gebruikt, zijn purgatieven, en dan van zeer krachtigen aard. Bijna
ieder Afghaan meent, dat hij het noodig heeft, elk voorjaar te
worden adergelaten of een flinke purgeering te ondergaan of beide
tegelijk, en soms wil hij dat nog weer hebben in het najaar. Bijna
geen ziekte mag langer dan een week duren, of er moet een purgeering
worden toegepast. Soms wordt die behandeling zoo ruw gedaan, met zoo
weinig égards voor den leeftijd of de krachten van den patiënt, dat
er een inzinking volgt en de dood intreedt. In andere gevallen wordt
een latente dysenterie opgewekt, waardoor een ziekte kan ontstaan,
die maanden duurt en den zieke voor altijd verzwakt.
De seizoensaderlatingen worden in de bocht van den arm toegepast,
en de oostersche dokters volgen nog de leer van Hippocrates omtrent
de vochten en weten precies, welke ader in welk speciaal lichaamsdeel
moet worden geopend in een bepaalde ziekte. Ik heb een jong dokter
uit Engeland gekend, die op eens het vertrouwen, dat de menschen
tot dien tijd in hem stelden, verloor, toen hij in een geval van
ziekte een aderlating aanried. De verpleger, die den zieke hielp,
vroeg, wat heel gewoon voor hem was, welke ader hij moest openen, en
de engelsche geneesheer antwoordde: "Dat komt er niet op aan." Beide,
de zieke en de verpleger, vonden, dat die dokter al heel onverschillig
was of dat hij er niets van wist, zoodat ze in beide gevallen beter
deden, van dokter te veranderen.
Van den staar lichten is een veel voorkomende kwaal in Afghanistan
en sinds menschenheugenis zijn er hakims, of afghaansche praktizijns,
die volgens de oude methode opereeren.
Deze mannen trekken gewoonlijk door het land van 't eene dorp naar
het andere, omdat de meestal oude patiënten niet in staat zijn verre
reizen te maken, of omdat misschien de familieleden niet veel over
hebben voor de ouderen, daar zij toch geen werk meer kunnen doen.
Natuurlijk slaagt de operatie soms, maar meestal is volslagen blindheid
't gevolg ervan. Omdat de hakim allicht niet dan na jaren weer de
zelfde plaats bezoekt, verliest zijne reputatie niet door de vele
mislukking, wat wel zou gebeuren, indien hij bleef op dezelfde plaats.
De smid van het dorp zorgt gewoonlijk voor het trekken van kiezen,
waarvoor hij in zijn smidse een lange, zware 2 1/2 voet lange
chirurgische tang heeft hangen.
Wanneer nu de kroon der kies sterk is en zoo in den mond staat dat
de smid haar gemakkelijk kan vastpakken met het instrument, dan lukt
de operatie wel. Maar is dit niet het geval, is de kies bros en ligt
zij lastig, dan gebeuren er de grootste ongelukken. Een gebroken kaak
komt veel voor.
Eindelijk gaan zulke patiënten dan naar het zendelingen-ziekenhuis
om behandeld te worden, soms verscheidenen per dag.
Eens waren de pokken een zeer algemeene ziekte in Afghanistan en
men kan zelfs nu nog in dorpen vele pokdaligen aantreffen. Een van
de eerste vragen, die een Afghaan doet, wanneer hij voor zijn zoon
een bruid wil koopen is: "Heeft ze de pokken gehad?" Is dit niet
het geval dan wordt met den koop gewacht, totdat zij ouder is, of
wordt ook wel de koopsom verminderd, daar zij dan niet die waarde
vertegenwoordigt van iemand die de pokken al heeft gehad, want het
is dan steeds mogelijk dat zij nog de pokken zal krijgen. Het is
vaak gebeurd dat vaders hunne dochters naar ons ziekenhuis brachten
met litteekens van pokken; niet om de patiënt te helpen, maar om een
hoogeren prijs voor haar te kunnen vragen.
De gewoonte van inenting was vroeger algemeen in Afghanistan. In de
pols werd een sneedje gemaakt en men wreef dan een weinig pokstof in
het wondje. Meestal kreeg de ingeënte de ziekte dan in geringe mate,
maar soms werd deze zoo ernstig ziek, dat de dood intrad. Toch hebben
de Afghanen wel gezien dat het inenten met koepokstof vele voordeelen
heeft boven hun oude wijze van inenten.
Twee redenen zijn er echter, die de afghaansche bevolking tegenhouden
om van de gelegenheid door de Engelsche regeering hen aangeboden,
gebruik te maken. Ten eerste geschiedt dit vaccineeren door ambtenaren
die niet voldoende gesalarieerd worden, wat tengevolge heeft dat zij
omkoopbaar zijn, hetgeen de geheele bevolking tegenstaat. Ten tweede
bestaat er een algemeen bijgeloof dat er in Afghanistan een meisje
is waarnaar de Regeering zoekt. Zij zou dan hierdoor ontdekt worden,
dat wanneer zij zou worden ingeënt, melk in plaats van bloed uit de
wond zou vloeien, waarna zij naar Engeland zou worden vervoerd om
geofferd te worden.
De ouders zijn daarom bang dat hun dochter dit lot zal treffen.
Maar nu genoeg over ziekten en kwalen. Laat mij u van andere dingen
vertellen. Ik stond op een met dennen bedekten uitlooper van de
Soefed Kohbergketen, die westwaarts op Kaboel uitloopt, tusschen
den Khaiberpas in het Noorden en den Koerampas in het Zuiden. De met
sneeuw bedekte toppen van Sika Ram, die tot een hoogte van vijftien
duizend voet oprijzen, met fijne, witte wolkjes erboven, waren juist
achter mij, terwijl vóór mij het groene dal van de Koeramrivier zich
uitbreidde als een panorama, overgaande in een wijde vlakte, waar
talrijke dorpen, verscholen in moerbeiboomen en walnoten, genesteld
waren tusschen de lagere bergen, terwijl verderop de bergen ruwer
en kaler werden en de rivier zich een weg moest banen door kloven en
spleten, tot ze in de vlakte van Indië kwam.
Onmiddellijk tegenover mij had ik den Peiwarpas met de vele
dennenbosschen, welke pas altijd bekend zal blijven als het tooneel
van het groote gevecht, dat de emir Sjer Ali met zijn strijdkrachten
leverde tegen de colonne van Sir Frederick Roberts. Daar waren
de dennen op de hoogte, waar de afghaansche batterijen verborgen
waren, en men kon zonder moeite het kronkelende pad volgen door de
steenachtige bedding van de rivier, dat dan verder de hoogte inging
naar de bosschen, waardoor de dappere regimenten aanstormden en
eindelijk de afghaansche stelling vermeesterden.
Ten westen van den pas was een vruchtbaar dal met vele dorpen, die voor
een deel al behoorden tot het gebied van den emir van Afghanistan. Een
paar mijlen beneden het hoogste punt van den pas kon men het fort
zien, waar de soldaten van den emir de grens bewaakten. Naar het
Oosten zich richtend, zag men op een afstand van een dozijn mijlen de
kantonnementen van Parasjinar, de meest westelijke kantonnementen
van de britsche strijdmacht en de zetel van het bestuur in dit
grensdal. Er was daar ook een fort, waar de plaatselijke koeramsche
militie in garnizoen lag, Afghanen uit de dorpen in den omtrek, die
onder de leiding en den invloed van drie of vier engelsche officieren
een deel zijn geworden van die vooruitgeschoven krijgsmacht, die het
rijk aan de grens verdedigt.
Ik had enkele weken doorgebracht onder de menschen uit het district,
en de tijd was gekomen, dat ik, ofschoon met tegenzin, de schaduwrijke
bosschen en de koele dreven van het Boven-Koeramdal moest verlaten
voor de brandende vlakten van Bannoe, die ik nu van mijn hoog punt
kon zien liggen in een waas van hitte, herinnerend aan punka's en
slapelooze nachten, mijn voorland dat de plaats zou innemen van de
versterkende lucht van den Roefed Koh.
Onze tenten en onze bagage waren gepakt op eenige muilezels, die we
konden volgen langs den stoffigen weg beneden, terwijl wij talmden,
om afscheid te nemen van de hartelijke Afghanen, die onze gastheeren
en tegelijk onze patiënten waren geweest. Drie dagen zouden we des
nachts ons kamp moeten opslaan, eer we de grens van Britsch Indië
zouden overgaan en de grensstad Thal zouden betreden, die de eerste
stad is, welke een reiziger uit Afghanistan aantreft. Vanaf den tijd,
dat we de afghaansche grens overschreden, tot hier, gaat de reiziger
door een gebied, dat bekend staat als een "administratief terrein". Er
was daar een fort, bezet door troepen van het indische leger, onder
bevel van een engelsch officier.
Nu bleven er nog vier-en-dertig mijlen in rechte lijn tusschen ons en
onze bestemming Bannoe, en eer we die aflegden, waren er bijzondere
onderhandelingen noodig geweest met de stammen, die er woonden,
om een geleide voor ons te krijgen, want dit vooruitspringende
gedeelte tusschen Thal en Bannoe was niet Britsch Indië, en ook
geen administratief terrein, maar onafhankelijk en daar heerschte de
roovende stam der Waziri's, die noch den emir, noch den onderkoning
als meester erkende. Een paar schurkachtig eruitziende Waziri's kwam
aan, om ons verder te geleiden. Hun geweren waren om hun schouders
gehangen en welgevulde patroongordels omvingen hun lijven, terwijl
ze hun paar afghaansche dolken in de plooien van hun vuile, roode
pagari's, die ze om hun middel hadden gewonden, verborgen, en hun
kromme afghaansche zwaarden in de hand hielden.
Wij hadden nu het vruchtbare dal van de Boven-Koeram verlaten, en
gingen door een opeenvolging van rotsachtige bergpassen, over steile
kammen en door de steenachtige bedding van de rivier. De lagere
bergketenen, die Afghanistan van Indië scheiden, vormen door hun
groepeering en hun steilte een reeks valleien en kloven en steilten,
die juist geschikt zijn voor de wilde stammen, die er wonen, en die de
wildheid van hun bergland op even hoogen prijs stellen als hun eigen
onafhankelijkheid. Hier en daar is een stukje bebouwd land in een
bocht van de Koeramrivier, waarop een met muren omgeven en van torens
voorzien dorp neerziet, door geweld van wapenen in de handen gekomen
van de tegenwoordige eigenaars, en alleen in die handen blijvend door
nauwlettendste waakzaamheid. Zelfs de mannen, die achter den ploeg
loopen bij hun ossen, hebben hun geweren over den schouder hangen en
houden het oog geopend, om uit te zien naar den mogelijken vijand.
Op sommige plekken is uit de rivier een kanaal met groote moeite
afgeleid naar een vlak stuk land tusschen de bergen, waar men dan
een karigen oogst binnenhaalt. Voor de rest zijn de bergen kaal en
vertoonen noch dierlijk, noch plantaardig leven. Een paar patrijzen,
die met schellen kreet opvliegen uit een polletje droog gras, kan
men nog te zien krijgen en enkele acaciastruiken, die brandhout
leveren. De Waziri's namen dat mee, om het op de Vrijdagmarkt in
Bannoe te verkoopen.
De Afghanen vertellen u, dat toen God de wereld had geschapen,
er een massa steenen en rotsblokken en puin over was gebleven,
die alle aan deze grens neergesmakt werden, wat het onaantrekkelijk
aanzien van het land moet verklaren. Nog is er een bergketen, waar we
overheen moeten, eer we de vlakten van Indië bereiken. Wij hebben een
rotspad met moeite beklommen over kale steenen, die de zonnestralen
fel weerkaatsen, zonder dat er struik of boom schaduw geeft, of zelfs
het kleinste grassprietje den grond afkoelt, die onze voeten even fel
brandt als de gloeiende schijf boven ons. Dan bereiken we den top, en
het tooneel vóór ons verandert als door een tooverstaf. Vijfhonderd
voet onder ons ligt de breede indische vlakte, hier besproeid door
de levenwekkende wateren van de Koeram, die, als ze vrij zijn uit de
rotsengten, waardoor ze de laatste dertig mijlen hebben afgelegd,
nu over hun steenachtige bedding voortdansen en onder overhangende
klippen door stroomen, om eindelijk zich in tallooze kanaaltjes te
splitsen, en als zilveren linten als in een labyrinth door de vlakte
te stroomen. Zoo ver, als de levenwekkende besproeiing door de Koeram
duurt, breiden zich velden uit van graan en maïs en rijst in eindelooze
opvolging, zoo ver het oog reikt.
Verspreid tusschen de velden liggen de dorpen, de rijke dorpen der
Bannoeërs, verborgen tusschen moerbeiboomen en vijgen en wijngaarden,
alsof een hoorn van overvloed hier al zijn gaven had uitgestort. Zoo is
Indië, en zoo doet het zich voor aan de Pathans, die op de bergen van
onze noord westgrens wonen, en als wij het land aldus aanschouwen, na
eenigen tijd met hen samen te hebben geleefd tusschen hun kale en dorre
bergen, kunnen we gemakkelijk hun redeneering begrijpen en billijken,
dat twee denkbeelden oppermachtig in hun geest heerschen. Het eene is:
"Die rijke vlakten zijn daar geplaatst, omdat God bedoelde, dat wij
er ons zouden vestigen, ze zijn zoo dicht bij onze bergen, opdat, als
bij ons gebrek is, we naar beneden zouden trekken en daar den oogst
binnenhalen, en als we het moeilijk hebben en groote sommen moeten
betalen aan de engelsche regeering, mogen we gerust eens de rijke
Hindoes het geld ontnemen, dat ze door woeker hebben bijeengegaard
en op andere manieren, die God veroordeelt." Het andere denkbeeld is:
"Welke reden kan de engelsche regeering hebben, die over zulke rijke
landen heerscht, om zich met ons in onze bergwereld te bemoeien, waar
wij onze woningen hebben, die ofschoon we niets anders dan rotsen
en steenen om ons heen zien, toch onze huizen zijn, waar wij de
aanwezigheid en de bemoeizucht van geen enkelen vreemdeling verlangen?"
De lezer zal hebben opgemerkt, dat dus op de reis, die boven werd
beschreven, van Peiwar naar beneden tot Bannoe, vier verschillende
territoriën werden bereisd. Het eerste en het laatste, namelijk
Afghanistan en Britsch Indië, zijn twee precies begrensde en
gemakkelijk te bevatten aardrijkskundige gebieden; maar men ziet,
dat daartusschen verschillende stammen hun woonplaatsen hebben,
die in ongelijke betrekking staan tot het indische gouvernement. Ik
moet een en ander opmerken, om den lezer vertrouwd te maken met de
politieke omstandigheden van die streken.
De grens van Britsch Indië is nauwkeurig afgepaald, maar die van
Afghanistan was meer of min onzeker tot het jaar 1893, toen Sir
Mortimer Durand door de engelsche regeering werd afgevaardigd, om de
vertegenwoordigers te ontmoeten van den emir Abdurrahman en samen
de grens vast te stellen. Die grens is sedert dien tijd bekend als
de "Durand-line". De streek tusschen die lijn en de britsche grens
nu staat in onderling verschillende betrekkingen tot de indische
regeering.
Enkele gedeelten ervan, als Tirak, het land van de Afridi's en
Orakzai's, en Waziristan, het land van de Waziri's en Mahmoeds, worden
met rust gelaten, als de stammen geen aandacht op zich vestigen door
strooptochten op engelsch grondgebied, waar de wettelooze elementen
zich nog wel eens aan schuldig maken. Die rooverijen worden zonder
twijfel afgekeurd door de meerderheid van zoo'n stam, die het
feit inziet, dat in welk conflict met de engelsche regeering ook,
ze het altijd moeten verliezen; maar dit is de democratische geest
van de menschen nu eenmaal, dat iedereen evenveel waard is als zijn
buurman, en dat hij een beetje beter is als hij een meer modern geweer
heeft. Als in de tusschenregeeringen van de Richteren in Israël,
doet ieder wat hij goed acht in eigen oogen, en wordt verbitterd,
als zijn buurman of zelfs iemand van zijn eigen stam zijn daden onder
contrôle neemt of zijn vrijheid aan banden legt.
Zoo komt het, dat het werkelijk zeer moeilijk wordt voor de betere en
oudere elementen in den stam, om de anderen van zulke strooptochten af
te houden. De roovers zijn meestal menschen, die niets te verliezen
hebben, die geen grond bezitten binnen de grenzen van Britsch Indië
en die schuldig staan aan vroegere moorden of andere misdaden, zoodat
het voor hen onmogelijk is, het land binnen te komen op andere manier
dan tersluiks, daar ze stellig zouden worden gevangen genomen en
misschien opgehangen, als ze gepakt werden.
Een groot aantal menschen in den stam hebben land aan beide
grenzen van de grens en achten het in hun eigen belang, niet
openlijk partij te kiezen tegen de regeering, terwijl ze toch ook,
tenzij ze aan de desperado's een schuilplaats verleenen en hen bij
gelegenheid verbergen, kans loopen, zelf tot slachtoffers te worden
gemaakt. Zoo gebeurt het, dat er bij haast iedere grensexpeditie
sommige afdeelingen van den stam zijn, die verlangen op goeden
voet te staan met de Engelschen en bevriend heeten. Het is moeilijk
voor een militairen bevelhebber, die de menschen niet vooraf heeft
gekend, om dit op prijs te stellen, en als hij ziet, dat zijn kamp
van achter een bedekking wordt beschoten uit een verondersteld
bevriend dorp, gaat hij natuurlijk twijfelen aan de oprechtheid van
de menschen. Maar waarschijnlijk hebben de lastige elementen het
er juist op aangelegd, om van uit zulk een punt te schieten, opdat
de bevriende luidjes erin worden gehaald en ze dus aan den strijd
moeten deelnemen. Bij een zekere gelegenheid verkoos de tot wanhoop
gebrachte generaal niet te gelooven, wat de politieke ambtenaar
beweerde omtrent de vriendschappelijke gezindheid van de dorpen in
de buurt, van waaruit herhaaldelijk werd geschoten, tot hij het kamp
verliet en voor een tijdje ging wonen in een van de van vijandigheid
beschuldigde dorpen! De goedgezinde clans zouden het ten hoogste op
prijs stellen, als de administratie erin kon slagen, de wettelooze
geesten te beteugelen.
Dan zijn er sommige half onafhankelijke staten, zooals Tsjitral en
Dir, waar bestuurders zijn, die macht genoeg hebben, om hun eigen
land in orde te houden en het voor de Engelschen mogelijk te maken,
dat ze zooveel toezicht kunnen uitoefenen, als wenschelijk wordt
geacht voor de uiterlijke betrekkingen, doordat een politiek agent
aan het hof van het hoofd is verbonden, terwijl dat hoofd zelf vrij
blijft, om de zaken van zijn stam of zijn dorp te regelen naar zijn
believen en in overeenstemning met de gewoonten van zijn stam en den
graad van zijn eigen gezag over de vaak in conflict zijnde eenheden
in zijn bestuursgebied.
Ten derde zijn er dan, wat men noemt, de "geadministreerde gebieden",
zooals het Boven-Koeramdal, waar we al over spraken. Daar wonen
stammen, waarover geen enkel hoofd gezag heeft kunnen krijgen,
waar dus, zooals zoo vaak het geval is onder de Afghanen, de stam
ondermijnd wordt door partijschappen, die geen van allen gezind zijn,
zich te stellen onder de macht van een persoon, die niet tot hun
partij behoort. De regeeringsambtenaar is dus niet bij machte, te
onderhandelen met één leider, maar moet alle leden van de strijdende
partijen hooren. De democratische geest is zoo sterk, dat ieder
kleine landeigenaar meent, dat hij het recht heeft, zijn inzicht in
de publieke zaak naar voren te brengen even goed als de erfelijke
nakomeling van een reeks van hoofden. Hierdoor wordt de politiek zeer
ingewikkeld en de ambtenaar voor politieke zaken, die zich veel liever
zou houden buiten alle bemoeiing met de inwendige aangelegenheden van
den stam, komt tot het besluit, dat te midden van een massa in strijd
zijnde eenheden, hij de eenige mogelijke raad van beroep is. Zoo komt
men tot een tusschensoort regeering, de indische strafwet geldt er
niet, maar de wetten en gewoonten van den stam geven de leiding aan bij
de rechtsspraak, en men bemoeit zich zoo weinig mogelijk met het volk;
maar toch is de ambtenaar voor politieke zaken de hoogste autoriteit en
vereenigt in zich de uitvoerende en rechterlijke macht in het gebied.
Ondanks de omstandigheid, dat hun godsdienst zoo exclusief is, vinden
deze menschen het toch onmogelijk, hun zaken te behartigen of rustig
te leven zonder de hulp van den alomtegenwoordigen Hindoe. Precies
zooals de Groot Mogels van ouds het geschikt vonden, Hindoes te hebben
voor de posten van schatbewaarder, accountant, raadgever enz., zoo
heeft het grenshoofd van dezen tijd zijn Hindoevazal steeds bij zich,
om voor hem zijn rekeningen op te maken, zijn verzoekschriften te
stellen en zijn zaken voor hem af te doen in rechterlijk opzicht. De
meerderheid van de winkelhouders in den stam zijn ook Hindoes. Zelfs
onder het geregelde bestuur van Britsch Indië is de Mohammedaan nooit
zoo knap in het handelen geworden, vooral in den kleinhandel en het
winkelbedrijf, als de snuggerder en vlugger begrijpende Hindoe.
Zoo vindt men in ieder dorp van eenige beteekenis de Hindoes met hun
winkels, waarvan de eigenaar op reis gaat naar de groote marktsteden
aan de grens, Peshawer, Bannoe en Dera Ismaël Khan, en terugkeert met
stoffen, lucifers, spiegeltjes en een verscheidenheid van westersche
artikelen, zoowel als met de voedingsmiddelen, waar de Afghaan van
houdt, maar die hijzelf niet kweekt, zooals suiker en thee. Die Hindoes
worden beschouwd als vazallen van de mohammedaansche gemeenschap,
die ze dienen, en ieder Hindoekoopman heeft zijn particulieren
vriend en beschermer of malik, die in ruil voor de diensten,
die de Hindoe bewijst, voor zijn veiligheid instaat, bereid is,
hem te beschermen, desnoods met geweld van wapenen, tegen andere
mohammedaansche partijen, en iedere beleediging, hem aangedaan,
te wreken, alsof die hem persoonlijk had getroffen.
De Hindoe levert de hersens en de Mohammedaan de dapperheid. De Hindoe
is altijd klaar, zijn heerschzuchtige, maar vaak domme meesters,
te foppen, en weet onder britsche regeering zich nog al eens te
bevoordeelen door de bescherming, die de wet hem verleent, en die
hem in staat stelt, dingen te doen die hij over de grens niet zou
wagen. Eens toen ik aan de andere zij van de grens reisde, was mijn
gids een balling, die verplicht was geweest, van engelsch grondgebied
te vluchten, nadat hij een moord had bedreven. Hij vertelde mij, dat
hij zich bij een Hindoe had aangesloten en een contract had aangegaan
voor het aanleggen van een weg; de Hindoe zou voor het kapitaal
zorgen en de rekening bijhouden, en hij zou koelies recruteeren en
het toezicht op het werk houden. "Terwijl ik in de zomerzon zwoegde
en zweette, zat de snaak van een Hindoe gemakkelijk op zijn kantoor,
vervalschte de rekeningen, en ik kreeg nooit een cent voor mijn
moeite. Ik dacht, dat ik recht kon krijgen bij den sarkar, en ik stelde
een civiele actie tegen hem in; maar ik ben maar een eenvoudig man, en
hij wist alles van de wet door een advocaat, met wien hij bevriend was,
zoodat ik de zaak verloor. Toen betaalde ik aan een anderen pleiter
een groote som, om mijn zaak voor den zittenden rechter te brengen;
maar hij had geknoeid in de rekeningen en de getuigen betaald, zoodat
ik daar ook verloor. Allah Akbar! De rechter sprak het vonnis uit
vóór den middag en vóór den tijd van het avondgebed was de schurk er
geweest. Maar toen was ik erbij, en ik kan nu slechts tersluiks eens
bij nacht een bezoek brengen in mijn geboortedorp."
Als men nu vraagt, hoe de verhouding van den zendeling is tot de
bewoners van de verschillende gebieden, kan men zeggen, dat in Britsch
Indië de zending wordt vrij gelaten, zoolang ze zich binnen de grenzen
van de wet houdt. In Afghanistan mag de zendeling niet werken, en onder
het tegenwoordige régime zal daar wel geen verandering in komen. Een
bekeerling van het Mohammedanisme tot het Christendom wordt binnen het
gebied van den emir beschouwd als iemand, die een groote zonde heeft
begaan, en zoowel de wet als de publieke opinie zou het op zijn
ondergang toeleggen. Maar in de landen tusschen die beide terreinen is
er geen reden, waarom een voorzichtig zendeling, die de taal en de
gewoonten van het volk kent, niet met succes zou kunnen werken. Een
zendeling-dokter, die niet met onhandigen ijver hun godsdienst kwetste,
zou ongetwijfeld door de meeste leden van den stam vriendelijk worden
ontvangen, ofschoon de mollahs of priesters een onzeker element zouden
vormen, dat in het begin zich vijandig zal toonen. De plaatselijke
autoriteiten hebben het per slot van rekening in hun macht, te
bepalen, hoe ver zich de werkzaamheid van de zending mag uitstrekken.
Onder de verschillende grensterreinen, die in den laatsten tijd onder
den invloed van de beschaving zijn gekomen door de grenspolitiek
van de engelsche regeering, is er geen, dat meer belooft dan het
Boven-Koeramdal, aan welks benedeneind het hoofdkwartier van de
Afghaansche Medische Zending te Bannoe is gelegen. De rivier de Koeram
stroomt door een breed dal en gaat met uitzondering van een dertigtal
mijlen juist boven Bannoe over britsch grondgebied, waar de bevolking
steeds meer vreedzaam en beschaafd wordt. Oorspronkelijk woonden er in
het benedendal tot in Waziristan de Bangasjen, een sunnietische stam
van de Pathans, die zelf afkomstig waren uit de buurt van Kohat. De
Toeries waren een sjiïetische stam, die sommige districten bewoonden op
den oostelijken oever van de Indus bij Kalabagh, en daar ze ijverige
kooplieden en nomaden waren, gewend raakten aan een bezoek van de
koele streken in het Boven-Koeramdal, waar ze elken zomer kwamen,
om het weidegebied te gebruiken, hun gezondheid te verbeteren en
handel te drijven.