Tegen het eind van Juni werd het zeer warm, en aan het strand begon

het ijs te smelten. Als het op deze wijze verder ging, konden we een

zeer goed ijsjaar verwachten, net als in 1903. Het land was bijna

van ijs bevrijd, en de muggen plaagden ons geweldig.

Aan boord moesten we ons nu in velerlei opzicht anders inrichten,

daar Wiik en Ristvedt van het vasteland tot ons waren gekomen. De

luitenant en ik moesten de kajuit met hen deelen. Daar Wiik aanhoudend

met de uitwerking van zijn waarnemingen bezig was, kon de kajuit niet

meer als donkere kamer worden gebruikt. Een donkere kamer moest de

luitenant echter hebben; de vraag werd van alle kanten bekeken, en

ten slotte eindigde luitenant Hansen met een donkere kamer, welker

nadere bestemming ik niet nader wil aanduiden. In den nood leert men

zich behelpen.

Omdat nu de proviandtent ledig was, en de voorraad aan boord was

overgebracht, werd ze tot allerlei doeleinden gebezigd. Vooreerst als

droogkamer voor alle vogelhuiden, die er werden opgehangen en die in

den aanhoudenden tocht snel droogden. Dan werd de tent als kantoor en

badhuis gebruikt. Ons klein stoombad werd er neergezet en de ingang

werd zoo laag gemaakt, dat ieder er zich in kon wasschen. Wij plaatsten

er ook eenige tafels, waar we onze waarnemingsboeken en magnetische

krommen konden nazien, vóór ze werden afgesloten.

De Uil, Umiktuallu en Noliein gingen den 2den Juni westwaarts naar

Kamiglu in de buurt van het eiland Eta, om er te jagen. Ik beloofde

hun, daar in de Simpsonstraat stil te houden, als wij met de _Gjöa_

voorbijkwamen, en ik gaf hun een lange staak met een vlag eraan, die

ze moesten oprichten, opdat we konden zien waar ze waren. Ze zouden

ons rendierbouten aan boord brengen. Reeds lang had ik Lindström

een paar dagen vacantie beloofd, die hij wilde besteden aan een

onderzoek in het geheimzinnige binnenland. De Eskimo's hadden veel

verteld van een rivier, de Kaa-aaga-angi, daar hoog in het Noorden,

die vol zalmen moest zijn, en veel familiën waren er nu heen gegaan,

terwijl er berichten kwamen van grootsche vangsten. Daarheen gingen

ook Lindström's wenschen.

Eindelijk was op den 4den Juni zijn expeditie gereed tot het

vertrek. Ze bestond uit hemzelven en Talurnakto als eerste

officier. Door de anderen was deze expeditie al als de "expeditie

tot onderzoek van het binnenland van King Williamsland" genoemd. Ik

beproefde nog het langst mijn ernst te bewaren tegenover de

tochtgenooten. Lindström had zich immers heusch ten doel gesteld,

zijn zoölogische verzamelingen te verrijken, en de andere kameraden

hielden hem teveel voor den gek. Toen de expeditie den 9den Juli

terugkeerde, werd ze met groote ovaties ontvangen. De buit bestond

uit veertig eieren en eenige eiderganzen. Het wetenschappelijk rapport

was kort. Het luidde, dat Kaa-aag-angi een rivier was van de breedte

van de Nid bij Drontheim, en dat het dier- en plantenleven het rijkst

was bij het station!

Den 26sten Juli was de haven dezen zomer voor de eerste maal

ijsvrij. Wij zagen het water in de straat buiten al blauwer worden,

maar er was nog geen scheur in het ijs te zien. Maar eenige dagen

later kwam de wind te hulp; het ijs zette zich in beweging en in

allerlei richtingen verschenen de scheuren. Wij waren nu klaar voor

de afvaart. Met uitzondering van de meteorologische instrumenten en

van de honden, die tot het laatst aan land moesten blijven, hadden wij

alles aan boord. De ruimte was door al onze verzamelingen overvol. In

twee groote ijzeren kisten waren onze waarnemingen van de laatste twee

jaar geborgen. Zij waren zoo ingericht, dat ze in het water konden

drijven en op beide was de naam van het schip te lezen. Daaromheen

stonden kleine kisten met proviand voor veertien dagen, munitie en

verdere uitrusting, alles om te worden meegenomen, in geval we het

schip moesten verlaten. Ieder had er ook zijn zak bij liggen met die

dingen, die hij in geval van nood het liefst zou willen redden.

Al onze booten en kajaks van zeildoek waren in de beste orde. Wij

waren erop voorbereid, ons te moeten doorboomen. De wachten waren

zoo verdeeld, dat één man aan het roer stond, één op den uitkijk en

één bij de machine. Wij deklieden moesten alle drie op het dek zijn,

terwijl de vierde mocht slapen. De machinisten wisselden elkaar af op

de wacht; de kok zou de behulpzame hand reiken, zoo vaak hij weg kon.

Allen zonder uitzondering wisten wij nu, dat er zwaar werk voor

den boeg was. Maar de eensgezindheid, die al den tijd onder ons had

geheerscht, bleef en gaf ons allen moed.

Van de Axel-Steenhoogte had men het beste uitzicht naar het Westen over

de straat, en in de volgende veertien dagen was ik daar dagelijks twee-

of driemaal. Den 12den Augustus kwam er weer een flinke bries, en als

wij inderdaad weg wilden, dan moest het nu zijn. Luitenant Hansen,

Lund en ik waren al vroeg in den morgen op de Steenhoogte. Het ijs,

dat zich hardnekkig was blijven vasthouden aan King Williamsland en

westwaarts, was teruggeweken. Nu moest de poging gewaagd worden. De

aftocht werd op den volgenden morgen om drie uur vastgesteld.

Den 13den Augustus precies op dat uur draaide de ankerspil lustig op de

_Gjöa_. Het was geen uitlokkend weêr, dichte nevel met tegenwind. Met

volle kracht van den motor voeren we de haven uit. De Eskimo's hadden

zich trots het vroege uur aan het strand verzameld en het laatste

"Manik-tu-mi" werd ons toegeroepen. Een van hen, Tonnich, had zich

laten vinden om als achtste reisgezel met ons mee te gaan. Wij

loodden en peilden ons door de Simpsonstraat naar Boothpoint, waar

wij moesten ophouden, omdat we niet meer genoeg konden zien of wij

verder tusschen het ijs door, dat in groote massa's oostwaarts dreef,

konden doorvaren. We ankerden dus in de lij van een der groote riffen

vóór de kaap, waar we tegen het drijfijs waren beschut. Af en toe

verdeelde zich de nevel, en dan zagen we vóór ons de door zeer veel

ijs omgeven Todd-eilanden. Op den westkant van de eilandengroep konden

wij open water waarnemen; daar moesten we dus zien te komen.

Om drie uur in den namiddag trok de nevel op en wij kregen een

overzicht van onzen toestand. Wij waren niet ver van de Todd-eilanden

verwijderd, die slechts uit drie lage, kleine eilandjes bestaan, maar

groot genoeg zijn om een massa ijs te verzamelen. Het zag er niet zeer

hoopvol uit. Tusschen de hoofdmassa ijs en het verste eiland was wel

een streep open water; maar het was niet te denken, dat die smalle

geul ver door zou loopen. Het ijs dreef namelijk zeer snel oostwaarts

en ging waarschijnlijk aan de westzijde der eilanden vast zitten.

Wij moesten daarheen om te onderzoeken. Het weer was wonderschoon

geworden, stralend helder en bijna windstil. Nadat we de zuidpunt

van het eiland hadden bereikt, waren we in spanning of werkelijk

de westzijde met ijs bezet zou wezen. Een geul, die zoo smal was,

dat ze uit de verte nauwelijks breed genoeg scheen voor een bootje,

lag open tusschen het ijs en de kust. Nu was er nog de vraag, of ze

diep genoeg was. Alles hing af van den aard van de kust.

"Ik geloof, dat we er door kunnen!" riep Lund uit den mast. "Ik zie

wel rotsen op den grond, maar wij kunnen tot vlak bij de kust komen."

Dat was ook volstrekt noodig, als we verder wilden. Gelukkig daalde

de westkust van het eiland zonder eenig strand loodrecht naar beneden;

maar de _Gjöa_ zou niet veel duimen breeder hebben moeten zijn, of wij

waren blijven zitten. En wij stieten allen een zucht van verlichting

uit, toen we tegen het Westen het open water der zee vóór ons hadden.

Bij Hall Point hadden de luitenant en Hansen op hun boottocht van

1904 twee geraamten zien liggen. Het waren geraamten van blanken,

dus van deelnemers aan de Franklinexpeditie. Zij begroeven ze en

richtten een steenheuvel op, dien wij nu in alle stilte passeerden,

juist toen de zon onderging, terwijl hemel en aarde overvloeid werden

door een roodgouden licht; onze kleine triomfeerende _Gjöa_ groette

eerbiedig haar ongelukkige voorgangers.

Toen ik den volgenden morgen vroeg op dek kwam, waren wij juist voor

de Douglasbaai. Tonnich, die in deze streek bekend was, noemde ons

de namen van de verschillende heuvelketens aan land. Hij ontdekte ook

het kamp van onze Eskimo's. Het lag op den Kamiglu, een kleinen heuvel

van ongeveer 20 meter hoogte. De tenten staken tegen den horizon af,

en wij konden ook de staak met de kleine vlag zien.

Daar de nevel nu in groote golven op ons toedrong, richtten we den

koers recht naar den Kamiglu. Aan den kant van het vasteland was

de grond zeer ongelijk, en we moesten dus een goed eind uit den

wal ankeren. De mist hulde het schip geheel in, en om de aandacht

van de Eskimo's te trekken, lieten wij met korte tusschenpoozen den

misthoorn klinken.

Reeds na korten tijd bewoog zich een kajak uit den nevel naar voren

op ons toe, en een vroolijk "Manik-tu-mi" klonk ons tegen. Het was

Nuleiu, dien spoedig anderen volgden. Zij waren allen zeer blij ons

weer te zien, en Lund en ik gingen in de dorry om hen naar den wal te

volgen. De mist hinderde de Eskimo's niet in het minst. Zij lachten ons

uit, toen wij hen vraagden, of ze bij zulk dik weer den weg wel konden

vinden en voeren vlug weg. Ofschoon wij drie kwartier moesten roeien,

kwamen we precies bij hun landingsplaats aan. Om zonder een spoor

van zonneschijn en bij volstrekte windstilte met zooveel zekerheid

voorwaarts te komen, moesten deze menschen werkelijk met een zesde

zintuig begiftigd zijn.

Aan land was de nevel minder dicht. Kamiglu was een naar alle

kanten steil afdalend schiereiland en alleen door een smal strookje

land, tusschen lagunen in het Oosten en het Westen, met het land

verbonden. Op den top hadden onze vrienden hun woningen in zeven tenten

in een waar arctisch paradijs. In de lagunen beneden haalden ze zich

zooveel visch, als ze noodig hadden, en rondom de uitgestrekte meren

in het binnenland weidden groote rendierkudden. De Eskimo's hadden een

goede jacht gehad en hadden overvloed van vleesch. Maar het meeste lag

in dépôts buiten op het vrije veld. Zij waren wel dadelijk bereid het

te halen; maar dat zou ons verscheiden uren hebben opgehouden, daarom

stelden we ons tevreden met wat in het kamp aanwezig was. Wij liepen

rond en zeiden onze oude vrienden vaarwel; het zou zeker lang duren,

eer we elkaar weerzagen. Tegelijk verzamelden wij zooveel gedroogd

vleesch en zalm als we konden krijgen.

Vóór de tent van Umiktuallu stond een pleegzoon van hem, Maniratcha

of Manni, zooals wij hem altijd bij verkorting noemden. Hij stond

te snikken, want hij had zoo graag met ons mee willen gaan, en nu

hoorde hij, dat Tonnich was aangenomen. Hij was een flinke jongen van

zeventien jaar, en hij had vroeger al gevraagd, om mee te mogen, zonder

dat ik er veel op gelet had. Nu stond hij daar, en het speet mij,

dat de zaak zoo geloopen was, want ik had Manni veel liever gehad dan

Tonnich. Ik zei dus, dat hij maar eens moest meegaan; dan zou ik zien.

Des morgens om zeven uur begon het op te klaren, en ik hield

het nu voor het beste, dadelijk aan boord te gaan, om terstond

te kunnen vertrekken als het goed helder was. In onze boot namen

wij zes-en-dertig heerlijke rendierbouten mee en een grooten hoop

gedroogde zalmen. De Uil, Manni en nog twee Eskimo's gingen met ons, en

buitendien nog vier anderen in hun kajaks. Tegen acht uur waren wij aan

boord, en de lucht was intusschen bijna geheel opgeklaard. Ik rekende

met de Eskimo's af en betaalde hen voor vleesch en visch met ammunitie.

Daarop moest het geval Manni met de kameraden worden besproken. Wij

waren het allen eens, dat we liever Manni hadden dan Tonnich, die

sedert zijn aankomst aan boord den welverdienden naam van vreetzak

had gekregen. Daar opeens kwam de jonge heer zelf naar mij toe,

en ik sprak hem aan:

"Nu, lieve Tonnich, wil je nu werkelijk met ons naar het land der

Kabluna's reizen?"

Hierop verklaarde hij mij dadelijk met verbluffende openhartigheid,

dat hij daar al lang geen lust meer in had. Hij kon de blanken niet

verstaan. Vóór drie dagen wou hij volstrekt mee en nu, na een leventje

als een prins, was hem de lust vergaan. Ik nam het verrassende bericht

heel kalm op, want nu was de zaak met Manni in orde. Maar neen, nog

niet heelemaal. De pleegvader, Umiktuallu, had er nog een woordje

in mee te spreken, diezelfde aangename pleegvader, die vroeger zijn

anderen pleegzoon doorstoken had. Hij moest eerst zijn toestemming

voor de reis van den jongen geven. En die toestemming gaf hij niet

voor niets. Hij was mee aan boord gekomen en eischte betaling voor den

knaap. Een vijl en een oud mes bevredigden intusschen zijn verlangens;

dus de prijs voor den pleegzoon was niet buitensporig.

Het was helder, en wij zeiden den Uil en onze andere goede vrienden

van den Netsjillistam hartelijk vaarwel. Het was een heerlijke, warme

zomerdag met volkomen windstilte. Midden in de Simpsonstraat lag Eta

als een reus, die ons den weg wilde versperren. Met de allergrootste

voorzichtigheid voeren we door het zuidelijke vaarwater tusschen

het eiland en het vasteland, niet breeder dan drie vierde zeemijl

en vol ondiepten en riffen. Ik geloof, dat dit onze spannendste

doorvaart was. In het kanaal werd het breeder water al ondieper;

maar de uitkijk meldde, dat hij dieper water zag, als we maar eens

over het rif waren. Het peillood was aanhoudend in werking, en het

roer vloog van de eene zijde naar de andere, alsof het door dicht

ijs ging, maar ten laatste kwamen we gelukkig de Etasond door.

Nu konden wij ons ook eens met Manni bezighouden, die tot hier toe aan

zichzelven was overgelaten. Ristvedt, die de namiddagwacht had bij

de machine, kreeg de opdracht, Manni tot een Kabluna te maken. In

aanmerking de massa zeep en insectenpoeder, die erbij gebruikt

werden, moest men wel verwachten, dat Manni schoon werd, en dat was

hij ook geworden, ofschoon wij hem zijn mooi haar lieten behouden,

nadat het duchtig gekamd was. Zijn toilet viel wat bont uit, want het

bestond uit een blauwen tricotkiel, een kniebroek van zeehondenvel,

witte kousen, de oude verlakte schoenen van den luitenant en op het

hoofd een oude lichtblauwe badmuts, die ik eens op de een of andere

badplaats had gekocht. Van het eerste uur af won Manni ons aller hart;

zijn lach verjoeg elke onaangename stemming, en hijzelf was blijkbaar

uitstekend bij ons tehuis. Hij was echter ook in een Eskimoparadijs

beland, een plaats, waar men zooveel mag eten als men maar kan bergen.

In den loop van den avond kwam van het Zuiden wat ijs opzetten;

de kant van het pakijs liep in noordwestelijke richting en dwong

ons nu dien weg ook te volgen. Het vaarwater lag vol kleine, met

ijs omzoomde eilandjes en klippen en voortdurend moesten wij peilen

vanwege de ondiepten. Wij kropen voorwaarts op dien 15den Augustus,

tot wij om vijf uur 's avonds buiten in de Victoriastraat waren en de

moeilijke eilanden achter ons hadden. De straat, waar we door gevaren

waren, doopten we de Palanderstraat ter herinnering aan den moedigen

kapitein der Vega. De eilanden ten zuiden ervan kregen den naam

Nordenskjöld-eilanden, naar den leider der Vega-expeditie. Luitenant

Hansen's aardrijkskundige opneming van deze eilanden bleek volkomen

juist.

De Victoriastraat was met ijs opgevuld, dat echter zoo los was,

dat we er doorheen konden dringen, want onze kleine Gjöa kon flinke

stooten toedienen. Vóór het eiland Lind lag het ijs zeer dicht, maar

wij slopen er door een smal geultje doorheen en vonden gelukkig aan

de andere zijde open water. Toen wij in den morgen de zeilen wilden

opzetten, brak de gaffel, en om die te herstellen, besloten wij in

de Cambridgebaai, Collinson's winterhaven, binnen te varen.

Victorialand was vlak en eentonig. Deasestraat is diep genoeg, als

men zich maar een paar zeemijlen van de kust heeft verwijderd; maar

van alle landtongen en rotspunten loopen ondiepten in zee.

Den 17den Augustus om vijf uur in den morgen gingen wij op de westkust

van kaap Colborne voor anker. Dat was een merksteen op onzen weg,

want nu hadden wij met de _Gjöa_ het tot nu toe nog niet overwonnen

gedeelte van de Noordwestelijke Doorvaart bevaren. Van nu aan voelden

wij ons eigenlijk in druk bevaren water. Hier en daar was zelfs een

diepte op een kaart aangegeven, en vooral werkte geruststellend het

bewustzijn, dat we nu vóór ons een stuk van de Doorvaart hadden,

waar reeds een groot schip door was gevaren.

Wij repareerden de gaffel en namen een dag rust, waarna we den

volgenden morgen om drie uur weer in zee staken, Collinson's

beschrijving van het vaarwater was ons van grooten dienst; zij bleek

volkomen juist; de groote eilanden vielen ook nu steil in zee, en

het water was diep en zuiver.

Het kompas, dat ons op de doorvaart door de Etasond in het geheel

niet van dienst was geweest, begon nu weer te werken; maar we

moesten de aanwijzingen natuurlijk met de grootste voorzichtigheid

opnemen. Den volgenden dag passeerden wij de Richardsoneilanden,

die nog al plantengroei vertoonden. Toen kwamen de Mileseilanden,

die naar het Westen zacht afdalen, en het eiland Douglas. Weer

stelden de ondiepten en eilanden ons veel moeilijkheden in den weg,

en het was een ontroerende gedachte, dat als wij nu hier moesten

terugkeeren, de heele onderneming op niets zou uitloopen en het doel,

dat reeds zoovelen zich te vergeefs gesteld hadden, weer onbereikt

zou blijven. Ik was dan ook zeer zenuwachtig, kon bijna niet eten en

was steeds op onaangename verrassingen verdacht.

Maar toen we de Dolphin- en Uyionstraat hadden bereikt, was de laatste

moeilijke doorgang in de Noordwestelijke Doorvaart achter den rug,

en onze verlichting was onbeschrijfelijk groot. Nu ging het met korte

onderbrekingen door nevel of tegenwind gelijkmatig westwaarts. Den

27sten Augustus, toen om acht uur 's morgens mijn wacht voorbij was

en ik te bed was gegaan, werd ik, na een poos te hebben geslapen,

door een druk heen en weer loopen op het dek gewekt. Er was boven

blijkbaar iets bijzonders aan de hand, en ik ergerde mij, dat ze om

een zeehond of een ijsbeer zoo'n leven maakten. Maar daar stortte

luitenant Hansen de kajuit binnen met de onvergetelijke woorden:

"Schip in zicht!"

Dadelijk daarna verdween hij weer en liet mij alleen.

De Noordwestelijke Doorvaart was volbracht! De droom mijner

kindsheid--op dit oogenblik was hij verwezenlijkt! Een eigenaardig

gevoel snoerde mij de keel dicht; de tranen kwamen mij in de

oogen. Schip in zicht! het woord had een magische uitwerking. Op eens

waren het vaderland en alle vrienden mij zoo nabij, alsof ze de handen

naar mij uitstrekten. Schip in zicht!

In alle haast kleedde ik mij. Toen ik klaar was, stond ik een oogenblik

stil voor het portret van Frithiof Nansen. Het was alsof het portret

levend was geworden, alsof het mij toeknikte. "Ik wist het wel", scheen

het te zeggen. Ik knikte terug, lachend en gelukkig, en ging aan dek.

Het was een prachtige dag. De wind was een weinig naar het Oosten

gedraaid, en het ging vlug voorwaarts. De _Gjöa_ scheen te begrijpen,

dat thans het ergste geleden was; ze was zoo merkwaardig licht in haar

bewegingen. De beide mastpunten daarginds aan den horizon hielden al

onze aandacht bezig. Alle mannen waren op dek, en alle verrekijkers

waren op het ons tegemoetkomende schip gevestigd. Op aller gezicht

troonde een lach; maar er werd niet veel gesproken. Nu liet een van

allen den kijker dalen.

"Ik zou wel willen weten..."

En weer werd het instrument voor de oogen gehouden. Een ander liet

den kijker neer en begon weer: "Ik zou wel willen weten...!"

Toen de romp van het vreemde schip zichtbaar werd, heschen we

onze noorsche vlag. Langzaam rees ze; alle oogen volgden haar met

liefkoozende blikken. Ze was verkleurd en had veel geleden, maar zij

droeg naar litteekenen met eere.

"Ik zou wel eens willen weten wat hij denkt, als hij ons ziet!"

"Hij denkt, dat het een vervloekt mooie vlag is!"

"Hij is waarschijnlijk een Amerikaan."

"Ik zou denken dat het eerder een Engelschman is!"

"Ja, wat wij voor lui zijn, dat ziet hij nu aan de vlag."

"O ja, hij ziet nu, dat wij menschen uit het oude Noorwegen zijn."

De schepen kwamen snel dichter bij elkaar.

"Thans wordt de amerikaansche vlag geheschen!" riep de man op den

uitkijk, die den grooten verrekijker op het schip had gericht. En ja,

spoedig zagen we allen de sterrenvlag met de strepen. Hij had onze

vlag gezien en herkend, dat was duidelijk. De stoom vloog om het schip;

het had blijkbaar een motor net als wij, en kwam snel vooruit.

Nu was het tijd om zich voor de eerste ontmoeting wat op te

knappen. Vier van ons zouden aan boord van het andere schip gaan, en

de vier anderen moesten op de _Gjöa_ blijven. In haast werden onze

beste kleederen voor den dag gehaald. Enkelen trokken hun deftige,

vaderlandsche kleeren aan; anderen gaven aan de Eskimodracht de

voorkeur. Er was een, die laarzen van zeehondenvel voor de gelegenheid

het meest passend vond, en een ander droeg gewone zeemanslaarzen. Op

dek werd ook opgeruimd, zoo goed het ging. Van uit zijn mastkorf kon

de Amerikaan door zijn kijker ons dek geheel overzien. En wij wilden

een zoo goed mogelijken indruk maken. Wij waren nu zoo dicht bij

elkander, dat wij van ons dek het geheele schip konden overzien. Het

was een kleine, zwartgeverfde tweemaster, die een sterken motor moest

hebben; wij maakten nu ons bootje klaar, lieten de machine bijdraaien

en maakten onze dorry, onze zeewaardige boot, los. Het was wel geen

mooie boot, en de kapitein had op het achterbankje met de vlag geen

bepaald gemakkelijke zitplaats, maar het bootje paste bij ons schip,

en wij waren immers ook niet op een pleizierreis.

De Amerikaan had zijn machine stop gezet en wachtte ons. Met twee

man aan de riemen, waren we gauw naast hem. Een eind touw werd ons

toegeworpen; ik vatte het aan en nu was ik weer in verbinding met de

beschaving. Zij trad mij wel niet met overweldigende pracht te gemoet,

want de "Charles Hansson" uit San Francisco zag er niet naar uit,

alsof er overdreven weelde aan boord zou wezen. Een trap was overbodig,

daar het schip diep in het water lag. Wij grepen de reeling en kropen

naar boven. De eerste indruk was eigenaardig. Op het dek was elke

voetbreed zoo bezet, dat men niet wist, hoe er door te komen. Eskimo

vrouwen met roode rokken en negers in de bontste kleeren liepen door

elkander, precies als in een soort van sprookjeswereld. Een oudere

man met wit haar en baard trad op mij toe. Hij was pas geschoren en

netjes gekleed, blijkbaar de kapitein.

"Is u kapitein Amundsen?" luidde zijn eerste woord.

Ik was zeer verbaasd, dat men hier aan het eind der wereld iets van

ons wist en antwoordde bevestigend.

"Is dit het eerste schip, dat u ontmoet?"

Toen ik daarop toestemmend antwoordde, klaarde zijn gezicht op en

wij drukten elkaar lang en hartelijk de hand.

"Het doet mij buitengewoon veel genoegen, dat ik de eerste ben,

die u mag welkom heeten na uw volbrachte Noordwestelijke Doorvaart."

Hierop werden wij uiterst vriendelijk in zijn kajuit genoodigd. Het

was geen groote ruimte, maar toch wel even groot als de kajuit op de

_Gjöa_. Kapitein James Mc Kenna was een middelgroote, corpulente man

van tusschen vijftig en zestig jaar. Dat hij een stamgast in de IJszee

was, kon men wel aan hem zien. Het diepgegroefde, koperroode gezicht

sprak van koude en slecht weêr. Hij was joviaal en gul en vroeg, of wij

het een of ander noodig hadden, waarmee hij ons kon helpen. Het eenige,

wat ons ontbrak, waren berichten uit het vaderland, maar helaas, die

kon hij ons niet brengen. Hij had wel een paar oude kranten, maar...

"Oude! Ja, voor u! Voor ons zijn ze fonkelnieuw!"

Hij bracht een hoop, en door een merkwaardig toeval viel mijn oog

het allereerst op een titel, dien ik als versteend aanstaarde.

"Oorlog tusschen Noorwegen en Zweden."

Ik verslond het artikel in haast, maar het gaf slechts weinig

opheldering. Kapitein Mc Kenna was al lang onderweg en kon ons niets

naders meedeelen. Wij vraagden aan allen op het schip, of ze er ook

meer van konden vertellen, maar tevergeefs. En deze onzekerheid was

pijnlijker dan de totale onwetendheid van te voren. Maar er was niets

aan te doen; wij moesten geduld oefenen.

De Noordwestelijke Doorvaart De Aarde en haar Volken, 1909 · 第 7 / 8 段