De Afghanen zijn zeer wraakzuchtig. Zelfs in het geval dat de Afghaan

iemand uit wraak doodt, zal hij, opdat de wraak nog zoeter zij, den

slag of steek zoo toebrengen, en liefst op een donkeren nacht, dat

het slachtoffer nog eenige minuten kan leven om te kunnen beseffen

dat zijn vijand hem te vlug is af geweest en te hooren de woorden

van voldoening, waarmede zijn vijand aan zijn haat uiting geeft.

Van één geval vernam ik, dat een moordenaar, nadat hij zijn slachtoffer

bijna had geworgd, voor dat hij nog geheel dood was, hem een hevigen

slag op zijn kaak gaf, waardoor hij de kaak verbrijzelde. Toen vroeg

hij op smalenden toon: "Herinner jij je dien dag nog, toen ik je zeide,

dat ik je tanden wel eens uit je mond zou slaan?"

In 't najaar van 1907 werd een flink gebouwde Waziri naar het

Bannoe-hospitaal gebracht in een beklagenswaardigen toestand. Zijn

beide oogen waren met een mes uitgestoken. Hij vertelde dat zijne

vijanden hem onverwachts in zijn woning hadden overvallen, zijn vrouw

bewusteloos hadden geslagen en hem aan 't bed hadden gebonden en

toen met een mes zijn oogen hadden uitgestoken. Zijn vrouw was met

hem meegekomen, zwaar gekneusd en met eenige gebroken ribben. Wij

namen ze op en gaven hen een van onze "family-wards", zoo genoemd,

omdat vader, moeder en kinderen, zoo die er zijn, daar samen kunnen

blijven om verpleegd te worden. Het was pijnlijk om den man te zeggen,

dat hij nooit meer zou kunnen zien, maar 't was nog pijnlijker hem te

hooren zeggen: "Sahib, indien gij mij slechts zoolang mijn gezicht

terug kunt geven totdat ik mijn vijand heb doodgeschoten, dan zal

ik er in berusten mijn geheele leven blind te zijn." Maar dat mocht

niet zijn en de arme kerel zal het lot van vele blinde bedelaars,

die op de oostersche bazaars zoo talrijk zijn, wel moeten deelen,

want wie zou zijn akker hebben beploegd of wie voor hem gesproken

hebben in den dorpsraad? Uit medelijden hebben we hem nog eenige weken

bij ons gehouden, opdat hij nog iets zou hooren van de bijbelsche

verhalen van goedheid en vergevensgezindheid; maar dan schudde hij

het hoofd en zeide met een zucht: "Neen, die leer is niet voor ons,

wat ik noodig heb is wraak."

De onderlinge twisten vergeten deze stammen nooit, behalve als er

sprake is van een gemeenschappelijken vijand van buitenaf. Dan

kunnen ze voor een tijdje eensgezind zijn, vooral zoo de vijand

geen Mohammedaan is; maar is het gevaar geweken, dan begint hun

strijd opnieuw.

In de zalen van het hospitaal is dat echter alles anders, en hier kan

men vertegenwoordigers vinden van al de grensstammen, die broederlijk

samen praten, ofschoon ze hoogst waarschijnlijk uit een hinderlaag

op elkaâr zouden loeren, als ze eenige mijlen verder de grens over

waren. Ze schijnen algemeen te hebben aangenomen, dat alle veeten in

het hospitaal moeten rusten, en zoo kan de dokter gehoor vinden bij een

half dozijn verschillende stammen in één enkele zaal van het hospitaal,

als hij 't gesprek brengt op den Vredevorst en als hij het evangelie

der liefde stelt naast hun leer van schiet uw buurman dood, om zijn

geweer te krijgen. Ze zeggen dan min of meer verontschuldigend: "Dat

is waar; maar God heeft nu eenmaal besloten, dat er altijd oneenigheid

onder de Afghanen zal zijn; wat kunnen wij er dus aan doen?" Soms zegt

een patiënt: "Ik moet in een zaal liggen, waar geen vensters zijn,

want ik ben bang, dat een van mijn vijanden zal komen 's avonds,

als de lamp in de zaal brandt, en mij bij dat licht zal doodschieten."

Groot zijn de verschillen in de gezichten, de kleeding en de dialecten

en nog grooter in de kwalen, waarvoor ze komen. Oogziekten vormen

meer dan een vierde van het geheele aantal, en weinig ziekten kunnen

den dokter zooveel voldoening geven als deze, waarin hij soms het

gezicht terug kan schenken aan iemand, die jaren blind is geweest en

den patiënt dankbaar en gelukkig naar huis kan laten gaan. Tering komt

ook veel voor in de dichtbevolkte dorpen, en hier, deze Waziri, een

jonge man uit de bergen, Mohammed Payo heet hij, lijdt aan chronische

malaria. Hij is een oude kennis, want hij gaat altijd weer naar huis,

als hij zich sterk genoeg voelt, en dan bij slecht voedsel en veel hard

werk, want hij is een arme drommel, stort hij weer in en komt, wit

als een laken, bij ons terug, om weer opgekalefaterd te worden. Hij

is nu juist aan 't herstellen en gaat in de zaal rond, om kleine

diensten te verrichten voor de andere patiënten. Hij vertelt hun, wat

ze moeten doen en wat ze hebben te laten, alsof hijzelf jaren lang

dokter is geweest. Arme jongen! Zijn ouders heeft hij verloren bij

een dorpsgevecht, en hij zou zelf al lang dood zijn, als de deur van

't hospitaal niet voor hem open stond.

In een ander bed ligt een jongen met blond haar en blauwe oogen van

twaalf jaar uit Khost, die lijdt aan een ziekte in de beenderen van

zijn rechterbeen, dat hij in twee jaar al niet op den grond heeft

kunnen zetten. Zijn thuis ligt tachtig mijlen ver, over de bergen,

en er was niemand, om hem naar Bannoe te brengen, ofschoon hij aan een

paar kooplui had gevraagd, of ze hem wilden laten zitten op een van hun

pakkameelen. Maar niemand had er trek in, zich te belasten met de zorg

voor zoo'n eenzamen knaap. Hij had zulke wonderbare geschiedenissen

gehoord van de genezingen in het hospitaal van Bannoe van een man

uit zijn dorp, die er zes weken was geweest voor een zweer op zijn

been, dat hij besloot, erheen te gaan, hoe dan ook, en hij had de

reis volbracht, voor 't grootste deel kruipend op handen en knieën,

met nu en dan eens een eindje rijden met een vriendelijken ruiter of

een goedigen koetsier. Zes weken was hij onderweg geweest, hier om wat

eten bedelend, daar om een nachtkwartier in de dorpen, waar hij door

kwam. Toen hij aankwam, was zijn toestand zóó, dat men zich dien beter

verbeelden kan dan hem te beschrijven. Enkele vuile lompen bedekten

hem en de beenwond was vreeselijk, terwijl er nu geen vroolijker en

gelukkiger jongen in het hospitaal is met zijn witte hospitaal-pyama,

zijn zacht vriendelijk gezicht en prettigen glimlach, zooals hij op

zijn kruk langs de bedden gaat en met de andere patiënten praat.

En daar ligt een groote, donkere Afghaan met mooie krijgshaftige

trekken, waaruit het lijden langzamerhand de harde oproerigheid

verdrijft. Hij was met een vriend op een nacht gewapend naar een dorp

gegaan, waar een militiewachtpost was. Hij houdt vol, dat ze maar

waren gegaan, om een vriend op te zoeken en dat ze onderweg door den

nacht waren overvallen. Maar 's nachts gewapend erop uit te gaan, is

op zichzelf al genoeg, om tegen zoo'n Afghaan van de grens achterdocht

te wekken. Toen de militiesoldaten hem aanriepen, verscholen hij en

zijn vriend zich, in plaats van te antwoorden, zoodat de soldaat

meende, met slecht volk te doen te hebben en schoot. De vriend

ontsnapte, maar onze man kreeg een kogel in de linkerdij, die het

been versplinterde. Hij werd niet dadelijk naar het zendingshospitaal

gebracht, en toen wij hem kregen, was het dadelijk te zien, dat

zijn dagen geteld waren, als er niet terstond werd geamputeerd. Hij

had daar, als alle Afghanen veel tegen, maar stemde ten slotte toe,

op voorwaarde, dat het afgezette been hem mee naar huis zou worden

gegeven, om later met hem te worden begraven. Alleen op die manier

leek het hem mogelijk, hiernamaals niet gebrekkig te zullen wezen.

Onder de Afghanen zijn vaak de naaste bloedverwanten iemands felste

vijanden, en, zooals ik al vroeger opmerkte, het is heel gewoon te

zeggen: "Hij haat dien man als een neef." Zoo gebeurde het eens,

dat een gewonde Afghaan naar het hospitaal werd gebracht op een bed,

gedragen door vier mannen, en bij onderzoek bleek hij er erg aan

toe. Hij had een schot van dichtbij gekregen den vorigen avond,

toen hij uit de moskee naar huis terugkeerde, De kogel had zijn

linkerlong geheel doorboord, en de patiënt was bewusteloos door de

hevige bloeding, die was gevolgd. Een compres van pluksel en eidooier

was op de wond gelegd; maar de roode stroom kwam erdoor. De man had

gezegd, dat hij geloofde, door zijn oom te zijn getroffen, met wien

hij oneenigheid had om het bezit van een stuk land; maar hij had diens

gezicht niet duidelijk gezien. Er werd een kamer voor hem ingericht;

zijn met bloed bevlekte kleeding werd door hospitaalkleeding vervangen,

en de wond werd gezuiverd en verbonden.

Lang zweefde hij tusschen leven en dood, steeds opgepast door twee

broers, die, als ze even goed onderlegd als ijverig waren geweest,

uitstekende verplegers zouden geweest zijn. De zieke won ten laatste

aan in kracht, en de wond genas. Toen ik op een dag den patiënt

bezocht, trof ik hem overeind in bed met een glimlach op zijn gelaat,

en na de gewone begroetingen zei hij: "Als het u blieft, Sahib, kom

dichtbij mij; ik heb u een verzoek te doen." Ik ging bij zijn bed

zitten en vroeg, wat ik voor hem kon doen. Hij trok mij naar zich toe

en zei op onderworpen toon: "Sahib, ik wou, dat u wat patronen voor

mij kocht; hier zijn vier roepijen, die ik ervoor heb bestemd." "Wel,

waarvoor hebt ge die noodig?" vroeg ik. "Kijk hier," zei hij, en wees

op de plaats van de wond, "dit litteeken moet nog afbetaald. Ik ben

nu sterker, en binnen een paar dagen kan ik naar huis en ik moet zoo

gauw mogelijk wraak nemen."

Ik zei afkeurend tot hem: "Kun je niet van je wraak afzien na alle

goede woorden, die je in het hospitaal hebt gehoord en den goeden

raad, dien je hebt ontvangen? Wij hebben met veel moeite en zorg je

opgeknapt, en nu zouden we na een paar dagen je oom hier krijgen en

weer dezelfde zorgen aan hem moeten besteden." "Wees daar maar niet

bang voor, Sahib", was het antwoord, "ik ben een beter schutter dan

hij." Wij hebben den oom nooit in huis gekregen, al gaf ik de patronen

niet; maar hij zal ze wel elders hebben gekregen.

De toewijding, die in sommige gevallen door bloedverwanten wordt aan

den dag gelegd, als ze zieke of gewonde vrienden hebben gebracht,

is vaak roerend, en vormt een aangename tegenstelling met de veel

voorkomende vijandigheid. Een geval is in mijn herinnering gegrift

van een man uit Kaboel, die jaren lang aan een fistel had geleden;

zijn naaste bloedverwant was een neef, die talib of student was. Ze

waren beiden arm; maar de man verkocht wat huisraad en huurde een

kameeldrijver, om hem op zijn kameel te vervoeren. De reis naar

Bannoe duurde veertien dagen, en de zieke leed veel door het stooten

van het rijden. Er werd geopereerd; maar het duurde nog wel een paar

maanden, eer de patiënt genezen was en ontslagen en al dien tijd werd

hij door den talib verpleegd, die dag en nacht aan zijn bed zat,

lettend op wat de zieke noodig had en hem voorlezend uit den Koran

of uit den een of anderen perzischen dichter, enkel hem verlatend,

om naar de moskee te gaan in Bannoe of in een naburig dorp, waar hij

van weldadige Mohammedanen een maal kreeg.

Er was eens een mollah in Bannoe, die bijzonder heftig was in zijn

openbare aanklachten tegen de zending en al, wat er mee in verband

stond. Hij hield nog al eens toespraken, die afkeuring inhielden van

al wat de Christenen, en in het bijzonder de zendelingen, deden, en

hij vertelde de menschen, dat ze in het hospitaal zouden sterven en

dan stellig naar de hel zouden gaan. En alle geneesmiddelen, die ze

in het hospitaal innamen, zouden in lood worden veranderd, waardoor

ze in den diepen afgrond zouden worden gesleurd, en meer van dien

aard. We waren dus niet weinig verbaasd, toen op een goeden morgen

vier in het wit gekleede talibs een bed in het hospitaal brachten,

waarop een gestalte, met een wit laken bedekt, deze zelfde mollah

bleek te wezen! We vroegen hem geen bijzonderheden, maar namen

hem terstond op, en onze christelijke helpers waren vol zorg voor

hem in zijn langdurige en ernstige ziekte en verpleegden hem met

groote oplettendheid. Ze spraken nooit over zijn vroegere houding,

maar trachtten, door geduld en medegevoel hem te laten zien, wat het

Christendom wil. Toen hij het hospitaal verliet, bedankte hij ons in

tegenwoordigheid van enkele van zijn volgelingen, bad om den zegen

voor het hospitaal en is nu een van onze trouwste vrienden.

De dokter en zijn helpers zouden lang moeten reizen langs de grens,

om een dorp te vinden, waar ze niet hartelijk zouden worden ontvangen

door oud-patiënten.

De dagen zijn druk in het hospitaal. Laat ons er een beschrijven. Een

oostersche dag begint vroeg. Als de eerste lichtstralen in het Oosten

te zien zijn, wekt de muezzin de slapenden en roept ten gebede. "God

is groot, God is groot. Ik getuig, dat er geen God is dan God! Kom ten

gebede; gebed is beter dan slaap." En ieder vrome Mohammedaan staat

op, doet de vereischte wasschingen en begint den dag met het loven

van den Schepper. De Hindoes volgen; klokjes klinken in hun tempels,

als hun priesters de sluimerende goden wekken, en ook wordt de kleine

christengemeente door de kerkklokken geroepen voor den morgendienst, en

ze vereenigen zich in lofzang en gebed, voordat ze ieder naar zijn of

haar werk gaan. Als de zendeling een kalm morgenuurtje voor zich zelf

begeert, moet hij vroeg opstaan, want na den morgendienst begint de

lange reeks van plichten, die hem geen tijd laten, eer de avond valt.

Darya Khan, de hospitaalkok, wacht op het dagelijksch rantsoen en

geeft vijftig zieken op voor het volle diëet, twintig voor het halve

en vijftien voor melkdiëet. Zooveel zieken zijn ontslagen uit het

hospitaal, zooveel zijn opgenomen, en er stierf één van nacht. Dus

worden de voorraden voor den dag afgewogen en uitgegeven, en er worden

bevelen gegeven voor de aanschaffing van wat er nieuw noodig is.

Dan komen de zalenopzichters met hun verhalen van bevuild beddegoed en

schoone handdoeken en verbanden en kleedingstukken voor de patiënten,

waarin moet worden voorzien.

Als dat gebeurd is, staat de tuinman klaar met het dagrantsoen aan

groenten en bloemen en komt met een massa vragen, die alle ernstige

overweging verdienen, zooals, of de moerbeien al moeten worden geplukt,

en waar de jonge perenboompjes moeten worden geplant. En hij vertelt

van gestolen oranjes, en of ik wil komen, om de voetstappen op

te nemen.

De klok slaat acht uur, en dus is er juist een half uur, om in het

hospitaal te zien, eer de buitenpatiënten komen. De operatiezaal moet

bezocht; de huisdokter vertelt, dat de tuberculoselijder op die en die

zaal een bloedspuwing heeft gehad in den nacht, en we zijn juist op

weg naar hem toe, als Alam Gul komt aanloopen met het bericht, dat zijn

broer dien morgen van het dak naar beneden wou gaan, en dat zijn voet

uitgleed op de ladder, zoodat hij op zijn hoofd viel en nu bewusteloos

is. Of ik gauw wou komen? Nadat de ernstige gevallen zijn nagegaan, en

Alam Guls broeder is bezocht, vraagt de afdeeling buitenpatiënten al

mijn aandacht. De veranda's zijn vol zieken, de mannen in de eene en

de vrouwen en kinderen in de andere, en terwijl de catechiseermeester

voor de eersten preekt, houdt een vrouw de anderen op dezelfde manier

bezig. Er liggen een paar zieken op meegebrachte bedden en allerlei

vervoermiddelen, draagstoelen, kameelen, ossen, ezels enz.

Na een enkel woord tot de zieken, die vaak zoo lang hebben gereisd,

en tot de geleiders, gaat de dokter naar binnen, om de zieken één voor

één te laten komen voor het onderzoek. Degenen, die hier behandeld

moeten, worden naar de zalen gebracht, en de rest krijgt de noodige

geneesmiddelen, of hun wonden worden verbonden en ze kunnen naar

huis gaan. Een groot aantal van de buitenpatiënten zijn ooglijders,

en soms komen er vier of vijf blinden, elkaar vasthoudend en geleid

door iemand, die niet geheel blind is. Zij zitten daar en wachten

met spanning op de uitspraak van den dokter, om te hooren, of ze

een operatie moeten ondergaan, en of er hoop is, dat ze het gezicht

terugkrijgen. Want de geschiedenissen, die ze hebben vernomen van

de knapheid der westersche dokters, doen hen denken, dat, als de

dokter hen niet geneest, dat komt, doordat hij het te druk heeft,

of dat zij te arm zijn. Als dus, wat soms gebeurt, de dokter op het

eerste gezicht ziet, dat een geval hopeloos is, en dat het gezicht

voor altijd weg is, wordt het een moeilijke zaak, om den patiënt dat

feit mee te deelen, en dikwijls verlengt de dokter het onderzoek van

het oog zonder noodzaak, opdat de man toch maar niet zal denken, dat

het gebrek aan belangstelling in zijn geval is, waardoor de dokter

zegt, dat hij er niets aan kan doen. En dan dat smeekende: "Och,

Sahib, maar een beetje licht! Zie, ik kan nog wel licht van donker

onderscheiden; ik kan het licht van dat venster zien. Ik ben den

heelen weg van Kaboel gekomen, omdat ze zeiden, dat de feringidokter

alles kon genezen. Waarom maakt ge mij niet beter?"

Er was een man, die niet wou heengaan, voordat ik hem naar mijn moeder

had meegenomen; die kon misschien nog wel helpen; ze moest meer kunnen

dan ik, want ik had immers van haar geleerd? Een ander ging naar haar

toe, om haar te vragen om haar tusschenkomst bij mij, omdat hij zeker

was, dat, als ik maar wilde, ik hem wel beter kon maken. Als ze dan

ten laatste overtuigd zijn, dat er niets aan te doen is, zeggen ze zoo

ontroerend onderworpen, vaak terwijl tranen over hun wangen rollen:

"Het is Gods wil. Ik zal geduldig wezen." En dan beginnen ze hun

zware reis weer naar huis of blijven nog een paar dagen en trachten,

in den bazar een kansje te krijgen, om met den een of ander een eind

mee te rijden.

Daar komt een gewichtig hoofd met een groot gevolg, die een speciaal

consult van den dokter verlangt en die met omslachtigen eerbied moet

worden behandeld. Hij geeft een gift voor het hospitaal of zendt

een paar ossen, beladen met zakken maïs, als een schenking voor

onze magazijnen.

Er komen nog steeds patiënten, als er een schooljongen aan komt

loopen met het bericht, dat het tijd is voor den dokter, om zijn

schoollessen te beginnen. Niet ieder zendingsstation brengt het

zoo ver, dat er voor de school een afzonderlijke zendeling is,

en Bannoe is een van die posten, waar het toezicht van de school

een der plichten van den zendeling-dokter is, die de oudste klassen

ook onderricht in bijbellezen, Engelsch en natuurkunde. Zoo wordt de

spreekkamer verwisseld voor het klasselokaal, en de zendeling ziet zich

omringd door een klasse van twintig tot vijf-en-twintig leerlingen,

intelligente knapen, die zich voorbereiden voor het toelatingsexamen

tot de Pendsjab-universiteit en ingewijd worden in de geheimen van

het zien, in scheikunde en mechanica of in het maken van engelsche

opstellen. Ook laat hij ze vol ambitie luisteren naar de altijd weer

boeiende verhalen uit het leven van Jezus, waarbij ze ondervraagd

worden en vragen stellen en de schoone leer leeren verstaan.

Dan moet er nog een inspectiebezoek worden gebracht aan de andere

klassen, waar het schoolpersoneel aan het werk is en soms wenken en

lessen moet hebben, als alles goed zal gaan. Daarna gaan we zien,

welken voortgang het bouwen van de nieuwe zaal in het hospitaal heeft

gehad en of in de drukkerij alles naar wensch loopt, want de pers

van de zending drukt niet enkel inlandsche geschriften en engelsch

zendingswerk, maar er wordt ook gedrukt voor de verschillende kantoren

en kooplieden in de stad. Rekeningen moeten worden opgemaakt, proeven

gecorrigeerd en aanwijzingen gegeven voor het werk van den dag.

Nu is het tijd voor een bezoek aan de hospitaalzalen en voor de

operaties. Gewoonlijk worden de patiënten geopereerd op denzelfden dag,

dat ze worden opgenomen. Als dat niet gebeurde, zouden de operatiezalen

niet alleen overvuld worden, maar in veel gevallen zou de moed van de

lijders wegvloeien langs hun vingertoppen, en in plaats van hen bereid

te vinden voor de behandeling, zou men worden begroet met de woorden:

"Ik heb juist gehoord, dat mijn vader ernstig ziek is geworden. Als ik

niet dadelijk naar huis ga, zal ik hem nooit terugzien." Een ander:

"Ik vergat heelemaal, voêr voor mijn ezel gereed te maken; ik moet

naar huis, om daarvoor te zorgen en kom binnen twee dagen terug." Men

weet natuurlijk, dat die geschiedenissen pure verzinsels zijn; maar

het zou nutteloos wezen, hun dat te zeggen of te gaan redeneeren. Men

kan niet anders doen, dan hun hun eigen kleêren terug te geven en ze

te laten gaan. Soms komen ze later weer en vertellen nog wat leugens

omtrent hun vader of hun ezel, om zich te rechtvaardigen; maar vaak

ook zien we hen niet terug.

Terwijl de operatiegevallen voorbereid worden door den huisarts,

gaat de dokter de zalen rond, onderzoekt en schrijft voor en zegt een

opmonterend woord aan ieder bed. Als dat is afgeloopen, is hij juist

eraan toe, de operaties te beginnen, als er een man komt binnenstormen,

zeggende, dat zijn broeder op de jacht was en dat zijn geweer is

ontploft en zijn hand afsloeg. Zou de dokter dadelijk willen komen,

dat hij niet dood bloedt, en achter den boodschapper komt de gewonde

al aan, op een bed gedragen. De dokter onderzoekt hem en neemt de

noodige maatregelen, dat het gevaar bezworen is, en de man even kan

wachten tot na den afloop van de andere operaties.

Vandaag zijn de operatiegevallen zoowat als op een gemiddelden dag

in den drukken tijd van het jaar. Ze beginnen met vijf oude mannen

en drie vrouwen, die aan cataract lijden; dan twee gevallen van

verstuiking, een amputatie, de wegneming van een gezwel en twee

gevallen van een ziekte der beenderen. Als dat gedaan is, komt de

man met de beschadigde hand aan de beurt, wordt gechloroformiseerd

en de wond wordt genaaid, terwijl twee vingers zoo beschadigd zijn,

dat ze moeten worden weggenomen.

De schooljongens zijn nu op het veld aan het voetballen, en de dokter,

die zich verkwikt heeft met een kop thee, is van oordeel, dat niets

hem beter zou aanstaan dan een uurtje met hen te oefenen. Maar pas

heeft hij zijn spullen aan, of een bediende komt zeggen, dat een malik

of hoofd een bezoek is komen brengen. Men zou hem met een beleefde

verontschuldiging willen verzoeken, een anderen keer terug te komen;

maar deze malik schonk ons gastvrijheid, toen we in zijn buurt reisden

een halfjaar geleden, en het zou een slechte dank zijn, als we hem

nu niet ontvingen. Dus wordt hij binnengelaten met vier of vijf

lieden van zijn gevolg, en er worden eenige minuten besteed aan een

nietszeggend gesprek. En juist, als men op het punt is, te zinspelen op

werk, dat men heeft te doen, zoodat het gesprek zou kunnen eindigen,

komt de bezoeker voor den dag met het doel van zijn bezoek. Hij is

gewikkeld in een rechtsgeding bij een der naburige hoven tegen een

anderen malik. Zijn zaak is strikt rechtvaardig; maar daar de andere

partij in betrekking staat tot den secretaris van den hoofdrechter,

vreest hij, geen recht te zullen krijgen, tenzij... tenzij... Zou ik

de goedheid willen hebben, een paar regeltjes te schrijven aan den

rechter en hem willen vragen, om aan deze zaak zijn volle aandacht te

schenken? Het zou voor mij zoo weinig moeite wezen, en ik zou hem een

dienst bewijzen, dien bij tot zijn dood zich zou herinneren. Er volgt

een uitlegging, die vermoeiend is, omdat men die zoo vaak in dergelijke

zaken moet geven, dat de rechter heel boos zou zijn, als ik het waagde,

die tusschenkomst te verleenen; dat, als zijn zaak rechtvaardig is,

zoo'n maatregel niet noodig is, dat hij op de eerlijkheid van de

getuigen moet vertrouwen, en zoo voort. Neen, hij kan en wil niet

vertrouwen, dat gij werkelijk vriendschap voor hem voelt, als ge hem

dien kleinen dienst van het schrijven van een briefje weigert. Als de

bezoeker is heengegaan, is er nauwelijks een half uur over voor het

voetbalspel, en er wacht al een man, die u mee wil hebben naar een

geval van longontsteking aan den anderen kant van den bazar, en twee

andere boodschappen zijn er geweest voor ziektegevallen in de stad.

Onder de wilde stammen op de grenzen van Afghanistan De Aarde en haar Volken, 1917 · 第 4 / 7 段