Suez en het kanaal.
Suez was twintig jaren geleden slechts een ellendig stadje, eigenlijk
niet meer dan een dorp. Heden ten dage gelijkt het meer op eene stad,
welke van jaar tot jaar in grootte en bloei toeneemt. De Peninsular en
de Engelsch-Indische compagnie hebben daar hare kantoren, en tweemaal
per maand komen daar de pakketbooten uit Indië en Australië aan. De
compagnie _des messageries impériales de France_ organiseert ook
eene maildienst, en laat aan de zeekust dokken bouwen, welke door
een spoorweg met de stad zullen verbonden worden.
De vroeger zoo onbeduidende haven neemt tegenwoordig elken dag in
belangrijkheid toe; het is een vreemd en tevens verblijdend gezicht,
al die verschillende booten, barken en groote schepen over de Roode zee
de golf van Suez te zien naderen. Oorlogs- en koopvaardijschepen zijn,
zelfs op 3000 ellen van de kust, in volkomen zekerheid. Visschersbooten
en kustvaarders der Roode zee, welke nog geheel den bouw en het
voorkomen der oude galeien hebben, vertoonen hunne zonderlinge
vormen nevens die der hedendaagsche schepen en stoombooten. De
haven wordt ten westen en ten oosten begrensd door de aziatische en
afrikaansche bergketenen. De schoonheid van het klimaat de prachtige
kleuren van lucht en zee, de handelsbeweging en de verscheidenheid
der kleederdrachten, dit alles werkt samen, om aan de stad en de
haven een belangwekkend voorkomen te geven. De nauwe gangen en de
armoedige hutten verdwijnen gaandeweg en maken plaats voor nette
huizen, goed ingerichte hotels en aanzienlijke woningen. Alles duidt
aan dat Suez eene belangrijke toekomst te gemoet gaat: en inderdaad
kan men zeggen dat er aan den ingang der woestijn eene nieuwe stad
wordt gebouwd, welke niet alleen twee werelddeelen aaneensluiten,
maar ook verschillende volkeren, door verschillende belangen gedreven,
aan elkander verbinden zal.
Eén ding echter ontbreekt aan Suez, dat haar tot nog toe weerhoudt
eene aanzienlijke stad te worden. Er is namelijk geen drinkbaar
water. In geheel Suez en in den omtrek vindt men geen enkelen boom,
geen enkel struikgewas, geen enkele bloem, zelfs geen grasscheutje,
hoe gering ook. Er zijn menschen in de stad, die niet eens weten
wat een bosch is, en die zich zelfs niet kunnen voorstellen dat in
andere landen de velden met een groen tapijt bekleed zijn. Honderden
bewoners hebben nooit een boom gezien; de oorzaak van deze treurige
dorheid ligt in het bijna volkomen gemis van regen, die hier eene ware
zeldzaamheid is. De inwoners moesten vroeger hun drinkwater uit twee
verschillende werelddeelen halen: hetzij uit Syrië, aan den ingang
der woestijn, op drie uren afstands van de stad, uit de zoogenaamde
putten van Mozes; of uit Kaïro, van waar het in lederen zakken op de
markt tegen hoogen prijs verkocht werd. Die lederen zakken werden op
zeer eenvoudige wijze tot gebruik geschikt gemaakt. Men slachtte eene
geit, droogde de huid vier-en-twintig uren in de zon, naaide alle
openingen dicht, behalve die van den hals, en gebruikte ze zoo als
waterflesch. De spoorweg tusschen Kaïro en Suez heeft echter hierin
eene groote verbetering gebracht: eenige malen in de week vertrekt
thans een afzonderlijke watertrein naar Suez, waar de prijs van een
gewone kan Nijlwater gelijk staat met dien van een flesch wijn.
Doch alzoo zal het niet lang blijven. Men heeft een zoetwater-kanaal
gegraven, dat reeds tot op korten afstand van de stad genaderd is. Dan
zullen niet alleen menschen en dieren verkwikt worden, maar Suez en de
geheele omstreek zullen een gansch ander voorkomen verkrijgen. Boschjes
en tuinen zullen worden aangelegd en binnen weinige jaren zal Suez
misschien Kaïro in schoonheid en groote overtreffen.
Dit zijn reeds de eerste vruchten van het grootsche werk van den
heer de Lesseps. Moge hij nog lang genoeg leven om den vollen oogst
te aanschouwen, die gewis volgen zal.
Merkwaardige gebouwen treft men uit den aard der zaak in Suez niet
aan. Het eenige wat men daar den reiziger toont, is de plaats van het
oude Clisma, waar nog overblijfselen van eene kade worden gevonden,
en waar men u de kamer wijst, in welke Napoleon, toen hij zich in
December 1798 te Suez bevond, gewoond heeft.
Geen reiziger, die Suez bezoekt, verzuimt de gelegenheid om een tochtje
over de Roode Zee te maken en een bezoek te brengen aan de bronnen,
welke nog steeds naar Mozes worden genoemd. Reeds de oevers der Roode
zee zijn voor den Westerling zeer merkwaardig. Men vindt aan het strand
de schoonste en fraaiste schelpen, welke voor iederen deskundige groote
waarde hebben. De beminnaar van zeldzame natuurschoonheden richte zijne
schreden naar de oevers van de Roode zee en late zich in een bootje op
hare golven wiegelen. Nergens is het water helderder dan daar. Zelfs
op een diepte van dertig vademen kan men duidelijk de kiezelsteentjes
en het zuivere witte zand ontdekken. Wel vindt men er geene klompen
goud, geene paarlen of andere kostbare zaken, welke men in de diepte
der zeeën vermoedt, maar daarentegen de schoonste voorwerpen, die
de natuur oplevert. Geheele bosschen van gele en roode koralen, die
hare schitterende takken wijd en zijd uitbreiden en aan het water
een eigenaardigen tint geven, rijzen uit den schoot der zee op.
Ten einde de reis naar de overzijde der zee gemakkelijk te maken en
den reiziger in de gelegenheid te stellen Hin-Moesa te bezichtigen,
is er een geregelde stoombootdienst geopend. Men betreedt dan de kust
van Azië, en rijdt te paard naar de woning van den franschen consul de
Goutin, die daar ter plaatse een zomerhuis gebouwd heeft. Ain-Moesa,
aan welke de overlevering den naam van putten van Mozes gegeven heeft,
is een liefelijk plekje te midden der woestijn. Hier groeien, aan den
voet eens heuvels, verscheidene palmen, in wier nabijheid zich zeven
bronnen of vijvers bevinden. De meesten zijn echter uitgedroogd, één
levert nog slechts drinkbaar water. De heer de Goutin heeft hier een
kleinen tuin met bloemen en groenten aangelegd, waarvan het onderhoud
hem echter veel geld kost. De eigenaar van dit zomerverblijf heeft
veel te lijden van de zwervende Bedoeïnen, die soms des nachts het
huis binnendringen en alles medenemen wat hun aanstaat.
Suez is ook nog bekend wegens de eigenaardige inrichting der
dusgenaamde turksche baden. Zulk een bad wordt, zooals de heer Conrad
verhaalt, op de volgende wijze gebruikt. Nadat men een groot vertrek,
aan de eene zijde met een breeden divan voorzien, is binnengetreden,
worden de schoenen of laarzen uitgedaan, en een paar houten schoenen
of blokken aangebracht. Vóór dat men die aantrekt, stapt men van
den divan, en kleedt men zich uit. Het goed wordt nu, door een der
bedienden in een doek gewikkeld, nedergelegd. Uitgekleed zijnde,
krijgt men een doek om de lendenen, een tweeden om den hals, en nog
een gekleurden doek als shawl. Dan worden de houten blokken aangedaan,
en door een bediende geleid, gaat men door eenige smalle gangen naar
een ander groot koepelvormig vertrek waar men eenige oogenblikken
vertoeft. Daarna begeeft men zich naar een derde vertrek, mede
koepelvormig, waar in het midden eene groote steenen badkuip staat,
gevuld met warm water. De vloer van dit vertrek is van steen. Naast
de kuip wordt nu een groot kleed gespreid, waarop men gaat liggen,
onder het hoofd een natten doek hebbende.
Men ligt op den rug, en nu worden de armen en beenen heen en
weder gebogen en gerukt, dat zij kraken. Borst en ledematen worden
daardoor ontspannen, en dan wordt het geheele lichaam met een ruigen
handschoen met warm water gewreven. Nadat dit gedaan is, komt men in
het tweede vertrek terug, alwaar men in een bad van lauw water stapt en
ongeveer tien minuten daarin blijft. Daaruit komende, gaat men in een
afzonderlijk hokje op een steenen paal zitten, en wordt nu nog eens
van boven tot onderen met zeep ingewreven en afgeschrobd. Eindelijk
wordt men met bakjes warm en bijna koud water weder afgespoeld,
en daarmede is de operatie afgeloopen.
Nu krijgt men een schoonen drogen doek om de lendenen, en een anderen
als shawl, mitgaders een witten tulband op het hoofd. Daarna gaat
men terug naar de eerste zaal, om op den divan te liggen en op te
drogen. In dien tusschentijd komt er een jongen, om de voetzolen met
een ruwen steen af te wrijven: eene ondragelijke bewerking, die alleen
door Turken is uit te staan. Dan worden koffie en pijpen aangeboden,
en blijft men een goed half uur uitrusten, wat ook inderdaad hoog
noodig is. De geheele badkuur duurt bijna twee uren. Zij is hier te
lande, waar men meestal niet veel uitvoert, eene gewichtige bezigheid.
Naar onze schatting heeft dus een turksch bad niets aanlokkelijks;
men komt met geknakte ledematen en een afgescheurd vel, en dikwijls
nog met springend gedierte, te huis.
Wie de stichter van Suez geweest is, schijnt niet bekend te zijn. Hij,
die het eerst op de gedachte is gekomen, om zich op deze plek te
vestigen, was zeker een handelaar, die voordeel wilde trekken van het
vervoer der goederen, welke van Mekka en Aden uit Arabië naar Egypte
moesten verzonden worden. Hoe onherbergzaam het oord ook was, waar zich
deze eerste handelaar nederzette, toch heeft hij de noodzakelijkheid en
de profijtelijkheid van de vestiging op zulk een punt goed ingezien. En
hij bedroog zich niet, want Suez is het naaste station van de Roode
zee tot Kaïro, en de handel van die plaats langs de Roode zee zou
niet kunnen bestaan, zonder dat men te Suez eene nederzetting had; aan
deze noodzakelijkheid is de stad ook alleen haar behoud verschuldigd.
Wanneer men tegenwoordig van Suez spreekt, dan voegt men er gewoonlijk
het kanaal in zijne gedachten bij. Inderdaad, Suez en het kanaal
behooren even goed bij elkander als Konstantinopel en het serail,
Rome en de Paus. Scheidt men dezen van elkander, dan ontstaat er eene
leegte, welke door iets anders moet aangevuld worden. Maar nu Suez een
kanaal heeft, willen wij de geschiedenis van dat kanaal onderzoeken, de
eerste ontwerpen mededeelen, en dan de verschillende oordeelvellingen
over die reusachtige onderneming aan onze lezers bekend maken.