In een zomer, die ongeveer tweehonderd jaren achter ons ligt,

ontstond er een twist tusschen hen en de Bangasjen uit een dorp, Boerka

geheeten, waardoor een gevecht ontstond, dat de Toeries wonnen, die de

inwoners van Boerka doodden of verdreven en van de plaats hun eerste

vestiging in de streek maakten. Al gauw daarna maakten ze zich meester

van twee der belangrijkste dorpen uit het dal, Peiwar en Milana,

en tot op den huidigen dag bezit iedere Toerie, die op gewichtigheid

aanspraak maakt, land in een van die drie dorpen, al is het maar een

vijftigste deel van een veld, als bewijs van zijn oude afkomst.

Jaar op jaar maakten de Toeries hun positie sterker en verdreven de

Bangasjen dieper het dal in, behalve in sommige gevallen, zooals met

de bewoners van het groote en mooie dorp Schlozan, waar de Bangasjen

allen Sjiïeten werden en met de Toeries zich vereenigden, zoodat ze hun

land mochten behouden. Toen ze eindelijk hun stelling stevig hadden

bezet en overtuigd waren geworden van de bekoorlijkheid van het dal,

gingen de Toeries niet meer naar de vlakte terug en bleven het heele

jaar door in het hooggelegen dal. Daardoor wonen nu nog de Toeries

daar, terwijl lager de Toeries en Bangasjen gemengd voorkomen, zoodat

de dorpen van beide stammen soms naast elkander liggen, en nog weer

verderop de Bangasjen al het land in bezit hebben.

Sedert de menschen hebben ontdekt, dat het engelsche bestuur vrede

en rust brengt en hun zwaarden tot sikkels hebben omgesmeed, hebben

verscheiden van die bergstammen iedere gelegenheid aangegrepen, om

zich voor goed in het dal te vestigen en daar land te krijgen, om van

den rijken bodem te profiteeren. Dat waren o. a. de Mangals en Makbals

en de Zaimoekts, die nieuwe elementen onder de stammen brachten. Maar

er zijn ook andere stammen, die vasthouden aan de vrijheid in hun

bergterreinen en soms aan de oude neiging toegeven, om hun buren te

plunderen. Zoo zijn daar de Ningrahars, de Spinwars en Pari's in het

Noorden en de Zazimaiden in het Zuiden. Om de optelling volledig te

maken, zou men ook de Hindoes moeten noemen, die in groot aantal in het

dal wonen, een groot deel van den handel in handen hebben en allerlei

zakenwerk en geestelijken arbeid voor de Mohammedanen verrichten.

Toen er Hindoeradjahs in Kaboel regeerden, hadden ze in dit dal ook

stellig de overhand, en wat er aan oudheden hier aanwezig is, blijkt

van hindoeschen oorsprong. Afgezien van de verscheidenheid van stammen,

die in dit dal dus dichtbij elkander voorkomen, is het ook bijzonder

belangwekkend, omdat hier een van de twee groote wegen doorgaat van

Kaboel naar Indië. De tweede weg is de Khaiberpas. Daardoor bezoeken

veel nomaden uit Afghanistan herhaaldelijk het dal en wonen er vaak

tijdelijk. Onder hen staan tegenwoordig op den voorgrond de Hazara's,

van wie velen van hun eigen land verdreven zijn door den emir en

hierheen zijn gegaan, om aan de wegen te werken. Ook de Khoroti's en

Ghilzai's komen vaak in het Koeramdal, en dank zij dit eigenaardig

centrale en kosmopolitische karakter, is het district zoo geschikt

als een middelpunt voor zendingswerk en zendingsinvloed. Onder

de Toeries kan men met succes optreden. Ze zijn, zooals ik al zei

Sjiïeten, terwijl alle omringende stammen tot de orthodoxe Sunnieten

behooren. Dus waren ze vóór de engelsche bezetting in 1891 voortdurend

het mikpunt van de vervolgingen van den emir van Afghanistan en hadden

vaak aanvallen te verdragen van hun sunnietische buren. Ze zien dus

natuurlijk in de Christenen hun bevrijders en komen er uit den aard der

zaak gemakkelijk toe, het Christendom met gunstige oogen aan te zien,

omdat het hun zooveel vrede heeft gebracht en aan hun onderdrukking

een einde heeft gemaakt. En daar er in woorden nog altijd strijd wordt

gevoerd onder hun mollahs aan weerszijden, daar ieder meent, in het

Christendom punten van gelijkenis te vinden met den eigen godsdienst,

heeft een christelijke toespraak of een christelijk boek wel invloed

op hen.

Daaruit is voortgevloeid een verwonderlijke, verwonderlijk ten minste

voor een zendeling uit het bijgeloovige Bannoe, gewilligheid voor

gesprekken over de christelijke geschriften en bereidvaardigheid,

om christelijk onderwijs te ontvangen. Bij voorbeeld mag in Bannoe

een welgeaarde mollah niet in den bijbel lezen, behalve in het geheim,

terwijl ik in Koeram de mollahs dikwijls openlijk heb zien lezen in en

verhandelingen heb hooren houden over de Heilige Schrift voor groote

groepen khans en andere lieden.

In Bannoe kan door het noemen van de leer der zondeloosheid van

Christus of het vaderschap van God het sein worden gegeven tot een

oproer, terwijl diezelfde leerstellingen hier, zelfs als ze niet

worden aanvaard, vrijelijk kunnen worden besproken met de zekerheid,

dat men haast altijd kalm zal worden aangehoord.

Den eersten zomer, waarin ik eenigen tijd onder deze menschen

doorbracht, werd ik zoo goed als overal gastvrij en hartelijk

ontvangen. Dat was natuurlijk voor een deel toe te schrijven aan de

medische adviezen en middelen, die ze kregen; maar het was toch een

groot verschil met de ontvangst, die in Hindostan dikwijls te beurt

valt aan den verkondiger van het Evangelie. Nergens was er eenige open

oppositie van de zijde der mollahs, en de meesten van hen kwamen mij

bezoeken en spraken lang met mij over den Bijbel. Ze vroegen om het

boek en lazen er geregeld in, en de dorpelingen noodigden ons soms uit,

langer van hun gastvrijheid gebruik te maken of het volgend jaar terug

te komen, en, wat nog het allerbest zou zijn, een apotheek onder hen

te vestigen.

In ieder dorp zijn een of meer matamkhana's, waar de Sjiïeten hun

jaarlijksch rouwfeest vieren ter eere van de martelaren van Kerbela,

Hassan en Hoessein, als de Moharramdagen weer zijn aangebroken. Onder

het bestuur van Afghanistan werden die plechtigheden dikwijls

verboden; maar nu mogen ze ongehinderd plaats hebben, zoodat de

menschen gelukkig zijn met het engelsche bestuur. Zulke plaatsen van

samenkomst zijn geschikt voor godsdienstige gesprekken, en veel van

mijn disputen hebben daar plaats gehad. De menschen zijn wel geneigd,

om de christelijke opvatting van de kruisiging en haar beteekenis te

aanvaarden, waar de Sunnieten zulk een struikelblok in zien, omdat

ze het martelaarschap van de beide broeders te Kerbela beschouwen

als een redding voor wie trouw de rouwdiensten volgt, en omdat ze

Ali beschouwen als hun verlosser.

Wanneer men in dit dorp een kijkje had kunnen nemen in de dagen,

lang voordat er van het Christendom sprake was, toen de eerste arische

trekkers uit Centraal Azië hierheen afzakten en naar Pendsjab, zouden

we er hun kampen hebben kunnen aanschouwen en hen bezig hebben gevonden

met hun eenvoudigen natuurdienst, in de Veda's beschreven, die dit

stadium van de arische beschaving te boek hebben gesteld. Dit gebied

was waarschijnlijk beter besproeid en vruchtbaarder toen dan nu. Niet

enkel blijkt uit de geologische gesteldheid een grooter regenval en

rijker plantengroei, maar daar die eerste immigratie meestal door

herders geschiedde, mag men aannemen, dat ze voor hun kudden en

families het toen veel beter hadden dan nu in de grensgebieden.

De boven beschreven Koeramvallei kan gelden als een goed model van

een geadministreerd gebied, dat al groote vorderingen heeft gemaakt in

den vooruitgang naar een rechtvaardig en rustig gevestigd bestuur. De

onafhankelijke stammen daarentegen dalen al meer op de ladder der

beschaving, tot ge komt bij sommige afdeelingen van de Waziri's en

Afridi's, die echte barbaren zijn en nog onafscheidelijk van hun

nomadenleven, waarin stelselmatige rooverij een rol speelt. Een

politieke ambtenaar zat eens met een aantal hoofden van een paar

dier onafhankelijke stammen op den top van een hunner ruwe bergen,

van waar men neerziet op Afghanistan naar het westen en Indië in het

Oosten. Ze hadden hem als geleide gediend op zijn tochten, en daar hij

goed voor hun voeding had gezorgd en in hun eigen taal vertrouwelijk

met hen kon praten, waren ze bereid, zonder voorbehoud hem zelfs hun

stamgeheimen mee te deelen.

"Vertel mij nu eens;" zei de ambtenaar, "als er oorlog uitbrak, wat

God verhoede, tusschen Rusland en Engeland, welken kant zoudt gij en

zou uw volk dan kiezen?"

"Wilt gij, dat we u zullen zeggen, wat ge graag wilt hooren of wilt

ge de waarheid weten?" was hun naïef antwoord.

"Ik bezweer u, dat ge mij meedeelt, wat de waarheid is."

"Dan", zei een oude grijze man, die uiting gaf aan de gevoelens

van alle aanwezigen, "zeg ik u, dat we hier zouden zitten op onze

bergtoppen en u beiden zouden zien vechten, tot we een van u beiden

volkomen verslagen zagen; dan zouden we van onze hoogte afdalen en

den verslagene alles ontrooven tot den laatsten muilezel! God is

groot! Wat zou dat een goede tijd voor ons wezen!"

Zonder twijfel had hij gelijk; maar zoo groot is de tweedracht tusschen

de afghaansche stammen, dat er nog geen buit zou zijn behaald, of

ze zouden al onder elkander vechten over de verdeeling. Die afgunst

tusschen de stammen en de kleine oorlogen zijn niet te vermijden en

maken hen als vijanden veel minder geducht, dan ze anders zouden

zijn. Als ge er hen naar vraagt, zullen ze de fout inzien en u

vertellen, dat een van hun voorouders den Almachtige had vertoornd,

die om hen te straffen, de zaden van tweedracht onder hen strooide,

werkend tot in lengte van tijden. Vandaar het gezegde: "De Afghanen

van de grens hebben nooit vrede, behalve als ze oorlog hebben!" Want

als een vijand van buitenaf hun onafhankelijkheid bedreigt, dan zijn

voor korten tijd hun onderlinge verschillen vergeten, en vechten

ze schouder aan schouder, om de twisten weer op te vatten, als het

gemeenschappelijk gevaar is afgewend. Zelfs als ze allen neiging

voelen, om deel te nemen aan den een of anderen heiligen oorlog,

blijven ze elkander wantrouwen en hebben lust, elkaar op kritieke

oogenblikken af te vallen; of de eene stam zal wachten, om te zien,

hoe het afloopt met een anderen, die al in den strijd is betrokken,

voordat hun eigen zwaarden de scheeden verlaten. Zoo was het in den

grensoorlog van 1897, en de moeite, om den opstand te dempen, zou

oneindig veel grooter zijn geweest, als de stammen gelijktijdig en

niet ieder afzonderlijk waren opgestaan, zoodat de opstand op de eene

plaats onderdrukt kon worden, voordat hij op een andere plaats uitbrak.

Tweeëerlei politiek heeft op verschillende tijden de warme instemming

gehad bij haar verschillende aanhangers. De eerste politiek, die door

Lord Lawrence werd voorgestaan in de dagen van zijn onderkoningschap,

was algemeen bekend als de politiek van bestuurswerkeloosheid. Later

kreeg de politiek van krachtig optreden meer aanhangers en werd

het krachtigst verdedigd door Sir Robert Sandeman. Diegenen, die de

eerste manier van doen voorstaan, wijzen op de groote kosten, die het

gevolg zijn van het optreden tegen de vrije stammen aan de grens,

en zeggen, dat we dan vroeger of later in echte oorlogen met hen

worden betrokken. Ze willen daarom liever, dat de britsche regeering

zich onthoude van alle grenstusschenkomst en de stammen geheel aan

zichzelf overlate, zoolang ze niet bepaald last veroorzaken aan

onze zijde van de grens. De partij van tusschenkomst aan den anderen

kant wijst op het gevaar, dat dit uitgestrekte gebied op het meest

kwetsbare punt van ons Indisch Rijk oplevert, als het niet onder

ons toezicht staat, en ze pleiten voor een stelsel van leiding van

alle politieke aangelegenheden van de grensstammen, terwijl we de

binnenlandsche politiek in handen moeten laten van hun eigen hoofden,

die, ofschoon geleid door onze civiele ambtenaren, vrij zouden wezen,

om de oude gebruiken van den stam te handhaven.

Sir Robert Sandeman is misschien het merkwaardigste voorbeeld van de

macht, die een enkele officier in staat is geweest, over deze stammen

uit te oefenen, en door zijn optreden is de breede strook van de grens

tusschen Quettah en Deras onder onze civiele ambtenaren georganiseerd

door arbeid van de stamhoofden zelf. Er worden subsidies uitgekeerd

aan de stammen, als ze de veiligheid van de britsche posten langs

de wegen waarborgen en zich verantwoordelijk stellen voor slechte

gedragingen van de leden van den stam. Lichtingen van soldaten

worden geoefend onder engelsche officieren van het britsche leger,

die hun militaire tucht bijbrengen en schietvaardigheid. De betaling,

welke deze manschappen ontvangen, komt den stam ten goede en is een

sterke prikkel, om hun oude gewoonten op te geven ter wille van de

Pax brittannica.

Toch werd het noodig geacht, geregelde troepen van het indisch leger

op bepaalde, nog al gevaarlijke punten, gereed te houden. De grens

wordt over een groote lengte gevormd door ontoegankelijke bergen,

die een onoverkomelijk beletsel voor de troepen zijn; maar daar

doorheen loopen de passen, waar van de best bekende de Khaiberpas en

de Bolanpas zijn. Deze hebben sinds onheugelijke tijden als overgangen

gediend, waardoor vijandige legers Indië zijn binnengevallen, en langs

die wegen zou elke toekomstige vijand ook zijn legermacht trachten

te voeren. Daarom is het voor de engelsche regeering noodzakelijk,

dat die passen degelijk worden bewaakt en daarom vormt elk van die

passen een door britsche officieren geadministreerd gebied, waar

inboorlingentroepen of soldaten uit de onafhankelijke stammen de

wacht houden.

Ook trekken door die passen de groote handelskaravanen uit Afghanistan

en Midden-Azië Britsch Indië binnen. In vroeger tijden moesten de

kooplieden aan de stammen geld geven, daar ze anders de passen zouden

hebben afgesloten en de goederen hebben buitgemaakt, en gedeeltelijk

dienen de subsidies van tegenwoordig als vergoeding voor die vroegere

onrechtmatige inkomsten.

Dichtbij het punt, waar de beide passen uitkomen in het groote indische

laagland aan de overzij van de Indus, ligt een stad, die een emporium

is geworden voor de aangebrachte waren en een militair station voor

de bescherming van den pas. Terwijl Peschawer voor dat doel dient aan

den Khaiberpas, is Kohat een handelsplaats aan de Koeram, Bannoe aan

de Tochi en Dera Ismaïl Khan aan de Goemal.

Toen lord Curzon onderkoning werd, waren de grensdistricten een deel

van Pendsjab, en de luitenant-gouverneur van die provincie voerde er

het administratieve bewind. Lord Curzon wenschte ze meer rechtstreeks

onder zijn bewind te brengen, en in 1901 werd dan ook een nieuwe

provincie ingesteld, bestaande uit vijf grensdistricten van Pendsjab,

en genoemd de Noordwestelijke Grensprovincie. De vijf districten,

die deze provincie vormen, zijn Hazara, Peshawer, Kohat, Bannoe,

en Dera Ismaël Khan. Ze liggen alle aan de overzij van de Indus,

behalve Hazara, dat ten oosten van de rivier ligt.

Een chief commissioner of gouverneur werd over de heele provincie

gesteld in directe verantwoordelijkheid aan den onderkoning. Hij had

zijn hoofdkwartier en zetel der regeering te Peschawer.

Lord Curzon's volgende stap was een uitbreiding van het spoorwegnet van

Pendsjab langs de grensstreken zoodat de eindpunten kwamen te liggen

bij den Khaiberpas en den Koerampas. Daar dit een snelle concentratie

van troepen mogelijk maakte op ieder punt aan de grens, kon hij de

regimenten van het indisch leger, die in de afgelegen districten

in garnizoen lagen, intrekken en ze vervangen door soldaten, uit de

grensstammen gerecruteerd.

Zonder twijfel wenscht de regeering geen verdere annexatie van dit

kale, bergachtige en onherbergzame grensgebied; maar het is niet

altijd even gemakkelijk, om dat te vermijden, en de geschiedenis

leert voldoende, dat, als er een aantal slecht georganiseerde en

slecht bestuurde eenheden wonen aan de grenzen van een groot land,

ze vroeger of laten, maar onvermijdelijk, in dat laatste worden

opgenomen. Er zijn echter geldelijke overwegingen, die de regeering

nopen, niet over te gaan tot annexatie van een gebied, dat zoo weinig

natuurlijke hulpbronnen heeft, geen of weinig belastingen kan opbrengen

en veel kosten van bestuur zou vereischen.

Maar deze grensstammen leveren van het allerbeste vechtmateriaal,

waaruit het indisch leger wordt gerecruteerd, en jaren van vreedzaam

en geregeld bestuur zouden de militaire eigenschappen wel eens bij het

volk kunnen bederven, zooals in Zuid-Indië het geval is geweest. Ook

zijn de vele gelegenheden, waarbij het indisch leger een kans krijgt

voor actieven dienst, en de oefening, die verkregen wordt op de kleine

grensexpedities, misschien van te groote waarde, om door te tasten.

De gewone gang van zaken is de volgende. Eerst doen de lastigste onder

de grensstammen een reeks van strooptochten in de grensdorpen van

Indië, zooals ze sinds onheugelijke tijden hebben gedaan. Soms worden

de misdadigers gevangen genomen en ondergaan hun noodlot; maar meestal

ontkomen ze, en in overeenstemming met de stamverantwoordelijkheid

wordt er een boete van hun stam geheven. Die boeten worden steeds

hooger, en de stam staat in een soort van rekening-courant met de

regeering voor de bedreven wandaden.

Zoo komen we tot het tweede stadium, als het geduld van de regeering

uitgeput is. De hoofden der stammen worden opgeroepen, en hun wordt een

ultimatum gepresenteerd. Ze moeten zoo en zooveel in boeten afdoen

en de aangewezen misdadigers uitleveren of er zal een expeditie

worden uitgerust. Veel tijd, vaak wel van maanden, verloopt met

onderhandelingen, terwijl de stam steeds pogingen in het werk stelt,

de voorwaarden gunstiger te doen worden.

Het derde stadium treedt in, als de stam niet ingaat op de voorwaarden

der regeering, en een strafexpeditie zal worden ondernomen. De

expeditionnaire troepen dringen het bergland binnen, verbranden enkele

dorpen, leveren een paar gevechten, weten een grooter of kleiner deel

van de boete binnen te krijgen, leggen beslag op een aantal geweren

en vertrekken weer.

Dan is de stam vrij, om opnieuw te beginnen met een schoone lei en

gaat weer stroopen en rooven en een nieuwe reeks boeten beloopen,

en om dat te verhinderen en meer toezicht over hen te houden, ziet

de regeering zich genoodzaakt, te treden in het vierde stadium,

waarin enkele plaatsen worden bezet met militaire posten, die de

grensstammen in toom moeten houden.

Op die wijze wordt vaak tegen den zin der regeering annexatie van

grondgebied een noodzakelijkheid.

Ook moet men denken, dat er altijd een deel van den stam en soms

een meerderheid is, die vóór aansluiting bij Engeland voelt, want de

vreedzame en geregelde toestanden, die het engelsch bestuur brengt,

hebben hun voordeelen. Terwijl ze vroeger hun velden bijna niet konden

bewerken op eenigen afstand van het dorp en altijd gewapend moesten

zijn, kunnen ze dan kalm en rustig op het land zijn, ook al ligt

dat ver van hun huis, en grond, die vroeger waardeloos was, stijgt

in beteekenis. Ze kunnen handel drijven en hun gewone werkzaamheden

verrichten in vroeger ongekende veiligheid. Ze leeren de waarde kennen

van het geld en beginnen te sparen.

Er zijn echter altijd twee partijen in een stam, die vuur en vlam

blijven tegen het britsche bestuur, en daar ze veel meer macht hebben

dan de vreedzamer aangelegde broederen, zijn ze veelal in staat, de

vredelievende meerderheid te terrorizeeren tot een valsche instemming

met hun oppositie. Die beide partijen zijn de desperado's, de buiten

de wet gestelden, en de mollahs.

De eersten hebben geleefd van roof en plundering, vele geslachten lang,

en hebben geen lust hun bedrijf op te geven voor een kalmer leven,

dat minder opwekkend is en minder voordeelig.

Niet alleen hebben de mollahs een antipathie tegen de kafirs,

de ongeloovigen, maar zij weten, dat bij de veranderde

levensomstandigheden hun invloed en rijkdom achteruit zullen gaan.

Bovendien zijn er twee dingen in ons bestuur, waar allen evenzeer

tegen gekant zijn; het eene is de bescherming, die wij den

woekeraar verleenen, en het andere de langzame werking van onze

rechtspraak. Woeker strijdt met de wet bij de Mohammedanen, maar daar

zij onbedachtzaam en royaal zijn, kunnen de Hindoes onder hen geld

verdienen, door hun in tijden van nood geld te leenen. Vroeger werd het

den Hindoe onmogelijk gemaakt, te veel interest te vorderen of een te

lange rekening in te leveren, doordien zijn mohammedaansche meesters,

die de baas waren, op een goeden nacht konden komen en zijn huis

boven zijn hoofd in brand steken, zoodat hij van voren af aan moest

beginnen. Onder britsch bestuur wordt nu de woekeraar beschermd. Hij

kan zijn geld innen van den Mohammedaan, die weinig bezit, door een

civiele actie en kan den schuldenaar in de gevangenis brengen, als

hij niet betaalt, terwijl de Mohammedaan, die zijn boeken zou willen

verbranden, kennis maakt met de engelsche gevangenis.

Het recht, waar de Mohammedaan van de grens eerbied voor heeft, is

snel en eerlijk recht, zooals de officieren toepasten in den tijd

van Nicholson, toen de misdadiger beschuldigd, gevangen genomen,

veroordeeld en een bepaalde straf, passend bij de misdaad, kreeg,

alles in den loop van enkele dagen. Nu kan hij, als hij rijk genoeg

is, een advocaat erbij roepen en zooveel valsche getuigen krijgen, als

hij wil. Zijn zaak wordt gerekt door den magistraat door verschillende

hoogere beroepen of door het een of ander technisch punt van de wet,

en als er misschien na verloop van maanden een vonnis volgt, kan de

verliezende partij in de zaak zich beroepen op den zittenden rechter,

en daarna kan ze weer in hooger beroep komen bij het Hooggerechtshof

te Lahore, waar zooveel zaken op den rooster staan, dat zijn zaak

mogelijk eerst over twee of drie jaar aan de orde komt.

De ware kracht van onze administratie aan de grens is het personeel

van onze officieren, want het is altijd de man en niet het stelsel

geweest, die het land regeert, en er zijn namen van nu al gestorven

officieren, die nog een levende kracht zijn aan die grens, omdat ze

mannen waren, die het volk door en door kenden en wier onverschrokken,

sterke karakters de stammen kneedden naar hun wil en zulk een groote

macht over die wilde Afghanen hadden, dat ze bereid waren, voor hun

feringi-meesters door het vuur te gaan met onfeilbare trouw, ook als

ze van een ander geloof waren.

Als een voorbeeld daarvan wordt verteld, dat op een zekere

grensexpeditie de regimenten door een pas trokken over een hoogte,

waarboven enkele vijanden zich in een hinderlaag hadden gelegd. De

Afghanen waren soldaten geweest in het indische leger, en na hun

afgeloopen dienst waren ze naar hun bergen teruggegaan en hadden,

zooals dikwijls gebeurt, de bekwaamheid, verkregen in hun regimenten,

tegen de Engelschen gekeerd. Ze zouden juist vuren, toen een van hen

in den officier, die aan de spits van het regiment reed, zijn eigen

kolonel herkende. Hij wenkte de anderen en zei: "Dat is onze eigen

Karnal Sahib. Wij moeten niet op hem schieten of op zijn regiment." Dat

regiment mocht vrij doorgaan; maar ze openden het vuur op het volgende.

In 1879 deed de volksstam der Waziri's, daartoe opgehitst door

hun mullahs, een aanval met hun lashkar op het kleine grensdorpje

Tank. Hier was een zendelingen-hospitaal, waar een Indische dokter

Rev. John Williams, directeur was. Voor dat de autoriteiten hunne

troepen hadden kunnen verzamelen, hadden de Waziri's het dorpje

overrompeld en waren aan 't brandstichten en plunderen gegaan. Enkele

jonge krijgers renden op het hospitaal af maar werden aanstonds terug

geroepen door de ouderen van hun stam, die hen verboden zich te

bemoeien met het bezit van, zooals zij zeiden, "onze eigen Doktor

Sahib". Hoe dikwijls waren zij niet verpleegd geworden in zijn

hospitaal, en hadden zij zijne gastvrijheid niet ondervonden? Hem

mocht geen leed aangedaan worden, en onmiddellijk zetten zij eigen

wachten uit om het hospitaal te bewaken, en om opgewonden Waziri's, met

minder goede bedoelingen, tegen te houden. Hierdoor was ons ziekenhuis

het eenige gebouw in 't plaatsje, dat onaangeroerd bleef. Eenige

instrumenten waren al voor het post vatten der wacht, gestolen, maar

toen dit bekend was, werd geheel Waziristan doorzocht en de vrienden

van den dokter waren niet tevreden, voordat hem alles teruggegeven was.

Onder de wilde stammen op de grenzen van Afghanistan De Aarde en haar Volken, 1917 · 第 3 / 7 段