De toekomst van Suez.
Wij hebben reeds hier en daar in ons artikel onze meening geuit over de
ontwikkeling en de toekomstige grootheid van de verschillende punten
en gedeelten der landengte. Wij voor ons blijven bij ons gevoelen,
dat Suez trapsgewijze ontwikkelen en tot eene hoogte stijgen zal,
welke haar de eerste plaats in de rij der nieuwe volkplantingen zal
doen innemen.
Meermalen is de vraag geopperd, welk volk eigenlijk zich in massa
derwaarts zal begeven om de landengte te bewonen, en in de toekomstige
dagen daar eene afzonderlijke natie zal uitmaken? Deze vraag is
waarlijk niet van gewicht ontbloot, en het zou ons niet verwonderen,
zoo zij nog heden ten dage dikwijls in de kabinetten der verschillende
rijken behandeld werd. Wij veroorloven ons te zeggen, dat de vraag:
welk volk de landengte van Suez bezitten zal, Europa gewis eenmaal
in opschudding zal brengen. Laat ons dit nader toelichten.
Van den beginne der onderneming af, is Frankrijk de hoofddrijver der
zaak geweest, en dit niet alleen uit een commercieel, maar vooral
uit een politiek oogpunt. Het is Frankrijk toch niet slechts te doen
om zijne kustvaart te vergrooten en zijnen handel te vermeerderen,
maar vooral ook,--en dit staaft de ondervinding elken dag--om zijne
bezittingen en zijn gebied uit te breiden. Frankrijk heeft niet voor
niet gedurig aan zijne diplomatieke agenten last gegeven om vasten
voet zoowel bij den Sultan als bij den onderkoning van Egypte te
verkrijgen. Met al de listen der staatkunde heeft het getracht den
eersten te bewegen tot de doorgraving concessie te verleenen, en den
laatsten te overreden om spoedig handen aan het werk te slaan. Men
kan eigenlijk de geheele onderneming, hoewel zij door actiënhouders
van verschillende natiën geschraagd wordt, eene zuiver fransche
noemen, met een franschen directeur, fransche ingenieurs, fransche
bouwlieden en egyptische fellahs, die geheel door franschen invloed
beheerscht worden. Frankrijk zendt de meeste schepen naar de haven van
Port-Saïd, en allerlei maatregelen worden er genomen om den handel
derwaarts nog uit te breiden. Ja, men fluistert reeds hier en daar,
dat Napoleon III met den onderkoning van Egypte overeengekomen is,
om de landengte van Suez tot eene fransche kolonie te verheffen. Maar
dit zal Engeland nooit gedoogen. Vooreerst niet, omdat het nu reeds
met leede oogen aanziet, dat Frankrijk zich uitbreidt; en ten anderen,
omdat het alsdan,--en terecht--vreest, dat zijn vriendschappelijke
vijand te veel in de nabijheid komt van de indische wateren, zoodat,
bij een eventueel uitbreken des oorlogs, Frankrijk als in een oogwenk
door de Roode zee troepen en schepen kan vervoeren. Ook Rusland
wil gaarne de landengte koloniseeren. Maar hiertegen verheffen
zich de twee genoemde mogendheden, daar men nog met schrik denkt
aan Ruslands veroveringsplannen in het Oosten; men wil liever den
kwijnenden toestand van het turksche rijk door allerlei kunstmiddelen,
eerlijke zoo wel als oneerlijke, zoo veel mogelijk rekken, dan dat men
dulden zou dat de dubbele adelaar de plaats inneemt der glanslooze
halvemaan. Maar, zegt wellicht deze en gene, laat Egypte voor die
koloniseering zorgen; het heeft immers fellahs genoeg. Zeer juist, aan
menschen ontbreekt het Egypte niet. Er zijn bedelaars in overvloed,
en ook arbeiders, die met de zweep moeten gedreven worden. Doch
zouden dezen niet de welvaart van de landengte belemmeren en den
handel afschrikken? Men verlangt--en wie zal de noodzakelijkheid
hiervan ontkennen?--handelaars, bedrijvige menschen, ontwikkelde
kooplieden, kunstenaars en bouwmeesters. Doch welk land zal in staat
zijn deze, zonder aanstoot of ergernis te geven, in genoegzaam aantal
te leveren? Met andere woorden, welke nationaliteit zal de overmacht
op Suez verkrijgen? Wij doen de vraag, maar hare beantwoording is
uiterst moeielijk en onzeker. Er zijn eenige geleerden, en ik bedoel
hier vooral godgeleerden, die met het antwoord volstrekt niet verlegen
zijn. Naar hun oordeel bestaat er een volk, dat hiervoor de meeste
geschiktheid heeft; zij wijzen het als met den vinger aan. Zij beweeren
namelijk, dat de Israëlieten sommige aloude profetiën bezitten, waarin
gewezen wordt op een terugkeer van Israël naar zijn land, om daar
onder een eigen koning te leven, en niet meer als ballingen, gesmaad en
veracht, te midden der volkeren te wonen. Wellicht, meenen zij, zullen
eenmaal de groote mogendheden opgewekt worden om de Joden bijeen te
verzamelen, en "op snelle loopers", gelijk de profetie van Israël dit
zegt, naar de landengte van Suez te vervoeren: welk oord alsdan met
recht de voorhof van het land der belofte zou kunnen genoemd worden.
Wij laten natuurlijk dit gevoelen voor rekening van hen, die deze
opvatting der profetiën deelen. Maar hetzij dat dit Israël, dat nu
reeds menigen Christen en heiden door de beoefening der wetenschappen
beschaamd maakt, zich nog eenmaal op nieuw krachtig moge ontwikkelen,
en wellicht joodsche ingenieurs en joodsche bouwkundigen langs Sinaï,
Berseba en Hebron de eerste spoorweglijnen zullen leggen naar hunne
heilige koningsstad; hetzij dat eenige andere natie, welke ook,
zich neder zal zetten op dezen woesten bodem om er vruchtbaarheid
en leven, nijverheid en handel, maatschappelijke ontwikkeling en
beschaving over uit te breiden;--onloochenbaar is het, dat de graving
van het Suez-kanaal een eereplaats inneemt onder de reuzenwerken der
negentiende eeuw, wier grootschheid wij bewonderen, maar wier invloed
eerst openbaar zal worden in de toekomst des tijds.