Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
ONDER DE WILDE STAMMEN OP DE GRENZEN VAN AFGHANISTAN.
Naar het Engelsch van Dr. T. L. Pennell. [1]
De overleden generaal Roberts, de groote Lord Roberts of Kabul and
Kandahar, heeft voor het verhaal van Dr. Pennell's ervaringen een
inleiding geschreven, waarin gezegd wordt, hoe het werk mededeelingen
doet over een arbeid van zestien jaren als dokter-zendeling van iemand,
die aan het hoofd stond van een medisch zendingsstation te Bannoe in het
uiterste Noordwesten van Britsch Indië. Ofschoon er veel is geschreven
over de wilde stammen op de grenzen van Afghanistan, is er plaats voor
Dr. Pennell's verhaal, dat niet van de militaire expedities vertelt
tegen de woelige grensstammen, maar van een vreedzamen arbeid, die
genezen en redden bedoelde, waarbij de lang voortgezette en intieme
omgang met de inboorlingen hem in staat stelt, interessante kijkjes te
geven op het huiselijk en maatschappelijk leven en op het karakter van
de nog zoo primitieve stammen.
"Gedurende mijn lange loopbaan in Indië," zegt Lord Roberts, "ben
ik vaak in de gelegenheid geweest, de medische zending na te gaan in
haar werkzaamheid, en ik kan getuigen dat ze uitstekend en nuttig werk
doet en een factor is, die in de richting van humanizeering arbeidt,
en dat haar daarom steun en aanmoediging toekomen."
Niemand kan Dr. Pennell's ervaringen volgen, zonder te voelen, dat deze
man, die dokter is en het lichaam kan genezen, ook een priester is, die
voor den zieken geest veel kan zijn en die de geestelijke nooden peilt,
zoowel als de lichamelijke. De auteur zegt zelf, dat de geneesheer
overal werk vindt en de handen vol heeft, zoodra hij op zijn station
is aangekomen. Het valt hem niet moeilijk, achterdocht en wantrouwen en
vooroordeel te overwinnen, en alle oppositie kan hij door vriendelijke
en rustige behandeling op zij schuiven, terwijl natuurlijk zijn leven
zijn Christendom evenveel eer moet aandoen als zijn woorden. Er is
overal wel een deur, die voor liefde en sympathie opengaat en voor
practische diensten, en niemand heeft meer gelegenheid, den sleutel
voor die deur te vinden dan de dokter.
Op zulk een grens, waar wilde volksstammen wonen, is het leven van den
dokter-zendeling dikwijls in gevaar, zooals het lezen van Dr. Pennell's
geschiedenis zal aantoonen; maar bij het ernstig en ijverig vervullen
van zijn taak is hij het te boven gekomen.
En hiermee geven wij het woord aan den schrijver.
Na zestien jaren van innige aanraking met de Afghanen en Pathans aan
onze Noordwestgrens van Indië, kreeg ik het verzoek, een en ander uit
mijn ervaringen te boek te stellen. Ik heb aan dat verzoek voldaan
en heb niets vermeld dan wat ik zelf heb ondervonden of wat mij door
een vertrouwd vriend is medegedeeld. Wij zijn thans bezig met het
bouwen van een nieuw hospitaal in Thal, vlak aan de grens, waar de
zending veel invloed kan hebben op de grensstammen. We zullen dat
hospitaal den naam geven van Lord Roberts Hospitaal, omdat gedurende
den veldtocht van 1879 tot 1880 die plaats het hoofdkwartier was van
zijn regiment. De opbrengst van den verkoop van dit boek komt ten
goede aan het werk van de zending te Thal.
Het Oosten is een land van tegenstellingen, en het afghaansche
volkskarakter is een zonderlinge mengeling van eigenschappen. Moed
gaat bij hen samen met slinkschheid, het laagste verraad met de
grootste trouw, diepe godsdienstige dweepzucht met een gierigheid,
die het geloof te schande maakt, en hartelijke gastvrijheid met een
neiging tot diefstal, die onweerstaanbaar schijnt.
Er zijn twee woorden, die voortdurend door een Afghaan in den mond
worden genomen, namelijk de woorden _izzat_ en _sjarm_, die het
idee van eer vertolken, opgevat in positieven en negatieven zin, dus
zooveel als eer en schande; maar waar die eer in bestaat, kan ook de
beste Afghaan u niet vertellen. Soms zal hij meenen, dat hij zijn eer
heeft verdedigd door een moord, samengaande met het snoodste verraad;
op een anderen tijd wordt die eer op de laagste wijze aangerand, als
bij de een of andere plechtigheid hem een plaats wordt aangewezen,
in rang niet gelijk aan die van het hoofd, wiens evenknie hij wil zijn.
De vendetta of bloedwraak is diep in het leven van de Afghanen
doorgedrongen, en nooit kan het volk op gezonde manier vooruitgaan, als
niet de publieke opinie in dat opzicht zich herziet. Op dit oogenblik
zijn enkele van de beste families in Afghanistan op het punt van uit
te sterven door dit ellendige stelsel. Zelfs de vrouwen zijn er niet
vrij van. In 1905 deed zich in Bannoe het geval voor van een man, die
op laaghartige manier vermoord was om een betwist stuk land. Men wist
algemeen wel wie de moordenaar was; maar daar hij en zijn betrekkingen
veel invloed hadden en voor niets zouden terugdeinzen, en de vermoorde
geen naaste bloedverwanten had dan één zuster, had niemand er lust in,
zijn huid te wagen door te getuigen, zoodat de rechter, toen de zaak
vóór kwam, niet tot de veroordeeling kon overgaan.
De zuster beklaagde zich en vroeg, of ze dan geen recht kon
krijgen. "Breng mij getuigen," was al, wat de rechter kon
antwoorden. "Heel goed, dan moet ik mijn eigen weg zoeken," en het
meisje ging heen, om te blijven werken met het eenig doel voor oogen,
het bloed van haar broeder te wreken, dat haar opriep van uit het graf.
Kort na die rechtzaak gaf ik in de schoolkamer van de zendingsschool
les aan een klasse jongens. Het was Vrijdagmorgen, wanneer duizenden
van de bergbewoners naar beneden komen voor den wekelijkschen marktdag,
en de bazars vol zijn van een luidruchtige menigte, wier geschreeuw
tot het schoollokaal doordringt. Plotseling werd een schot gehoord
en toen een verward gegil. Ik vloog naar buiten en vond tusschen de
menigte een Waziri, die dood op den grond lag. Een kogel had hem het
hart doorboord. Het was de moordenaar, die aan het wrekende gerecht
ontsnapt was, maar niet aan de hand van den wreker, want de zuster
had een revolver verborgen gehouden en was haar vijand genaderd in
het gewoel van de menschen, om hem van dichtbij te treffen.
Zij werd op de plaats gearresteerd en ze werd tot levenslangen
dwangarbeid veroordeeld. Ik ontmoette haar enkele weken later, toen
ze met andere veroordeelden naar haar bestemming werd gebracht,
de Andamanen. Haar voornaamste gevoelens waren onderworpenheid en
zelfvoldoening. "Ik heb mijn broeder gewroken, en verder is wat er
gebeurt, Gods wil; ik ben voldaan." Met die woorden beantwoordde ze
mijn deelneming.
Dat bij die gezindheid de veiligheid in deze grensstreken veel te
wenschen overlaat, behoeft niet te verwonderen. Enkele jaren geleden,
hadden een troep buiten de wet staanden een dorp versterkt even over de
grens en hadden er verzet gepleegd tegen de overheid. Ze gingen voort,
in den omtrek te plunderen, waar menige rijke Hindoe bestolen werd,
terwijl ze zelfs zoover waren gegaan, de geweren uit een politiepost
te stelen. De hoofdman van de bende was Sailgai, wiens vader Mian Khan
was, een Waziri van de clan der Sparkai's. Toen hij nog een knaap
was, had Sailgai zich al een knap schutter getoond en spoedig werd
hij als zoodanig beroemd. Maar die handigheid bracht hem in aanraking
met de desperado's, die er in de clan waren, en het duurde niet lang,
of hij was de aanvoerder van een bende, die er haar werk van maakte,
des nachts in te breken bij rijke Hindoes en in winkels. Toen die
bezigheid hem begon tegen te staan, werd hij rooverhoofdman op den
grooten weg en lag met zijn gezellen op de loer op verschillende
plaatsen van den weg Kohat--Bannoe, om bij dag en bij nacht reizigers
te overvallen en uit te plunderen.
De volgende stap werd het berooven van geheele dorpen onder
intimideering van de bewoners, en Sailgai werd een moordenaar van
professie, die van twee- tot vierhonderd roepijen aannam, als hij
iemand om het leven bracht, die het den betaler lastig maakte. Toch was
hij tot nu toe uit de handen van de justitie gebleven, want als iemand
iets tegen hem getuigde, wist hij al gauw te ontdekken wie de man was
en bracht dien dan een nachtelijk bezoek, dat òf op een hoog losgeld
uitliep òf op den dood van het slachtoffer. Acht jaren geleden ontving
hij tweehonderd roebels voor het vermoorden van een Bizoen-Khelwaziri,
naar wiens huis hij trok met vijftien handlangers. De Waziri was echter
gewaarschuwd en verdedigde zich moedig, en Sailgai moest zevenmaal
schieten, eer hij hem gedood had, in welken tijd de broeder van den
vermoorde politie had gehaald en Sailgai nazette. Maar toen de politie
zag, dat ze hier met een goed georganiseerde bende te doen had, van
wapens voorzien, ging ze aan den haal met uitzondering van één man,
die op de moordenaars het vuur opende op tweehonderd pas afstands. Hij
werd getroffen en buiten gevecht gesteld, zoodat Sailgai en de zijnen
veilig wegkwamen. De regeering gaf een belooning aan den enkelen
dappere en stelde een prijs op het hoofd van Sailgai, zoodat hij niet
op engelsch grondgebied kon komen dan ter sluiks. Hij trok zich toen
terug op zijn familiefort te Goematti, dat hij nog meer versterkte
en tot basis maakte van zijn strooptochten op gouvernementsgebied.
Die werden intusschen zoo talrijk en hadden zooveel succes, dat
de indische regeering wel genoodzaakt was, een colonne tegen de
boosdoeners uit te zenden onder kolonel Tonnochy, die het bevel
voerde over het 53ste Sikh-regiment te Bannoe, met opdracht, het
fort eens en voor altijd met den grond gelijk te maken. Voordat het
vuur werd geopend, ging Mr. Donald, een hoofdambtenaar, alleen naar
de loopgraven van het fort, om met Sailgai en zijn mede verdedigers
te onderhandelen. De lange lijst van misdaden kennend, die hem ten
laste kon worden gelegd, antwoordde Sailgai, dat hij vastbesloten
was, zijn leven zoo duur mogelijk te verkoopen in de vesting, waar
hij geboren en grootgebracht was. Tot hun eer moet worden gezegd,
dat ze met vuren wachtten, tot de heer Donald bij de zijnen terug was
gekeerd. Kolonel Tonnochy bracht de kanonnen tot zestig yards van
het fort; maar onder het richten werd hij doodelijk getroffen door
een schot van de tegenpartij. Toen de versterking eindelijk genomen
was door een bestorming, waren al de gezellen van Sailgai dood en
hijzelf was op vier plaatsen gewond. Zoo wist hij zich nog voort
te sleepen tot een plek, van waar hij schieten kon op den britschen
officier kapitein White, die den aanval leidde, en schoot hem dood,
waarna, bijna op hetzelfde oogenblik, de ordannans van den overste
aan Sailgai het genadeschot toebracht.
In sommige opzichten heeft de Afghaan zulk een buitensporige ijdelheid
in verband met zijn bijzondere opvatting van sjarm, dat hij woedend
wordt om een vermeende beleediging en zich soms ten hoogste belachelijk
maakt, zoodat hij er zich niet uit kan redden, dan door nog meer van
zijn eer te offeren.
Zoo iets had plaats in December 1898. De athletische spelen van
de zendingsschool waren aan den gang op de plaats der school, en
de staatkundige leiders van de Tochi's en Wano's waren in de buurt
vergaderd in een jirgah of bijeenkomst van de vertegenwoordigers der
Mahsoeds en Darwesj Khels, afdeelingen van de Waziri's. Plotseling werd
er geroepen: "De Waziri's hebben ons aangevallen!" en een oogenblik
heerschte er de grootste verwarring. Waziri's zag men de school en
de bijgebouwen inloopen, en een groot aantal van de toeschouwers, die
naar het spel waren komen kijken, namen overhaast de vlucht. Maar het
bleek al spoedig, dat wel verre van ons eenig kwaad te willen doen, de
Waziri's er niets mee te maken hadden, maar dat de Mahsoeds vluchtten
voor de Darwesj Khels, die hen achtervolgden en hen achterna zetten
in de zendingsgebouwen, waar ze een toevlucht hadden gezocht.
De vergadering had een vreedzaam verloop gehad, totdat een Darwesj
Khel in zijn gesticulaties te dicht bij den zetel van den politieken
ambtenaar kwam. Een Mahsoed, die het oneerbiedig vond, duwde hem weg
met onnoodige heftigheid, zoodat de man viel. De Darwesj Khels in zijn
buurt vielen den Mahsoed aan, zeiden, dat hij het uit kwaadwilligheid
had gedaan en begonnen hem te slaan. In het volgend oogenblik was
de heele vergadering slaags geraakt; maar de Mahsoeds, die verre in
de minderheid waren, zochten zich door de vlucht te redden, en daar
onze gebouwen het naastbij waren, waren ze onceremonieus bij ons
binnengevallen, met hun vervolgers achter zich aan. Er kwam gelukkig
niets ernstigs uit voort, en beide partijen konden al gauw lachen om
hun heethoofdigheid.
Een in het oog vallende karaktertrek van de Afghanen is hun
grootspraak; bluffen doen ze graag, en daardoor lijken ze wel eens
geduchter, dan ze zijn, voor diegenen, die niet met hun karakter
bekend zijn. Hun ruwheid en tyrannie tegenover wie in hun macht is,
zijn afstootend; maar tegelijkertijd hebben ze grooten eerbied voor
de verpersoonlijking van macht of bruut geweld en worden trouwe en
toegewijde aanhangers van wie ze meenen, dat hun meerderen zijn.
Mij is dikwijls gevraagd, of ik geen revolver bij mij droeg, als ik
op reis was onder die wilde stammen. Als een zendeling gewapend was,
zou dat niet enkel zijn succes in den weg staan, maar het zou een
aanhoudend en ernstig gevaar opleveren. Het zou onmogelijk voor hem
wezen, steeds op zijn hoede te zijn; er komen tijden, dat hij door
vermoeienis of om andere redenen weerloos is in de handen van de
menschen, onder wie hij verkeert. Bovendien is er niets, wat een
Afghaan zoo vurig wenscht te bezitten als een vuurwapen en dat hij
eerder, ook met levensgevaar, zou stelen, en al zou hij den zendeling
anders volstrekt geen kwaad willen doen, de mogelijkheid, een goede
revolver of een geweer te krijgen, zou een te groote verzoeking zijn,
zelfs als hij er bloed voor moest storten. Mijn plan was, mij geheel
in hun handen te stellen en hun te toonen, dat ik hen vertrouwde en
in hun gevoel van eer geloofde, alsook in hun traditioneel optreden
tegenover hun gasten.
Tegelijkertijd streefde ik ernaar, om hen te laten merken, dat hun
grootspraak, waarin ze soms ook tegen mij vervielen, niets bij mij
uitwerkte, en dat ik onverschillig was voor hun waarschuwingen en
bedreigingen, die vaak van hun kant een list waren, om te zien of ze
mij ook konden bedriegen. Eens toen ik in een dorp over de grens was
en een paar uren rust nam op het heetst van den dag, kwamen er een paar
jonge kerels binnen, die pas aan een strooptocht hadden deelgenomen en
nog in opgewonden staat waren. Enkelen van hen waren van meening, dat
er nu een goede gelegenheid was aangebroken, om den Dokter-Sahib eens
beet te nemen, en al spoedig hield een jonge man zijn geladen revolver
op mijn borst en zei: "Nu gaan we u doodschieten." Ik antwoordde:
"Dat zou heel dwaas van u zijn, want jullie hebt meer dienst van mij
dan je denkt, en je zou stellig je met mijn middelen vergiftigen,
als ik je niet zei, hoe je ze moet gebruiken."
De oudste van het gezelschap berispte hem toen en bood een soort van
verontschuldiging aan voor de ruwheid van de anderen met de woorden:
"Het zijn nog maar jongens en ze zijn opgewonden. Let u maar niet op
wat ze zeggen. Ik zal wel zorgen, dat u geen kwaad geschiedt." Bij
een andere gelegenheid kwam ik in een dorp over de grens in den
laten avond. Er waren veel schavuiten in het dorp; maar het hoofd,
onder wiens bescherming ik mij stelde, nam de voorzorg, mijn bed te
zetten in een kring van zijn ondergeschikten, zes man, die geheel
gewapend waren en die om beurten de wacht zouden houden. Ik had een
dag van zwaar werken gehad en was weldra vast in slaap, en dit was
mijn behoud, want mij werd den volgenden morgen verteld, dat een
paar dwepers mij des nachts hadden willen dooden; maar de anderen
zeiden: "Zie, hij heeft zich zonder voorbehoud aan onze bescherming
toevertrouwd, en omdat hij vertrouwen heeft, slaapt hij zoo rustig;
daarom moet hem in dit dorp niets overkomen."
Niet lang geleden was er een bekend roover aan de grens, Rangin
genaamd, die er een gewoonte van had gemaakt, rijke Hindoes te
overvallen en hun dan voor een hoog losgeld de vrijheid te schenken. Ik
was gewend, ons buitenstation te Kharrak eens in de maand te bezoeken
en ging meestal alleen en bij avond. Er werd mij bericht, dat Rangin,
dit wetend, mij wilde wegvoeren, om een hoog losgeld te eischen. Den
volgenden keer, dat ik Kharrak bezocht, ging ik met opzet aan den weg
liggen slapen op een eenzame plek, dat de menschen zouden zien, dat
ik niet bang was voor Rangins bedreigingen. Onnoodig te zeggen, dat
er niets gebeurde; maar de menschen daar in de buurt verspreidden het
gerucht, dat, daar er een engel was, die den Dokter-Sahib beschermde,
het nutteloos zou wezen en dwaas, om hem leed te willen doen.
Ofschoon de eer, die een Afghaan meent verschuldigd te zijn aan zijn
gast, mij dikwijls goed te pas is gekomen, was een enkele maal de
inachtneming van de vormen lastig voor mij. Een rijk hoofd kan met
niet minder tevreden zijn dan het slachten van een schaap, als hij
een gast van beteekenis ontvangt; een armer man kan volstaan met het
slachten van een vogel en de bereiding van het nationale gerecht, de
pulao. Eens kwam ik in een dorp nog al laat in den avond met een paar
van mijn makkers. Het hoofd zelf was afwezig; maar zijn zoon ontving
mij met allen eerbied en liet een vogel slachten en kookte een lekkere
pulao, waarna wij allen, vermoeid van het dagwerk, spoedig vast in
slaap waren. Later was het hoofd aangekomen en had door zijn zoon van
onze komst gehoord. "Heb je voor hem de dumba geslacht?" vroeg hij
dadelijk, en toen hij van den zoon hoorde, dat hij slechts een kip had
bereid, gaf hij daarover zijn ontevredenheid te kennen met de woorden:
"Dit zal een blijvende schande voor mij zijn, als het bekend wordt
dat, toen de dokter uit Bannoe, de Dokter-Sahib, in mijn dorp kwam,
ik enkel voor hem een kip liet slachten. Ga dadelijk naar de kudde
en neem een dumba en slacht het schaap; bereid het maal, en als alles
klaar is, roep mij dan."
Zoo geschiedde het, dat omstreeks één uur in den morgen wij werden
gewekt, en dat ons werd gezegd, dat het hoofd gekomen was om ons te
onthalen, en dat het maal gereed was. Het zou niet enkel noodeloos
zijn geweest, te protesteeren en te zeggen, dat wij meer behoefte
hadden aan slaap dan aan een maaltijd, maar dat zou een beleediging
zijn geweest voor zijn gastvrijheid. Dus stonden we vlug op en hielden
ons zoo goed mogelijk, en na een begroeting met de gewone vormen aan
weerszijde, maakten we ons gereed, om eer te doen aan een luisterrijk
maal van gebraden schapevleesch en pulao, voor ons klaar gemaakt.
Bij een reis over de grens had ik op den terugweg naar Bannoe een
geleide van twee dreigend eruit ziende Afghanen, die tot elke misdaad
in staat leken. Ze zorgden echter voor ons naar behooren en brachten
ons veilig te Bannoe. Bij aankomst daar bood ik hun eenig geld als
belooning voor hun geleide; maar ze weigerden het verontwaardigd,
zeggende, dat geld aan te nemen van iemand, die hun gast was geweest,
in strijd zou zijn met de traditie. Dus liet ik hen de rest van den
nacht doorbrengen in het huis van een van mijn helpers-inboorlingen,
met een briefje, om hun een goed maal voor te zetten en ze vroeg in
den morgen naar huis te zenden. Hij gaf hun het maal, maar toen hij
den volgenden morgen opstond, zag hij, dat ze al waren verdwenen met
al zijn goede kleêren.
Onder de Afghanen is diefstal min of meer een verdienste, al naar
gelang van de behendigheid en den moed, die ervoor noodig zijn geweest,
en van het succes bij het ontgaan van vervolging. Twee jaar geleden
bracht een Afghaan zijn dochtertje bij ons voor een oog-operatie. De
operatie was goed gelukt, en de dag kwam, dat het meisje kon worden
ontslagen. De oogen van den Afghaan waren intusschen gevallen op
mijn paard; hij bedacht, hoe bruikbaar de merrie voor hem zou zijn
op zijn tochten, en den avond na zijn vertrek bemerkten wij, dat hij
met een vriend was gekomen en het paard had gestolen. Ongelukkig
voor het succes van de onderneming had hij een vijand, die, toen
er een belooning werd uitgeloofd voor de ontdekking van den dief,
dacht, dat hij zich wel kon verrijken en tegelijk een oude grief
uitwisschen. De schuldige was nu al met zijn buit veilig over de
afghaansche grens gekomen in Khost, en geen uitleveringswetten
gelden daar. Andere leden van den stam woonden in Britsch Indië en
zouden met hun gezinnen naar de bergen trekken bij het toenemen van
de zomerhitte. De deputy-commissioner riep de hoofden van den stam
bij elkander en deelde hun mede, dat als ze niet zorgden voor de
teruggave van de merrie, hij tegen zijn zin genoodzaakt zou zijn,
bevelen te geven, dat ze niet met hun gezinnen in de bergen mochten
trekken. Eerst protesteerden ze, dat ze niets te zeggen hadden over
den dief, dien ze zelf uit den stam hadden gezet, omdat bij een
schurk was; maar toen ze merkten, dat de ambtenaar hen te goed kende,
gingen ze ertoe over, iemand naar Khost te zenden, die met het paard
terugkwam. De man, die door zijn tusschenkomst het dier mij terug gaf,
heeft zich van dien tijd af steeds voorgedaan als mijn weldoener,
en verwachtte allerlei gunsten als loon. De diefstal werd algemeen
afgekeurd door den stam, maar vooral omdat de omstandigheden de
mislukking hadden teweeggebracht.
Bekende dieven en misdadigers hebben vaak van het zendingshospitaal
gebruik gemaakt, als ze leden aan koorts of een andere kwaal,
die hen tijdelijk hinderde, maar natuurlijk kwamen ze onder andere
namen en trachtten ze hun identiteit te verbergen. Het is toch maar
te hopen, dat ze gebruik maken van de toespraken en den goeden
raad, die hun dagelijks worden voorgehouden, terwijl ze onder
behandeling zijn. Soms, zooals in het geval dat ik ga vertellen,
wordt hun identiteit bekend. Eenige jaren geleden lag in "bed 26",
het Zuidzeebed, zooals het genoemd werd, Zaman, een bekende dief,
die aan chronische dysenterie leed en meer dan twee maanden werd
behandeld. Hij sukkelde en het ging op en neer, maar blijkbaar was hij
te ver heen, toen hij werd opgenomen. Hij luisterde aandachtig naar
het voorlezen uit den Bijbel en gaf soms voor, dat hij er in geloofde,
maar gaf geen blijk van berouw over zijn vroeger leven. Maar toen
men hem had voorgehouden, dat er geen kans op herstel was, liet hij
een politieman halen, om dien de namen op te geven van zijn vroegere
vrienden, hopende niet enkel, dat ze gevangen zouden worden genomen
en gestraft, omdat ze hem hadden weggezonden, toen hij te ziek en
te zwak was om hun slechte praktijken mee te bedrijven, maar ook
om een belooning te krijgen voor de verstrekte inlichtingen. Hij
ging langzamerhand achteruit en stierf onder de belijdenis van een
geloof in Christus; maar alleen Hij, die het hart kent, weet wat dat
beteekende. Ik denk niet, dat hij verklikker zou zijn geworden, als
niet de medeplichtigen hem in zijn nood in den steek hadden gelaten.
Geen beschrijving van het leven der Afghanen zou volledig wezen,
als men niet sprak over de openbare danspartijen. Ze hebben
plaats ter viering van een stamovereenkomst of van het ophouden
van vijandelijkheden tusschen twee stammen of afdeelingen. Men kan
ze alleen in optima forma zien over de grens, want in Britsch Indië
zijn die danspartijen door de meer vreedzame vermaken van het volk en
het ontbreken van de benoodigde vuurwapens in onbruik geraakt. Aan de
andere zijde van de grens wordt een vlak terrein uitgekozen, en in het
midden wordt een post geplaatst. De mannen gaan in al wijder kringen
rondom dit middelpunt staan en draaien er omheen, steeds het middelpunt
aan hun linkerhand houdend, en zwaaiend met hun zwaarden. De oudste
en minst vlugge van de krijgers vormen de middenkringen; meer naar
buiten ziet men de jongelui, die met verbazende vlugheid ronddansen,
vaak met een geweer in de eene en een zwaard in de andere hand, of ook
wel een zwaard in iedere hand, welke wapens ze beurtelings boven hun
hoofd zwaaien. Meer aan den buitenkant bevinden zich de kringen van
de ruiters, die tegelijk hun vlugheid te paard en hun behendigheid
met zwaard of geweer aan den dag leggen. Aan den eenen kant staan de
dorpsmusici, die door trommen en fluiten voor de begeleiding zorgen. Ze
beginnen langzaam, en men ziet alle kringen zich bewegen met afgemeten
tred; daarna wordt de muziek al vlugger, de dansers worden meer en
meer opgewonden, en wie toekijkt krijgt den indruk van een warrelende
massa sabels en geweren. De geweren zijn vaak geladen en worden nu en
dan afgeschoten, waarna de wendingen van de ruiters drukker worden,
zoodat men zich verwondert, dat er geen hoofden en armen worden
afgeslagen door de overal flikkerende sabels. Plotseling zwijgt de
muziek, en allen houden stil, om weer op adem te komen, maar beginnen
dadelijk weer, tot ze uitgeput zijn. De opwinding en de ingewikkelde
figuren worden vaak precies gelijk aan den werkelijken oorlog, en
de geschiedenis eindigt dan ook soms met bloedvergieten. Bij een
zekere gelegenheid viel een man neer, en onder het vallen liet hij
zijn geweer afgaan met het noodlottige gevolg, dat een andere danser
getroffen werd. De moordenaar zonder opzet zou op hetzelfde oogenblik
en op de plaats gedood zijn, als zijn vrienden hem niet haastig naar
huis hadden gebracht, al vechtende onder het vluchten. Op die manier
wordt er soms aanleiding gegeven tot het ontstaan van een bloedveete,
die een dorp in twee partijen verdeelt, en die niet eindigt eer enkele
van de dapperste bewoners gevallen zijn als slachtoffers.
Bij een andere gelegenheid zat ik met eenige Afghanen in een huis
in het dorp Peiwar in het Koeramdal. De meeste huizen stonden aan
weerszijde van een lange straat, die in de lengte door het dorp liep,
en ik merkte op, dat er tusschen de huizen aan elke zijde van de straat
kleine deurtjes waren gemaakt. Toen ik naar het doel daarvan onderzoek
deed, werd mij verteld, dat er eenigen tijd geleden een groote strijd
in het dorp was gevoerd. De eene kant van de straat stond aan den
eenen en de andere zijde aan den anderen kant van de strijdende
partijen, en nu lagen ze voortdurend op de loer, om op elkander te
schieten over de straat. De eenige manier, om naar de rivier te gaan,
was van het eene huis door het andere te loopen naar het benedeneind
van de straat, en om dat te kunnen doen zonder te worden opgemerkt,
had men deuren gemaakt, terwijl buitendien bij afspraak bepaald was,
dat er niet geschoten zou worden, als men naar beneden naar de rivier
ging. Mijn gastheer kon mij verscheiden gaten laten zien in zijn
deur en de houten kozijnen van de vensters, die gemaakt waren door
de kogels van zijn buren aan den anderen kant van de straat, en zei:
"Achter dit gat in de deur werd mijn oom doodgeschoten; die opening
in het raam werd gemaakt door den kogel, die mijn broeder trof."
Wijzend op een anderen Afghaan, die in de kamer was gekomen en op
het bed was gaan zitten, zei hij: "Dat is de man, die mijn broer
doodschoot." Toen ik een opmerking maakte over de vriendelijkheid
en eensgezindheid, die er tusschen hen scheen te heerschen op dat
oogenblik, zei hij: "Ja, wij zijn nu goede vrienden, omdat de schuld
aan beide zijden gewroken is. Ik heb hetzelfde aantal leden van zijn
familie gedood." Na een strijd van dezen aard worden de noodlottige
gevallen aan weerszijden opgeteld, en als ze even groot zijn, voelt
men aan weerskanten, dat men vrede kan sluiten zonder de izzat of eer
op te offeren, en de vriendschappelijke verhouding wordt hersteld,
terwijl het onnoodig wordt geacht, een onderzoek in te stellen naar
de opruiers of de moordenaars. Indien echter de eene partij zich nog
gegriefd acht of nog niet het volle aantal slachtoffers heeft gemaakt,
dat de wet der wrake eischt, kan de strijd tot in het oneindige worden
voortgezet, tot geheele families bijna uitgeroeid zijn. De wreker
zal blijven uitzien naar een gelegenheid maanden en jaren lang; maar
vergeten zal hij niet, en evenmin zal een ander den gejaagden blik,
de schuwe uitdrukking in de oogen en het zenuwachtig hanteeren van
de revolver vergeten, waardoor zich de man onderscheidt, die weet
dat één of meer zulke wrekers op hem loeren.
Een civiel bestuurder in het Koeramdal bezocht eens een hoofd in het
dorp Shlozan, iemand die, als alle hoofden, een hoogen toren bezat,
waar hij voor zijn vijanden zich veilig kon voelen. Zijn gastheer
nam hem mee naar den toren, na nauwkeurig te hebben onderzocht, of
het venster van de bovenverdieping gesloten was. De ambtenaar, die
meende, dat de man naar het landschap buiten wou kijken, ging heen
om het venster te openen, maar werd haastig en dringend teruggeduwd
door het hoofd, die hem vertelde, dat zijn neef dat raam maanden
lang had bespied in de hoop op een gelegenheid, om hem daar dood te
schieten. De ambtenaar deed geen verdere pogingen, maar eenige maanden
later hoorde hij, dat zijn vriend, het dorpshoofd, de onvoorzichtigheid
had gehad, naar het open venster te gaan, en dat hij er door zijn
neef was doodgeschoten.
De vijandigheid tusschen neven is zoo groot in Afghanistan, dat er
een spreekwijze is ontstaan, waarin wordt gezegd, dat iemand "een even
erge vijand is als een neef". Dat is een gevolg van het feit, dat de
oorzaken van zulke veeten juist dikwijls ontstaan tusschen menschen,
die in familiebetrekking tot elkander staan. Want de aanleidingen
van negentig percent van die twisten worden door de Afghanen gebracht
onder drie rubrieken: zan, zar, en zamin, dat zijn de drie perzische
woorden voor vrouwen, geld en land. Op al die punten zullen neven
eerder met elkander in botsing komen dan vreemdelingen.
Wat de afkomst der Afghanen betreft, wordt er nog al eens gestreden
over de vraag, of ze eigenlijk Joden zijn of niet. Er zijn twee
groepen, de een neemt het als een vaststaand historisch feit aan, dat
ze afstammen van de verloren tien stammen van Israël, en de andere
verwerpt alle israëlietische afstamming, maar neemt wel aan, dat de
Afghanen met het Mohammedanisme ook enkele joodsche eigenaardigheden
hebben overgenomen. Alle waarnemers zijn het er over eens, dat de
gelaatstrekken van de Afghanen iets sterk Joodsch hebben, en als
wij zoo kijken naar de bezoekers van onze ziekenafdeeling, zien we
vaak een of anderen ouden grijsaard van zuiver afghaansche afkomst,
die iemand onwillekeurig zou doen uitroepen: "Die man zou uitstekend
kunnen doorgaan voor een van de oude patriarchen van de Israëlieten,
uit de bijbelsche geschiedenis tot ons gekomen!"
Alle mohammedaansche volken moeten naar de herkomst van hun godsdienst
veel gebruiken en plichten hebben, die joodsch zijn, want Mohammed
zelf nam die aan van de Joden om hem heen; maar er zijn er minstens
twee, onder Afghanen algemeen en niet bij mohammedaansche volken
in de buurt, die sterk herinneren aan een joodschen oorsprong. Het
eerste hier bedoelde gebruik, dat heel algemeen is, is het offeren
van een dier, meestal een schaap of een geit, in geval van ziekte,
waarbij het bloed van het dier tegen de deurposten wordt gesprenkeld
van den patiënt, zoodat de engel des doods wordt afgeschrikt.
Het andere gebruik, dat niet zoo algemeen is en schijnt te
verdwijnen, is het beladen van een bok met de zonden van het volk
en het uitdrijven van het dier in de woestijn. Bovendien hebben de
Afghanen meer dan ieder ander volk een liefhebberij voor joodsche
namen, namelijk bijbelsche, en David, Salomo, Abraham, Job, Jacob en
veel andere patriarchen komen dagelijks voor op de lijsten van onze
hospitaal-patiënten. Namen uit het Nieuwe Testament, zooals Mihtar Esa,
dat is koning Jezus, en Simon komen ook wel voor.
Maar een sterk bewijs tegen de joodsche afkomst is het zoo goed als
afwezig zijn van hebreeuwsche woorden in hun taalschat, wat echter
ook voor een deel verklaard kan worden door de vermenging eerst met
chaldeeuwsche en later met arabische elementen. De Waziri's hebben
een overlevering omtrent hun afkomst, die, al mag de gelijkenis met
den bijbel toevallig wezen, wel interessant is, nu men ze aantreft
bij zulk een wild en barbaarsch volk.
Die overlevering is, dat een zekere voorvader twee zoons had, Issa en
Missa, waarschijnlijk Jezus en Mozes, van wie de laatste een herder
was, die eens, toen hij zijn kudden hoedde op de heuvels, een lam had
verloren, dat afgedwaald was en niet kon worden teruggevonden. Missa
liet zijn andere schapen in den steek en ging het verloren schaap
zoeken. Drie dagen en nachten zwierf hij rond in de jungle, zonder
het dier te kunnen vinden. Op den morgen van den vierden dag trof hij
het aan in een afgelegen dal, en in plaats van er boos op te zijn,
nam hij het in zijn armen, kuste het en bracht het veilig bij de kudde
terug. Om die daad van liefde zegende God hem en liet hem stamvader
worden van den stam der Waziri's. Ofschoon het ons waarschijnlijker
in de ooren zou klinken, als de daad aan Issa was toegeschreven dan
aan Missa, toch heeft deze overlevering mij vaak den tekst geleverd
voor de uitlegging van het bijbelverhaal, als ik de menschen van dit
primitieve volk toesprak.
Ofschoon de Afghanen vol ijver zijn in het belijden van hun godsdienst,
zijn er toch velen onder hen, zoo onwetend op het punt van de leer,
dat de meer beschaafde Mohammedanen er bezwaar tegen hebben, hun
een plaats toe te kennen in de rijen der geloovigen. De Waziri's
bij voorbeeld, die altijd bereid zouden zijn, deel te nemen aan een
godsdienstoorlog, weten niet alleen heel weinig van de grondwaarheden
van het Mohammedanisme, maar hebben eigenlijk van den godsdienst
niets anders overgenomen dan de vereering voor heiligen en graven. De
Afridi's zijn in dat opzicht al niet veel verder, en er wordt verteld,
dat een afdeeling van dien stam, toen een andere stam hun verwijten
deed, omdat ze geen graf van een heilige hadden, ertoe overging, een
Seyed, die beroemd en hoog in aanzien was en die hun land bezocht,
om het leven te brengen, hem te begraven en tot op den dag van heden
er een eer in te stellen, op zijn graf te bidden.
De bergen aan de grens zijn vaak kaal en hebben geen velden en woningen
te vertoonen, maar men kan niet ver gaan, of men komt bij een ziarat
of heiligengraf, waar de vromen bidden en geloften afleggen. Zoo'n
heiligdom ligt dikwijls op een ontoegankelijke plaats op een bergtop
of op een klip. Rondom het graf zijn afgeknotte boomen, en aan de
takken daarvan hangen een massa lappen en lapjes gekleurd katoen,
want ieder pelgrim, die een gelofte aflegt en met een smeekbede komt,
moet een lap bij, de andere voegen, als uiterlijk teeken van zijn
gelofte. Wij geven de afbeelding van een beroemd heiligdom op het
Soeleimangebergte. Ondanks de ontoegankelijkheid bezoeken jaarlijks
honderden bedevaartgangers de plek, en zieken worden in hun bedden
omhoog gedragen in de hoop, dat de zegen van den heilige hen moge
genezen. Zulke patiënten worden soms met hun bed op kameelen gebonden
of worden op de schouders van hun vrienden meer dan honderd mijlen ver
naar de een of andere ziarat gedragen. In sommige gevallen kan het best
zijn, dat de verandering van lucht en de verwisseling van de muffe
ziekenkamer, die donker en ongeventileerd is, voor de open lucht,
tegelijk met den prikkel van verandering van klimaat en omgeving,
hun aandeel hebben in de genezing, die nu en dan ontwijfelbaar volgt.
Een andere eigenaardigheid van die heiligengraven is, dat hun
heiligheid en onaantastbaarheid zoo algemeen worden erkend,
dat voorwerpen van persoonlijk bezit er gerust door de eigenaars
langen tijd onbewaakt kunnen worden achtergelaten in het volste
vertrouwen, dat ze de voorwerpen bij hun terugkomst onbeschadigd
terug zullen zien. Dit is te meer opmerkelijk, als men bedenkt,
dat deze stammen dieven van professie zijn en volstrekt geen misdaad
zien in rooverij. De inwoners van een bergdorp kunnen naar de vlakte
trekken in de wintermaanden en hun bedden, potten en pannen en ander
huisraad onder de boomen van een naburig heiligengraf achterlaten, en
bijna zeker vinden ze alles bij hun terugkomst eenige maanden later
precies in orde weer op dezelfde plaats. Een bepaald voordeel van
die heilige plaatsen is nog, dat het een zonde is, hout te kappen van
een van de hen omringende boomen. Zoo zijn vaak die graven de eenige
groene plekjes tusschen de heuvels en bergen, waar het onverschillige
vandalisme van de stammen alle boomen en struikgewas al lang heeft
uitgeroeid.
Graven hebben altijd een bijzondere heiligheid in de oogen der
Afghanen, grooter nog dan bij andere mohammedaansche volken, en veelal
zult ge een Afghaan, die voorbij een kerkhof rijdt, zien afstijgen
en, gaande naar het een of ander in het oog vallend graf, dat het
stoffelijk overblijfsel van een heilig man moet bevatten, houdt
hij zijn handen omhoog in de houding van den biddenden Mohammedaan
en roept den zegen van den heilige in voor zijn reis, om dan over
zijn baard te strijken, zooals de Mohammedanen gewoonlijk doen als
besluit van hun gebeden. Er zijn weinig kerkhoven, die niet een of
ander heilig man herbergen of een fakir. Heel dikwijls is zelfs de
aanwezigheid van zulk een heilige eenvoudig de reden, waardoor op een
afgelegen plaats een kerkhof is ontstaan, omdat allen in den omtrek
hun graf willen hebben dichtbij het zijne, in het geloof, dat op den
dag der opstanding zijn heiligheid hun zonden en tekortkomingen zal
goedmaken en hun stellig en zeker tot de zaligheid zal doen ingaan.
De graven liggen altijd in noord-zuidelijke richting, en als men
een gat heeft gegraven, meer of minder diep in overeenstemming met
den aard van den grond, wordt er aan eenen kant een nis uitgehold,
gewoonlijk aan de westzijde, en het lijk wordt gelegd in de nis,
met het gelaat naar Mekka gekeerd. Er worden dan steenen om den rand
van de nis gelegd, zoodat als de aarde in de opening wordt geworpen,
er niets op het lijk komt, dat enkel is gewikkeld in een laken,
daar doodkisten nooit worden gebruikt.
Er worden allerlei wonderen verteld van de graven van heiligen, en
wel het algemeenst is het geloof, dat ze in lengte kunnen toenemen,
en dat die toeneming een bewijs is voor de aanneming van de gebeden
van den gestorvene door den Almachtige. Naast het zendingshuis in
Peshawer was zulk een graf, dat ieder jaar een voet langer werd. Toen
het zeven-en-twintig voet lang was geworden, was het vooruitgedrongen
tot aan den openbaren weg, en eerst nadat er een officiëele order was
uitgevaardigd door de districtsautoriteiten, dat de verdere groei
van den heiligen man moest ophouden, hield het graf met groeien
op. Dat graf is in den omtrek nog bekend als het Negenellengraf en
wordt door een groot aantal geloovigen ieder jaar bezocht in de hoop,
dat het hun voordeel zal aanbrengen.
Het gebruik van toovermiddel en of amuletten is algemeen. De kinderen
van de rijken kan men zien met colliers van amuletten, geborgen in
kleine zilveren doosjes, om den hals, terwijl zelfs de armste arbeider
een amulet heeft, gewikkeld in een stukje leêr en gedragen om den
hals of om den arm gebonden. Die amuletten zijn meestal verzen uit
den Koran, overgeschreven door den een of anderen beroemden mollah
en door hem gezegend; andere zijn kabbalistische zinnen of woorden,
terwijl weer andere gewone lapjes zijn of stukjes papier, die door
een heilig man gezegend zijn.
Bij meer dan één gelegenheid heb ik mijn recepten tot amuletten
verheven gezien, omdat de zieke meende, dat dit meer zou helpen, dan te
gebruiken wat het hospitaal hem aan geneesmiddelen meegaf. Een patiënt
verzekerde mij, dat hij nooit meer last van rheumatiek had gehad, waar
hij vroeger zooveel aan had geleden, nadat hij een recept, waarin ik
hem wat salicyl had voorgeschreven, om den arm had gebonden, ofschoon
hij nooit het drankje had ingenomen. Bij een andere gelegenheid bevond
ik, dat een man, die grijze poeders had gekregen met een aanwijzing,
hoe hij ze moest innemen, ze in plaats daarvan met papier en al in
een pakje had gebonden, dat hij in leêr had genaaid en om den hals
had gehangen met, naar hij mij verzekerde, de gunstigste uitwerking.
Hieruit kan men vrijwel afleiden, dat mollahs en fakirs, die beweren,
dat ze het vermogen bezitten, om amuletten te maken voor alle bekende
kwalen en die dingen in het groot aan de menschen verkoopen, zich
vaak heel wat sneller verrijken dan een dokter, die de zieken op de
gewone wijze behandelt. Eens toen ik in het kamp was, ontmoette ik
een goochelaar, die op die manier schatten verdiende. Hij had een
groot deel van Zuidwest Azië bereisd, maar bleef nergens lang, daar
zijn behandeling spoedig haar kracht zou verliezen, als hij de eerste
dagen van het nieuwtje liet voorbijgaan. Een van zijn verrichtingen
was, door een vuur te loopen, zoogenaamd door de tooverkracht van
de mohammedaansche kalima. Er werd een gat gegraven in den grond en
gevuld met houtskool en hout, dat werd aangestoken. Nadat het vuur
wat was gaan luwen, werd de nog gloeiende asch met stokken gebluscht,
maar terwijl ze nog een beetje gloeide, liep de fakir onder het zingen
van de kalima er kalmweg overheen, waarna hij de stoutmoedigsten
onder zijn geloovig publiek uitnoodigde, zijn voorbeeld te volgen,
hun verzekerende, dat, als ze de geloofsformule met hetzelfde vuur
als hij opzeiden, hun geen leed zou geschieden. Enkelen deden de proef
zonder noemenswaardig nadeel; anderen kregen wonden aan de voeten. Die
ongelukkigen werden uitgelachen door de anderen en beschuldigd, geen
echte Mohammedanen te zijn, zoodat hun de immuniteit was onthouden,
toen ze de formule opzeiden.
Elken morgen en elken namiddag maakte de fakir zich gereed, om de
patiënten te ontvangen, die in massa toestroomden, toen ze van zijn
roem hoorden. Elke zieke moest den assistent een sommetje betalen en
werd dan naar den fakir gebracht, die op een mat bleef zitten. De
fakir vroeg hem een paar dingen over den aard van zijn ziekte,
schreef de amulet voor en ging over tot den volgenden patiënt. Drie-
of vierhonderd menschen konden bij één zitting worden behandeld, wat
als resultaat van een dag werkens voor den fakir een som van ongeveer
veertig gulden meebracht. Nu gingen er natuurlijk dagen met reizen
heen, en ze waren niet alle even voordeelig, maar zijn uitrusting
en zijn manier van reizen bewezen wel, dat het geen onvoordeelig
zaakje was.
Hij at bij ons in het kamp en toen het eten bijna was afgeloopen, kwam
een assistent bij hem en zei, dat er veel menschen buiten stonden,
die om amuletten vroegen. Met een verontschuldiging tot mij voor de
storing, nam hij een stukje papier, scheurde het in vierkante stukjes
en gaf die aan den assistent, om mee te werken. In sommige gevallen,
vooral bij rheumatiek of verouderde kwalen of verstuikingen, deed hij
aan massage en wrijven, waardoor stellig de uitwerking van de amulet
krachtiger werd.
De medische en chirurgische behandeling van de fakirs is
verschrikkelijk ruw. Soms komen wel kruidkundigen uit Indië in
Afghanistan en beoefenen een soort van hippocratische geneeskunde;
maar de inlandsche, geneesheeren weten heel weinig van de medische
wetenschap. Hun twee gewone behandelingen zijn de dzan en de dam. Dzan
is een behandeling, die gewoonlijk wordt toegepast in geval van koorts,
zoowel acute als chronische, en bestaat daarin, dat men den patiënt
uitkleedt en naakt op bed legt. Een schaap of een geit wordt dan
geslacht en vlug gevild. De zieke wordt in de huid gewikkeld en dan
met een aantal dekens nog bedekt. Als ze uitwerking heeft, werkt deze
behandeling door het opwekken van een heftige transpiratie, en als
de bedekking wordt weggenomen, wat geschiedt op den tweeden dag in
den zomer en op den derden in den winter, treft men den patiënt vaak
zonder koorts aan maar verzwakt en uitgeput door het vele zweeten. Als
de eerste toepassing niet helpt, mag men de behandeling verscheiden
keeren herhalen.
In gevallen van ernstige beschadiging of verwonding wordt dezelfde
behandeling ook wel plaatselijk toegepast. Als men een dijbreuk heeft
bij voorbeeld wordt een schapevel eromheen gebonden, dan wordt ruw
gespalkt en alles blijft een week of langer zitten. Als er een open
wond is en de zieke heeft vele dagen moeten reizen in de hitte,
om in ons hospitaal in Bannoe te komen, kan men al vooruit weten,
wat men te zien zal krijgen. De mannen, die het bed hebben gedragen,
wikkelen namelijk lappen om neus en mond, eer ze den zieke loswikkelen,
opdat hij onderzocht kan worden, en als alles openligt, zijn allen,
behalve de dokter en zijn helper, op de vlucht gegaan, zoo gauw,
als ze maar konden. Een chirurg kan haast onmogelijk voor een geval
komen te staan, dat sterker in strijd is met zijn moderne begrippen van
antiseptische behandeling, en er zijn heel wat antiseptica noodig, eer
de wond een beetje gezond er begint uit te zien, zelfs als ontsteking
en koudvuur geen amputatie noodig maken. In geval van kleine wonden
wordt de huid van een vogel er wel om gebonden, en het vleesch van
het gedoode dier is vaak deel van het loon van den dokter.
Het andere middel, dat dam heet, bestaat hierin, dat men een stukje
katoen stevig oprolt tot een kompresje ter grootte van een shilling,
dat in olie dompelt en op een door den inlandschen dokter aangewezen
plek legt, om het daarna aan te steken. Het brandt dan in het vleesch
en laat een wonde na, die eerst langzaam geneest. Het middel wordt
voor alle mogelijke kwalen gebruikt, en men kiest dat gedeelte van het
lichaam voor de bewerking, waar de kwaal zetelt of waar de diagnose van
den dokter, die het middel toepast, haar veronderstelt. Zoo vindt men
vaak bij menschen, die aan indigestie lijden, een rijtje litteekens
aan weerszijden van den buik. Voor neuralgie past men het middel toe
aan de slapen; voor hoofdpijn op den schedel; voor rheumatiek op den
schouder; voor lendenpijn aan de lenden; voor verlamming op den rug;
voor heupjicht op de dijen, en zoo verder tot in het oneindige. Ik
heb niet minder dan vijftig litteekens gevonden, elk ter grootte van
een shilling, bij een enkelen patiënt als sporen van de herhaalde
toepassing van dit middel.
De Afghanen hebben een reusachtig vertrouwen in beide behandelingen,
en ik heb wel in een dorp gezeten, waar ik luisterde naar een
gesprek, waarin een jonge man, die pas terugkwam van een bezoek aan
een zendingshospitaal, vertelde van de wonderlijke dingen, die hij
daar had gezien, waarop de een of andere conservatieve grijsbaard
antwoordde: "Wat hebben wij van doen met al die nieuwigheden? Wij
hebben immers genoeg aan de dzan en de dam." Net als vroeger in het
Westen, beoefent de dorpsbarbier ook hier nog de kleine geneeskunde
en snijdt in zweren, of zet lavementen.
De vrouwen beweren allen, dat ze meer of minder van de geneeskunde
weten. Als na een strijd tusschen de stammen de gewonde krijgers
in de dorpen terugkeeren, beginnen de vrouwen in huis dadelijk de
verpleging. Als er een heftige bloeding komt, wordt vlug olie verhit
en in de wond gegoten of, als bij voorbeeld een lichaamsdeel is
afgehouwen, wordt de stomp in de olie gedompeld. Dat is zeker een
kras middel, maar het werkt bloedstelpend. Is er maar een kleine
bloeding, dan wordt een plantje, dat ze in de jungle inzamelen, tot
asch verbrand, en die asch wordt op de wond gelegd. Bij een scherpe
snede trekken de vrouwen haar eigen haren uit en naaien de wond dan met
een gewone naald. Ik heb vaak vleeschwonden gezien, die op die manier
heel handig waren genaaid. Met het spalken van gebroken beenderen zijn
ze niet zoo vaardig. In de dorpen is er altijd wel een timmerman,
die daarin volgens hemzelven uitmunt; maar in de meeste gevallen
doet hij het verband er te stijf om of met te weinig kennis van de
circulatie in het lichaamsdeel, zoodat er geen jaar voorbijgaat,
waarin wij geen gevallen krijgen van zieke ledematen, waar koudvuur
bij is gekomen door die behandeling, al waren het maar gewone breuken.