opgenomen en in een nauw straatje geworpen, waar het bloed uit hun
wonden vloeide en een rooden stroom door de straatgoot dreef. Een
ander, Ganpat Rai, werd bevrijd door een bevrienden Bengalees, een
heer, die hem naar zijn huis bracht en zijn wonden verbond, om hem
daarna onder geleide naar het hospitaal te laten brengen. Gurmukh Das,
ook een van de jongens, was door ruwe kerels bemerkt, toen hij midden
op straat lag; maar een Engelschman, die in zijn rijtuig passeerde,
was verontwaardigd over wat hij zag, sprong uit den wagen en vroeg
de kerels, wat dat beteekende, om een bewustelooze nog te slaan, en
als hij een misdaad had begaan, waarom of ze hem dan niet naar het
politiebureau brachten. Een uit de menigte riep: "Die Engelschman is
hun aanvoerder; sla hem maar dood!" En den jongen in den steek latend,
vielen ze den engelschen heer aan. Hij verdedigde zich; maar een van
de schurken naderde hem van achteren en sloeg een mand over zijn
hoofd. Zeker zou het slecht met hem zijn afgeloopen, als niet een
paar goedgezinde inlanders hem snel in Ripon college binnen hadden
getrokken, dat daar dichtbij was.
Wij hadden graag Calcutta willen verlaten, zoodra de toestand der
gewonden het ons mogelijk maakte, te reizen, want het ongewone dieet en
het andere klimaat hadden op ons aller gezondheid een slechten invloed;
maar wij waren gevangenen volgens den wil der regeering, die van ons
verlangde, dat wij in Calcutta bleven als getuigen bij de vervolging,
door de regeering ingesteld. Dag op dag moesten wij wachten en den
tijd zoekbrengen in den politiepost van den Bowstreetbazar.
De politie had een aantal menschen bijeengebracht, van wie gebleken
was, dat ze aan het opstootje hadden deelgenomen, en de meesten van
hen hadden advocaten in den arm genomen, om hen te verdedigen. Dus was
het er vol van verdedigers, die het hun plicht rekenden, elk van de
leden onzer club een verhoor te doen ondergaan, tot in 't oneindige
gerekt, zonder dat er gelet werd op de vragen, die al van te voren
door de ambtsbroeders waren gedaan.
De kruisverhooren, die wij ondergingen, zouden niet nauwkeuriger hebben
kunnen zijn, als wij de aanvallers in plaats van de slachtoffers
waren geweest, terwijl de flauwheid van de vragen en het noodeloos
tijdverlies, dat telkens weer uitstel van onze reis bracht, een
kwelling voor ons was bij onzen verzwakten toestand en ons vurig
verlangen naar de woningen aan de grens.
De rechtsgeleerden en advocaten voor de verdediging beweerden
intusschen, dat ze veel sympathie voor ons gevoelden in ons leed,
en de een na den ander kwam naar ons toe en zei iets als: "Wij hier
in Calcutta zijn zeer verdrietig om het gebeurde. Stellig hebben de
dokwerkers schuld en moeten worden gestraft om zulk een ongemotiveerden
aanval op onschuldige reizigers; maar er is ook iemand gevangen genomen
door een vergissing van de politie. Hij had niets met het standje
te maken en moet worden vrijgelaten, omdat hij volkomen onschuldig
is". Daar er in iedere zaak zoo'n "bij vergissing gearresteerde"
in bescherming wordt genomen, door de advocaten, maakten hun woorden
weinig indruk.
Een lichtzij was de oprechte sympathie, aan den dag gelegd door enkele
Bengaleezen, een medegevoel, dat onder woorden werd gebracht door
den Honorable Surendra Noth Bannerji, die een openbare vergadering
belegde, waarin hij het leedwezen betuigde, door de burgers van
Calcutta gevoeld. Een adres van dien inhoud werd ons in een zilveren
mandje overgebracht.
Eindelijk kreeg het hof medelijden met ons en stemde erin toe, ons
verhoor te doen voorafgaan aan dat van de honderd en meer getuigen,
door de verdediging aangebracht, en waar een paar maanden verblijf
in Calcutta mee gemoeid zouden zijn geweest, als wij tot het eind
hadden moeten blijven.
Toen we in Bannoe terug waren, kregen we een luisterrijke ontvangst,
waardoor de leden van de club een beetje vergoeding kregen voor
het leed, dat ze hadden doorstaan. De civiele bevelhebber van het
district, afgevaardigden van de stedelijke regeering en een groot
aantal burgers kwamen ons met muziek tegemoet enkele mijlen, voordat
we Bannoe bereikten en onder groot gejuich had onze intocht plaats.
In alle mohammedaansche landen nemen vrouwen een zeer ondergeschikte
plaats in, een bijna vernederende positie, en ze worden beschouwd als
enkel bestaande terwille van de sterke sekse. In Afghanistan komt
daar nog bij als nieuw bezwaar, dat de mannen bijna allen wreed en
jaloersch zijn, en onder de lagere standen dwingen de omstandigheden
de vrouwen tot voortdurend hard werken aan arbeid, dien de mannen
beneden hun waardigheid achten en dien ze daarom niet deelen of ook
maar eenigszins verlichten.
De vrouw moet het koren malen, het water aansleepen, het eten koken,
de kinderen verzorgen, het huis schoonhouden, inderdaad alles doen
behalve het winkelen, dat volstrekt niet door haar mag gebeuren. De
man doet de boodschappen en koopt niet alleen de voedingsmiddelen
voor het dagelijksch gebruik van het gezin, maar hij koopt ook de
kleêren van zijn vrouw, of ten minste de stof ervoor, en de dame moet
tevreden wezen met zijn keus en haar kleeding thuis vervaardigen van
wat meneer de echtgenoot wel zoo goed is, haar te brengen.
Het waterhalen is vaak geen sinecure. Als de put in of bij het dorp is,
kan het wel aardig zijn, daar het een uitstekende gelegenheid biedt,
om de dorpspraatjes te hooren; maar op sommige plaatsen, zooals bij
voorbeeld in Marwat in den zomer, is het naaste water zes of zeven
of zelfs tien mijlen ver te halen, en de reis heen en terug moet
minstens om den anderen dag worden gedaan. In Marwat pakken de vrouwen
op haar ezeltjes de lederen fleschen van geitevel en gaan lang vóór
het aanbreken van den dag heen, zoodat de nachtelijke reiziger soms
lange rijen van die dieren ontmoet, die op den heen- of den terugweg
zijn naar de wel, onder de hoede van een aantal meisjes of vrouwen. De
ezels moeten zich dan tevreden stellen met wat ze kunnen drinken op
de plaats van de bron.
Als de vrouwen thuis komen, is het vaak nauwelijks dag, en nu begint
nog de drukke tijd, die voor haar tot den middag duurt. Vooreerst
moet er graan worden gemalen in handmolens; dan moet de melk van den
vorigen dag worden gekarnd, de koeien en geiten moeten worden gemolken,
het eten moet gekookt, het huis opgeknapt, en honderd-en-één andere
plichten moeten worden verricht, die alleen een vrouw zou kunnen
beschrijven.
Op reis zijn de vrouwen altijd zwaar beladen. Men ziet ze vaak
niet alleen de kinderen dragen en allerlei huisraad, maar ook nog
de vrachtdieren drijven, terwijl de prinselijke echtgenooten niets
dan hun geweer hebben, of hoogstens een van de kinderen voor hunne
rekening nemen. Het gebeurt niet, omdat de mannen zoo hardvochtig
zijn; maar omdat het eenmaal gewoonte is. Hun vaders en de voorvaderen
deden hetzelfde, en de vrouwen zouden de eersten zijn, om een jonge
vrouw hard te vallen, als zij klaagde of zich verzette.
Veel vrouwen, vooral die van den Povindah-stam, zijn prachtexemplaren
van haar sekse. Die menschen leggen honderden mijlen af van Khorassan
naar Indië en nemen hun hebben en houden mee, kinderen en have en
goed. De vrouwen kunnen de kameelen even goed pakken en drijven als
de mannen en dragen de lasten handiger. Het leven in de open lucht
met altijd druk werk heeft ze gezond en gespierd gemaakt en sterk,
en ze zien er knap uit, al duurt de schoonheid niet zoo lang, als
't geval zou wezen, wanneer het leven minder zwaar voor ze was.
Als er een kleintje is, begint het lijden het ergst te drukken. De
karavaan kan zich niet ophouden, en zelden is er een os of kameel
beschikbaar, waar de vrouw op kan rijden. Ze moet meestal reeds den
volgenden dag mee marcheeren met baby in haar armen of hangend op haar
rug, alsof er niets was gebeurd. Dan lijden ze veel en doen kwalen op,
die haar bij ons in het hospitaal brengen, vaak voor het leven tot
sukkelen gedoemd. Als er geen hospitaal is, moeten ze maar in stilte
lijden of bezwijken.
De afghaansche adel handhaaft de strengste parda of afzondering
voor de vrouwen, die eentonig haar dagen slijten achter de
gordijnen en jaloezieën van de paleisachtige gevangenissen, met
weinig anders te doen dan te praten over kleêren en juweelen en te
lasteren. Afghaansche jongens van goede familie worden er zedelijk
niet beter op door de opvoeding in de verweekelijkte, weelderige
omgeving van die vrouwenverblijven of zenana's. De armere klassen
kunnen zich de weelde niet veroorloven, hun vrouwen op te sluiten,
en zij trachten de deugd bij de vrouwen en meisjes te handhaven door
barbaarsche straffen, niet enkel voor wezenlijke onzedelijkheid,
maar ook al voor elke inbreuk op het decorum.
Een hoofd van een der grensstammen, dien ik ken, vond op een dag bij
zijn thuis komen onverwachts zijn vrouw in gesprek met een buurman
bij den muur van zijn tuin. Zijn zwaard trekkend in een vlaag van
jaloezie, sloeg hij haar het hoofd af en wierp het over den muur,
roepend tot den man: "Daar! Je bent zoo verliefd op mijn vrouw, je
kunt haar krijgen." De buurman ging beschaamd in een ander dorp wonen.
De gewone straf in zoo'n geval van te groote familiariteit is het
afsnijden van den neus der vrouw en, zoo mogelijk, ook van den man. Dit
hoofd ging in zijn woede verder dan zijn rechten toelieten. Als hij een
eenvoudig burger was geweest, en als de vrouw invloedrijke betrekkingen
had gehad zou hij er misschien voor hebben moeten boeten. In den regel
heeft de vrouw geen kans op recht; zij is het eigendom van den man, en
een man mag doen, wat hij wil, met wat van hem is. Dit is het algemeen
gevoelen, en niemand zou op het denkbeeld komen of er lust in hebben,
zich met iemands huiselijke aangelegenheden te bemoeien. Een man koopt
zijn vrouw en onderhandelt erover met haar vader of als die dood is,
met haar broeder, en de vader heeft verder weinig macht, die hij zou
kunnen gebruiken, om haar te beschermen, aangezien hij haar prijs in
den zak heeft gestoken.
Een uitzondering in dezen is het huwelijk door ruil. Veronderstel,
dat er in ieder van twee families een ongetrouwde zoon is en een
ongetrouwde dochter, dan wordt er vaak tot een onderling dubbel
huwelijk besloten zonder eenige betaling. In die gevallen is de positie
van de vrouwen een weinig, een klein weinig maar, beter dan bij een
huwelijk door koop. Als een man en een vrouw onzedelijkheid plegen, mag
de echtgenoot beiden dooden; maar als hij den man laat ontsnappen, mag
hij hem later niet in koelen bloede vermoorden. Doet hij het toch, dan
is dat reden voor een bloedveete, en de betrekkingen van den vermoorden
man mogen wettig wraak nemen of hij moet het verschil betalen tusschen
den prijs van eens mans leven en dien van de eer eener vrouw. In de
praktijk wordt dikwijls een man vermoord, als naar het gebruik van den
stam het genoeg zou zijn geweest, indien zijn neus werd afgesneden;
maar het is vaak gemakkelijker voor den verontwaardigden echtgenoot
in hinderlaag te gaan liggen en hem onverwacht dood te schieten, dan
hem zoo volkomen te vermeesteren, dat de neus kan worden afgesneden.
Elk jaar krijgen wij in het hospitaal een aantal gevallen, meer vrouwen
dan mannen, wier neus glad met een mes is afgesneden. Daar het al
een heel oude, indische manier is van schending van het aangezicht,
bedachten de menschen al eeuwen geleden een operatie, om het euvel te
verhelpen, waarbij een stuk van het voorhoofdsvel naar onder wordt
gebracht en op de wond wordt bevestigd, en nog gebruiken wij die
operatie met enkele wijzigingen in de bij ons gebrachte gevallen. Twee
jaar her bracht een niet zeer gunstig eruit ziend Afghaan zijn vrouw
in het zendingshospitaal van Bannoe. In een vlaag van jaloezie had
hij haar den neus afgesneden; maar toen hij op een kalmer oogenblik
nadacht en overwoog, dat hij een goede som voor haar had betaald en
alleen zijn eigen bezitting had geschonden, speet het hem en bracht
haar bij ons, om haar weer op te knappen. Zij had een laag voorhoofd,
dat voor de gewone operatie niet kon dienen, en dus zei ik tot den
man, dat ik niet dacht, een volkomen succes te bereiken; maar dat,
als hij den prijs wou betalen, ik wel een kunstneus uit Engeland
kon laten komen, die, al werd de vrouw niet zoo mooi als te voren,
de misvormdheid toch geheel zou doen verdwijnen.
"Hoeveel moet dat kosten?" vroeg de Afghaan.
"Ongeveer dertig roepijen".
Er was een oogenblik stilte, en hij werd blijkbaar geslingerd tusschen
tegenstrijdige gevoelens.
"Wel, vriend, hoe denk je erover. Zal het gebeuren of niet?"
"Ik dacht erover na, Sahib," antwoordde hij, "dat u zegt, mij voor
dertig roepijen te kunnen helpen, en ik kan een nieuwe vrouw krijgen
voor tachtig roepijen."
En dit werd gezegd in de tegenwoordigheid van het arme slachtoffer,
zonder dat uit iets bleek, dat hij meende, iets bijzonders te hebben
gezegd! Het verheugt mij, te kunnen meedeelen, dat hij ten slotte
besloot, de eerste vrouw op te knappen, dat hij het geld betaalde
en ik hem het artikel uit Engeland bezorgde. Het was volkomen naar
den zin, en den laatsten keer, dat ik van hen hoorde, leefden ze
gelukkig samen. Misschien zal hij nog eens dreigen, dat hij haar
neus zal opbergen, als ze hem mishaagt, nu hij weet, dat hij dien
kan verwijderen, zoo vaak hij wil, zonder opnieuw dertig roebels te
moeten betalen.
De twee grootste sociale euvelen, waar de afghaansche vrouwen onder
lijden, zijn de koop van de vrouwen en de gemakkelijkheid van de
scheiding. Ik zou er nog een derde bij kunnen noemen, namelijk de
veelwijverij; maar al is dat een kwaad, het komt niet algemeen voor,
en alleen rijke mannen kunnen zich de weelde van meer dan één vrouw
veroorloven. De Mohammedanen zelf beginnen het verkeerde in te zien en
leggen den Koran zóó uit, dat het eigenlijk niet mag, door te zeggen,
dat er een voorwaarde bij wordt gemaakt. Een man zou namelijk slechts
dan meer dan één vrouw mogen huwen, als hij jegens allen volkomen
onpartijdig kan zijn, en daar dat niet mogelijk is, wordt monogamie
de wet voor gewone stervelingen.
Het volgende, dat onder mijn oogen plaats had, toont aan, hoeveel
kwaad voortvloeit uit scheiding en polygamie. Er waren drie broeders,
die wij Abraham, Sandullah en Fath zullen noemen, allen gelukkig
getrouwd, ieder met één vrouw. Abraham, de oudste broer, stierf. De
tweede broer mocht nu de weduwe trouwen; maar ze hield niet van hem,
terwijl ze zich sterk aangetrokken voelde tot den jongsten broeder,
Fath. Ze haatte echter Faths vrouw en was vast besloten, niet als
tweede vrouw onder haar te staan. Fath liet zich meesleepen door de
bekoring van de weduwe en stemde erin toe, zich van zijn vrouw te
laten scheiden op voorwaarde, dat de weduwe met hem zou huwen. Zij
stemde toe en zwoer, dat ze nooit Sandullahs vrouw zou worden, en
daarop liet Fath zijn huwelijk ontbinden. Maar Sandullah stond op zijn
recht en dwong de weduwe tot een huwelijk met hem, waarin zij moest
berusten. Ze wist echter ontmoetingen met Fath te hebben en toen,
wat gaat de dwaze Sandullah doen? Hij trouwt de gescheiden vrouw van
Fath. Nu was de weduwe woedend; zij had geweigerd, den man, van wien
ze hield, te trouwen, tenzij hij van de vrouw scheidde, en nu is ze
getrouwd met den man, dien ze niet begeerde, en heeft de gehate als
mede-echtgenoote op den koop toe.
Er was een man van een heftig karakter in het dorp, die geboeid
was door de bekoorlijkheden der weduwe. Zij had al zijn smeekingen
weerstaan; maar nu zei ze hem, om haar zin te krijgen, dat, als hij
zijn doel wilde bereiken, hij eerst haar tegenwoordigen echtgenoot
moest dooden. Dat vond de minnaar geen bezwaar en met medewerking
van de vrouw werd de man naar een afgelegen korenveld gelokt en daar
geworgd door den minnaar, die echter gevat werd en tot dwangarbeid
veroordeeld, terwijl de veelbegeerde nu den jongsten broeder, Fath,
kon trouwen, dien ze liefhad.
Ondanks den staat van dienstbaarheid, waarin de vrouwen worden
gehouden en ondanks haar onwetendheid en haar bijgeloof hebben ze in
den huiselijken kring grooten invloed en ze vormen de karakters van
het opkomend geslacht in veel sterkere mate, dan de mannen doen.
Dat trof mij op een dag sterk in de school. Er moest een onderwerp
worden gekozen voor een debatavond, en verschillende onderwerpen waren
voorgesteld en verworpen. Ik gaf aan de hand: "Wie heeft den meesten
invloed op de vorming onzer karakters, onze vaders of onze moeders?"
"Hoe kunnen wij nu zulk een eenzijdig debat vaststellen?" was de vraag,
die dadelijk door wel een dozijn leerlingen werd gesteld. "Wie zou
er willen pleiten voor de vaders! Natuurlijk gaat de grootste invloed
van onze moeders uit."
Wat is het dus belangrijk voor de toekomst van het volk, dat er iets
gedaan wordt, om de moeders der natie te verheffen en te ontwikkelen
en hooggestemd te doen zijn.
Een pelgrimstocht, met een mijner leerlingen ondernomen, als
bedelmonniken of sadoe's, leverde heel wat belangwekkende incidenten
en droeg er niet weinig toe bij, onze kennis van het volk uit te
breiden. Daar wij zonder eenig geld reisden, waren we afhankelijk
van wat men ons gaf, niet enkel voor de betaling van ons dagelijksch
voedsel, maar ook voor zulke uitgaven als de vracht bij het overzetten
der rivieren en den toegang tot de bruggen van de vijf groote stroomen
in Pendsjab.
Onze eerste rivier was de Indus, en daar er over dat deel der rivier
geen brug was, gingen wij er in veerbooten over. Wij hadden er geen
moeite mee, want we waren hier bekend, en een van mijn leerlingen
bediende zelf de boot en zette ons over. Maar het was niet zoo
gemakkelijk bij de Jhelumrivier. Toen wij het westelijk uiteinde van
de brug bereikten, hield de tolwachter ons aan om betaling. Ik zei
hem, dat ik een christelijke sadoe was, die naar Hindostan reisde en
dat wij hoegenaamd geen geld bij ons hadden. Hij geloofde ons of hij
deed het niet; maar te oordeelen naar den blik, dien hij op de fietsen
wierp, was hij waarschijnlijk ongeloovig. In elk geval, hij zei ons
ronduit, dat geen penningen, geen passage, en geen uiteenzetting
van de bijzondere voorrechten van een sadoe hem konden doen afwijken
van het practisch geldelijk inzicht in de quaestie, dus konden wij
niet anders doen, dan maar stil zitten wachten aan den weg en zien,
wat er zou gebeuren.
Even daarna kwam een gezelschap Hindoes aanzetten op hun weg naar de
morgenwasschingen in de rivier en keek ook verbaasd bij de vreemde
samenvoeging van sadoe's en fietsen. Dit leidde tot een gesprek, in
den loop waarvan wij hun de bedoeling van onzen tocht meedeelden en
de reden van ons stilzitten. Ze beproefden toen met grooten ernst,
ons af te brengen van het prediken van het Evangelie, om de leer der
Veda's te verkondigen, en boden zelfs aan, de anna's te betalen voor
den tol, als wij hun plan wilden volgen. Dit gaf mij de gelegenheid,
de schoonheid van Jezus' leer aan te toon en en erop te wijzen,
dat wie eenmaal voor haar gewonnen was, haar nooit weer verliet.
Zij kleedden hun minachting voor de leer van het kruis in hun
medelijden voor onze prediking, die ons niets hielp, "want", zeiden
ze, "er zijn hier geen Christenen, om u over te zetten, en het is
niet waarschijnlijk, dat Hindoes of Mohammedanen u voor zulk een
zending zullen willen helpen." Ik antwoordde, dat ik er vrede mee
had, aan den weg te wachten, tot hulp kwam opdagen, en dat ik dacht,
niet lang meer te moeten wachten. "Ga naar de stad terug; daar zijn
christenzendelingen, die u zullen helpen; maar niemand zal dezen kant
uit komen, al wacht ge den ganschen dag."
Ik antwoordde, dat, als het de wil van Allah was, dat wij zouden gaan
naar den overkant, hij ons de vereischte middelen zou verschaffen,
zoowel hier als in de stad. Ik had pas uitgesproken, of wij zagen een
ambtenaar met een bediende, die in de richting van de brug reden. Toen
hij bij ons was, herkenden wij een officier van de grens, die naar de
Jhelum was uitgezonden met een speciale opdracht. Hij herkende mij
en toonde zich verbaasd, mij in zulke eigenaardige omstandigheden
aan te treffen. Toen hij vernam, wat de reden onzer aanhouding was,
behoefde de tolgaarder natuurlijk niet lang op zijn geld te wachten,
en ik kon mijn Hindoevrienden erop wijzen, dat God niet veel tijd
had noodig gehad, om ons hulp te zenden zelfs van zoo grooten afstand
als Pesjawar, en wij gingen verder met een verlicht hart. Het is maar
waar, dat twee anna's in sommige gevallen meer waard kunnen zijn dan
honderd roepijen in andere omstandigheden.
Wij reden langs den interessanten Grooten Weg, nu eens ten noorden,
dan ten zuiden van den spoorweg. De frissche morgenlucht van een
winter in Pendsjab heeft een opwekkenden invloed op den eetlust,
en wij vormden alleen de uitzondering, dat we wel den trek hadden,
maar niets in onzen knapzak, om dien te bevredigen. Om ons nog meer
te tantalizeeren, was het de feestdag na de groote mohammedaansche
vasten, en in alle dorpen waren de menschen aan het feestvieren en
smullen. De kinderen waren op hun mooist en hadden pret op schommels,
die aan de boomen om de dorpen hingen of met spelen op den weg. Mijn
afghaansche reisgenoot, die het vasten had gehad zonder het feest,
ging ten laatste naar een groep vroolijke menschen, en na ze begroet te
hebben met het gewone "Salam aleikum", zei hij, dat hij honger had en
heel graag een klein deel wou hebben van de Idkoeken. De toegesproken
man zag ons uit de hoogte aan van het hoofd tot de voeten en zei:
"O, gij noemt u fakirs, en ge rijdt op fietsen! En dan uw brood te
bedelen! Foei!" en draaide ons den rug toe. Mijn metgezel wendde
zich tot mij met een volstrekt niet sadoe-achtige uitdrukking op
zijn gezicht en zei: "Wij, Afghanen, waren altijd gewoon te zeggen,
dat Mohammedanen uit Pendsjab maar halve Mohammedanen zijn; maar nu
zie ik, dat we het mis hadden; ze zijn niet eens kwart-geloovigen. In
ons land noodigen we vreemdelingen binnen, en reizigers mogen aan
onze maaltijden deelnemen."
Het was mijn gewoonte, in de meeste steden in de bazars te prediken, en
gewoonlijk bood dan na de preek iemand uit het gehoor ons gastvrijheid
aan. Toen we Pind Dadan Khan bereikten, was het daar echter te laat
voor, daar het al donker was, en na den bazar te zijn rondgewandeld
en met enkele menschen te hebben gesproken, van wie niemand ons
gastvrijheid aanbood, gingen wij naar de openbare karavanserai,
Victoria Ghar, waar reizigers kosteloos kunnen logeeren. Iemand had
ons wat kleingeld geschonken, waar we suikerriet voor kochten, om
ons maal mee te doen. Daar ik dorst had, vroeg ik een fatsoenlijken
Mohammedaan, die aan het eten was, om een glas water. Hij gaf het;
maar toen ik het glas aan de lippen bracht, zei hij: "Ik zou wel
willen weten, wat uw godsdienst is." Ik antwoordde: "Ik ben een
christen." Toen hij dat hoorde, nam de heer mij het glas af, zeggende:
"Ik wil mijn glas niet door uw aanraking verontreinigd zien." Dit
was een graad van bijgeloof, dien ik gelukkig zelden tegenkwam, en
zoo iets wordt zeker niet door den Koran geleerd, die welwillendheid
predikt tegenover christenen en joden en samenwoning met hen toelaat.
Na die weigering wilden wij niemand in de plaats weer om water
vragen. Den volgenden dag reisden wij weer naar Khewra, en
door den bazar gaande, zagen wij den gouvernementsdokter en een
hindoeschen assistent van hem, die buiten hun hospitaal-patiënten
ondervroegen. Hij kende ons en in plaats van water bracht hij ons
melk en een ontbijt. Hoe welkom dat ook was, zijn vriendelijkheid en
hartelijke begroeting deden ons nog het meeste goed.