De volgende rivier, waar wij over moesten, was de Beas en toen

wij er uit de richting van Gurdaspur bij kwamen op een helderen

wintermorgen trof ons de schoonheid van het landschap. Links van ons

was een prachtig panorama van den Himalaya, met de rijen van achter

elkaâr oprijzende bergen van glinsterende sneeuw, een vizioen van

verblindende witheid. En daarvóór de verscheidenheid van groen en bruin

van Pendsjabs vlakte met wouden en velden, waardoor de rivier Beas haar

zilveren kronkels slingerde. Tusschen den Khaiberpas in 't noorden

en de Koeramvallei in 't zuiden vindt men in de dalen der Afridi's

met hun vriendelijke dorpen kleine molens, door de bergstroompjes

gedreven. Bij Shinkiari bij voorbeeld in het Hazaradistrict ziet men

ze te midden van de rijstvelden met hun groote molensteenen in de

schaduw der moerbeiboomen. Bij 't bereiken van de rivier zagen we,

dat de tolgaarder aan den anderen kant was, en dat men den stroom niet

kon doorwaden. Den bootsman vragend, of wij zonder te betalen mochten

worden overgebracht, daar wij dat niet konden doen, kregen we ten

antwoord, dat de eenige manier was, het aan den overkant te vragen

en dat één van ons dat mocht doen. Wij van onze zijde achtten het

beter, als we beiden overgingen om te vragen, en daar de bootslieden

er niet tegen hadden, heschen we onze machines aan boord van een der

booten en werden overgezet met een aantal kameelen en ossen. Veilig

aan den anderen kant gingen we naar het tolkantoor en deden, wat de

oosterlingen altijd doen in een moeilijkheid, wachten, om te zien, hoe

het afloopt. De ambtenaar nam onverschillig het geld voor de passage

aan, voor twee- en viervoetigen gelijkelijk, keek ons streng aan,

zonder te spreken, en begon zijn hoekah te rooken. Toen er wat tijd

verloopen was, waren we nog allen in beschouwing verdiept, hij van de

rookwolken uit zijn pijp en wij van het landschap. Zijn geduld raakte

het eerst op, en hij verbrak de stilte met: "Nu, Sadoe, uw geld?"

"Ik heb werkelijk dat wereldsche ding niet."

"Welk recht hadt u dan de rivier over te steken in des Sarkars boot?"

"Het was ons plan, een gunst van u te vragen."

"Wat verlangt de Sadoe van mij?"

"Enkel dat u, daar wij een pelgrimstocht doen naar Indië, en geen geld

hebben, ons toestaat geen tol te betalen. Daar u aan den overkant was

en niemand onze boodschap wilde overbrengen, bleef er niets anders

over, dan dat wij in persoon het verzoek deden."

"Zeer goed, Sadoe; ik sta uw verzoek toe. Wil mijner gedenken."

Van zijn broeders-zendelingen hoorde ik uiteenloopende meeningen over

dat aantrekken der inlandsche kleeding. De meesten keurden het af of

verwachtten er geen succes van, en één der broeders moest er lang over

nadenken, of hij ons nog wel in zijn huis kon ontvangen. Hij meende,

dat de afgrond tusschen Oost en West inderdaad niet te overbruggen was,

en dat men er geen poging voor moest doen, want dat de verhouding van

den zendeling tot de inlanders alleen patronizeerend, nooit familjaar

moest zijn. Met een indischen broeder maaltijd en dak te deelen, leek

hem dwaas, zelfs een hand te geven scheen hem onbehoorlijk, terwijl de

Engelschman, die zich als een inlander kleedde, den britschen naam in

Indië oneer aandeed, wat in zijn oogen haast gelijk stond met tornen

aan het britsche bestuur. Ik had een gevestigde meening op dat punt al

gauw, nadat ik in Indië was gekomen, en nooit hebben de omstandigheden

daarin wijziging gebracht. De afgrond lijkt mij best te overbruggen,

en hoe sneller dat gebeurt, des te beter zal het zijn voor het rijk

van Christus op deze aarde.

AANTEEKENING

[1] Tekst en illustraties ontleend aan Dr. T. L. Pennell's "Among

the wild tribes of the Afghan frontier". London, Seeley & Co.

Onder de wilde stammen op de grenzen van Afghanistan De Aarde en haar Volken, 1917 · 第 7 / 7 段