ontstond er een twist tusschen hen en de Bangasjen uit een dorp, Boerka
geheeten, waardoor een gevecht ontstond, dat de Toeries wonnen, die de
inwoners van Boerka doodden of verdreven en van de plaats hun eerste
vestiging in de streek maakten. Al gauw daarna maakten ze zich meester
van twee der belangrijkste dorpen uit het dal, Peiwar en Milana,
en tot op den huidigen dag bezit iedere Toerie, die op gewichtigheid
aanspraak maakt, land in een van die drie dorpen, al is het maar een
vijftigste deel van een veld, als bewijs van zijn oude afkomst.
Jaar op jaar maakten de Toeries hun positie sterker en verdreven de
Bangasjen dieper het dal in, behalve in sommige gevallen, zooals met
de bewoners van het groote en mooie dorp Schlozan, waar de Bangasjen
allen Sjiïeten werden en met de Toeries zich vereenigden, zoodat ze hun
land mochten behouden. Toen ze eindelijk hun stelling stevig hadden
bezet en overtuigd waren geworden van de bekoorlijkheid van het dal,
gingen de Toeries niet meer naar de vlakte terug en bleven het heele
jaar door in het hooggelegen dal. Daardoor wonen nu nog de Toeries
daar, terwijl lager de Toeries en Bangasjen gemengd voorkomen, zoodat
de dorpen van beide stammen soms naast elkander liggen, en nog weer
verderop de Bangasjen al het land in bezit hebben.
Sedert de menschen hebben ontdekt, dat het engelsche bestuur vrede
en rust brengt en hun zwaarden tot sikkels hebben omgesmeed, hebben
verscheiden van die bergstammen iedere gelegenheid aangegrepen, om
zich voor goed in het dal te vestigen en daar land te krijgen, om van
den rijken bodem te profiteeren. Dat waren o. a. de Mangals en Makbals
en de Zaimoekts, die nieuwe elementen onder de stammen brachten. Maar
er zijn ook andere stammen, die vasthouden aan de vrijheid in hun
bergterreinen en soms aan de oude neiging toegeven, om hun buren te
plunderen. Zoo zijn daar de Ningrahars, de Spinwars en Pari's in het
Noorden en de Zazimaiden in het Zuiden. Om de optelling volledig te
maken, zou men ook de Hindoes moeten noemen, die in groot aantal in het
dal wonen, een groot deel van den handel in handen hebben en allerlei
zakenwerk en geestelijken arbeid voor de Mohammedanen verrichten.
Toen er Hindoeradjahs in Kaboel regeerden, hadden ze in dit dal ook
stellig de overhand, en wat er aan oudheden hier aanwezig is, blijkt
van hindoeschen oorsprong. Afgezien van de verscheidenheid van stammen,
die in dit dal dus dichtbij elkander voorkomen, is het ook bijzonder
belangwekkend, omdat hier een van de twee groote wegen doorgaat van
Kaboel naar Indië. De tweede weg is de Khaiberpas. Daardoor bezoeken
veel nomaden uit Afghanistan herhaaldelijk het dal en wonen er vaak
tijdelijk. Onder hen staan tegenwoordig op den voorgrond de Hazara's,
van wie velen van hun eigen land verdreven zijn door den emir en
hierheen zijn gegaan, om aan de wegen te werken. Ook de Khoroti's en
Ghilzai's komen vaak in het Koeramdal, en dank zij dit eigenaardig
centrale en kosmopolitische karakter, is het district zoo geschikt
als een middelpunt voor zendingswerk en zendingsinvloed. Onder
de Toeries kan men met succes optreden. Ze zijn, zooals ik al zei
Sjiïeten, terwijl alle omringende stammen tot de orthodoxe Sunnieten
behooren. Dus waren ze vóór de engelsche bezetting in 1891 voortdurend
het mikpunt van de vervolgingen van den emir van Afghanistan en hadden
vaak aanvallen te verdragen van hun sunnietische buren. Ze zien dus
natuurlijk in de Christenen hun bevrijders en komen er uit den aard der
zaak gemakkelijk toe, het Christendom met gunstige oogen aan te zien,
omdat het hun zooveel vrede heeft gebracht en aan hun onderdrukking
een einde heeft gemaakt. En daar er in woorden nog altijd strijd wordt
gevoerd onder hun mollahs aan weerszijden, daar ieder meent, in het
Christendom punten van gelijkenis te vinden met den eigen godsdienst,
heeft een christelijke toespraak of een christelijk boek wel invloed
op hen.
Daaruit is voortgevloeid een verwonderlijke, verwonderlijk ten minste
voor een zendeling uit het bijgeloovige Bannoe, gewilligheid voor
gesprekken over de christelijke geschriften en bereidvaardigheid,
om christelijk onderwijs te ontvangen. Bij voorbeeld mag in Bannoe
een welgeaarde mollah niet in den bijbel lezen, behalve in het geheim,
terwijl ik in Koeram de mollahs dikwijls openlijk heb zien lezen in en
verhandelingen heb hooren houden over de Heilige Schrift voor groote
groepen khans en andere lieden.
In Bannoe kan door het noemen van de leer der zondeloosheid van
Christus of het vaderschap van God het sein worden gegeven tot een
oproer, terwijl diezelfde leerstellingen hier, zelfs als ze niet
worden aanvaard, vrijelijk kunnen worden besproken met de zekerheid,
dat men haast altijd kalm zal worden aangehoord.
Den eersten zomer, waarin ik eenigen tijd onder deze menschen
doorbracht, werd ik zoo goed als overal gastvrij en hartelijk
ontvangen. Dat was natuurlijk voor een deel toe te schrijven aan de
medische adviezen en middelen, die ze kregen; maar het was toch een
groot verschil met de ontvangst, die in Hindostan dikwijls te beurt
valt aan den verkondiger van het Evangelie. Nergens was er eenige open
oppositie van de zijde der mollahs, en de meesten van hen kwamen mij
bezoeken en spraken lang met mij over den Bijbel. Ze vroegen om het
boek en lazen er geregeld in, en de dorpelingen noodigden ons soms uit,
langer van hun gastvrijheid gebruik te maken of het volgend jaar terug
te komen, en, wat nog het allerbest zou zijn, een apotheek onder hen
te vestigen.
In ieder dorp zijn een of meer matamkhana's, waar de Sjiïeten hun
jaarlijksch rouwfeest vieren ter eere van de martelaren van Kerbela,
Hassan en Hoessein, als de Moharramdagen weer zijn aangebroken. Onder
het bestuur van Afghanistan werden die plechtigheden dikwijls
verboden; maar nu mogen ze ongehinderd plaats hebben, zoodat de
menschen gelukkig zijn met het engelsche bestuur. Zulke plaatsen van
samenkomst zijn geschikt voor godsdienstige gesprekken, en veel van
mijn disputen hebben daar plaats gehad. De menschen zijn wel geneigd,
om de christelijke opvatting van de kruisiging en haar beteekenis te
aanvaarden, waar de Sunnieten zulk een struikelblok in zien, omdat
ze het martelaarschap van de beide broeders te Kerbela beschouwen
als een redding voor wie trouw de rouwdiensten volgt, en omdat ze
Ali beschouwen als hun verlosser.
Wanneer men in dit dorp een kijkje had kunnen nemen in de dagen,
lang voordat er van het Christendom sprake was, toen de eerste arische
trekkers uit Centraal Azië hierheen afzakten en naar Pendsjab, zouden
we er hun kampen hebben kunnen aanschouwen en hen bezig hebben gevonden
met hun eenvoudigen natuurdienst, in de Veda's beschreven, die dit
stadium van de arische beschaving te boek hebben gesteld. Dit gebied
was waarschijnlijk beter besproeid en vruchtbaarder toen dan nu. Niet
enkel blijkt uit de geologische gesteldheid een grooter regenval en
rijker plantengroei, maar daar die eerste immigratie meestal door
herders geschiedde, mag men aannemen, dat ze voor hun kudden en
families het toen veel beter hadden dan nu in de grensgebieden.
De boven beschreven Koeramvallei kan gelden als een goed model van
een geadministreerd gebied, dat al groote vorderingen heeft gemaakt in
den vooruitgang naar een rechtvaardig en rustig gevestigd bestuur. De
onafhankelijke stammen daarentegen dalen al meer op de ladder der
beschaving, tot ge komt bij sommige afdeelingen van de Waziri's en
Afridi's, die echte barbaren zijn en nog onafscheidelijk van hun
nomadenleven, waarin stelselmatige rooverij een rol speelt. Een
politieke ambtenaar zat eens met een aantal hoofden van een paar
dier onafhankelijke stammen op den top van een hunner ruwe bergen,
van waar men neerziet op Afghanistan naar het westen en Indië in het
Oosten. Ze hadden hem als geleide gediend op zijn tochten, en daar hij
goed voor hun voeding had gezorgd en in hun eigen taal vertrouwelijk
met hen kon praten, waren ze bereid, zonder voorbehoud hem zelfs hun
stamgeheimen mee te deelen.
"Vertel mij nu eens;" zei de ambtenaar, "als er oorlog uitbrak, wat
God verhoede, tusschen Rusland en Engeland, welken kant zoudt gij en
zou uw volk dan kiezen?"
"Wilt gij, dat we u zullen zeggen, wat ge graag wilt hooren of wilt
ge de waarheid weten?" was hun naïef antwoord.
"Ik bezweer u, dat ge mij meedeelt, wat de waarheid is."
"Dan", zei een oude grijze man, die uiting gaf aan de gevoelens
van alle aanwezigen, "zeg ik u, dat we hier zouden zitten op onze
bergtoppen en u beiden zouden zien vechten, tot we een van u beiden
volkomen verslagen zagen; dan zouden we van onze hoogte afdalen en
den verslagene alles ontrooven tot den laatsten muilezel! God is
groot! Wat zou dat een goede tijd voor ons wezen!"
Zonder twijfel had hij gelijk; maar zoo groot is de tweedracht tusschen
de afghaansche stammen, dat er nog geen buit zou zijn behaald, of
ze zouden al onder elkander vechten over de verdeeling. Die afgunst
tusschen de stammen en de kleine oorlogen zijn niet te vermijden en
maken hen als vijanden veel minder geducht, dan ze anders zouden
zijn. Als ge er hen naar vraagt, zullen ze de fout inzien en u
vertellen, dat een van hun voorouders den Almachtige had vertoornd,
die om hen te straffen, de zaden van tweedracht onder hen strooide,
werkend tot in lengte van tijden. Vandaar het gezegde: "De Afghanen
van de grens hebben nooit vrede, behalve als ze oorlog hebben!" Want
als een vijand van buitenaf hun onafhankelijkheid bedreigt, dan zijn
voor korten tijd hun onderlinge verschillen vergeten, en vechten
ze schouder aan schouder, om de twisten weer op te vatten, als het
gemeenschappelijk gevaar is afgewend. Zelfs als ze allen neiging
voelen, om deel te nemen aan den een of anderen heiligen oorlog,
blijven ze elkander wantrouwen en hebben lust, elkaar op kritieke
oogenblikken af te vallen; of de eene stam zal wachten, om te zien,
hoe het afloopt met een anderen, die al in den strijd is betrokken,
voordat hun eigen zwaarden de scheeden verlaten. Zoo was het in den
grensoorlog van 1897, en de moeite, om den opstand te dempen, zou
oneindig veel grooter zijn geweest, als de stammen gelijktijdig en
niet ieder afzonderlijk waren opgestaan, zoodat de opstand op de eene
plaats onderdrukt kon worden, voordat hij op een andere plaats uitbrak.
Tweeëerlei politiek heeft op verschillende tijden de warme instemming
gehad bij haar verschillende aanhangers. De eerste politiek, die door
Lord Lawrence werd voorgestaan in de dagen van zijn onderkoningschap,
was algemeen bekend als de politiek van bestuurswerkeloosheid. Later
kreeg de politiek van krachtig optreden meer aanhangers en werd
het krachtigst verdedigd door Sir Robert Sandeman. Diegenen, die de
eerste manier van doen voorstaan, wijzen op de groote kosten, die het
gevolg zijn van het optreden tegen de vrije stammen aan de grens,
en zeggen, dat we dan vroeger of later in echte oorlogen met hen
worden betrokken. Ze willen daarom liever, dat de britsche regeering
zich onthoude van alle grenstusschenkomst en de stammen geheel aan
zichzelf overlate, zoolang ze niet bepaald last veroorzaken aan
onze zijde van de grens. De partij van tusschenkomst aan den anderen
kant wijst op het gevaar, dat dit uitgestrekte gebied op het meest
kwetsbare punt van ons Indisch Rijk oplevert, als het niet onder
ons toezicht staat, en ze pleiten voor een stelsel van leiding van
alle politieke aangelegenheden van de grensstammen, terwijl we de
binnenlandsche politiek in handen moeten laten van hun eigen hoofden,
die, ofschoon geleid door onze civiele ambtenaren, vrij zouden wezen,
om de oude gebruiken van den stam te handhaven.
Sir Robert Sandeman is misschien het merkwaardigste voorbeeld van de
macht, die een enkele officier in staat is geweest, over deze stammen
uit te oefenen, en door zijn optreden is de breede strook van de grens
tusschen Quettah en Deras onder onze civiele ambtenaren georganiseerd
door arbeid van de stamhoofden zelf. Er worden subsidies uitgekeerd
aan de stammen, als ze de veiligheid van de britsche posten langs
de wegen waarborgen en zich verantwoordelijk stellen voor slechte
gedragingen van de leden van den stam. Lichtingen van soldaten
worden geoefend onder engelsche officieren van het britsche leger,
die hun militaire tucht bijbrengen en schietvaardigheid. De betaling,
welke deze manschappen ontvangen, komt den stam ten goede en is een
sterke prikkel, om hun oude gewoonten op te geven ter wille van de
Pax brittannica.
Toch werd het noodig geacht, geregelde troepen van het indisch leger
op bepaalde, nog al gevaarlijke punten, gereed te houden. De grens
wordt over een groote lengte gevormd door ontoegankelijke bergen,
die een onoverkomelijk beletsel voor de troepen zijn; maar daar
doorheen loopen de passen, waar van de best bekende de Khaiberpas en
de Bolanpas zijn. Deze hebben sinds onheugelijke tijden als overgangen
gediend, waardoor vijandige legers Indië zijn binnengevallen, en langs
die wegen zou elke toekomstige vijand ook zijn legermacht trachten
te voeren. Daarom is het voor de engelsche regeering noodzakelijk,
dat die passen degelijk worden bewaakt en daarom vormt elk van die
passen een door britsche officieren geadministreerd gebied, waar
inboorlingentroepen of soldaten uit de onafhankelijke stammen de
wacht houden.
Ook trekken door die passen de groote handelskaravanen uit Afghanistan
en Midden-Azië Britsch Indië binnen. In vroeger tijden moesten de
kooplieden aan de stammen geld geven, daar ze anders de passen zouden
hebben afgesloten en de goederen hebben buitgemaakt, en gedeeltelijk
dienen de subsidies van tegenwoordig als vergoeding voor die vroegere
onrechtmatige inkomsten.
Dichtbij het punt, waar de beide passen uitkomen in het groote indische
laagland aan de overzij van de Indus, ligt een stad, die een emporium
is geworden voor de aangebrachte waren en een militair station voor
de bescherming van den pas. Terwijl Peschawer voor dat doel dient aan
den Khaiberpas, is Kohat een handelsplaats aan de Koeram, Bannoe aan
de Tochi en Dera Ismaïl Khan aan de Goemal.
Toen lord Curzon onderkoning werd, waren de grensdistricten een deel
van Pendsjab, en de luitenant-gouverneur van die provincie voerde er
het administratieve bewind. Lord Curzon wenschte ze meer rechtstreeks
onder zijn bewind te brengen, en in 1901 werd dan ook een nieuwe
provincie ingesteld, bestaande uit vijf grensdistricten van Pendsjab,
en genoemd de Noordwestelijke Grensprovincie. De vijf districten,
die deze provincie vormen, zijn Hazara, Peshawer, Kohat, Bannoe,
en Dera Ismaël Khan. Ze liggen alle aan de overzij van de Indus,
behalve Hazara, dat ten oosten van de rivier ligt.
Een chief commissioner of gouverneur werd over de heele provincie
gesteld in directe verantwoordelijkheid aan den onderkoning. Hij had
zijn hoofdkwartier en zetel der regeering te Peschawer.
Lord Curzon's volgende stap was een uitbreiding van het spoorwegnet van
Pendsjab langs de grensstreken zoodat de eindpunten kwamen te liggen
bij den Khaiberpas en den Koerampas. Daar dit een snelle concentratie
van troepen mogelijk maakte op ieder punt aan de grens, kon hij de
regimenten van het indisch leger, die in de afgelegen districten
in garnizoen lagen, intrekken en ze vervangen door soldaten, uit de
grensstammen gerecruteerd.
Zonder twijfel wenscht de regeering geen verdere annexatie van dit
kale, bergachtige en onherbergzame grensgebied; maar het is niet
altijd even gemakkelijk, om dat te vermijden, en de geschiedenis
leert voldoende, dat, als er een aantal slecht georganiseerde en
slecht bestuurde eenheden wonen aan de grenzen van een groot land,
ze vroeger of laten, maar onvermijdelijk, in dat laatste worden
opgenomen. Er zijn echter geldelijke overwegingen, die de regeering
nopen, niet over te gaan tot annexatie van een gebied, dat zoo weinig
natuurlijke hulpbronnen heeft, geen of weinig belastingen kan opbrengen
en veel kosten van bestuur zou vereischen.
Maar deze grensstammen leveren van het allerbeste vechtmateriaal,
waaruit het indisch leger wordt gerecruteerd, en jaren van vreedzaam
en geregeld bestuur zouden de militaire eigenschappen wel eens bij het
volk kunnen bederven, zooals in Zuid-Indië het geval is geweest. Ook
zijn de vele gelegenheden, waarbij het indisch leger een kans krijgt
voor actieven dienst, en de oefening, die verkregen wordt op de kleine
grensexpedities, misschien van te groote waarde, om door te tasten.
De gewone gang van zaken is de volgende. Eerst doen de lastigste onder
de grensstammen een reeks van strooptochten in de grensdorpen van
Indië, zooals ze sinds onheugelijke tijden hebben gedaan. Soms worden
de misdadigers gevangen genomen en ondergaan hun noodlot; maar meestal
ontkomen ze, en in overeenstemming met de stamverantwoordelijkheid
wordt er een boete van hun stam geheven. Die boeten worden steeds
hooger, en de stam staat in een soort van rekening-courant met de
regeering voor de bedreven wandaden.
Zoo komen we tot het tweede stadium, als het geduld van de regeering
uitgeput is. De hoofden der stammen worden opgeroepen, en hun wordt een
ultimatum gepresenteerd. Ze moeten zoo en zooveel in boeten afdoen
en de aangewezen misdadigers uitleveren of er zal een expeditie
worden uitgerust. Veel tijd, vaak wel van maanden, verloopt met
onderhandelingen, terwijl de stam steeds pogingen in het werk stelt,
de voorwaarden gunstiger te doen worden.
Het derde stadium treedt in, als de stam niet ingaat op de voorwaarden
der regeering, en een strafexpeditie zal worden ondernomen. De
expeditionnaire troepen dringen het bergland binnen, verbranden enkele
dorpen, leveren een paar gevechten, weten een grooter of kleiner deel
van de boete binnen te krijgen, leggen beslag op een aantal geweren
en vertrekken weer.
Dan is de stam vrij, om opnieuw te beginnen met een schoone lei en
gaat weer stroopen en rooven en een nieuwe reeks boeten beloopen,
en om dat te verhinderen en meer toezicht over hen te houden, ziet
de regeering zich genoodzaakt, te treden in het vierde stadium,
waarin enkele plaatsen worden bezet met militaire posten, die de
grensstammen in toom moeten houden.
Op die wijze wordt vaak tegen den zin der regeering annexatie van
grondgebied een noodzakelijkheid.
Ook moet men denken, dat er altijd een deel van den stam en soms
een meerderheid is, die vóór aansluiting bij Engeland voelt, want de
vreedzame en geregelde toestanden, die het engelsch bestuur brengt,
hebben hun voordeelen. Terwijl ze vroeger hun velden bijna niet konden
bewerken op eenigen afstand van het dorp en altijd gewapend moesten
zijn, kunnen ze dan kalm en rustig op het land zijn, ook al ligt
dat ver van hun huis, en grond, die vroeger waardeloos was, stijgt
in beteekenis. Ze kunnen handel drijven en hun gewone werkzaamheden
verrichten in vroeger ongekende veiligheid. Ze leeren de waarde kennen
van het geld en beginnen te sparen.
Er zijn echter altijd twee partijen in een stam, die vuur en vlam
blijven tegen het britsche bestuur, en daar ze veel meer macht hebben
dan de vreedzamer aangelegde broederen, zijn ze veelal in staat, de
vredelievende meerderheid te terrorizeeren tot een valsche instemming
met hun oppositie. Die beide partijen zijn de desperado's, de buiten
de wet gestelden, en de mollahs.
De eersten hebben geleefd van roof en plundering, vele geslachten lang,
en hebben geen lust hun bedrijf op te geven voor een kalmer leven,
dat minder opwekkend is en minder voordeelig.
Niet alleen hebben de mollahs een antipathie tegen de kafirs,
de ongeloovigen, maar zij weten, dat bij de veranderde
levensomstandigheden hun invloed en rijkdom achteruit zullen gaan.
Bovendien zijn er twee dingen in ons bestuur, waar allen evenzeer
tegen gekant zijn; het eene is de bescherming, die wij den
woekeraar verleenen, en het andere de langzame werking van onze
rechtspraak. Woeker strijdt met de wet bij de Mohammedanen, maar daar
zij onbedachtzaam en royaal zijn, kunnen de Hindoes onder hen geld
verdienen, door hun in tijden van nood geld te leenen. Vroeger werd het
den Hindoe onmogelijk gemaakt, te veel interest te vorderen of een te
lange rekening in te leveren, doordien zijn mohammedaansche meesters,
die de baas waren, op een goeden nacht konden komen en zijn huis
boven zijn hoofd in brand steken, zoodat hij van voren af aan moest
beginnen. Onder britsch bestuur wordt nu de woekeraar beschermd. Hij
kan zijn geld innen van den Mohammedaan, die weinig bezit, door een
civiele actie en kan den schuldenaar in de gevangenis brengen, als
hij niet betaalt, terwijl de Mohammedaan, die zijn boeken zou willen
verbranden, kennis maakt met de engelsche gevangenis.
Het recht, waar de Mohammedaan van de grens eerbied voor heeft, is
snel en eerlijk recht, zooals de officieren toepasten in den tijd
van Nicholson, toen de misdadiger beschuldigd, gevangen genomen,
veroordeeld en een bepaalde straf, passend bij de misdaad, kreeg,
alles in den loop van enkele dagen. Nu kan hij, als hij rijk genoeg
is, een advocaat erbij roepen en zooveel valsche getuigen krijgen, als
hij wil. Zijn zaak wordt gerekt door den magistraat door verschillende
hoogere beroepen of door het een of ander technisch punt van de wet,
en als er misschien na verloop van maanden een vonnis volgt, kan de
verliezende partij in de zaak zich beroepen op den zittenden rechter,
en daarna kan ze weer in hooger beroep komen bij het Hooggerechtshof
te Lahore, waar zooveel zaken op den rooster staan, dat zijn zaak
mogelijk eerst over twee of drie jaar aan de orde komt.
De ware kracht van onze administratie aan de grens is het personeel
van onze officieren, want het is altijd de man en niet het stelsel
geweest, die het land regeert, en er zijn namen van nu al gestorven
officieren, die nog een levende kracht zijn aan die grens, omdat ze
mannen waren, die het volk door en door kenden en wier onverschrokken,
sterke karakters de stammen kneedden naar hun wil en zulk een groote
macht over die wilde Afghanen hadden, dat ze bereid waren, voor hun
feringi-meesters door het vuur te gaan met onfeilbare trouw, ook als
ze van een ander geloof waren.
Als een voorbeeld daarvan wordt verteld, dat op een zekere
grensexpeditie de regimenten door een pas trokken over een hoogte,
waarboven enkele vijanden zich in een hinderlaag hadden gelegd. De
Afghanen waren soldaten geweest in het indische leger, en na hun
afgeloopen dienst waren ze naar hun bergen teruggegaan en hadden,
zooals dikwijls gebeurt, de bekwaamheid, verkregen in hun regimenten,
tegen de Engelschen gekeerd. Ze zouden juist vuren, toen een van hen
in den officier, die aan de spits van het regiment reed, zijn eigen
kolonel herkende. Hij wenkte de anderen en zei: "Dat is onze eigen
Karnal Sahib. Wij moeten niet op hem schieten of op zijn regiment." Dat
regiment mocht vrij doorgaan; maar ze openden het vuur op het volgende.
In 1879 deed de volksstam der Waziri's, daartoe opgehitst door
hun mullahs, een aanval met hun lashkar op het kleine grensdorpje
Tank. Hier was een zendelingen-hospitaal, waar een Indische dokter
Rev. John Williams, directeur was. Voor dat de autoriteiten hunne
troepen hadden kunnen verzamelen, hadden de Waziri's het dorpje
overrompeld en waren aan 't brandstichten en plunderen gegaan. Enkele
jonge krijgers renden op het hospitaal af maar werden aanstonds terug
geroepen door de ouderen van hun stam, die hen verboden zich te
bemoeien met het bezit van, zooals zij zeiden, "onze eigen Doktor
Sahib". Hoe dikwijls waren zij niet verpleegd geworden in zijn
hospitaal, en hadden zij zijne gastvrijheid niet ondervonden? Hem
mocht geen leed aangedaan worden, en onmiddellijk zetten zij eigen
wachten uit om het hospitaal te bewaken, en om opgewonden Waziri's, met
minder goede bedoelingen, tegen te houden. Hierdoor was ons ziekenhuis
het eenige gebouw in 't plaatsje, dat onaangeroerd bleef. Eenige
instrumenten waren al voor het post vatten der wacht, gestolen, maar
toen dit bekend was, werd geheel Waziristan doorzocht en de vrienden
van den dokter waren niet tevreden, voordat hem alles teruggegeven was.