Het is nu avond en opnieuw roept de kerkklok de kleine Christengemeente

samen voor het avondgezang van lof en aanbidding, en de herder zegt

eenige woorden van leering en bemoediging. Ten slotte zijn dan al

die bemoeiingen afgeloopen, en dan kan de dokter gaan zitten aan

zijn krant en zijn brieven. Maar lang blijft hij niet ongestoord. De

eerste, die komt, is de directeur van het kosthuis, die vertelt, dat

een paar Hindoes hun eten hebben gekookt in de pan van de school,

en nu weigeren de vegetariërs voedsel te gebruiken, dat gekookt

is in die pan, die onrein is geworden. De wederzijdsche argumenten

worden gehoord, en er wordt een beslissing genomen; de vleeschpartij

moet zelf een pan aanschaffen. Daarna komt de huisdokter met zijn

avondrapport over de zalen en deelt mee, hoe de toestand is van de

geopereerden en van de andere ernstige gevallen, om daarna instructies

voor den nacht te krijgen. Hij wordt gevolgd door een catechisant,

die iederen avond een kwartier les krijgt, en door drie van de oudste

kostgangers, die vragen komen doen over het engelsche opstel voor den

volgenden dag, en het allerlaatst komt de nachtwacht om te melden,

dat, daar er roovers buiten zijn, er bijzondere maatregelen moeten

worden genomen voor de bewaking; doch hij denkt, dat, als ik hem een

nieuw pistool en wat patronen geef, alles wel veilig zal zijn.

Een dag, als ik hier heb beschreven, is een gemiddelde in de drukke

maanden van het jaar, en de dokter moet zich gelukkig rekenen, als

de vastheid van zijn slaap niet gestoord wordt door een nachtelijke

oproeping.

Er is een verschil tusschen den dokter-zendeling en den prediker,

die niet meer dan dat is, namelijk dat, terwijl de laatste zijn

volkje zelf moet opzoeken, de eerste door de gemeente wordt gezocht,

en dat de geloovigen soms in zoo grooten getale komen, dat hij haast

geen tijd heeft, om te eten. Maar zelfs een dokter, die zijn tijd in

zijn hoofdkwartier geheel kan vullen, zou een groote flater begaan,

als hij nooit op reis ging. Want in de kampen en de dorpen leert de

zendeling het volk begrijpen en door van dorp tot dorp te reizen

en als hun gast onder hen te leven, wordt hij bekend met hun waar

innerlijk leven, zooals hij dat anders nooit zou worden, en voor een

zendeling is dat een onontbeerlijk iets.

Er zijn twee manieren van reizen. Aan den eenen kant kan men

tenten meenemen en een kampuitrusting en bij het een of andere

groote dorp zijn kamp opslaan of midden tusschen kleine plaatsen

in en daar de patiënten ontvangen en het dagelijksche werk doen,

terwijl men de dorpen bezoekt, als het werk is afgeloopen. Op die

manier is de zendeling-dokter onafhankelijk en werkt, als hij wil,

gaande en komende naar zijn verkiezing. Maar aan den anderen kant kan

hij de gast worden van een der voornaamste hoofden of dorpelingen,

die zijn logeerhuis te zijner beschikking stelt en hem gastvrijheid

verleent. Dan komt hij in veel nauwer aanraking met de menschen en

krijgt meer van hen te zien; maar hij geeft zijn vrijheid op, zal

den gastheer over zijn plannen moeten raadplegen en moet erop zijn

voorbereid, zichzelf en zijn tijd ter beschikking van den gastheer

te moeten stellen en van de dorpelingen, zoowel overdag als des nachts.

Beide methoden hebben hun lichtzijden. Voor een nieuw district en

waar de menschen achterdochtig zijn, is de laatste manier zeker te

verkiezen; als de zendeling bekend is geworden en veel te doen heeft,

is de eerste wijze van doen verkieselijk.

De reiziger, die een winter heeft besteed aan een tocht door Indië,

maar die enkel de groote steden heeft bezocht en de plaatsen, waar

iets wordt vertoond, en nooit in een indisch dorp heeft gewoond,

blijft totaal een vreemdeling in het diepere innerlijke leven van

den Indiër. Het ware Indië wordt niet gezien in de verwestelijkte

bazars van de groote steden, maar in de tallooze dorpen, waar meer dan

tachtig procent van de bevolking van Indië woont. Bovendien krijgt

men een veel aantrekkelijker en beteren kant van het indische leven

te zien in de dorpen dan in de steden, en onder die eenvoudiger

menschen brengt de zendeling zijn gelukkigste uren door. Maar hij

ontmoet er ook den strijdlustigen mollah, die den redetwist zoekt

en met wien het moeilijk redeneeren is om zijn gebrek aan logica,

dat zoo dikwijls aan den dag komt.

Gebeurt het echter, dat zoo'n mollah of een vriend van hem medischen of

chirurgischen raad noodig heeft, dan wordt de houding dadelijk anders,

en ge kunt dan veel gemakkelijker ook tot het volk doordringen. Eens

toen ik op reis was naar het Noorden, kwamen een paar Pathans mij

zeggen, dat ik mij de moeite wel kon besparen, daarheen te gaan,

want een zekere mollah, die veel invloed had in die buurt, was

ons voorgeweest en had de menschen gewaarschuwd, onze behandeling

niet te vragen, onze prediking niet te gaan hooren en zelfs ons

te vermijden. Ik antwoordde met de opmerking, die bijna altijd op

een mohammedaansch gemoed indruk maakt onder alle omstandigheden:

"Wat Gods wil heeft besloten, zal geschieden," en vertelde hem,

dat we bij ons oorspronkelijk plan zouden blijven.

De eerste dagen leken de menschen inderdaad achterdochtig en

terughoudend, zoodat zeer weinigen tot ons kwamen. Toen we den derden

dag op marsch waren en niet ver van een dorp voort trokken, kwam een

man, die ons blijkbaar vanuit het dorp had waargenomen, dat op een

hoogte boven den weg lag, hard naar ons toeloopen en zei na de gewone

begroetingen: "Er is hier een vroegere patiënt van u, die u zoo graag

eens spreken wou; zou u willen meegaan naar haar huis?" Toen we er

kwamen, zagen we, dat het een vrouw was, die een jaar te voren in het

hospitaal te Bannoe had vertoefd voor een kwade zweer op het been,

dat had moeten worden afgezet. Voordat ze het hospitaal verliet,

hadden we haar een houten been verschaft, waarop ze nu naar ons toe

strompelde. Ze was heel blij, zoo onverwacht ons te ontmoeten en had

blijkbaar aan haar dorpsgenooten veel verteld van alle wonderen, die

in het hospitaal gebeurden, en van de groote liefde en goedheid, die

haar daar waren betoond, want velen van haar buren kwamen toeloopen

naar haar kleine binnenplaats, en onder hen was, zonder dat wij het

wisten, de mollah, die een kruistocht tegen ons had gepreekt.

Hij was stil binnengekomen, om zelf te oordeelen, wat wij en ons werk

beteekenden en werd diep getroffen door de hartelijkheid, waarmee we

door oud-patiënten werden begroet, want toen de vrouw ons verzocht,

bij haar te blijven, terwijl ze een maal voor ons bereidde, trad

hij naar voren en maakte zich bekend met de woorden: "Neen, mijn

huis is dichter bij in het naburige dorp, en het is mij een eer,

den Padre Sahib te ontvangen en te onthalen. Hij moet mee naar mijn

huis gaan." Zoo geschiedde, en van dorp tot dorp verspreidde zich het

bericht, dat de westersche dokter de gast was geweest van den mollah

zelf en diens brood had gegeten.

Een interessante stad, waar we nog al eens hebben stil gehouden op

onze reizen, is Kalabagh. Ze ligt op den rechteroever van de rivier,

de Indus, waar deze door de rotsachtige kloof is gebroken, die den

loop heeft samengeperst, en nu de grenzenlooze, alluviale vlakte

van Pendsjab betreedt. In enkele rivierbochten tusschen Attock

en Kalabagh loopt de rivier in heftige stroomversnellingen voort,

zoodat de bootslieden hun zware rivierbooten er met de grootste moeite

doorheen sturen, opdat ze niet ten ondergaan zullen in een draaikolk

of tegen de steile rotsen aan den kant zullen worden verpletterd. Op

andere plaatsen zijn er diepe, stille einden, waar de grond tweehonderd

voet onder de oppervlakte van het water ligt. In den warmen tijd, als

het water hoog is in het begin, is het een opwindende geschiedenis,

om over het snelstroomende water te worden overgezet.

Te Kalabagh heeft men groote zoutwerken van rose en paarse tinten

en van groote zuiverheid, die vrij wat inkomsten opleveren voor

de regeering. De stad zelve is tegen den berg aangebouwd van

datzelfde zoutgesteente, zoodat de eigenaar van een huis maar een

stukje van zijn eigen muren heeft af te slaan, om zijn middagmaal te

zouten. Het is een voortdurende grief bij de bewoners, dat hun eigen

muren regeeringscontrabande zijn, en dat ze boete moeten betalen,

als ze een steen van hun woning verkoopen, zonder er rechten van te

betalen. De straten zijn nauw en bochtig, en daar vele ervan overdekt

zijn, is het er zeer donker en gloeiend heet in den zomer, terwijl

het er in alle jaargetijden slecht ruikt en ongezond is.

De menschen zijn bleek en bloedeloos, en ze lijden bijna allen

aan een kropgezwel in meer of minder ernstigen vorm. Ze vormen een

sterke tegenstelling met de stoere bergbewoners van den Bangi Khel

Khattakstam in hun buurt. Dat zijn de ware recruten voor de regimenten

van de Pathans aan de grens, terwijl uit Kalabagh zelf moeilijk een

twintig man zouden zijn te halen, die door den recruteeringsofficier

zouden worden toegelaten. In het zwoele zomerweêr brengen de menschen

den dag veelal door onder een grooten indischen vijgenboom, waarvan

er vele verspreid langs den oever der rivier staan. Daar houden de

civiele ambtenaren ook hun vergaderingen, en ik had mijn kamp onder

een grooten boom. De wijd uitgespreide takken beschutten niet enkel

mij en mijn talrijke zieken en bezoekers, maar buitendien ook den

ambtenaar en zijn hof met allerlei cliënten en smeekelingen en den

districtsrechter met getuigen en pleiters en beschuldigden, en dat

zonder dat we eenigen last van elkander hadden.

Het land verder van de rivier staat te gloeien in de zomerzon,

en de stad zelf is als een oven; maar er waait bijna altijd een

frisch koeltje langs den oever en als men verhit en stoffig is van

het dagwerk, gooit men zijn kleêren af en dompelt zich in de rivier,

om zwemmend zich te verkwikken daar, waar de jongelui uit de plaats al

hun vrijen tijd doorbrengen. Ze gebruiken de opgeblazen huid van een

geit of een koe en liggen daarop, zoodat ze kunnen rusten, gesteund

door het koele water, zoolang als ze het zonder moe te worden, kunnen

uithouden. De stroom is te snel, dan dat ze stroomop kunnen gaan; maar

als ze stroomaf wat te doen hebben, maken ze doodeenvoudig hun kleêren

in een bundeltje op hun hoofd vast, gaan op de opgeblazen huid liggen

en drijven kalm naar beneden met den stroom met een snelheid van zoowat

vier mijlen in het uur en zoo ver, als ze willen. Op den terugweg

laten ze de lucht uit de huid los en slaan het vel over hun schouders.

Wij hadden hier gewoonlijk zeer veel zieken van den morgen tot den

avond, en ik heb er wel driehonderd op één dag gehad, met een aantal

operaties erbij. Eens op een dag bezocht een aanzienlijke sjeik de

plaats. Hij was een Mohammedaan, die van het Hindoeïsme tot dien

godsdienst was overgegaan en trok nu door het land, om den Islam te

prediken, en het Christendom zoowel als de leer van Boeddha afbreuk

te doen. Hij zond ons een uitnoodiging of uitdaging, om met hem in het

openbaar te redetwisten over de respectieve verdiensten van het Kruis

en de Halve Maan. Ik had er niet veel trek in, daar zulke discussies

zelden oprecht en eerlijk in hun werk gaan; maar daar mijn tegenzin

verkeerd zou worden uitgelegd, stemde ik toe, en op een avond hielden

we onze redevoeringen, terwijl een mohammedaansche heer uit de stad

voorzitter was. Het was afgesproken, dat we ieder op onze beurt een

vraag mochten stellen, die de ander moest beantwoorden.

Hij mocht het eerst een vraag doen, en vroeg, hoe het kwam, dat wij

geen wondermacht hadden, daar toch de Bijbel zei, dat diegenen, die

in Christus geloofden, vergif zouden kunnen nemen of door slangen

konden worden gebeten, zonder dat hun eenig leed zou weervaren. De

jonge catecheet, die bij mij was, gaf zulk een helder en categorisch

antwoord, dat de mohammedaansche voorzitter en de debater beiden van

toon veranderden en zeiden, dat het laat was geworden, en dat het

beter zou wezen, dat ik mijn vraag tot een anderen tijd uitstelde.

Onnoodig te zeggen, dat de beter geschikte tijd nooit kwam, en wij

werden niet weer uitgedaagd tot een twistgesprek in Kalabagh, terwijl

de sjeik een paar dagen later op nieuwe weiden ging grazen.

Aan voetbal en andere sport wordt ook in deze grensgebieden veel

gedaan. De lezer stelle zich een groot open veld voor van een harde,

grijze grondsoort, die in Pendsjab "pat" wordt genoemd. Het is

een zouthoudende grond, waar geen gras of onkruid groeit, en zoo'n

terrein is zeer geschikt, om door de dorpelingen te worden gebruikt

voor spelen en markten en door de Engelschen voor de evoluties

van hun troepen. Er om heen liggen de Bannoedorpen, en op een

feestdag ziet men er iedereen. Alle mannen, die een paard bezitten

of er een kunnen huren, zijn te paard, en van de jongens zitten

er soms twee of drie op één rijdier, om toch maar goed te kunnen

zien naar de spelers. Na de spelen wordt er des avonds vuurwerk

afgestoken. Vroeger bestonden de spelen uitsluitend in wedrennen en

spelen te paard; maar de engelsche invloed heeft de sport van het

volk gewijzigd. Nu kan men groote grasvelden zien tusschen de stad

Bannoe en de kantonnementen, en er zijn weer duizenden toeschouwers;

maar de vlaggen en voetbalpalen wijzen op andere spelen. Het is de dag

van de provinciale wedstrijden tusschen alle scholen uit de provincie,

en elftallen uit de verschillende grensscholen uit Peschawer, Kohat,

Dera Ismaël Khan, naast die uit Bannoe, zijn hier bijeengekomen,

om hun behendigheid met elkander te meten in spel en athletiek. De

scheidsrechter heeft het sein gegeven. Hij is een engelsch officier,

en de jeugdige kampioenen komen naar voren onder het gejuich van hun

aanhangers. De ploeg uit Bannoe is wat kleiner van stuk en draagt

de uniform in de schoolkleuren, paars buis en lichtblauwe broek. De

ploeg uit Peschawer is zwaarder gebouwd en heeft een blauw en zwarte

uniform. De scheidsrechter fluit weer, en aan beide kanten spant men

zich tot het uiterste in, om de goal van de tegenpartij te bereiken.

Terwijl de bal heen en weer vliegt, en de kansen mooi staan voor

de een of de andere partij, worden de toejuichingen luider, en als

er punten worden gemaakt en pogingen worden gedaan, die goed of

slecht afloopen, is de geestdrift vooral niet minder groot dan in

Engeland. De kapitein van de Bannoe-ploeg is een inlandsche Christen,

wiens vader een bekeerde Mohammedaan is; maar de andere Mohammedanen

en Hindoes in zijn elftal zijn hem trouw tot het uiterste en volvoeren

zijn bevelen met een mooi esprit de corps, dat treffend is. Als het

fluitje voor rust klinkt, kunnen de Bannoejongens, die toekeken, het

veld binnenhollen en hun zegevierende kameraden toejuichen en op de

schouders dragen onder algemeen handgeklap en gejuich.

Met het idee, om dien esprit de corps bij hen te ontwikkelen en

tevens aan hun lust in reizen te voldoen onder het zien van enkele

voorname steden van Indië, maakte ik in den zomer van 1906 een

tocht met het voetbalelftal van de zendingshoogeschool in Bannoe

door een deel van Noord-Indië. Een aantal colleges en scholen van

Calcutta tot Karatsji namen niet alleen onze uitdaging aan voor

voetbalwedstrijden, maar boden ons gastvrijheid aan, zoolang we in

hun stad zouden blijven. Ons elftal vertegenwoordigde alle klassen,

Mohammedanen, Hindoes, inlandsche Christenen en Sikhs. De aanvoerder

was een Afghaan van den stam der Khattaks, shah Jehan Khah, terwijl

op hem in rang volgde een inlandsch Christen, James Benjamin. Er

deden zich wel moeilijkheden voor; maar alle werden ten slotte

overwonnen. Schoolplichten noodzaakten ons, de reis te doen in Juli,

Augustus en September, den warmsten tijd in de meeste plaatsen, die

we aandeden, en er werden matches gespeeld in temperaturen van bij de

honderd graden Fahrenheit, terwijl de toeschouwers onder punkahs zaten.

In dien tijd van het jaar is de Indus hoog en levert een eigenaardig

schouwspel op, als de rivier bij Kalabagh uit den rotspas komt. In

den winter ziet men dan één, twee of drie kanalen, ieder van één-

tot vierhonderd ellen breed; maar in den voorzomer, als de sneeuw op

den Himalaya is gesmolten, overstroomt de rivier haar oevers en vormt

een enkele wijde oppervlakte water, tien mijlen breed van oever tot

oever. In dien tijd zijn de dorpen, die op de hoogste plekken van de

omgeving zijn gebouwd, tot eilandjes geworden, die alleen met booten

te bereiken zijn. De tonga of wagen moet dan wel eens over mijlen

van ondergeloopen wegen worden geduwd, eer ze de plek bereikt, waar

de veerboot de passagiers en de bagage over de rivier kan brengen, en

veel verwisselingen van boot voor wagen en omgekeerd zijn er noodig,

eer de reiziger eindelijk het spoorwegstation heeft gehaald, waar de

trein hem kan brengen naar Karatsji of in de richting van Lahore.

Wij hadden, nadat de veerboot ons naar den overkant had gebracht, onze

bagage in twee wagens gepakt en, onze overtollige kleeding afleggend,

gingen we loopen door het overstroomde land naar het station Darya

Khan. Soms troffen we eens een kwartmijl van velden, die niet waren

overstroomd; maar dan weer kwam het water ons tot aan de heupen, en ook

wel kwam het voor, dat de veerboot voor de bagage werd gebruikt en dat

wij over zwommen. Twee uit het elftal, die minder goede zwemmers waren,

zouden op een keer gefopt zijn geworden door de kracht van den stroom,

als er niet gelukkig een zandbank hun nog weer vasten grond had doen

krijgen. De tocht over de gezwollen rivier had van negen in den morgen

tot vier uur in den namiddag geduurd; maar wij hadden ook wel eens

geluierd, om te genieten van het zwemmen op de diepere plaatsen.

Wij bemerkten, dat het voetbalseizoen in de verschillende steden ver

uiteenloopt. Terwijl Calcutta voetbal speelt in Juli en Augustus,

speelt Karatsji van December tot Maart en Bombay in het voorjaar. Maar

ook die clubs, die niet in hun speelseizoen waren, stemden er met

sportieve bereidheid in toe, zich tijdens ons bezoek met ons te

meten. Nergens vonden wij meer enthousiasme op de colleges en in de

scholen en guller gastvrijheid dan in Haiderabad, de hoofdstad van

het rijk Nizam, en hier juist leed onze club haar eerste nederlaag

op dezen tocht.

Wij hadden dertig uren gereisd van Ahmadnagar in het Noorden, en

de stations langs de lijn waren zoo slecht voorzien, dat we niets

hadden kunnen krijgen dan wat biscuits en wat zoetigheden, en toen

we in Haiderabad aankwamen, hoorden we, dat de wedstrijd op vier

uur in den namiddag bepaald was, zoodat het elftal slechts haastig

een zelfbereid maal kon nuttigen, vóór het in den strijd ging. Het

Nizamcollege stelde een sterke ploeg tegenover ons, en voor het eerst

op onze reis werden de Bannoejongens beslist geslagen. Het was echter

aardig, op te merken, hoe beide ploegen hun goede gezindheid aan den

dag legden, en hoe ze met de grootste bonhommie vóór, zoowel als na

de wedstrijden, zich verbroederden en vriendschapsbanden aanknoopten,

die in stand bleven tot lang na onzen terugkeer naar Bannoe.

Zulke reizen, als wij toen deden, hebben ongetwijfeld bijgedragen tot

het wekken van die gevoelens van vriendschap tusschen de rassen uit

verschillende streken van Indië, die zoo gunstig werken en waarvan

altijd zoo weinig naar buiten blijkt. Er zit ook een strekking in,

om breeder sympathieën te wekken en godsdienstige vooroordeelen

tegen te gaan. Niet alleen bewezen de leden van ons gezelschap,

dat er vriendschap kon bestaan bij verschil van godsdienst; maar ook

onze gastheeren waren van allerlei rang en ras en geloof. Zoo waren

we in Haiderabad de gasten van een christelijken zendeling, reverend

Canon Goldsmith; een huis werd ons afgestaan door een rijken Parsi,

en we werden ten eten genoodigd door Mohammedanen uit de plaats.

Op één uitzondering na hadden onze Afghanen nooit de zee gezien en ze

verlangden allen naar de kennismaking. Dus regelde ik het zóó, dat we

van Karatsji naar Bombay gebruik maakten van een der britsch-indische

stoombooten, die tusschen de beide havens varen. De Juli-moesson was

op zijn krachtigst, en ze hadden niet gerealizeerd, wat hun verzoek

inhield. Er woei een hevige wind al den tijd, dat onze reis duurde,

heel die veertig uren lang, en de kleine stoomboot _Kassara_ rolde

steeds door, terwijl de golven soms over het voordek sloegen.

Allen op drie na leden aan zeeziekte in den ergsten vorm en wenschten

vurig, dat ze nooit de woede van den oceaan hadden durven tarten. Wij

kwamen in een stortregen in Bombay aan, een treurig, ontmoedigd en

strompelend troepje. Het was pikdonker, en slechts met eenige moeite

vonden wij den weg naar de school van de Zendingsmaatschappij, waar

we opgenomen zouden worden. Het regende bijna den heelen tijd van ons

verblijf in Bombay, maar we speelden toch een match met de Stedelijke

Club, en de _Bombay Gazette_ gaf er nauwkeurig verslag van. Iedere

partij had drie goals gemaakt.

Daarna was Calcutta aan de beurt, waar een reeks wedstrijden ons

wachtten, en dan zouden volgen de matches met de scholen van de

provincies Agra en Oudh en die van Pendsjab; maar een onvoorziene en

onberekenbare omstandigheid bracht onzen tocht tot een prematuur

einde, enkele uren vóór het tijdstip, waarop wij uit Calcutta

zouden vertrekken. Het ongeluk was het gevolg van een dier golven

van onrustigheid, die volgden op den heftigen storm, gewekt door de

verdeeling van Bengalen. De Bengaleezen hadden een boycot afgekondigd

voor alle europeesche goederen, en in de opgewondenheid van hun

campagne hadden ze een massa jeugdige schildwachten gezet aan de deuren

van die kooplui, die handel dreven in artikelen van westersch maaksel.

Het waren voornamelijk Marwarikooplieden uit het presidentschap Bombay,

en zij dachten zich te bevrijden van dien lastigen troep jongens,

door het gerucht te verspreiden, dat een aantal lieden uit Pendsjab

en Afghanistan uit het Noorden waren gekomen, om kinderen en knapen te

rooven, als ze die konden machtig worden. Het gerucht vond geloof bij

de bijgeloovige volksmenigte in Calcutta en, zonder dat wij er iets van

wisten, daar ons zelfs het bestaan der geruchten onbekend was, had men

ons gezelschap aangewezen als waarschijnlijk tot de roovers behoorende.

Wij waren op den morgen van 23 Augustus 1906 teruggekeerd uit

Krishnagar, waar we aan een reeks wedstrijden hadden deelgenomen, en

zouden Calcutta dienzelfden namiddag verlaten, om den volgenden dag

te Bhagalpur te spelen. Onze club had zich in twee groepen verdeeld,

om te gaan ontbijten in een van de eetwinkels, die er zoovele zijn in

den bazar te Calcutta, en ik was vooruitgegaan naar het Howrah-station,

om kaartjes te nemen. Het was een warme dag, en op den terugweg bleef

ik even rusten in een ververschingslokaal in Harrison Road dichtbij

het kosthuis van de Zending, waar we logeerden, om een glas limonade

te drinken.

Kalm zat ik vóór den winkel, toen ik opeens den heelen bazar vol

drukte en beweging zag. De menigte liep af en aan, en de winkeliers

deden gauw hun luiken vóór de ramen. Volkomen onbewust van het feit,

dat mijn eigen jongens werden aangevallen, dronk ik rustig mijn glas

uit en wandelde naar ons kosthuis, denkende, dat er geen reden was, om

mij ongerust te maken over dingen in Calcutta, die mij niet aangingen.

Pas was ik binnen het hek gekomen, of ik zag één van onze clubgenooten,

Rahime Bakhsh, met bloed, stroomend over zijn gezicht, en nog een

anderen knaap, die gewond was. "Weet u niet," schreeuwde er iemand,

"dat onze jongens zijn aangevallen met moorddadige oogmerken, en dat

er misschien gedood zijn?"

"Waar zijn ze?" vroeg ik haastig.

"Ze zijn denkelijk nu in het hospitaal."

Er ging juist een cab voorbij, en ik sprong erin en reed naar het

hospitaal. Ik snelde naar de zaal voor de pas binnen gebrachten en

was doodelijk verschrikt, toen ik zes van de club er zag liggen

met gescheurde en bebloede kleêren en geheel onder het slijk als

bedolven. Hun hoofden waren zóó toegetakeld door de menigte, dat

ik ze niet kon herkennen, voordat ik met ze had gesproken, en toen

hoorde ik pas, wat er was gebeurd.

Een gezelschap van negen jongelui was een lokaal voor ververschingen

binnengegaan en zoude er ontbijten. Daar bemerkten ze al spoedig, dat

een volksmenigte van vele honderden zich buiten had verzameld. Nog

niet begrijpend, dat zijzelf de oorzaak van den oploop waren,

gingen ze, na hun maal te hebben genuttigd, naar buiten, om naar het

zendingskosthuis te gaan, maar werden aan alle kanten door geschreeuw

en geroep ontvangen. "Dat zijn de roovers! Sla ze dood! Sla ze dood!"

Nog begrepen zij de oorzaak der opwinding niet, en toen ze vroegen,

wat het alles beteekende en wat men van hen wilde, kregen ze enkel

snauwen ten antwoord en een regen van steenen. Eer ze tijd hadden,

zich te weer te stellen, raakten ze van elkaar af onder de woedende

volksmenigte, die hun met steenen en stokken te lijf ging, tot

ze bewusteloos op straat lagen. Twee slechts wisten te ontkomen,

Rahime Bakhsh, dien ik in het kosthuis had ontmoet, en een andere,

die in een voorbijgaand rijtuig had kunnen komen.

Onder de wilde stammen op de grenzen van Afghanistan De Aarde en haar Volken, 1917 · 第 5 / 7 段