VI

De toekomst van Suez.

Wij hebben reeds hier en daar in ons artikel onze meening geuit over de

ontwikkeling en de toekomstige grootheid van de verschillende punten

en gedeelten der landengte. Wij voor ons blijven bij ons gevoelen,

dat Suez trapsgewijze ontwikkelen en tot eene hoogte stijgen zal,

welke haar de eerste plaats in de rij der nieuwe volkplantingen zal

doen innemen.

Meermalen is de vraag geopperd, welk volk eigenlijk zich in massa

derwaarts zal begeven om de landengte te bewonen, en in de toekomstige

dagen daar eene afzonderlijke natie zal uitmaken? Deze vraag is

waarlijk niet van gewicht ontbloot, en het zou ons niet verwonderen,

zoo zij nog heden ten dage dikwijls in de kabinetten der verschillende

rijken behandeld werd. Wij veroorloven ons te zeggen, dat de vraag:

welk volk de landengte van Suez bezitten zal, Europa gewis eenmaal

in opschudding zal brengen. Laat ons dit nader toelichten.

Van den beginne der onderneming af, is Frankrijk de hoofddrijver der

zaak geweest, en dit niet alleen uit een commercieel, maar vooral

uit een politiek oogpunt. Het is Frankrijk toch niet slechts te doen

om zijne kustvaart te vergrooten en zijnen handel te vermeerderen,

maar vooral ook,--en dit staaft de ondervinding elken dag--om zijne

bezittingen en zijn gebied uit te breiden. Frankrijk heeft niet voor

niet gedurig aan zijne diplomatieke agenten last gegeven om vasten

voet zoowel bij den Sultan als bij den onderkoning van Egypte te

verkrijgen. Met al de listen der staatkunde heeft het getracht den

eersten te bewegen tot de doorgraving concessie te verleenen, en den

laatsten te overreden om spoedig handen aan het werk te slaan. Men

kan eigenlijk de geheele onderneming, hoewel zij door actiënhouders

van verschillende natiën geschraagd wordt, eene zuiver fransche

noemen, met een franschen directeur, fransche ingenieurs, fransche

bouwlieden en egyptische fellahs, die geheel door franschen invloed

beheerscht worden. Frankrijk zendt de meeste schepen naar de haven van

Port-Saïd, en allerlei maatregelen worden er genomen om den handel

derwaarts nog uit te breiden. Ja, men fluistert reeds hier en daar,

dat Napoleon III met den onderkoning van Egypte overeengekomen is,

om de landengte van Suez tot eene fransche kolonie te verheffen. Maar

dit zal Engeland nooit gedoogen. Vooreerst niet, omdat het nu reeds

met leede oogen aanziet, dat Frankrijk zich uitbreidt; en ten anderen,

omdat het alsdan,--en terecht--vreest, dat zijn vriendschappelijke

vijand te veel in de nabijheid komt van de indische wateren, zoodat,

bij een eventueel uitbreken des oorlogs, Frankrijk als in een oogwenk

door de Roode zee troepen en schepen kan vervoeren. Ook Rusland

wil gaarne de landengte koloniseeren. Maar hiertegen verheffen

zich de twee genoemde mogendheden, daar men nog met schrik denkt

aan Ruslands veroveringsplannen in het Oosten; men wil liever den

kwijnenden toestand van het turksche rijk door allerlei kunstmiddelen,

eerlijke zoo wel als oneerlijke, zoo veel mogelijk rekken, dan dat men

dulden zou dat de dubbele adelaar de plaats inneemt der glanslooze

halvemaan. Maar, zegt wellicht deze en gene, laat Egypte voor die

koloniseering zorgen; het heeft immers fellahs genoeg. Zeer juist, aan

menschen ontbreekt het Egypte niet. Er zijn bedelaars in overvloed,

en ook arbeiders, die met de zweep moeten gedreven worden. Doch

zouden dezen niet de welvaart van de landengte belemmeren en den

handel afschrikken? Men verlangt--en wie zal de noodzakelijkheid

hiervan ontkennen?--handelaars, bedrijvige menschen, ontwikkelde

kooplieden, kunstenaars en bouwmeesters. Doch welk land zal in staat

zijn deze, zonder aanstoot of ergernis te geven, in genoegzaam aantal

te leveren? Met andere woorden, welke nationaliteit zal de overmacht

op Suez verkrijgen? Wij doen de vraag, maar hare beantwoording is

uiterst moeielijk en onzeker. Er zijn eenige geleerden, en ik bedoel

hier vooral godgeleerden, die met het antwoord volstrekt niet verlegen

zijn. Naar hun oordeel bestaat er een volk, dat hiervoor de meeste

geschiktheid heeft; zij wijzen het als met den vinger aan. Zij beweeren

namelijk, dat de Israëlieten sommige aloude profetiën bezitten, waarin

gewezen wordt op een terugkeer van Israël naar zijn land, om daar

onder een eigen koning te leven, en niet meer als ballingen, gesmaad en

veracht, te midden der volkeren te wonen. Wellicht, meenen zij, zullen

eenmaal de groote mogendheden opgewekt worden om de Joden bijeen te

verzamelen, en "op snelle loopers", gelijk de profetie van Israël dit

zegt, naar de landengte van Suez te vervoeren: welk oord alsdan met

recht de voorhof van het land der belofte zou kunnen genoemd worden.

Wij laten natuurlijk dit gevoelen voor rekening van hen, die deze

opvatting der profetiën deelen. Maar hetzij dat dit Israël, dat nu

reeds menigen Christen en heiden door de beoefening der wetenschappen

beschaamd maakt, zich nog eenmaal op nieuw krachtig moge ontwikkelen,

en wellicht joodsche ingenieurs en joodsche bouwkundigen langs Sinaï,

Berseba en Hebron de eerste spoorweglijnen zullen leggen naar hunne

heilige koningsstad; hetzij dat eenige andere natie, welke ook,

zich neder zal zetten op dezen woesten bodem om er vruchtbaarheid

en leven, nijverheid en handel, maatschappelijke ontwikkeling en

beschaving over uit te breiden;--onloochenbaar is het, dat de graving

van het Suez-kanaal een eereplaats inneemt onder de reuzenwerken der

negentiende eeuw, wier grootschheid wij bewonderen, maar wier invloed

eerst openbaar zal worden in de toekomst des tijds.

Suez De Aarde en haar Volken, 1865 · 第 6 / 7 题