II

Hoe komt men te Suez?

De beantwoording van deze vraag is zoo eenvoudig niet als misschien

menigeen denkt. Wel hebben de meeste lezers den naam van Suez hooren

noemen of van de landengte van Suez hooren spreken, maar wij gelooven

toch, dat meer dan éen verlegen zou staan, als hij eens oogenblikkelijk

genoodzaakt werd van een zeker punt Europa, b. v. Parijs, de reisroute

naar en de ligging van Suez nauwkeurig aan te geven. Om hem echter

uit die verlegenheid te redden, willen wij eerst aanduiden waar

Suez ligt, en dan de reis derwaarts maken. Als men de wereldkaart

voor zich legt, dan ziet men dat deze in twee groote halfronden is

verdeeld en wel in een westelijk en oostelijk halfrond. Zoo men nu

den blik richt op het oostelijk halfrond, dan treft men daar onder

anderen de beide werelddeelen Afrika en Azië aan, die op zeker punt,

waar Syrië en Egypte elkander raken, door eens smalle strook lands

verbonden zijn: het is nu naar dit punt dat wij den lezer verzoeken

zijne blikken te richten. Die landengte verbindt wel Azië aan Afrika,

maar scheidt tevens de Middellandsche van de Roode zee af, en is dus

een hinderpaal voor de reizigers, die zich met een schip langs den

kortst mogelijken weg naar Indië willen begeven. Aan den noordelijken

zoom van deze landengte, aan de Middellandsche zee alzoo, ligt Port

Saïd (zie blz. 101 en 104, de haven van Saïd); aan den zuidelijken

oever, alzoo aan de Roode-zee, ligt de stad Suez. Naar deze laatste

plaats nu willen wij de reis ondernemen. Men kan, van Parijs uit,

als het punt dat wij straks aangaven, de reis maken per spoor tot aan

Triëst, waar alsdan stoombooten gereed liggen, welke de passagiers

naar Alexandrië in Egypte overbrengen, en van waar men vervolgens

de reis per spoor naar Suez voortzet. Ons dunkt het beste een andere

weg te kiezen, en wel van Parijs per spoor naar Marseille, en vandaar

per stoomboot naar Alexandrië.

Gewoonlijk kiezen de reizigers een der (westersche) wintermaanden uit

tot het aanvaarden van een tocht naar het Oosten, omdat men des zomers,

of ook wel bij den aanvang van den herfst, te veel van de hitte te

lijden heeft; en wijl de maand November als zoodanig de geschiktste

tijd is, schepen wij ons dan te Marseille op de stoomboot in, koers

wendende naar Sicilië en Messina. De kust van Sicilië, ten minste die

langs de straat van Messina, biedt zeer veel verscheidenheid aan,

hoewel het voorkomen een weinig woest is. Zij is de wieg en zal

waarschijnlijk eenmaal het graf zijn van den vuurspuwenden berg de

Etna, welke weleer door de ouden werd aangezien voor de werkplaats

der Cyclopen, die in de spelonken van dat gebergte de bliksems

smeedden voor Jupiter. Alles, land en zee, berg en dal, is hier

vervuld met mythologische en historische herinneringen, die wij echter

stilzwijgend voorbijgaan, omdat wij nu in het heden en niet meer in

het prachtige verleden leven. Weldra krijgt de reiziger de grieksche

kust in het gezicht; de boot stoomt kaap Matapan, het zuidelijkste

punt van Europa, voorbij, en nadert het eiland Cerigo, behoorende

tot de groep der Jonische eilanden. Cerigo, oudtijds Cythere genoemd,

was weleer het paradijs van Venus, waar tempels en standbeelden ter

eere dier godin waren opgericht. Als Cythere was wat thans Cerigo

is, dan hebben de aanbidders dezer ontrouwe gade van Vulkanus, naar

ons oordeel, eene slechte keus gedaan, daar gemeld eiland tamelijk

onherbergzaam en onvruchtbaar is, doch misschien is het dit in den

loop der tijden geworden.

Het eiland Candia (Creta), zuidelijk van Cerigo gelegen, is niet ver

van Cyprus, waar men Europa uit het oog verliest, om na eene reis

van ongeveer acht dagen het anker te werpen in de haven van Alexandrië.

Alexandrië, van de haven uit gezien, biedt niets verrassends of

boeiends aan. De stad is gebouwd op een vlak terrein en maakt

hoegenaamd geen indruk. Links en rechts van de haven staan hooge

windmolens, wier eerste in- en oprichting door de soldaten van generaal

Kleber werd bewerkstelligd, en die zoo zeer de aandacht van Méhémed-Ali

trokken, dat hij hun getal aanmerkelijk deed vergrooten. Zoover het oog

slechts reiken kan, ziet men niets dan deze groote vierarmige machines,

die ons aan Zaandam zouden doen denken als er zich een andere hemel

over Nederland welfde. Alle poëtische illusiën, die de reiziger zich

mocht gevormd hebben, verdwijnen bij den aanblik van die prozaische

luchtschermers, en zoo er zich niet hier en daar een zuil verhief,

of die eentonige huizenrij door minarets werd afgewisseld, men zou

waarlijk geheel in zijne verwachting zijn teleurgesteld. Alexandrië

is niet meer de stad der Ptolomeën. Deze is verwoest. De tegenwoordige

stad, die op de puinhoopen der oude gebouwd is, heeft van hare vroegere

pracht niets overgehouden en beantwoordt niet meer aan de gedachte van

haren grooten stichter. Alexandrië moest niet alleen eene machtige

koopstad zijn, maar ook een middelpunt van beschaving, de zetel van

kunsten en wetenschappen, een brandpunt van het grieksche leven; en zij

is dit eeuwen lang ook geweest. Het nieuwe Alexandrië is uitsluitend

voor den handel ingericht. Te vergeefs zoekt het oog de kolossale

gebouwen van het alexandrijnsche tijdperk of van de romeinsche

architecten. Zij zijn verdwenen, en heden ten dage vindt men, naast

de hutten der armoede, slechts de huizen der kooplieden, geheel naar

de fransche bouworde ingericht. De europeesche bevolking der stad

schijnt geene behoefte te hebben aan plaatsen van algemeene samenkomst,

zoodat men niet eens een schouwburg of een vereenigings-lokaal heeft

waar men te zamen komen kan. Zelfs toen Mad_lle_ Rachel eenige jaren

geleden de stad bezocht, kon zij er geene voorstelling geven, tot

grooten spijt van hare bewonderaars, en moest men zich vergenoegen

haar in haar hotel een bezoek te brengen.

Middelerwijl nadert men de aanlegplaats, en moet het schip zich een weg

banen tusschen de talrijke vaartuigen, welke in de haven liggen. Bijna

alle handeldrijvende natiën zijn hier vertegenwoordigd, en hare vlaggen

en winpels wapperen van alle zijden. Na de gewone visitatie ligt het

schip eindelijk voor de landingsplaats stil, en wordt de reiziger

plotseling bestormd door een twintigtal ezels en een gelijk getal

arabische straatjongens, die zich onder oorverdoovend geschreeuw,

van de heftigste gebaren vergezeld, op hem werpen. "Klim maar op

mijn ezel! Neem den mijnen, hawadji! Mijn ezel is een beste! Ik

ben een goede gids," roept de een. "Geloof hem niet, signor, hij

heeft een slechten ezel en hij deugt niet voor gids," roept een

ander. "Dit is de beste van alle ezels, hawadji! Ik ben alleen een

goede geleider!" schreeuwt een derde. Men wordt door ezels en menschen

omringd, gedrongen, overschreeuwd, vervolgd, en ten slotte ziet men

geen redding uit dien kring van twee- en viervoetige dieren, terwijl

men evenmin weet wien men kiezen zal. Eindelijk geeft men zich over

aan hem die het hardst schreeuwt: "Beklim mijn ezel maar!" Maar op

het oogenblik dat men vast in den zadel denkt te zitten, rolt men in

het zand, indien de geleider niet den stijgbeugel aan de andere zijde

vasthoudt, want de egyptische stijgbeugels hangen aan riemen, welke

niet onder den zadel worden vastgehouden. Soms plaatst een geleider

u met geweld op zijn grauwtje, en jaagt u dan, door middel van een

krachtigen zweepslag, in een bespottelijken draf naar het hotel. De

ezeldrijvers van Alexandrië zijn even rumoerig, even snaaksch en

even slim als de straatjongens van Parijs. Zij leggen er zich op toe,

zooveel mogelijk engelsche woorden op te zamelen, en maken daarvan een

potsierlijke taal op hun eigen hand. Op alles hebben zij een antwoord

gereed, en wanneer hun ezel een misstap doet, waardoor gij groot gevaar

loopt zandruiter te worden, weten zij behendig uw val te voorkomen,

terwijl zij u met een onnoozel gezicht toevoegen: "Een goed ezeltje

toch, niet waar? Men zou er geen paard voor verkiezen."--Daar het in

deze maand gewoonlijk regent, wordt de indruk, welken men van de stad

gekregen heeft, niet gunstiger. De straten, door de zomerdroogte als

het ware met stof gemacadamiseerd, gelijken op modderkuilen, en daar

de geringere volksklasse zich hieraan reeds gewend heeft, ziet men

haar ook gewoonlijk met bloote voeten en naakte knieën door het slijk

waden. Men is van oordeel dat deze regenbuien het gevolg zijn van

de talrijke bosschen en boschjes, door de Europeanen rondom de stad

aangelegd, wijl vroegere reizigers van iets dergelijks niet gewagen.

Het is niet te ontkennen, dat hetgeen men pittoresk noemt, meestal zoo

morsig is. In de sombere en stinkende steegjes van Alexandrië vindt

men afwisselingen van licht en bruin, waarmede een schilder fortuin

zou maken; blinkende zonnestralen verlichten de met rijk beeldwerk

overladen oude huizen; hier en daar steken kleederen van schitterende

kleuren tegen den modder en het stof af; de breedere straten zijn

van de eene naar de andere zijde met gestreepte stoffen overspannen,

ten einde de voorbijgangers tegen de zonnestralen te beschutten. Eene

gansche bevolking, die nooit de wasschingen schijnt verricht te hebben

welke hare wet haar voorschrijft, wandelt rond met een tred, waarvan

de statigheid slechts overtroffen wordt door dien der kameelen, die

hunne koppen boven de menigte uitsteken. Tooneelen van dezen aard doen

wondergoed voor op eene schilderij, die noch de onaangename geuren,

noch het stof, noch de honden, noch al het walgelijke ongedierte

wedergeeft, waarvan het daar wemelt. Maar de waarheid is anders;

wanneer het droog weder is, zinkt men tot de enkels weg in het stof,

dat u in de keel, de longen, de oogen, den neus en de ooren dringt;

en wanneer het regent, plast men door den modder. Bij droog zoowel

als bij nat weder, loopt er door elke straat eene groot of liever een

modderpoel, die alle onreinheden opneemt, zoodat het geen wonder is

dat de pest nu in deze, dan in gene wijk uitbreekt.

Men vindt in Alexandrië echter zeer nette huizen en goed ingerichte

hotels. "De merkwaardigheden in Alexandrië," schrijft de heer

F. W. Conrad in zijne reizen naar de landengte van Suez, "die

men volstrekt moet zien, zijn de kolom van Pompejus en de naald

van Cleopatra. De kolom van Pompejus heb ik verscheidene malen

bezocht. De consul-generaal der Nederlanden, de heer S. W. Ruyssenaers,

die gedurende ons verblijf in Egypte niet opgehouden heeft ons

alle mogelijke oplettendheden te bewijzen, bracht er mij voor de

eerste maal. Hij woonde toen niet ver van daar op een allerliefst

buitenverblijf. In zijn fraaien tuin werd mij een heerlijke bouquet

rozen en andere bloemen gegeven, waarbij ik mij moeielijk kon

voorstellen in de maand November te zijn. Dit gaf mij gelegenheid,

aan eene dame, die tot onze reisgenooten behoorde, eene kleine

oplettendheid te bewijzen.

"De kolom van Pompejus staat op eene hoogte, even buiten de

tegenwoordige stadswallen. Zij bestaat uit voetstuk, schaft en

kapiteel, waarvan de gezamenlijke hoogte ruim 40 Ned. el bedraagt. De

schaft, lang 21 Ned. el, is een goeden stijl; doch voetstuk en kapiteel

zijn slechts middelmatig en schijnen uit een ander tijdvak. De omtrek

van de schaft is beneden 8.90 el en boven 4.95 el.

"Volgens sommigen wordt op een der steenen van het voetstuk de

naam gelezen van Psammeticus II; ik heb dien echter niet kunnen

vinden. Verscheidene reizigers hebben er hunne namen, sommigen met

reusachtige letters, op geschreven, die het gedenkteeken waarlijk niet

verfraaien. Men meent, dat dit gedenkteeken zeer ten onrechte den naam

draagt van kolom van Pompejus, dewijl het door Publius, prefect van

Egypte, zou zijn opgericht ter eere van Diocletianus, bij gelegenheid

der verovering van Alexandrië, 296 jaren na Christus' geboorte.

"De naald van Cleopatra is een obelisk van graniet van Syene. Zij is

ongeveer 21 el hoog, de dikte van onderen is 2.28 el.

"Er waren vroeger twee zoodanige obelisken, die te Heliopolis

stonden; ze zijn door een van de romeinsche Keizers naar Alexandrië

overgebracht. Volgens Champollion vond men er den naam van Thotmosis

III op, die 1756 jaar vóór Christus' geboorte regeerde, en op ééne

der zijden dien van Ramses of Rameses den Groote, die voor Sesostris

gehouden wordt, alsmede dien van Osiris II, den derden opvolger van

Ramses den Groote. Een van deze beide obelisken, thans algemeen

bekend onder den naam van naald van Cleopatra, is echter slechts

staande gebleven.

"Het paleis van den onderkoning te Alexandrië, dat aan de haven

gelegen is, heeft een zeer fraai uitzicht op zee; het is half op

turksche, half op europeesche wijze gemeubeleerd. Opmerkenswaardig

zijn de fraai ingelegde vloeren, vooral in de groote ronde zaal,

die zich in het midden van het paleis bevindt. Deze zaal heeft een

balkon aan de zijde van de haven, waar de onderkoning dikwijls zit om

een zeeluchtje te scheppen en waar Z. H. ons meermalen ontvangen heeft.

"De straten in Alexandrië zijn alle ongeplaveid en in het oudere

gedeelte der stad nauw, zoo als in alle oostersche steden. De nieuwere

gedeelten en het europeesche kwartier maken daarop uitzondering. Het

groote plein op de plaats der consuls is ruim, en de huizen zijn

luchtig en geheel europeesch. Het is het beste gedeelte der stad;

men vindt daar al de groote hotels, die zeer goed zijn ingericht,

en de consulaten van alle natiën, waarvan sommige open trappen op

het dak hebben, waar men ver in zee een uitzicht heeft en waarop des

Zondags en op feestdagen de vlaggen der verschillende volken waaien.

"De huizen binnen de stad hebben meer het oostersche karakter,

met verschillende uitstekken van fijn latwerk, dat er dikwijls

schilderachtig uitziet.

"De bevolking en vooral de bazars geven aan den vreemdeling, die in

Alexandrië aankomt, voor het eerst eene echt oostersche vertooning. De

winkels in de bazars zijn alle klein, onafgesloten, zonder vensters

of deuren. De kooplieden zitten op de gewone oostersche wijze met de

beenen kruiselings onder zich gevouwen op den vloer, die even boven

den beganen grond verheven is, rooken uit hunnen nargilé of chibouk,

alles met groote kalmte, en geven zich niet de minste moeite om iets

te verkoopen. Wil men iets koopen, dan moet men het hun met moeite

afpersen. Men moet altijd bepaald naar het voorwerp vragen dat men

koopen wil, want een Turk kan zich geen denkbeeld maken dat men iets

zoude willen koopen, dat men niet volstrekt noodig heeft. Van ons

flaneeren langs de winkels heeft hij niet het minste denkbeeld.

"Bij het bezoeken van de egyptische autoriteiten wordt men geheel

op de turksche wijze ontvangen. Bij ons bezoek aan het hotel van

den minister van marine en van den gouverneur der stad, die ons

gezamenlijk ontvingen, stonden alle hunne dienaren aan den trap, en

wij gingen langs dat talrijke personeel tot in eene groote zaal, waar

beide heeren ons ontvingen en wij op den divan bij hen plaats namen.

"De zaal was met matjes belegd en zonder eenige andere meubels dan

breede divans langs de wanden. Men bracht ons dadelijk chibouks met

amberen mondstukken, waarvan vele met fraaie diamanten ringen omzet

waren. De kop van de pijp wordt op een zilveren blad op den grond

gelegd. De pijpen worden aangestoken gebracht en met eene sierlijke

wending aan den mond gelegd, hetgeen met eene groote juistheid en

handigheid geschiedt; daarbij wordt hete koffie zonder melk of suiker

aangeboden in kleine fijn porceleinen kopjes, die in fraai gemonteerde

bekertjes staan. Vervolgens wordt sorbet, een tweede pijp en een

tweede kop koffie aangeboden, waarmede het bezoek dan meestal eindigt."

In plaats van het beroemde museum en de bibliotheek door Ptoloméus

Soter gesticht, vindt men hier "_a little circulating library_"

(leesbibliotheek), in welke men meest al de werken van Alexandre Dumas,

Paul de Koek, Eugène Sue en andere schrijvers vindt, welke boeken

door Europeaan en inboorling gretig verslonden worden. Hier is het

spreekwoord dus wel van toepassing: andere tijden andere zeden. In

gemeld museum van Ptoloméus werd een exemplaar gedeponeerd van elk

bekend werk: daar bevond zich, naar men zegt, ook een handschrift

van de echte grieksche vertaling van het Oude Testament, welke bekend

staat onder den naam van de Septuaginta, die der Zeventigen. Sommigen

verhalen dat er gedurende de belegering der stad door Julius Cesar

400,000 deelen van de bibliotheek zijn verloren gegaan, hoewel dit

door andere historieschrijvers wordt bestreden.

Het wordt echter tijd dat wij onze reis voortzetten, waartoe wij

nu gebruik maken van den spoorweg, die van Alexandrië naar Kaïro

loopt. De trein vertrekt tweemaal daags naar laatstgenoemde plaats:

des morgens te acht uur en des avonds te vijf. Met het gewone fluiten

der lokomotief verlaat de trein het station en spoort langs de boorden

van het meer Mareotis. Dit meer was vroeger, onder de heerschappij der

Romeinen, bevaarbaar, en ontving zijn toevoer van water uit de rivier

den Nijl. Zijne oevers waren bevolkt met welgestelde landlieden, die

inzonderheid den wijnbouw beoefenden. Heden ten dage is Mareotis niets

meer dan een moeras, verlaten van menschen en bedekt met een korst van

zoutachtig schuim. De weg is in den beginne zeer eentonig: slechts hier

en daar afgebroken door een dorp te midden van palmboschjes. Karavanen,

aangevoerd door Egyptenaars in hunne bevallige kleeding, trekken den

smallen weg langs van het spoor. Het eerste station is Kefr-Ayat,

waar twintig minuten wordt stilgehouden. Van hier uit wordt de weg

bekoorlijk. Onophoudelijk snelt men oasen en dorpen met schitterend

witte huizen voorbij. Overal palmen, velden met suikkerriet, arbeiders,

ruiters en kameeldrijvers met hunne lastdieren. Hoe jammer dat de

menschen hier zoo traag zijn om te arbeiden, want de grond is bij

uitstek vruchtbaar. Reeds te Kefr-Ayat wordt men lastig gevallen door

eene menigte van bedelaars, die hunne nooit gewasschen handen naar u

uitstrekken en u om bakshish (fooi) vragen, en zelfs zoo driest zijn,

dat zij den trein naloopen, al is deze ook in beweging. Zij klimmen op

de wagens, steken hunne ontbloote armen door de opening waarin de lamp

hangt, ontvangen eene kleinigheid, en springen dan met de behendigheid

eener kat weder op den weg. Na eene reis van zes uren, ziet men Kaïro

voor zich liggen, terwijl de schaduw der drie groote pyramiden zich

in reusachtige vormen over het zand der woestijn uitbreidt.

Kaïro mag inderdaad stad der Duizend en een Nacht worden genoemd. Zij

is de hoofdstad van Egypte, en het verblijf van den onderkoning. De

stad is ongeveer anderhalf uur gaans lang, een uur gaans breed, en

telt meer dan 350,000 inwoners Men kan zich geen denkbeeld maken van

de drukte en de beweging die hier heerscht, vooral door den spoorweg en

het kanaal van Suez. Duizende menschen gaan u in de meest verschillende

kleeding voorbij. Muziek, zoowel egyptische als europeesche, klinkt u

van alle kanten tegen. Ruim driehonderd moskeeën staan op hare pleinen,

en meer dan twintigduizend ezels worden door hunne drijvers door de

stad geleid. Ook zagen wij bepakte struisvogels, die als lastdieren

door de nauwe straten renden. Kaïro heeft drie voorsteden, Oud-Kaïro,

Boelak en Shoebra. In de beide eerstgemelden, die op zich zelve reeds

groote steden kunnen genoemd worden, bevinden zich de fabrieken van

den onderkoning.

De huizen van Kaïro zijn zeer schilderachtig, vooral door de

_moucharabiés,_ eene soort van balkons, voorzien van traliewerk,

die de meeste woningen versieren. De moskeeën en winkels zijn in

den zuiver arabischen stijl gebouwd. Op eene hoogte, in Oud-Kaïro,

staat eene kerk, die voor de oudste Christenkerk in Egypte gehouden

en waarin door armenische geestelijken de dienst verricht wordt. "Wij

bezochten haar," verhaalt een reiziger, "juist toen een priester bezig

was luide zijne gebeden op te zeggen. Hij verhinderde ons niet in het

bezichtigen der kerk, en wees ons zelfs, tusschen het bidden door, dat

wij ook naar boven in de kerk moesten gaan om haar te bezichtigen. Al

biddende, nam hij gaarne eenige geldstukken aan.--Niet ver vandaar

bevindt zich een grot, die door de overlevering als de plaats wordt

aangewezen, waar Jozef en Maria op hunne vlucht naar Egypte met het

Kindeke Jezus hebben gewoond. Hoewel wij er volstrekt geen geloof

aan sloegen, hebben wij die grot echter bezichtigd. De eigenlijke

(zoogenaamde) woning van Jozef en Maria ligt onder den grond, en is

slechts eene duistere spelonk, waar ten minste thans niemand meer

zou willen wonen. Boven die spelonk is eene kapel gebouwd, die door

koptische priesters bediend wordt. Toen wij de kapel verlieten, werden

wij door een zwerm bedelaars omringd, welke van ons bakshish begeerden,

en zeker om ons te believen onophoudelijk Sancta Maria! schreeuwden.

"Een goed uur gaans van Kaïro, te Matarich, vindt men de ruïnen

van Heliopolis (Zonnestad). Men houdt deze plaats voor het oude On,

eene der hoofdsteden van Egypte, waar Jozef met Asnath, de dochter

van Potifera, overste dier stad, huwde,

"Wij maakten ook eenige wandelingen in den omtrek, onder anderen naar

het eiland Rhoda, dat tusschen Oud-Kaïro en Giseh, dicht bij den

linkeroever van den Nijl, ligt. De overlevering zegt, dat op deze

plaats de egyptische prinses Mozes in zijn biezen mandje gevonden

heeft. Op dit eiland, vol tuinen en lusthuizen, bevindt zich de

merkwaardige Nilometer, waar men de hoogte van het water der egyptische

rivier meten kan. Deze Nilometer bestaat uit eene achtzijdige zuil,

die loodrecht ter hoogte van vijftig voet boven eenen met den Nijl

in gemeenschap staanden gemetselden bak is opgericht, en waarop het

peil staat ingebeiteld. Het water komt thans 8 1/4 voet hooger dan

in vroegere tijden.

"Toen wij het uitstapje naar Giseh maakten, moesten wij den Nijl

over. Maar gij kunt u geen denkbeeld maken van de heerlijke natuur,

die hier heerscht. Hoewel wij in December zijn, groeien langs de

oevers allerlei heerlijke planten en meest alle groenten, welke wij

in den zomer eten. De boomen, en vooral de schoone kassie (_cassia

fistulosa_) hangen vol bloemen en kransen. Het vlas bedekt met zijn

zacht en liefelijk groen geheele velden, en de tarwe is zoo hoog

als bij ons in Mei. Akkers vol erwten en boonen, en langs de oevers

het suikerriet, ademen ons de liefelijkste geuren te gemoet. In de

maand Maart zijn de velden wit om te oogsten, maar in het begin

van April begint men eerst met het inzamelen der vruchten. Later

wordt het zeer heet en het klimaat ongezond. Daarom is het dan ook

voor een Europeaan niet goed in den zomertijd naar Egypte te reizen,

wijl de drukkende hitte en de gloeiende winden niet alleen koortsen,

maar zelfs de pest doen ontstaan, die voor eenige jaren in Kaïro ruim

80,000 menschen ten grave sleepte.

"Te Giseh vindt men de piramiden van Cheops, Chephren en Mykerina. De

piramide van Cheops, die ongeveer 460 rijnlandsche voeten hoog is,

vergunt u een blik te slaan over het geheele Nijldal tot ver in

Opper-Egypte. Westwaarts ziet men de kale bergen van de lybische

woestijn met hare roode zandvlakte. Oostwaarts heeft men het arabische

gebergte, en aan den voet Kaïro, met zijne torens en minarets. Langs

den Nijl liggen eene menigte dorpen, en duidelijk zagen wij de

puinhoopen der oude koningsstad Memphis. De menschen, welke beneden

ons waren, geleken niet grooter te zijn dan mieren."

Kaïro is het eldorado der slangenbezweerders. "Ik zag," zoo verhaalt

een reiziger, "een groep, in wier midden een man stond, wiens lichaam

geheel met slangen van allerlei grootte en van de gevaarlijkste soort

bedekt was; hij droeg ze als halsband, als gordel, als armbanden,

kortom overal aan armen, beenen, ja overal waar maar plaats was--hij

geleek een ware Laokoon. Het eenige onderscheid tusschen hem en dezen

mythologischen leider was, dat de dieren aan zijne stem gehoorzaamden,

en in eene zeer goede verstandhouding met hem leefden: hij was een

slangenbezweerder, _psyllus._ Nog leven in Egypte eenige psylli,

de laatste nakomelingen van een bijna uitgestorven volksstam. Hunne

zeden en gewoonten zijn niet zonder eigenaardige bijzonderheden:

om de trouw der vrouwen te beproeven, plachten zij de pas geboren

kinderen aan de wreedste slangen bloot te stellen, omdat, zoo als

zij geloofden, de in overspel verwekte kinderen door deze kruipende

dieren opgezocht werden; men verzekert, dat de reuk van het lichaam

der psylli voor de slangen een doodelijk vergift is. Zij worden

voor bekwame slangenbezweerders gehouden, en beweren, dat een man,

in wiens aderen niet het reine bloed van hunnen stam vloeit, hunne

kunsten niet kan nabootsen. Men ontmoet hen dikwijls in de straten

van Kaïro; zij zijn licht gekleed, hebben deze dieren om armen en

hals gewonden, en dragen groote lederen zakken, waarin zij die slangen

bergen die zij uit de huizen verdrijven. Zij maken eene afzonderlijke

kaste uit, en erkennen een opperhoofd, dat volgens zijne bewering

van den grootten scheik Reyfaschye afstamt. Slangen komen in Egypte

in menigte voor, en daar schier alle wanden der huizen slechts uit

gedroogd leem bestaan, kunnen zij er gemakkelijk in doordringen. Wil

men een huis van deze gevaarlijke gasten zuiveren, dan roept men een

psyllus; de met eene roede gewapende bezweerder bezoekt de vertrekken,

spuwt op den grond, en spreekt de navolgende woorden: "Ik bezweer

u bij God te verschijnen; ik beveel het u bij de geweldigste macht;

als gij gehoorzaam zijt, zoo verschijn; zijt gij ongehoorzaam, dan

zult gij sterven--ja, dan zult gij sterven." Weldra ziet men dan

een slang uit de eene of andere scheur van den muur te voorschijn

komen, of uit den grond kruipen. Natuurlijk houdt men dit alles

voor kwakzalverij; maar men heeft tot nu toe de middelen niet kunnen

ontdekken, die zij inderdaad aanwenden; men vermoedt, dat zij zulke

dieren bij zich verborgen hebben, om ze in donkere kamers te werpen,

waar zij ze dan ook weder gemakkelijk kunnen vinden. Ik weet niet,

of men aan de macht van den psyllus gelooven mag; ook weet ik niet,

of deze menschen inderdaad de kracht bezitten, de slangen tot zich

te lokken en te overmeesteren, zoo als er menschen zijn, die door

hunnen blik de verscheurende dieren weten te temmen."

Een van de schoonste pleinen der stad is de Esbëkiëh, eene wandelplaats

waarvan de _beau monde_ van Kaïro een dagelijksch gebruikt maakt, en

waar men dan ook een in deze streken zoo zeldzaam, aangenaam lommer

vinden kan. Deze altijd groene en steeds door de waterdragers frisch

gehouden wandelplaats, met een prachtig hotel voor reizigers, zou zelfs

eene groote europeesche hoofdstad niet ontsieren. Verscheidene openbare

bronnen in de stad zijn zeer bezienswaardig, als voorbeelden van

fraaien oosterschen stijl. Die van Toussoum en Ismaël-Pasja verdienen

in het bijzonder daaronder vermeld te worden. De honden zijn hier een

ware plaag voor den vreemdeling, die niet aan hun gehuil gewend is. Hun

getal is legio; zij hebben meestal geen meester, en leven in hunne

eigene kwartieren, waarvan zij de grenzen niet overschrijden. In de

zeldzame gevallen dat dit gebeurt, heeft de overtreder een harden kamp

te strijden, want hij wordt dadelijk met woede door de wettige bewoners

van het kwartier aangevallen en spoedig naar het zijne teruggejaagd,

terwijl menige hond zijn uitstap met den dood bekoopen moet.

Van Kaïro, of liever van hare voorstad Boulak, welke aan gene zijde

van den Nijl ligt, vertrekt men met de spoor naar Suez. De weg gaat

dwars door de woestijn en telt slechts drie stations. Belangrijke

kunstwerken komen er niet voor, want er worden weinig landen gevonden

zoo gemakkelijk voor den aanleg van spoorwegen als Egypte. De lengte

van den geheelen spoorweg is honderd-zes-en-dertig nederlandsche

mijlen. De stoelen der spoorstaven zijn van gegoten ijzer, eene soort

van ijzeren potten, die omgekeerd onmiddellijk op de baan worden

gelegd. De arbeid tot het leggen dezer potten geschiedt door een los

raam, dat voorzien is van lichte, van plaatijzer gemaakte vormen, en

dat telkens vooruit gelegd wordt, waardoor de zandheuveltjes gevormd

worden, waarop de stoelen juist passen. De spoorstaven worden met

wiggen op de stoelen vastgemaakt, en de stoelen zijn met ijzeren staven

aan elkander bevestigd, ten einde de evenwijdigheid van den weg te

bewaren. De arbeid tot het leggen van het spoor gaat zeer geregeld en

is zeer doelmatig. Hout wordt er aan dezen spoorweg niet gebruikt. Aan

eene bekleeding van de baan door graszoden of andere begroeiing kan

voor het grootste deel der lengte niet worden gedacht, en er moeten

andere middelen aangewend worden om de verstuivingen te voorkomen.

Eene reis per spoor, vooral als zij een halven dag duurt, is in deze

eeuw, waarin men zich nauwelijks tijd gunt om adem te halen, voor den

reiziger zeer vervelend. Dit is ook het geval op den weg van Kaïro

naar Suez, die voor het grootste gedeelte niets aanbiedt dan hemel en

zand. Hoe meer men echter de stad nadert, des te afwisselender wordt

het tooneel. Vooral het gebergte Awebet, dat zuidwaarts van het tweede

station zich verheft, brengt bij den passagier aangename indrukken

te weeg. Wanneer men dit gebergte voorbij gestoomd is, ziet men diep

in het zuiden het gebergte Attakah, welks bijna loodrechte wanden

door de golven der Roode zee bespoeld worden. Heeft men deze bergen

in het gezicht, dan kromt zich de weg, die eerst oostwaarts liep,

naar het zuiden en spoedig ziet men de haven van Suez voor zich liggen.

Voor dat wij echter de stad binnentreden, achten wij het noodig den

lezer met den man bekend te maken, wiens naam in de laatste jaren aan

dien van Suez en het kanaal zoo nauw verbonden is. Wij bedoelen den

heer Ferdinand de Lesseps (Zie bladz. 76). Deze onvermoeide ontwerper

en bevorderaar van de doorgraving der landengte van Suez werd in 1805

te Versailles geboren. In 1825 betrad hij de diplomatieke loopbaan, als

attaché bij het fransche consulaat-generaal te Lissabon. De minister

de la Ferronays bezigde hem in 1827 en 1828 bij de afdeeling handel

van het ministerie van buitenlandsche zaken, en benoemde hem den 12

October van het laatstgenoemde jaar tot consul-leerling en later tot

attaché bij het consulaat-generaal te Tunis. Eenige maanden na de

verovering van Algiers droeg de maarschalk Clauzel hem eene zending

op, die in verband stond met eene poging om de provincie Constantine

tot eene vreedzame onderwerping te bewegen. In 1831 begaf hij zich

voor de eerste maal naar Egypte, waar hij verscheidene jaren bij

het consulaat werkzaam was en aanhoudend in rang steeg. Van Kaïro

moest hij zich meermalen naar Alexandrië begeven, om daar voor den

franschen consul-generaal op te treden. Dit was ook het geval gedurende

de vreeselijke pest, die Alexandrië in 1834 en 1835 teisterde en

bijna het derde gedeelte der bevolking wegrukte. Uit aanmerking

van de zelfopoffering waarmede de Lesseps bij die gelegenheid de

europeesche kooplieden ten dienst had gestaan, schonk Lodewijk

Philips hem het kruis van het legioen van eer. In 1836 moest hij,

gedurende de gewichtige staatkundige gebeurtenissen, den post van

consul-generaal en van politiek agent waarnemen. Hij maakte van de

bezetting van Syrië door Ibrahim-pasja gebruik om meer uitbreiding te

geven aan het recht van bescherming over de Katholieken in den Levant,

waarop Frankrijk aanspraak maakte, en hield zich tegelijkertijd bezig

met pogingen om eene betere verstandhouding tusschen den Sultan en

Mehemed-Ali tot stand te brengen.

Na om redenen van gezondheid een verlof verzocht te hebben, aanvaardde

hij in Juli 1838 het fransche consulaat te Rotterdam. Reeds een jaar

later echter vertrok hij als vertegenwoordiger van den franschen

handelsstand naar Malaga, waar hij bijzondere studie maakte van den

toestand der spaansche partijen, zoodat hij in de gelegenheid was

daaromtrent te Parijs menigen nuttigen wenk te geven. Toen Catalonië

het middenpunt der oppositie begon te worden, werd hij naar Barcelona

verplaatst. In Mei 1842 kwam hij aldaar aan. In November volgde het

bombardement, dat de in opstand geraakte stad weder tot onderwerping

moest brengen; gedurende die gebeurtenissen bevond de Lesseps zich in

een moeielijken toestand als agent eener mogendheid, wier vijandige

gezindheid jegens Espartero geen geheim was. Hij nam zulke goede

maatregelen voor de veiligheid en de belangen zijner landgenooten,

verleende aan zoo vele Spanjaarden, wier leven gevaar liep, eene

schuilplaats op de fransche oorlogsschepen, en deed zulke met goed

gevolg bekroonde stappen om den toorn des overwinnaars van Barcelona

af te wenden, dat hij in deze treurige dagen eene zeer belangrijke

en zeer schoone rol speelde. Vele mogendheden beloonden hem met

onderscheidingen. Lodewijk Philips had hem het legioen van eer

geschonken; de Koningen van Nederland, Sardinië, Napels en Zweden

zonden hem ridderorden; andere mogendheden bedankten hem langs

diplomatieken weg voor den bijstand, dien hij aan hare onderdanen

verleend had; en eene der eerste handelingen van Koningin Isabella,

na hare aanvaarding der regeering, was zijne benoeming tot kommandeur

eerste klasse der orde van Karel III. De kamer van koophandel te

Marseille zond hem een zeer vleiend adres, de Franschen te Barcelona

lieten eene medaille te zijner eere slaan, en de kamer van koophandel

aldaar plaatste zijn borstbeeld in hare vergaderzaal.

Als consul-generaal van Frankrijk, bleef de Lesseps tot aan de

Februari-revolutie te Barcelona vertoeven. De voorloopige regeering

ontbood hem per telegraaf naar Parijs, om verslag te doen aangaande

den toestand van Spanje. Vervolgens werd hij als fransch gezant

naar Madrid gezonden, alwaar hij een postverdrag sloot, waarbij de

briefporten aanzienlijk verminderd werden. Versierd met het grootkruis

van Isabella la Catolica, verliet hij den 10_den_ Februari 1849 de

spaansche hoofdstad, alwaar hij door prins Napoleon Joseph Bonaparte

vervangen werd. Men had de ambassade te Bern voor hem bestemd, doch

tengevolge van de voorgenomen expeditie der Franschen naar Rome

werd hem een andere werkkring aangewezen. Hij werd namelijk belast

met eene zending aan het romeinsche driemanschap, die schijnbaar

in een verzoenenden geest moest zijn; doch de val der romeinsche

republiek was onherroepelijk besloten, en de onderhandelingen,

waarmede hij belast werd, moesten slechts dienen om tegenover de

fransche nationale vergadering den schijn te bewaren. Hij was niet in

het geheim genomen, en handelde dus met het eerlijke doel, om zonder

bloedvergieten eene goede verstandhouding tusschen de fransche en de

romeinsche republiek tot stand te brengen. Men liet hem maar begaan,

totdat generaal Oudinot de noodige versterking ontvangen had, waarop

de Lesseps werd teruggeroepen. Toen hij vernam hoe zeer hij bedrogen

was geworden, vroeg hij zijn pensioen, en rechtvaardigde zijn gedrag

in eene memorie aan den raad van state. Sinds dat oogenblik heeft

hij zich uitsluitend bezig gehouden met de verwezenlijking van zijn

geliefkoosd plan: de doorgraving der landengte van Suez.

Suez De Aarde en haar Volken, 1865 · 第 2 / 7 题