman van concessie en de voorwaarden voor het maken

en gebruiken van het groote zeekanaal door de landengte van Suez,

zooals zij door Mahomed-Saïd-Pasja, Onderkoning van Egypte, op 5

Januari 1856 te Alexandrië werd gegeven. Uit dezen firman blijkt o.a.,

dat er zal overgegaan worden tot het maken:

"Van een zeekanaal, geschikt voor de groote scheepvaart tusschen Suez

aan de Roode zee en de golf van Pelusium in de Middellandsche zee;

van een besproeiings-kanaal, mede geschikt voor de scheepvaart op

den Nijl, ter verbinding van dien stroom met bovenvermeld zeekanaal;

van twee besproeiings- en voedingstakken, van het zoo even vermeld

kanaal afgeleid, die het water in de beide richtingen van Suez en

Pelusium afvoeren.

"De uit te voeren werken moeten binnen zes jaren voltooid zijn,

behoudens onvoorziene verhinderingen en vertragingen.

"Overeenkomstig dit programma, moet het werk aanvangen aan de haven

zelve van Suez; het kanaal moet van de kom der Bittere Meren en van

het meer Timsah gebruik maken, en in de Middellandsche zee op eenig

punt van de golf van Pelusium uitkomen: welk punt nader zal worden

aangewezen in de ontwerpen, die door de ingenieurs van de maatschappij

voor goed zullen worden vastgesteld.

"Het besproeiings-kanaal, voor de riviervaart ingericht volgens de

bepalingen van het straks vermeld programma, moet zijnen aanvang

nemen in de nabijheid van Kaïro, de vallei Toumilat (het land Gosen)

volgen, en uitmonden in het groote zeekanaal in het meer Timsah.

"De afleidingen uit voornoemd kanaal moeten plaats hebben boven

de uitmonding in het meer Timsah; van daar geleid worden, de eene

naar Suez en de andere naar Pelusium, evenwijdig aan het groote

scheepvaartkanaal.

"Het meer Timsah moet hierdoor veranderen in eene haven, geschikt om

schepen te ontvangen van de grootste tonnemaat."

Het spreekt van zelf, dat sinds het oogenblik, dat er van eene

doorgraving der landengte van Suez en de werkzaamheden der

internationale commissie onder bestuur van den heer de Lesseps

sprake was, dit vraagstuk vele gemoederen in beweging bracht, en

alle min of meer belanghebbenden, ingenieurs, aardrijkskundigen,

handelaars en zeevaartkundigen, uitlokte om hierover hun gevoelen

uit te brengen. Het spreekt ook van zelf, dat de politiek bij die

doorgraving niet zweeg. Engeland was er van den beginne af zeer tegen,

en is dit nog, omdat Engeland niet alleen den franschen invloed in

het Oosten vreest, maar ook niet gaarne ziet dat Frankrijk uit zijne

zuidelijke zeehavens, Marseille en Toulon, langs den korteren weg door

het kanaal, bij elke gunstige gelegenheid zijne schepen, troepen als

anderszins naar Indië kan overbrengen. Ook vreest Engeland voor eene

fransche kolonie op de landengte, voor welke vrees alleszins grond

bestaat. Doch wij willen ons voor het oogenblik niet op de glibberige

baan der politiek begeven, en liever eens nagaan wat er uit een

handelsoogpunt over de doorgraving der landengte is gezegd geworden.

Wat Nederland betreft, de regeering heeft reeds, krachtens koninklijk

besluit van 10 Juli 1856, de aandacht van den handel en de reederijen

in Nederland gevestigd op de voorgenomen doorgraving, waarvan "op

den algemeenen wereldhandel zeer groote invloed is te wachten," en

eene commissie benoemd, die naar deze zaak onderzoek moest doen. Dat

dit onderzoek gunstig is geweest voor de doorgraving, blijkt uit het

verslag en rapport van een der leden dier commissie, den meergemelden

hoofdingenieur F.W. Conrad.

Wij zullen thans onzen lezers eenige verschillende beschouwingen over

de doorgraving mededeelen, eene soort van kritiek en antikritiek,

welke niet van belang ontbloot is.

Wanneer ons iemand--zegt een duitsch beoordeelaar--den voorslag deed om

zesduizend pond ijzer tegen drieduizend pond zilver te verruilen, omdat

wij dan immers het dubbele gewicht metaal bij dien ruil verkregen,

dan zouden wij dien milden man hartelijk uitlachen. Of wilt gij een

ander voorbeeld? Stel dat de juiste afstand tusschen twee steden

eene mijl bedroeg, maar dat er tusschen beiden een steile berg lag,

en dat er slechts twee wegen waren: een lange weg van drie mijlen

rondom den berg, en een kortere, die berg-opwaarts leidde,--dan

zou iedereen, en vooral iedere voerman, den langeren weg kiezen,

omdat deze toch eigenlijk de kortste is. In beide gevallen neemt het

gezonde menschenverstand een spoedig besluit. Wanneer nu de heer de

Lesseps zegt dat de zeeweg van Liverpool naar Bombay langs de Kaap

zesduizend zeemijlen bedraagt, dan kan slechts een oningewijde tot

de gevolgtrekking komen, dat wat den tijd betreft, de weg door het

zeekanaal van Suez naar Bombay minstens de helft korter is. Maar het

kan toch gebeuren dat een gewoon zeilschip langs de Kaap vroeger te

Bombay aankwam, zelfs voor dat een ander Suez of maar Alexandrië

bereikt had. Er zijn nu wel op zee geen bergen tusschen Liverpool

en Bombay, maar zeker nog moeielijker hindernissen, namelijk sterke

stroomen en ongunstige winden. Het gebeurt dikwijls dat een schip,

in den overgang van het westelijk naar het oostelijk halfrond of

omgekeerd, acht dagen lang wordt opgehouden, en menig zeilschip zou

gaarne een omweg maken van tweehonderd geographische mijlen, als het

de onvermijdbare windstilte of stroomingen kon ontwijken. Een schip,

dat van Lissabon naar Sierra Leone langs de afrikaansche kust vaart,

kan die reis binnen tien dagen afleggen. Maar wanneer hetzelfde schip,

langs denzelfden weg, de terugreis van Sierra Leone naar Lissabon

zou willen nemen, dan zou het minstens acht weken noodig hebben:

want dezelfde gunstige wind en de zeestrooming langs de kust,

die het vaartuig naar Sierra drijven, worden op den terugtocht

zeer lastige tegenstanders: en daarom zou men, behoudens eenige

kleine uitzonderingen, bij eene zeereis als bijna algemeenen regel

kunnen stellen, dat de rechte weg de langste is. Wij willen deze

schijnbare tegenstrijdigheid staven door een historisch bewijs. De

eerste Portugeezen, die naar Indië voeren, maakten hunne reis langs

de afrikaansche kust om de Kaap de Goede Hoop, tot dat bij zekere

gelegenheid een gedeelte der vloot door storm naar de kust van Brazilië

geslagen en aldus dat land ontdekt werd. Dit schijnbare ongeluk werd

echter tot nut voor de zeevaart, want nu bleek dat die groote omweg de

reis buitengewoon verhaastte; en sedert dien tijd zochten alle schepen

op de vaart naar Indië de nabijheid der zuid-amerikaansche kust. Van de

Kaap naar Malabar leidt de rechte weg door het kanaal van Mozambique:

een weg dien reeds de Arabieren, wegens zijne sterke stroomingen naar

het zuiden, zeer vreesden. Nogtans volgde men getrouw dien weg, tot dat

een schip door den stroom ten oosten van het eiland Madagascar werd

gedreven, en juist langs dezen omweg veel vroeger in Indië aankwam

dan de andere schepen, die den gewonen weg gevolgd waren. Bijgevolg

geldt op den oceaan de belachelijke stelling, dat de spoedigste vaart

tusschen twee punten door een omweg bevorderd wordt. _Derhalve zal

dan ook de oceaan altijd de drager van den wereldhandel blijven,

omdat hij onder verschillende breedten en lengten altijd gunstige

winden en stroomingen voor de heen- en terugreis aanbiedt._ Wanneer

gij in den tijd der nachteveningen van Europa naar Havana vertrekt, dan

zult gij onder de parallel der Kanarische eilanden den gordel van den

noord-oost passaat aantreffen. Wilt gij echter van Havana naar Europa,

dan drijft u de golfstroom tot in de hooge breedten, waar de westelijke

winden heerschen. Als gij van de Kaap de Goede Hoop naar Europa zeilt,

dan komt u de zuid-atlantische strooming aan de westkust van Afrika

te stade; maar als gij de Kaap omzeilt, dan moet gij den naar het

zuiden loopenden stroom langs de braziliaansche kust gebruiken. Dit

alles zijn echter zulke bekende en gewoonklinkende dingen, dat men

ze eigenlijk niet onder de aandacht van beschaafde lezers behoeft

te brengen; maar desniettemin schijnt het alsof zij juist daar in

vergetelheid komen, waar men ze het noodigst heeft. De snelheid en

zekerheid van het handelsverkeer hangt dus niet van den afstand in

mijlen, zoo als ons die op de kaart wordt aangewezen, af,--maar veeleer

van het meteorologisch karakter der zee en hare windstreken. De weg

over Suez naar Indië is voor atlantische zeilschepen ongunstig in

elk jaargetijde, want op de heenreis heerschen de oostelijke winden

der Middellandsche zee, en op de terugreis hebben de vaartuigen met

de noordelijke winden der Roode zee te kampen. Schepen die de reis

van Bab-el-Mandeb naar Suez ondernomen hebben, hadden daarvoor 34-36

dagen noodig. Dit wordt zelfs toegestemd door de verdedigers van

het stelsel van den heer de Lesseps. De schepen, die gebruik zouden

willen maken van het Suez-kanaal, zullen zich altijd moeten schikken

naar de veranderlijke moessons; zoodat een zeilschip, in den loop

van een jaar, slechts eenmaal de heen- en terugreis naar Indië kan

afleggen. Niet alleen de Roode zee is ongunstig voor de scheepvaart,

maar ook de Middellandsche. Zeilschepen, die uit Engeland langs de

Kaap naar Melbourne vertrekken, hebben tot die reis 65-75 dagen noodig;

terwijl een zeilschip uit Engeland ook 65 dagen behoeft om Alexandrië

te bereiken. Twee schepen, die op hetzelfde uur Liverpool verlaten,

kunnen alzoo op denzelfden dag, het eene te Melbourne, het andere aan

den mond van het Suez-kanaal, aankomen. De verdedigers van den heer

de Lesseps hebben dit nooit kunnen tegenspreken: en hieruit volgt

dus dat de australische en chineesche handel nimmer den weg door

het zeekanaal van Suez nemen zal. Door deze omstandigheden worden

ook de vrachten hooger berekend. Een schip, b. v., dat eene lading

brengt naar Bombay, geniet driemaal minder vrachtloon dan een schip,

dat dezelfde lading naar Suez brengt.

De waarheid dezer feiten heeft de laatste verdediger van den heer

de Lesseps, de heer Barthélemy St. Hilaire, ook ingezien, en daarom

voorgesteld, om in de Roode zee stoombooten te gebruiken, die de

groote zeilschepen, naar gelang van het saizoen, van Moka naar Suez

zullen sleepen. Dit zal echter nieuwe kosten veroorzaken, waartoe de

handel niet licht zal overgaan.

Wij komen dus tot het besluit: 1°. dat zeilschepen uit de atlantische,

britsche en amerikaansche havens, die naar Indië varen, geen gebruik

zullen maken van het Suez-kanaal, omdat de vaart naar Alexandrië

acht dagen langer duurt dan die langs de Kaap; 2°. dat de weg, wegens

den kanaaltol (tien francs per ton) te duur is, waarbij nog komen de

kosten voor paarden, kameelen en machines, welke noodig zijn om de

schepen door het kanaal te sleepen; 3°. dat zeilschepen van Bombay

uit en uit alle havens ten oosten van Point de Galle hunne terugreis

niet door het Suezkanaal zullen nemen, indien zij namelijk bestemd

zijn naar een atlantische haven, omdat de weg door het kanaal, door

het gebruik maken van sleepbooten en den kanaaltol te duur moet zijn;

4°. dat alle schepen van den australischen en chineeschen handel,

die de atlantische havens verlaten, of naar de atlantische havens

terugkeeren, in geen seizoen hunne reis, door het Suezkanaal te volgen,

kunnen bespoedigen; 5°. dat het kanaal de reis naar en van Indië met

niet al te groote stoombooten in ieder geval verkort; 6°. dat ook

het kanaal de vaart naar Indië voor zeilschepen der Middellandsche

zeekusten korter en goedkooper maakt. Dus volgt hier wederom uit

dat het Suez-kanaal slechts van belang is voor die handelsplaatsen,

welke aan de kusten der Middellandsche zee gelegen zijn, terwijl de

wereldhandel altijd langs den Oceaan zal moeten gedreven worden,

omdat stoombooten voor den handel in het groot niet toereikend en

geëigend zijn.

Uit deze en dergelijke beschouwingen, die op feiten berusten en door

bekwame zeevaartkundigen gedeeld worden, blijkt derhalve dat het

Suez-kanaal niet beantwoord aan de voorstelling, welke men daarvan

gevormd heeft, en dat de aandeelhouders zeker zulke hooge rente

niet zullen genieten, als de heer de Lesseps hun voorgespiegeld

heeft. Vooral zal dit laatste bewaarheid worden, als het bij

ondervinding zal blijken dat de groote zeilschepen veel liever eenen

omweg verkiezen, die hen toch altijd spoediger naar hun doel brengt,

dan een weg door het Suez-kanaal, waaraan buitendien nog zoovele

kosten zijn verbonden.

Nog ééne opmerking. Toen eene rechtstreeksche stoombootdienst tusschen

Engeland en Australië tot stand kwam, werd de weg door het Suez-kanaal

weder ter sprake gebracht, en meenden sommigen dat de stoombootdienst,

zoo zij van het kanaal gebruik maakte, hierbij veel winnen zou. Men

berekende dat de absolute afstand van Landsend naar Port-Philipp,

via de Kaap, bedroeg 11819 zeemijlen (60 zeemijlen zijn gelijk aan

16 geogr. m.); via Kings-George Land, Diego Garcia, Galle tot Suez,

10348 mijlen: derhalve dat de tweede weg slechts ongeveer 1500

mijlen korter was, en dat de stoombooten, zoo men den spoorweg van

Suez naar Alexandrië gebruikte, hare passagiers en brieven binnen

vijf-en-veertig dagen naar Engeland konden overbrengen. Andere

stoombooten, zooals de Great-Eastern, kunnen echter Port-Philipp in

drie- tot zevenendertig dagen bereiken. Nu hebben de verdedigers

van het Suez-kanaal de vraag gedaan: waarom de Great-Eastern niet

even zoo goed als andere stoombooten van den nieuwen zeeweg gebruik

maken kan? Het antwoord is niet moeielijk. Vooreerst moeten alle

stoombooten onderweg bij Point de-Galle en Alexandrië kolen innemen,

terwijl de Great-Eastern zijne steenkolen voor de heen- en terugreis

aan boord heeft. Ten anderen, omdat het Suezkanaal wordt ingericht

voor schepen van 11-1500 ton, en niet geschikt is voor schepen van 2700

ton, zooals de Great-Eastern. Ten derde omdat het kanaal slechts acht

ned. ellen diepgang heeft, hetgeen ongeveer de helft is van 't geen

de Great-Eastern behoeft;--en eindelijk omdat groote stoombooten,

vooral van het kaliber van de Great-Eastern, elkander niet in het

kanaal kunnen passeeren.

Ziehier eenige kritische beschouwingen over het Suezkanaal, welke

wij nog met een groot aantal zouden kunnen vermeerderen:--onder

anderen met de opmerking dat de vaart door de Roode zee, wegens

hare ondragelijke hitte, voor de gezondheid zeer nadeelig is, en

sterfgevallen op de stoompaketten veelvuldig zijn; de bengaalsche

matrozen schuwen de Roode zee als de pest, en laten zich hoogst zelden

tweemaal achtereen voor die vaart aanwerven, zoodat èn handgeld èn

loon zeer duur zijn.--Maar uit een en ander hebben onze lezers reeds

genoeg kunnen opmaken wat er voor en tegen de doorgraving van Suez te

zeggen valt. Dat Frankrijk, Italië, Rusland, Turkije, Spanje (vooral

het oostelijk gedeelte) en nog anderen vóór de doorgraving zijn, en

met klimmende verwachting de voltooiing van dat reuzenwerk te gemoet

zien, kunnen wij gereedelijk billijken, zoowel uit hunne politieke

als handelsbelangen; maar wij voor ons scharen ons aan de zijde

van hen, die volhouden dat de Oceaan de drager van den wereldhandel

moet blijven, en de weg door het Suez-kanaal alleen voor kleinere

schepen, met geringere vrachten, voor stoombooten en pakketdienst,

voor kustvaarders enz. eenig voordeel kan afwerpen: een voordeel,

waarvan de onderneming zelve zeker de minste winst zal wegdragen.

Thans zullen wij eens zien hoe het met den tegenwoordigen stand van

het kanaal is.

V

De tegenwoordige toestand van het kanaal.

Om de werken der doorgraving van de landengte goed te kunnen nagaan,

zullen wij den weg inslaan, die gewoonlijk door alle bezoekers

wordt gevolgd. Daartoe moeten wij ons begeven naar Zagazig (zie

bladz. 73). Om te Zagazig te komen, maakt men gebruik van den spoorweg

die van Alexandrië naar Kaïro gaat. Even voorbij de stad Benha,

aan gene zijde van den Nijl, loopt een zijweg noord-oostwaarts naar

Zagazig, welke plaats het uitgangspunt der reizigers is, die van

dit gedeelte des lands de landengte willen bezoeken. Twee rivieren

vereenigen zich te Zagazig. De eene loopt noordwaarts naar de zee

en het meer Menzaleh, en geeft voedsel aan verschillende andere

wateren. De tweede vloeit samen met een kanaal ten oosten van de

stad gelegen en loopt uit in een kanaal van zoet water, dat de

_Compania_--dus wordt de internationale commissie genoemd--heeft

laten graven. Dit kanaal heeft een tweeledig doel. Vooreerst kan

men langs dien weg al de materialen en den levensvoorraad voor de

arbeiders ter plaatse van de doorgraving brengen, te meer daar het

kanaal vlak langs het meer Timsah loopt; ten andere dient het ter

besproeiing der landerijen. Bij het meer Timsah, en wel ten westen

daarvan, neemt het zoetwater-kanaal eene zuid-oostelijke richting,

en loopt verder langs de Bittere-meren naar Suez, waardoor deze stad

eene groote weldaad ontvangen zal.

Zagazig kan niet meer genoemd worden dan een dorp, en is gelijk alle

egyptische dorpen een tamelijk onregelmatige verzameling van hutten,

uit gedroogde klei gebouwd. Van verre gezien, heeft het geheel wel

iets van de woningen der bevers, zooals men die veelvuldig in Amerika

aantreft. Toch is Zagazig gedurende de laatste jaren zeer verbeterd;

vooral aan de zijde van het zoetwater-kanaal vindt men goede huizen,

uit groote steenklompen vrij ruw samengesteld, en eene stevig gebouwde

brug. Men treedt Zagazig binnen door eene gewelfde poort zonder deuren;

maar daar er in het stadje niets merkwaardigs te zien is, haast men

zich om het kanaal te bereiken, waar eene boot en verscheidene barken

gereed liggen, die de reizigers verder zullen brengen. Ofschoon

deze booten en barken volstrekt niets gemeens hebben, wat hunne

inrichting betreft, met onze oud-hollandsche trekschuiten, wordt men

toch onwillekeurig aan deze laatste vaartuigen herinnerd. Deze booten

namelijk worden voortgetrokken, niet door een oud paard, maar door een

kameel, en soms, als de lading te zwaar is, door twee van die dieren,

die altijd in een kleinen draf voortgaan en bestuurd worden door een

Arabier, die op eentonige wijze langs den weg eenige verzen uit den

Koran opdreunt.

Het kanaal bevat zeer zuiver water en is ongeveer vijftien ellen

breed. De beide oevers bieden een levendig schouwspel aan, daar zij

als bedekt zijn met fellahs (arbeiders), die de onderkoning van Egypte

geleverd heeft en die door de Compania bezoldigd worden. Gewoonlijk

bedraagt het aantal werklieden, die gedurig op dit punt van het kanaal

bezig zijn, 1530 man, die van maand tot maand afgewisseld worden.

De Compania bezit te Boelak bij Kaïro groote magazijnen, die vroeger,

onder de regeering van Mehemed-Ali, gediend hebben als polytechnische

school. Thans bevatten de groote zalen van dat uitgestrekte gebouw

allerlei levensmiddelen, rijst, gedroogde groenten en beschuit,

bestemd voor het onderhoud der fellahs. Deze eetwaren worden hun

tot zeer billijken prijs verstrekt, zoodat zij, tot hun taak is

afgeloopen, na aftrek van alle kosten, nog ruim zestig piasters

ontvangen. Deze goede maatregelen van voorzorg hebben bewerkt

dat de fellahs gaarne aan den arbeid gingen. In het eerst kostte

het wel veel moeite om hen aan orde en werkzaamheid te gewennen,

vooral dezulken, die uit Opper-Egypte kwamen en bekend stonden als

zeer domme en onhandelbare wezens. Meermalen is het zelfs gebeurd,

dat er een oproer onder hen ontstond en zij aan het muiten sloegen,

omdat zij in den waan verkeerden, dat de internationale commissie

hen wel liet werken, maar hun geen geld gaf. Zoo gebeurde het eens,

dat eenigen, meenende hier in deze wildernis van alle gezag bevrijd

te zijn, plotseling hun werk staakten en den weg insloegen naar de

woestijn. Dit kwam ter oore van den heer de Lesseps. Oogenblikkelijk

snelde hij toe. Maar wat zou hij doen onder een bandeloozen hoop,

zonder den steun van het openbaar gezag, en als Christen door den

Mohamedaan met minachting aangezien? Geweld gebruiken kon en mocht

hij niet. Hij koos de wijste partij, en elke opwelling van toorn

bedwingende, trad hij op de voornaamste raddraaiers toe en zeide:

"Gij wilt heengaan?.... zeer goed, ik zal ook geene moeite doen u

te weerhouden. Maar luistert liever naar een goeden raad. De pasja

heeft een scherp oog en een langen arm. Gij zijt niet mij, maar hem

ongehoorzaam. Hij zal u dadelijk doen achtervolgen en omsingelen,

en ik verzeker u, dat als gij eenmaal in zijne handen zijt, gij er

niet gemakkelijk uit ontkomt." Hij kruiste de armen en keerde hun

den rug toe. De Arabieren begonnen in te zien dat hij gelijk had,

en verzochten om vergiffenis, terwijl zij daarna weder gedwee aan

hun werk gingen. Weldra bereikt men de grenzen van een terrein, dat

aan de Compania in eigendom behoort, en niet minder dan tienduizend

bunders beslaat. Dit is eene zeer vruchtbare streek, alzoo geworden

door de besproeiingen van het kanaal.

Het terrein ligt als het ware beklemd tusschen twee woestijnen, en

kan inderdaad reeds als eene liefelijke vrucht van de onderneming

beschouwd worden. Deze oasis bevindt zich aan den ingang van het

dal Gozen: ten minste men houdt het er voor, dat hier de Israëlieten

gewoond hebben, tijdens, naar het bijbelsche verhaal, Jozef, de zoon

van Jakob, onderkoning was. Bij deze plaats aangekomen, wordt, ter

verlichting der trekkende kameelen, een zeil aan de boot bevestigd,

en nu glijdt het vaartuig met snelheid tusschen de welbebouwde akkers

door. Overal is de lage katoenboom aangeplant, welks witte bloemvlokken

als sneeuw uitgebreid liggen op het zwarte Nijlslib. Koren, gerst en

rijst treft men er veelvuldig aan, terwijl de maïs zijne goudgele en

gevulde stengels boven de velden verheft. Hier en daar prijkt een groep

dadelboomen, die tegen het onbewolkte blauw des hemels scherp afsteken.

Het eerste rustpunt op deze reis is de woning van den hoofdopzichter,

het voornaamste gebouw van de Compania, het kasteel van Tell-el-Keber,

zooals dit genoemd wordt (zie bladz. 80). Men verlaat hier de boot,

en volgt westwaarts eenen weg, die aan de eene zijde door velden, en

aan den anderen kant door eenen tuinmuur omzoomd wordt, boven welken

zich de kronen van palmen verheffen. Weldra bereikt men het kasteel:

een zeer hecht gebouw van geen onaanzienlijk voorkomen. Het werd door

Mehemed-Ali in 1823 opgericht en heeft twee verdiepingen met een terras

en een overdekt balkon. Van hier uit heeft men een verrukkelijk gezicht

over den omtrek. De zon--en eene egyptische zon is onvergelijkelijk

schoon--verdwijnt achter de bergen, die zich langs de oevers der Roode

zee verheffen. Hare stralen verlichten de rotsen, dompelen ze in een

vuurgloed, en geven aan de grootsche gevaarten het voorkomen van een

vulkaan. Recht voor u uit is de horizon geheel met een groen tapijt

bedekt; rijke velden en golvende akkers ziet men allerwegen. Rechts,

namelijk ten zuiden, strekt zich de woestijn tot aan den gezichteinder

uit, en schijnt daar met den hemel samen te vloeien. Onder u ligt

de tuin van het kasteel, een klein paradijs. De tuinen van Damiate,

in al hunne oostersche pracht, de rijk beladen perken van Kaïro,

voorzien van de zeldzaamste bloemen, omgeven van marmeren baden:

zij zijn schier niets in vergelijking van den schoonen hof, die

Tell-el-Keber aan eene zijde insluit.

Doch de reiziger mag zich hier niet lang ophouden: na eenen

rustigen nacht in deze woning doorgebracht te hebben, vertrekt hij

zeer vroegtijdig des morgens, om tegen elf uur te Rameses aan te

komen. De beide kameelen worden weder voorgespannen, en de boot glijdt

zachtkens over het water. Van lieverlede verdwijnen de welige velden,

en ten laatste vaart men midden door de woestijn. Men is gekomen

in de waterlooze vlakten, in uitgedroogde duinen en onvruchtbare

valleien, waar het oog te vergeefs zoekt naar een boom, eene plant

of een grashalm. Zoo ver de blik reiken kan, ziet men niets dan eene

heuvelachtige vlakte, bedekt door eene dikke laag van donker geel

zand, waarin het moeielijk is te loopen. De eenzaamheid in deze woeste

streek maakt den mensch droefgeestig. Nergens ziet men een pad, dat

naar een gebaanden weg gelijkt; en iemand, die genoodzaakt was zonder

kompas door deze streek te trekken, zou gewis weken achtereen dwalen,

en wellicht op hetzelfde punt terugkeeren, vanwaar hij uitgegaan

was. Nogtans, als men zoo rustig in de boot zit, verzekerd zijnde,

dat men ergens behouden aanlandt, heeft ook het eentonige van deze

streek geenszins dat vervelende, dat men b.v. op eene uitgestrekte

heide ondervindt. Het vreemde dat den toeschouwer van alle kanten

omringt, heeft zijn eigene aantrekkelijkheid.

De Compania is reeds bezig met het ontginnen van deze onvruchtbare

vlakte: hier en daar ziet men langs de boorden van het kanaal eenige

mannen aan het werk, om kleine slooten te graven, welke dwars door de

woestijn getrokken worden. Nog maar weinig tijds, en deze zandzee zal

in een lusthof herschapen worden, waar duizende gelukkige menschen

dak en voedsel kunnen vinden. De Bedoeïnen en Arabieren zijn niet

zulk een traag volk als men dikwijls denkt. Er zijn verscheidene

stammen, die van den arbeid hunner handen leven, en niet, zooals

velen hunner stamgenooten, een nomadisch leven leiden. Toen de arbeid

der doorgraving zooverre gevorderd was, dat kanalen en grachten de

woestijn doorsneden hadden, deden zich verscheidene Bedoeïnen op,

die na bekomen verlof, stukken gronds aankochten, akkers aanlegden,

pachthoeven bouwden, en thans een grooten handel in vee en vruchten

drijven. Men treft deze arabische pachters overal aan; met bewondering

aanschouwt de vreemdeling die fijne gelaatstrekken, die donkere oogen,

waaruit trots en zelfgevoel u tegenstraalt. Een jaar geleden, toen zich

de heer Lesseps in deze streek eenigen tijd ophield, werd tot hem eene

deputatie uit de landbouwers gezonden, om hem hunnen dank te betuigen,

niet alleen voor de grootsche onderneming, waaraan hij arbeidde, maar

vooral voor den zegen, dien hij nu reeds om zich heen verspreid had.

Maar wij moeten voort naar Timsah. Deze streek is niet van

gedenkwaardige herinneringen ontbloot, vooral als men de bijbelsche

oorkonden ter hand neemt, die ons verzekeren dat hier eenmaal

trotsche steden hebben gebloeid: onder anderen Rameses, van welke

stad niets meer overgebleven is dan eenige steenklompen en geschonden

monumenten. Toch moet zij in Mozes' tijd zeer luisterrijk geweest zijn;

de overlevering zegt dat de groote wetgever en profeet der Israëlieten

hier het volk van Israël verzamelde, om het aan de heerschappij van

Egypte te ontrukken en met hen naar Kanaän te trekken. Men ziet te

Rameses, op eenigen afstand van de legerplaats der werklieden, het

standbeeld van den egyptischen monarch, die zijnen naam aan de stad

gegeven heeft. Hij is voorgesteld, zittende tusschen twee beelden van

graniet, en heeft beter de verwoesting der tijden kunnen doorstaan

dan de stad zelve.

Nog altijd volgen wij het zoetwater-kanaal, en zijn bijna in het

centrum van de landengte aangekomen. Men moet dit gedeelte der

aarde doorreisd hebben om zich een denkbeeld te kunnen maken van de

buitengewone doorschijnendheid der lucht, zoodat men voorwerpen,

op groote afstanden gelegen, en die men in Europa op zulk eene

verwijdering niet zou kunnen zien, hier met het bloote oog gemakkelijk

waarneemt. Zelfs schijnt het den reiziger toe, alsof de voorwerpen nog

vergroot worden, en menigmaal ziet men aan den horizon een Bedoeïne,

op zijnen drommedaris gezeten, terwijl ruiter en dier zich als reuzen

voordoen. De bergen van Djebel-Géneffe, die boven Suez zich verheffen,

en die van den reiziger minstens zestig nederlandsche mijlen verwijderd

zijn, vertoonen zich als slechts op duizend pas. Die onbewegelijkheid,

die stilte, die eenzaamheid, door geen enkelen vogel, en zelfs bij

dag niet door een enkel insect gestoord:--zij hebben hunne eigene,

zij het dan ook sombere majesteit, die een onvergetelijken indruk

maakt. In waarheid: de woestijn is een graf, een rijk des doods.

Maar hoe anders wordt het tooneel, naarmate men Timsah hadert. Er komt

leven in dit veld des doods. Op een zeker punt wordt aan de verwijderde

opzichters een teeken gegeven dat daar reizigers in aantocht zijn:

en naarmate er zich onder dezen hooggeplaatste personen bevinden,

is ook hunne ontvangst geregeld. De voornaamste agenten der Compania,

de ingenieurs, de geneesheeren en de opzichters snellen toe, vergezeld

van opgetuigde paarden en gezadelde kameelen, en bewijzen steeds de

meeste hoffelijkheid.

Zijn wij thans aan het meer Timsah aangekomen? Te vergeefs ziet het

oog uit naar iets, dat daarop gelijkt. Niets dan duinen, en hier en

daar zandvlakten. Men verlaat de boot, om de reis verder te paard

of op een kameel af te leggen. Een rit op een drommedaris is voor

een ruiter, die hieraan niet gewend is, juist niet eene aangename

uitspanning. De wonderlijke beweging, nu eens voor-, en dan weder

achterwaarts, welke dit dier bij het draven aanneemt, berokkent hem

pijn in al de leden, en haalt hem eene ongesteldheid op den hals, die

men kameelziekte noemt en die zeer veel van de dusgenaamde zeeziekte

heeft. Honderd malen schijnt het den ruiter toe als of hij in het

zand geworpen zal worden, en dit zou ook gebeuren, zoo hij zich niet

met beide armen van tijd tot tijd om den langen hals van het lastdier

vastklemde. Zoo gaat de reis voort, totdat men een der hooge duinen

bestijgt en dichtbij een kanaal ziet, dat vijf en twintig ellen breed

is en in regelmatige glooiing tot vijf ellen diepte afdaalt. Zoo ver

het oog reikt, kan men den loop van dit kanaal volgen, en aan beide

oevers ziet men de inlandsche gravers aan het werk.

Op dit punt zijn twaalfduizend man aan den arbeid, ploegsgewijze, op

afstanden van eenige ellen verdeeld. Sommigen hanteeren het houweel aan

den voet der glooiing, om de beddingen van het kanaal te verwijden. De

op deze wijze verkregen aarde wordt gestort in rieten manden, die

men _couffes_ noemt, en die van hand tot hand gaan tot boven op de

kruin der glooiing. Het kanaal loopt zuidwaarts; men is er reeds ver

mee gevorderd. Nog slechts eenige schuddingen van den drommedaris,

en de reiziger bereikt de oevers van het meer Timsah, waar de Compania

eene stad heeft gebouwd, Ismaïlia genaamd, ter eere van Ismaïl-pasja.

Hier eerst krijgt men een overzicht, hoewel slechts op kleine schaal,

van den omvang dezer grootsche onderneming. Men moet een mierenhoop

gezien hebben, om zich eene voorstelling te kunnen maken van de

bedrijvigheid die hier heerscht. Duizende menschen dalen en stijgen

langs de glooiing, beladen met gevulde of ledige manden. Alles gaat met

de grootste orde gepaard, en men staat verrast dat al die inlandsche

werklieden hier aan slechts eenige Europeanen gehoorzamen.

Als het bij avond gebeurt dat eene karavaan Timsah bereikt, dan

wordt zij gemeenlijk begroet met brandende fakkels, door sommige

werklieden in de hand gehouden. Deze fakkels zijn ijzeren pieken,

welke van boven een soort van koker dragen door traliewerk omgeven,

en waarin men eenige deelen van harsachtig hout heeft doen ontbranden.

Aan den oever van het meer Timsah genaderd, wacht den aanzienlijken

reiziger eene aangename verrassing: deze namelijk, dat hij den rug van

zijn kameel verlaat voor een rijtuig, bespannen met drommedarissen:

een vervoermiddel van eene geheel nieuwe uitvinding. Men kan het

noemen half omnibus en half cabriolet, met wielen, waarvan de velgen

zoo breed zijn als die onzer grootste karren. Twee drommedarissen

zijn aan den dissel bevestigd, en drie anderen maken het voorspan

uit (zie bladz. 80). Een soort van voorrijder, niet minder dan een

arabische sheik, op een vrij vluggen drommedaris gezeten, geeft de

richting aan voor de kameelen, op wier rug de jockeys met gebronsde

aangezichten zitten. Deze wagen, die aan de Compania toebehoort,

heeft niet alleen een elegant voorkomen, maar biedt ook den reiziger

alle mogelijke zekerheid aan.

Op die wijze komt men eindelijk aan de oude legerplaats van Timsah,

de tegenwoordige stad Ismaïlia. Men kan daar naar verkiezing zijn

intrek nemen onder de tenten van de internationale commissie, of

in een van de goed gebouwde nieuwe huizen. De stad is nog in hare

wording en ligt aan den oostelijken oever van het meer. Hoofdzakelijk

wordt zij nu nog bewoond door de ingenieurs, schrijvers, opzichters

en administrateurs van de Compania; maar de tijd is niet meer veraf,

dat Ismaïlia eene der voornaamste stapelplaatsen voor den handel langs

het groote zeekanaal zal worden. Immers nu reeds is het verbonden

met de Middellandsche zee, die hare wateren in het meer uitstort;

en men behoeft geene sterke verbeelding te hebben om zich voor te

stellen hoe eerstdaags langs de oevers van het meer, dokken en

scheepswerven zullen verrijzen, terwijl eene onafzienbare vloot

binnen hare waterkom zal havenen. Deze kaaien zullen dan bevolkt

worden door eene talrijke menigte, gedreven door de instinctmatige

zucht naar welvaart; oostersche bazars en westersche winkels zullen

de schatten van Indië en Europa tentoonspreiden; spoorlijnen zullen de

stad doorkruisen, en weldra zal de geschiedschrijver kunnen getuigen:

Memphis is uit het zand herrezen.

De karavaan houdt zich gewoonlijk niet lang hier op, maar zet haren

tocht voort naar de doorgraving bij El-Guisr, waarvan Ismaïlia zes

nederlandsche mijlen verwijderd is. Daar scheept men zich gewoonlijk

in naar de Middellandsche zee, omdat men te Timsah nog niet de noodige

maatregelen voor aankomst en vertrek heeft kunnen nemen. Wij willen

dezen weg volgen, en van verre een blik werpen op Toessoem, zuidwaarts

van Timsah gelogen; eene plaats, gedenkwaardig omdat aldaar de eerste

werklieden van de groote onderneming post hebben gevat. Waarlijk,

zij hadden daar geen schoon vooruitzicht, omringd als zij waren van

gevaren en allerlei moeilijkheden; en menigmaal moesten de arbeiders,

die te Toessoem aan het werk waren, het geweer in de eene en het

houweel in de andere hand houden. Zij hebben zich er moedig gedragen,

en dit eerste aanvangspunt gesteld onder de bescherming van een naam,

den onderkoning boven andere dierbaar, namelijk onder dien van zijnen

zoon Toessoem. Toen de internationale commissie er eindelijk in

slaagde alle moeielijkheden te overwinnen en de meeste vooroordeelen

te boven te komen, werd Toessoem eene gedenkzuil van de noeste vlijt

en de volharding der werklieden. Thans heeft dit vlek haar hospitaal,

hare magazijnen, hare bakkerij, en benevens nette huizen ook haar

observatorium, vanwaar men een schoon vergezicht geniet. Toussoem

is ook nog op eene andere wijze merkwaardig. Er heeft hier in den

omtrek een marabout (turksche heilige) gewoond, die door de Arabieren

zeer vereerd werd en bekend is onder den naam van Sheik-Ennedech. De

nomadische stammen maken van tijd tot tijd een pelgrimstocht herwaarts,

om hunnen eerbied te bewijzen aan dezen heilige, die onder de gewelven

van het gebouw begraven ligt. De Compania, die vooral alles doen moest

om de verschillende volksstammen van dezen omtrek tot vrienden te

maken, heeft het monument, dat dreigde ineen te storten, weder doen

herstellen, de muren in orde gebracht, en de roode en witte lijsten,

welke het versierden, doen opschilderen.

Niet ver van dit mausoleum rust het oog op andere gedenkteekenen van

de broosheid des menschelijken levens. Eenige kruisen, hier en daar

op de heuvelen en langs de dalen geplaatst, wijzen de plek aan, waar

de eerste werklieden begraven liggen. Zij behoorden tot de arbeiders,

door de Lesseps uit Europa medegebracht; maar niet gewend aan den

onveranderlijken hemel en de steeds gloeiende zon, die de landengte

bestraalt, en ook niet bestand tegen de vele ontberingen, die hier hun

deel waren, bezweken zij ras onder de koude hand des doods; en zoo de

christelijke liefde hun dit eenvoudige gedenkteeken niet had opgericht,

zou het nageslacht wellicht verzuimen om zich al de opofferingen te

herinneren, welke deze eerste arbeiders zich moesten getroosten.

Ver in het zuiden, over de Bittere-meren heen, ziet men aan den

horizon eene hier en daar afgebroken lijn, die met het blauw des

hemels ineensmelt. Deze lijn duidt het gebergte van Attakah aan,

dat in waarheid de natuurlijke grens tusschen de Roode-zee en

Egypte genoemd kan worden. Dit gebergte is als het ware in drie

groepen verdeeld, namelijk Djebel Geneffe, Djebel Awebet en Djebel

Attakah. De eerstgenoemde vormt den voormuur van deze bergmassa,

en loopt westwaarts langs het zoetwaterkanaal tusschen de Bittere

meren en den spoorweg van Suez naar Kaïro. Toen de heer de Lesseps

met de eerste ingenieurs de woestijn doortrok, korten tijd nadat zij

de onderneming aanvaard hadden, ontdekten zij dat Djebel Geneffe

uit eene steensoort was samengesteld, uitnemend geschikt tot het

maken van steenen glooiingen en kaden langs het kanaal. Bij nader

onderzoek bleek hun, dat men reeds vroeger dit gebergte tot zulk

een doel gebezigd had, maar wat van die werken geworden was, kon men

niet nagaan. Waarschijnlijk heeft reeds Necho of een der Ptolomaeën

deze steengroeven gebruikt voor de waterwerken aan gene zijde van

Kaïro. Dadelijk vatte de heer de Lesseps het besluit op, om zoodra

de waterweg tot zoover gereed was, deze rotsen te doen springen en

de groote steenklompen te doen verwerken. Dit is dan ook geschied;

en als men heden ten dage Djebel Geneffe gadeslaat, beroofd van zijne

spelonken en spitsen, dan staat men verbaasd hoe menschenhanden het

hebben kunnen vermogen deze rotsgevaarten te splijten en op uren

afstands te vervoeren. Maar in weerwil van deze berooving, blijft

Djebel Geneffe nog altijd majestueus en somber; tallooze rotskloven,

de een nog dieper en steiler dan de ander, bieden adelaar en gier, eene

veilige woning, beiden welhaast de eenige bewoners van dit verheven

en tegelijk ontzagwekkend oord, ontdaan van allen plantengroei en

kaal tot zelfs aan den voet van het gebergte.

Wij keeren echter naar El-Guisr terug, waar de reizigers gebivouakeerd

zijn (zie bladz. 85) en op het punt staan om noordwaarts naar

Port-Saïd te trekken. El-Guisr is eene zeer liefelijke streek,

althans in vergelijking met den naasten omtrek, welke ten eenenmale

woest en dor is. Mahomed Saïd heeft er een kiosk doen bouwen en deze

allerprachtigst doen inrichten. Men vindt er verscheidene zalen,

slaapkamers en goed ingerichte badvertrekken, alsmede een balkon,

vanwaar het uitzicht over de omstreek zeer bekoorlijk is. Zoodra men

El-Guisr verlaat, treedt men eene geheel andere wereld binnen. Het is

alsof de natuur plotseling veranderd wordt. Het groene kleed verdwijnt

en maakt plaats voor eene steenachtige woestijn, welke men den drempel

van El-Guisr noemt. Op een der rotsachtige heuvels geniet men een

treffend vergezicht. Met het aangezicht naar het noordoosten gekeerd,

ziet met Timsah en Ismailia, terwijl men den noordelijken loop van het

kanaal naar Port-Saïd kan volgen, en van verre de blauwe wateren der

Middellandsche zee schemeren (zie bladz. 77). Men moet in eene woestijn

gezworven en uren of dagen achtereen niets anders gezien hebben dan een

wolkenloozen hemel en gloeiend rood zand, om de verrukking te kunnen

beseffen, die men gevoelt bij het zien van een waterstroom, en vooral

een waterstroom zooals het groote zeekanaal is. Het is een symbool des

levens te midden van het rijk des doods. De ontroering, die zich van

den beschouwer meester maakt, als hij dit grootsche kanaal ziet, kan

men onmogelijk beschrijven. De ruïnen van Thebe en de puinhoopen van

Ninive mogen eenen machtigen indruk te weeg brengen op het gemoed van

den bezoeker, maar hier, waar het leven uit den dood is te voorschijn

geroepen, staat hij in stomme verbazing, getroffen door de gedachte

aan de macht van den mensch over de natuur. Als men dat reusachtige

kanaal ziet, doorkruist van blauwgeschilderde schepen, met perzische

zeilen voorzien, dan roept men uit: dit is een werk der Farao's! En

toch is het dit niet. Ook de negentiende eeuw heeft hare koningen

onder de bouwmeesters en hare groote mannen, die zich daarin van de

Farao's onderscheiden, dat dezen zich zelven mausoleums en pyramiden

stichtten, waaraan tijdgenoot noch nakomeling iets heeft, terwijl

genen spade en houweel gehanteerd hebben, om aan de nakomelingschap

een erfdeel na te laten, dat onberekenbare winsten zal afwerpen.

De reiziger stapt nu in een der booten, die in het kanaal gereed

liggen, en die hem naar de Middellandsche zee overbrengen. De afstand

van El-Guisr naar de oevers van dezen binnenlandschen oceaan bedraagt

langs het zeekanaal 75 Ned. mijlen. Het kanaal tusschen Timsah en de

Middellandsche zee wordt gewoonlijk in twee panden of afdeelingen

verdeeld: de eene doorloopt een rotsachtig en woest terrein, de

andere gaat midden door het meer Menzaleh. De toch op het eerste

pand, waartoe eene geheele dagreis vereischt wordt, wordt in een

vaartuig afgelegd, door kameelen getrokken. Het overige deel der

reis geschiedt in schoone barken, wier zeilen u als op de vleugelen

des winds voortdrijven. Het verblijf in zulk een transportschip,

door kameelen getrokken, biedt altijd veel afwisselends aan. Het

vaartuig is verdeeld in twee vertrekken, waarin men naar verkiezing

rooken en slapen kan. Maar men moet al zeer vermoeid zijn om zich in

de armen van Morpheus te werpen, zittende te midden van een gezelschap,

waarvan men met recht kan zeggen, dat het bestaat uit allerlei natiën,

geslachten en talen. Zulk een mengelmoes van dialecten is zeker

niet gehoord bij Babels spraakverwarring, als in dit vaartuig op het

kanaal. De een heeft de sphinx beklommen en verhaalt in het engelsch

al de gewaarwordingen, welke hem daarbij bezielden; de ander heeft

eene reis naar het klooster van St. Catharina afgelegd en schildert

in gloeiende kleuren de verhevene rotsgevaarten van Sinaï; een

derde komt van den Indischen archipel en deelt eenige vruchten uit,

welke hij in het tropische land geplukt heeft; een vierde is op de

nijlpaardenjacht geweest en laat ons zijnen gordel zien, die hij uit

de huid van een hippopotamus gesneden heeft; wederom anderen spreken

over het kanaal, over zijn toekomst, over winst en verlies:--kortom,

hier is alles leven en beweging.

Onder dergelijke gesprekken bereikt met het meer Menzaleh: eene ware

binnenzee, welker oevers men niet ziet en op wier golven men dagen

achtereen roeien kan, zonder dat men het doel zijner reis bereikt. Een

jachtliefhebber is op dit meer recht in zijn element. Eene menigte

van vogels, snippen, pluvieren en eenden, trekken gedurig heen

en weder, en zelden laat men deze gelegenheid voorbijgaan zonder

zich een maaltijd te verschaffen, zooals de woestijn dien zelden

oplevert. Onder het voortzeilen wordt het oor getroffen door een vreemd

geluid, dat den reiziger de werkzaamheid der europeesche fabrieken in

herinnering brengt: onwillekeurig slaat men den blik buiten boord,

en ontwaart nu, dat de boot langs een hoogen ijzeren muur vaart,

waaruit dat geluid komt. Dit metalen gevaarte is eene baggermachine,

in gebruik om de bedding van het kanaal nog dieper te graven en

tegelijk de steile oevers te vormen. Het slib, door ijzeren emmers

uit de diepte getrokken, wordt door een houten buis naar de glooiing

geperst, waar het opgehoopt en door de zon spoedig gehard wordt. In

het eerst werkte men met eene kleinere soort van moddermolens;

waarmede men weinig vooruitkwam; doch sedert Frankrijk aan den heer

de Lesseps die monsterachtige baggermachines geleverd heeft, vordert

het werk met reuzenschreden. Oorverdoovend is het gedruisch, dat

deze werktuigen veroorzaken: het gillen der fluiten, het donderend

opstijgen der zwarte rookkolommen, het ratelen der zware emmers,

en het voortschuiven van het slib, doet den reiziger hooren en zien

vergaan, zoodat hij blijde is, als hij zulk een moddergevaarte achter

zich heeft. Het kanaal is hier op het breedst, en de werkelijkheid

logenstraft de voorspelling, die de engelsche ingenieur Stephenson

eenmaal uitsprak: "Mijne heeren," zeide hij eens in het Lagerhuis van

Londen, "het zeekanaal van Suez zal men niet anders kunnen noemen dan

eene sloot of kleine gracht." Inderdaad is het dan ook eene gracht,

maar eene gracht, welke op den Bosporus gelijkt: en als men den blik

laat weiden over die groote uitgestrektheid water, dan glimlacht men

onwillekeurig bij de gedachte aan de kinderachtige tegenwerpingen,

die de engelsche ingenieurs in woord en geschrift geopperd hebben.

Weldra nadert men Ras-el-Eiche. Dit is de legerplaats, waar sedert

vele jaren de agenten der Compania op een eilandje van slib gehuisvest

zijn en getoond hebben wat moed en volharding vermogen. Men noemt

de werklieden, die zich daar bevinden, schertsender wijs "de zouaven

der Compania," en zij hebben dien naam ook ten volle verdiend wegens

hunne energie en de zelfverloochening waarvan zij elken dag de

schoonste blijken gaven. Op dit punt van het kanaal hebben de wateren

van het meer Menzaleh de dijken van tijd tot tijd doorgebroken; en

onophoudelijk zijn duizende handen aan het werk geweest om de breuk

te herstellen, totdat het genie der fransche ingenieurs een middel

heeft uitgevonden om deze verwoestingen in het vervolg te keer te gaan.

Van Kantara, dat aan den ingang van het meer Menzaleh gelegen is

(zie bladz. 96), heeft men acht uren noodig om te Port-Saïd te komen;

en daar wij hier aan het einde van onzen tocht zijn, zullen wij dit

gedeelte van onze reis besluiten met onzen lezers nog een overzicht

mede te deelen van de werkzaamheden aan het zeekanaal, zooals deze

door den Franschen Moniteur van 1862 werden opgegeven.

De arbeid der doorgraving van de landengte is in twee secties verdeeld:

de eerste strekt zich uit van Port-Saïd naar het meer Timsah; de

tweede van laatstgenoemd meer naar Suez. De voornaamste punten der

eerste sectie zijn: Port-Saïd, (de haven aan de Middellandsche zee)

Ras-el-Eiche, Kantara, Ferdane (wier duinen men op bladz. 96 zien

kan) en de drempel van El-Guisr. Deze allen te zamen vormen eene

uitgestrektheid van 75 Ned. mijlen. Port-Saïd is eene belangrijke

stad geworden. Nog in 1859 was de kust vlak, naakt, woest en werd

door de golven der zee gedurig geteisterd. De eerste werklieden waren

genoodzaakt den nacht onder tenten aan het strand door te brengen. Wijl

men van deze zijde der landengte alle werktuigen voor de onderneming

ontvangen moest, werd dan ook te Port-Saïd de eerste spadesteek gedaan,

en wel op 25 April 1859. Eene commissie, bestaande uit de heeren

Ferdinand de Lesseps, voorzitter van den raad van administratie der

maatschappij, de Chancel, lid van den raad, Corbin de Mangoux, graaf

van Galbert en de heer Rouffio, vertrok van Pelusium naar het punt,

waar de haven van Saïd ontworpen was. Daar aangekomen, vonden zij er

aanwezig de heeren: Mougel-Bey, hoofdingenieur, directeur-generaal

der werken; de Montaut, ingenieur der bruggen en wegen; La Roche,

ingenieur der bruggen en wegen; La Rousse, hydrographisch ingenieur

van de marine; Aubert-Roche, chef van de geneeskundige dienst;

Hardon, aannemer der werken van de maatschappij; Tunieux, directeur

der aannemingswerken; de agenten en beambten van de maatschappij; en

een personeel van honderdvijftig conducteurs, opzichters, zeelieden

en arbeiders.

De voorzitter, na de egyptische vlag op de werkplaats te hebben doen

ontrollen, sprak de volgende woorden:

"In naam van de algemeene maatschappij van het zeekanaal van Suez,

en tengevolge van de besluiten van den raad van administratie, zullen

wij de eerste spadesteek doen, die den toegang tot het Oosten zal

openen voor den handel en de beschaving van het Westen.

"Wij zijn hier allen vergaderd, bezield met hetzelfde denkbeeld van

toewijding aan de belangen der aandeelhouders van de maatschappij en

van haar verheven oprichter en beschermer; vorst Mohammed Saïd.

"Het nauwkeurig onderzoek, dat wij ingesteld hebben, geeft ons de

zekerheid, dat de onderneming waarvan de uitvoering heden begint,

niet alleen een werk zal zijn van vooruitgang, maar een groote waarde

zal geven aan de kapitalen, die het zullen verwezenlijken."

De voorzitter, elk van de leden van de commissie, en na hen de

ingenieurs en beambten der maatschappij, openden nu de doorgraving

in de voor het kanaaal afgebakende richting.

De heer de Lesseps sprak toen het volgende tot de egyptische

werklieden, rondom hem geschaard:

"Ieder uwer," zeide hij, "gaat zijne eerste spadesteek doen voor dit

groote werk, even als wij hebben gedaan. Herinnert u dat gij niet

slechts den grond gaat omwoelen, maar dat uw arbeid den voorspoed

zal brengen in uwe huisgezinnen en over uw schoon land.

"Eere den Effendi Mohammed Saïd-Pasja! dat hij lange jaren leve!"

Deze woorden van den heer de Lesseps, aan de werklieden vertaald

zijnde, werden met levendige toejuiching begroet, en daarna werd het

werk met ijver begonnen.

Sedert die eerste spadesteek is Port-Saïd als uit het zand der zee

opgerezen. Allereerst werd er een vuurtoren opgericht en een soort

van vliegende brug (appontement) opgeslagen, welke vierhonderd-vijftig

ellen zeewaarts zich uitstrekt. Verschillende werkplaatsen werden, de

eene na de andere, gebouwd: stoomzagerijen, gieterijen, smederijen,

distillatie-machinerie, timmerloodsen en tallooze groote en kleine

houten en steenen huizen verrezen als in een oogwenk. Reeds in

1861 telde men dertien spoorlijnen, welke dienen moesten om de

bouwstoffen, die over zee herwaarts gebracht werden, naar het

binnenland te vervoeren. Port-Saïd is naar een welberekend en goed

overlegd plan gebouwd. Het spreekt van zelf, dat de haven de eerste

werkzaamheid vereischte. Moeite noch kosten werden gespaard, en thans

reeds loopen er ieder jaar verscheidene honderden schepen binnen. Ook

is de bevolking der stad grootelijks toegenomen: zij bedroeg in 1862

reeds 5000 zielen, onder welke 1200 Europeanen. Nog maar eenige jaren,

en Port-Saïd zal gelijkstaan met Marseille en andere groote zeesteden.

Het meer Timsah is uitgediept tot eene binnenhaven. De stad Ismailia,

aan de noordelijke oevers van dit meer gebouwd, breidt zich elken

dag uit. Schoone boulevards en prachtige alleën zijn zoowel binnen

als buiten de stad aangelegd; de meeste huizen dragen een oostersch

karakter, terwijl de hotels en de woonhuizen der kooplieden in

westerschen stijl zijn gebouwd. Niet ver van daar ligt het dorp Seuil,

waar eene katholieke kerk en een mohammedaansche tempel in vrede

naast elkander staan.

Wanneer men de groote menigte arbeiders nagaat, die nog onophoudelijk

aan de beide oevers, in de binnenhaven of aan de glooiingen werken;

als men de velerlei ontberingen en de tropische hitte in aanmerking

neemt, aan welke deze menschen zijn blootgesteld;--dan moet men zich

verwonderen dat er zoo weinige ziekten onder hen heerschen. Er was

steeds een goed aantal geneesheeren aanwezig, maar hunne praktijk

beteekende weinig. Epidemiën hebben er niet geheerscht en van de

twaalfhonderd-vijftig Europeanen stierven er in een jaar slechts

twintig. Maar wat het meeste verwondering gebaard heeft en toch

bepaald is bewezen, is dat in een jaar, toen er 120,933 fellahs

aan het graven waren, slechts drie-en-twintig personen gestorven

zijn. De werklieden (fellahs) werden bestuurd naar een reglement,

dat door den onderkoning van Egypte zelf is vastgesteld; en daar wij

het, vooral met het oog op de doorgraving van Holland op zijn smalst,

niet onbelangrijk achten, deelen wij dit reglement hieronder, zooals

het in het reisverhaal van den heer Conrad voorkomt, meê.

"Wij Mohammed Saïd-Pasja, onderkoning van Egypte, willende voorzien

in de goede uitvoering der werken van het groote zeekanaal van Suez

en in de goede behandeling der egyptische werklieden, die daartoe

zullen worden gebruikt; en tevens willende waken voor de belangen

der landbouwers, eigenaars en ondernemers van dit land, hebben, in

overeenstemming met den heer Ferdinand de Lesseps, als voorzitter en

grondlegger van de algemeene maatschappij voor het kanaal, de volgende

bepalingen vastgesteld.

Artikel 1. De werklieden tot de werken der maatschappij te gebruiken,

worden aangewezen door de egyptische regeering, volgens de aanvragen

der hoofdingenieurs en naar de behoeften.

Artikel 2. De betaling aan de werklieden toe te kennen, wordt

vastgesteld volgens de bepaalde gemiddelde prijzen bij de werken van

particulieren: namelijk 2 1/2 tot 3 piasters [2] daags, waaronder

niet begrepen zijn de levensmiddelen door de maatschappij in natura

te voldoen, ter waarde van 1 piaster.

De werklieden beneden de twaalf jaren ontvangen slechts 1 piaster en

het volle bedrag der levensmiddelen.

De levensmiddelen in natura moeten worden uitgedeeld dagelijks, of

alle twee of drie dagen vooruit; en in het geval dat men verzekerd

is dat de werklieden, die daartoe aanvraag doen, in staat zijn in

hun onderhoud te voorzien, wordt het bedrag der levensmiddelen in

geldswaarde gegeven.

De betaling in geld geschiedt alle weken.

De maatschappij betaalt echter gedurende de eerste maand slechts

de helft, totdat er eene reserve van veertien dagen daggeld is

bijeengebracht; daarna wordt het volle daggeld aan de arbeiders

uitbetaald.

De maatschappij is belast met de zorg voor het drinkbaar water en

voor al de behoeften der werklieden.

Artikel 3. De taak, die aan de werklieden kan worden opgelegd, mag

nimmer te boven gaan die, welke is vastgesteld voor de administratie

der bruggen en wegen, en is aangenomen voor al de groote werken,

die in de laatste jaren zijn uitgevoerd.

Het getal der werklieden wordt vastgesteld in verband met de tijdperken

der werkzaamheden, die voor den landbouw gevorderd worden.

Artikel 4. De politie der werkplaatsen wordt uitgeoefend door de

officieren en agenten van het gouvernement, onder de orders en volgens

de instructien van de hoofdingenieurs, overeenkomstig een reglement,

dat aan onze goedkeuring moet worden onderworpen.

Artikel 5. De werklieden, die hunne taak niet hebben vervuld,

worden aan eene vermindering van daggeld onderworpen, die niet

minder zal zijn dan 1/2 en evenredig aan het minder volbrachte

werk. Zij, die zich zonder toestemming van de werken verwijderen,

verliezen daardoor de veertien dagen daggeld, die in reserve staan;

dit bedrag moet worden gestort in de kas van het hospitaal, waarvan

in het volgende artikel gesproken wordt. Zij, die verwarring of

oproerigheid veroorzaken in de werkplaatsen, verliezen mede hunne

veertien dagen reserve daggelden. Hun wordt daarenboven eene boete

opgelegd, die mede in de kas van het hospitaal wordt gestort.

Artikel 6. De maatschappij is verplicht te zorgen voor de huisvesting

der werklieden, hetzij in tenten, hetzij in keeten of behoorlijk

ingerichte woningen. Zij moet een hospitaal en de noodige ambulances

onderhouden, met het geheele personeel en materieel, dat noodig is

om de zieken op hare kosten te behandelen.

Artikel 7. De reiskosten der aangenomen werklieden en hunne gezinnen,

van de plaats hunner afreis tot aan hunne aankomst op de werkplaatsen,

zijn ten laste van de maatschappij.

Ieder ziek arbeider ontvangt in het hospitaal of in de ambulances,

behalve de zorgen die zijn toestand vordert, een daggeld van 1 1/2

piaster, gedurende al den tijd dat hij niet kan werken.

Artikel 8. De handwerkslieden, zooals metselaars timmerlieden,

steenhouwers, smeden enz. enz. ontvangen een daggeld zooals de

regeering gewoon is hun op de werken te betalen, behalve het bedrag

der levensmiddelen of de waarde daarvan.

Artikel 9. Wanneer militairen in actieve dienst aan de werken der

maatschappij worden gebruikt, moet de maatschappij aan ieder hunner,

als verhoogde betaling van het gewone daggeld en onderhoud, eene som

betalen gelijk staande met de betaling der gewone werklieden.

Artikel 10. De aardmanden (_couffes_) noodig voor het vervoer der

grondspecie en der materialen, alsmede het kruit voor de exploitatie

der mijnen, worden aan de maatschappij geleverd van regeringswege,

tegen den prijs van aankoop, mits de aanvraag minstens drie maanden

te voren is gedaan.

Artikel 11. Onze ingenieurs Linant-Bey en Mougel-Bey, die wij voor

de directie en de regeling der werken ter beschikking stellen van de

maatschappij, hebben het oppertoezicht over de werklieden, en moeten

zich verstaan met den zaakgelastigde administrateur van de maatschappij

tot het wegruimen der moeielijkheden, die bij de uitvoering van dit

besluit mochten voorkomen.

Suez De Aarde en haar Volken, 1865 · 第 4 / 7 题