hitte verspreidden, door de deur erin te schuiven en daarmee de kachel
te stoken. Als het toestel dan werd uitgedaan, zou de warmte door de
steenen nog lang worden vastgehouden. Dat klonk prachtig en met mij
verheugde zich de luitenant al op de warmte in onze kajuit. Wij keken
met de grootste belangstelling naar het zetten van de kachel. Toen
die goed op haar plaats stond, werd het toestel aangestoken en erin
neergezet.
Luitenant Hansen zat ijverig over allerlei berekeningen, en ik was
aan mijn eigen werk. Het toestel had nog niet lang gebrand, toen mij
een eigenaardige, scherpe, doordringende geur in den neus kwam. Snel
keek ik naar den luitenant, om te zien of hij ook wat merkte; maar
hij zat onbewegelijk over zijn cijfers gebogen. Ik zei dus niets,
maar stond op en kleedde mij aan om naar het observatiehuis te gaan
en hem alleen de verdere proeven met de kachel over te laten. Het
kon mij niet schelen--maar het stonk afschuwelijk!
"Voor den drommel!" viel de luitenant plotseling uit en wierp zijn
potlood weg. "Wat is dat hier voor vuiligheid?"
Ik was de deur al uit en liet den luitenant in een dikken,
verstikkenden walm, waarvan de reuk de herinnering wakker riep aan
alle honden, zoowel de Godhavnhonden als de Gjöahonden. Het kwam
namelijk doordat de baksteenen onbeschut buiten hadden gelegen en wel
op de plek, waar de honden zich graag ophielden. Men kan zich nu wel
voorstellen, wat de uitwerking moest wezen van ons verwarmingstoestel
op die steenen!
Toen ik al ver weg was op den weg naar het observatorium, hoorde ik
een geweldig spektakel aan boord. Ik kon wel raden wat het was. Lund's
zinrijke kachel werd eruit gesmeten.
Nu hadden wij niets meer dan de herinnering eraan; maar die zat dan
ook vervloekt lang in de wanden!
Où est la femme?! Zelfs hier in de sneeuwwoestijn moet men vaak
dezen noodkreet van de menschheid uitstooten, of liever gezegd er de
oorzaak in zoeken van der menschen misslagen en dwalingen. Umiktuallu,
die nog altijd op de vischvangst in Navjato was, kwam bij ons aan
boord, om onze honden voor een paar dagen te leenen. Hij vertelde,
dat Talurnakto in Navjato de post aan Atangala had gegeven en met
een Eskimovrouw naar het zuiden was getrokken. Als echtgenoot nommer
twee namelijk. Dat was echter, zooals ik uitdrukkelijk verklaar, de
eenige onbetrouwbaarheid, die wij van de Netsjilli-Eskimo's ervoeren.
Umiktuallu zei ook nog, dat een ons bekende jonge vrouw in het kraambed
gestorven was. Dat was het tweede sterfgeval in den winter.
De Eskimo's stroomden thans in December in grooten getale in onze
haven binnen. De vischvangst in Navjato en de andere plaatsen was
geëindigd. Voor zoo ver we hen begrepen, wilden ze nu tot na Kerstmis
rustig in Ogchoktu blijven. Zeker verleende onze tegenwoordigheid aan
de plaats een groote bekoring. Een groot aantal van de Eskimo's bedelde
dadelijk om eten. Er waren lieden onder, die voor zich en de hunnen
meer dan genoeg wintervoorraad hadden, maar anderen hadden weinig,
deels uit ongeluk, deels uit luiheid. Voor ons was het volstrekt
niet aangenaam, al dat bedelvolk bij ons te hebben, en wij moesten
telkens beslist weigeren, daar we toch niet voor al die menschen
voedsel hadden.
De meeste Eskimo's bouwden hun hutten in het Sälanddal, en het kamp
zag er belangrijk genoeg uit.
Wij hadden nu den donkersten tijd van het jaar, waarin de zon den
geheelen dag onder den horizon blijft. Wij moesten dus aanhoudend licht
branden. In verband met dien "langen nacht" had ik extra-patentlampen
meegenomen, waarin de verhitte petroleum als gas brandde, waardoor een
zeer sterk licht verkregen werd. Maar reeds den eersten winter hadden
deze lampen vaak niet goed gebrand en veel moeite gegeven. In dezen
winter gaven ze het geheel op. Lindström, tot wiens departement de
lampen behoorden, was wanhopend, en hij gaf zich bewonderenswaardig
veel moeite, om de zaak in orde te brengen. Maar ten laatste
moest hij zich overwonnen geven, en de geheele voorraad lampen werd
weggestopt. Ik had een groote fout begaan; in plaats van mij volkomen
te verlaten op die lampen, had ik toch ook nog eenige gewone lampen
moeten meenemen.
De verlichtingstoestanden waren dus aan het eind van den winter
aan boord van de _Gjöa_ ver van schitterend. Een photografeerlamp,
een kompaslamp en twee lantarens, dat was alles, wat we hadden, en
daarmee moesten we ons behelpen, zoo goed het ging. Natuurlijk deed
Lund de eene uitvinding na de andere in zake verlichting, en zijn
toestellen hadden misschien wel een tentoonstellingsprijs verdiend,
als ze maar gebrand hadden, maar dat deden ze niet.
Eerst half Januari begon de jacht op zeehonden, en het was hoog tijd
geworden voor de aanvulling van de voorraden. Ik geloof haast, dat de
Eskimo's om een of ander oud vooroordeel niet vroeger met die jacht
beginnen. De maan moest, naar ik meende te begrijpen, een bepaalden
stand innemen, vóór men met de jacht op zeehonden mocht aanvangen. En
de maan is hun iets heel heiligs, waarnaar ze ook hun tijd regelen.
Hun bijgeloof zat hun soms leelijk in den weg. Juist in dien tijd
gebeurde iets karakteristieks in dit opzicht. Een aantal vrouwen waren
bij ons aan boord geregeld met naaiwerk voor ons bezig. Ze kregen
er een kleine betaling voor, waar ze zeer mee ingenomen waren. Op
een dag verklaarden ze eenstemmig, dat ze niet konden werken. Wij
vroegen naar de reden en vernamen, dat de eerste zeehond gevangen
was en dat de vrouwen zeehondenvleesch gegeten hadden; dan mochten
ze buiten haar eigen huis niet het minste werk doen, eer de zon zoo
en zoo hoog aan den hemel stond. Wij wilden haar het dwaze van deze
beschouwing duidelijk maken, beloofden haar ook een ruimere betaling,
ja, smeekten haar, toch voort te maken met het werk, dat voor ons
noodig was. Maar neen, hier stieten we op een muur, waar we met gewone
menschelijke bewijsgronden niet konden doorheen dringen. Daar stond
of God of de duivel op wacht, en tegenover deze verloochenden de
vrouwen hare anders zoo volgzame en toegefelijke natuur. Alleen de
oude Navjato was slim genoeg geweest, niet van het zeehondenvleesch
te eten. En zij zat nu bij ons aan boord, naaide van den morgen tot
den avond en verwierf ons aller hulde.
Den 11den Januari volbracht ik een volkstelling in de Gjöahaven en de
omgeving en bevond, dat er achttien familiën met zestig personen waren.
In het midden van Januari 1905 kwam Lindström op een dag met het
bericht, dat er conserven gestolen waren van onzen voorraad op
het dek. Wij hadden uit het proviandhuis naar boord gehaald, wat
we aan levensmiddelen voor den winter noodig hadden, en ze op het
dek ondergebracht, waar het droog was. Van het begin af was het mij
duidelijk geweest, wat dat voor een verzoeking was voor de Eskimo's,
vooral nu, dat ze bijna niets te eten hadden, en ik vond het nog
een wonder, dat er in al dien tijd niets gebeurd was. De Eskimo's
gingen immers dagelijks op de _Gjöa_ uit en in; een blikje kan in
het voorbijgaan gemakkelijk verstopt en in de kleederen geborgen
worden. Nu ontbraken er dus eenige blikken. Ik riep den Uil en
Umiktuallu en zei hun, dat hun landslui ons bestolen hadden en dat
ik volstrekt de schuldigen aangewezen wilde zien.
Zij namen de zaak heel ernstig op; men zag duidelijk, dat ze zich
in zekeren zin voor hun stam verantwoordelijk voelden. Ze verlieten
mij, en een paar uren later kwamen ze terug en noemden vier of
vijf namen van de schuldigen. Het waren alleen Oglugi-Eskimo's;
van den Netsjillistam had geen enkele zich vergrepen. Ik liet de
schuldigen halen. Onder hen bevond zich ook Teraiu, evenals zijn
broeder Tamoktuktu. Ieder van hen had zich een bus toegeëigend. Ik
hield een donderende toespraak en verbood hun van dat oogenblik af
den toegang tot het schip. Toen dropen ze druipstaartend af.
Tegen het eind van Januari hadden de Eskimo's meer geluk op de
zeehondenjacht, die hun in het begin niet goed naar wensch was
gegaan. Den 1sten Februari gaven allerlei kenteekenen te verstaan,
dat de stam ging opbreken; de Eskimo's begonnen hunnen voorraden
naar buiten te brengen op het ijs, en enkele dagen later trokken
ze werkelijk weg. Wij voelden ons zeer verlicht, toen wij ze kwijt
waren. Het eeuwige gebedel om levensmiddelen was ons zeer lastig
geweest.
Nu begonnen voor ons ook de voorbereidingen tot een slede-expeditie,
die al lang voor het aanstaand voorjaar ontworpen was. Luitenant
Hansen en Ristvedt wilden met elkander de oostkust van Victorialand
trachten te bereiken, om van dit land, het eenige dat nog niet
opgenomen was in den noord-amerikaanschen archipel, een kaart te
teekenen. Zooals vroeger al verteld is, was voor deze expeditie bij
kaap Crozier, ongeveer honderd zeemijlen van de Gjöahaven verwijderd,
een dépôt aangelegd. Onze eerste zorg draaide nu om de honden. Wij
hadden een uitstekend troepje, maar er waren te weinig. De luitenant
en Ristvedt deden daarom een uitstapje naar de Eskimo's, die thans
ongeveer twintig zeemijlen op het ijs buiten woonden, en keerden na
twee dagen met vier groote honden terug, die ze voor een paar stangen
ijzer hadden gekregen.
Die honden waren wel erg uitgehongerd en moesten eerst goed gevoed
worden, vóór wij ze in gebruik konden nemen. Maar toen kwam nog de
tweede zorg, namelijk het voeder, dat even belangrijk was in dezen
als de honden zelf. Ons hondevoêr was opgebruikt. Het eenige,
wat wij nog hadden, was menschenpemmikan, en dat zou het niet
lang volhouden. Ons pemmikan bestond uit vijftig percent ossenvet
en vijftig percent gedroogd en gestampt paardenvleesch. Deze beide
stoffen zijn saamgesmolten en in platen van elk een half kilo geperst,
zeer gemakkelijk en beknopt in te pakken. De Indianen zijn het, van
wie men oorspronkelijk het gebruik van dit proviand heeft geleerd,
en alle poolvaarders moeten hun daar dankbaar voor zijn. Het pemmikan
smaakt voortreffelijk, neemt weinig plaats in en kan rauw, gebraden
of gekookt gegeten worden. Vooral is het van groote waarde op een
slede-expeditie. Wij hadden buitendien ook nog een aantal kisten met
hondentalg, die nog over waren van de tweede Framexpeditie, en die stof
bleek zeer bruikbaar. Ook hadden we een massa havergort en havermeel,
dat ongebruikt lag omdat geen van ons er een bijzondere voorliefde
voor had. Al die dingen werden aan luitenant Hansen afgestaan, en
hij ging er proeven mee nemen. Havermeel met hondentalg smaakte de
honden en bekwam hun goed. En zoo vormde hij porties van elk een half
kilogram van dat mengsel als dagelijksche maaltijden voor de honden. De
bereiding had in het groot plaats; het geheele schip leek wel een
gepatenteerde hondenvoerfabriek onder leiding van den directeur
Godfried Hansen. Het werk vlotte goed, en weldra was deze heele
quaestie opgelost. Daarna werd over de verdere uitrusting gesproken
en alles nagezien. Lund zou voor de sleden zorgen, waar heel wat aan
te herstellen viel en die van nieuwe schuivers moesten worden voorzien.
Midden in deze toebereidselen kwam het bericht, dat Talurnakto, de
verdwenen postillon, in Navjato teruggekeerd was en verzocht, weer in
genade te worden aangenomen. Wij hadden hem niet enkel om zijn vlijt,
maar ook om zijn goed humeur gemist en vonden zijn misdaad niet grooter
dan die van zoo menig man, die er met de vrouw van een ander van door
was gegaan; ja, eigenlijk was er minder misdreven, daar in dit geval
de geheele familie der vrouw en haar man en kinderen meegegaan waren.
Dus lieten wij hem weten, dat wij hem wilden vergeven en hij zijn
vroegere betrekking van "meid alleen" weer kon aanvaarden. Op een avond
in Februari werd mij gemeld, dat Talurnakto gekomen was. Hij waagde
niet eens, zoo maar bij mij binnen te treden. Ik liet hem halen. Zijn
uitzicht was, sinds we hem de laatste maal zagen, zeer veranderd. Hij
had het blijkbaar als minnaar niet gemakkelijk gehad. Zijn rond,
vergenoegd gezicht was langgerekt geworden en mager, en droeg een
uitdrukking van diepen weemoed. Hij had zeker niet enkel aangename
herinneringen aan zijn liefdesavontuur bewaard. Al wat hij bezat,
zijn mes, en speer, pijp en meer van dien aard, alles was in het
bezit der geliefde vrouw overgegaan, of de echtgenoot had ze als
vergoeding voor zijn liberaliteit verlangd. De arme Talurnakto kwam
volkomen uitgeplunderd van zijn escapade terug.
Den 7den Februari ondernam luitenant Hansen de eerste slede-expeditie
in het jaar. Hij ging naar Kaa-aak-ka en deed er een menigte
magnetische waarnemingen. Het was de allervroegste tijd voor eenig
werk in de open lucht; maar we hadden veel plannen en moesten haast
maken. Maar koud was het, dat het een aard had! Het is merkwaardig,
hoe bros en licht breekbaar alle voorwerpen bij zoo strenge koude
worden. Zoo was onze goede Lund op een dag juist met de sledeschuivers
bezig; de lat van hickory-hout lag op twee verscheiden voet hooge
kisten; bij een onhandige beweging liet hij het ding op het dek vallen
en het sprong in vele stukken. Hickory is toch het taaiste hout van de
wereld; onze schuivers waren van uitstekend amerikaansch maaksel uit
Pensecola; maar in deze koude streken is toch esschenhout te verkiezen.
Op een Zaterdagmiddag reed tot onze verbazing onze met vijf honden
bespannen slede de haven binnen en hield met een mooien zwaai voor
de _Gjöa_ op, maar er was geen koetsier. Toen kwam kort daarna van
de "Magneet" het bericht, dat er op het ijs een zwarte stip was te
zien. En na een poosje kwam Talurnakto hijgend en blazend aanloopen;
hij was van de slede geworpen, en de honden waren er van door gegaan
en hadden alleen het huis opgezocht.
Eens kwam de Uil met een anderen Eskimo aan boord en vertelde, dat
eenige Oglugi-Eskimo's onze proviandtent hadden bestolen; ze brachten
een ongeopende boterbus mee, die ze hadden opgeraapt. Bij onderzoek
bleek, dat een vierde kist sledebrood, tien platen pemmikan en de
bovengenoemde boterbus ontbraken. Als we er niets van vernomen hadden,
zou de diefstal waarschijnlijk nooit zijn uitgekomen, want de dieven
hadden alles weer in goede orde gebracht. En ze hadden het niet te
erg gemaakt. De oude Teraiu en zijn broeder Tamoktuktu hadden aan de
spits der onderneming gestaan, die in den vroegen morgen haar slag had
geslagen. De Uil kreeg ter belooning voor zijn eerlijkheid een groote
bijl, de ander een mes. Toen ze het schip weer verlieten, droeg ik hun
een groet op voor de dieven en liet hun zeggen, dat zoo een van hen
het in zijn hoofd mocht halen, zich ooit weer in Ogchoktu te vertoonen,
dat hij dan op de plaats zou worden doodgeschoten. Op denzelfden avond
legde Ristvedt een kleine mijn aan bij de deur van het proviandhuis,
die zoo ingericht werd, dat ze op hetzelfde oogenblik ontplofte als
de deur openging. Het was een ongevaarlijk ding, maar zou voldoende
zijn, een nieuwe inbrekerspoging te verhinderen.
In dezen tijd haalden we ook de beide booten binnen, die we in het
open veld hadden achtergelaten; er was geen schade aan te bespeuren.
Telkens kregen we bezoek van de Eskimo's die ons in Februari hadden
verlaten, om op de zeehondenjacht te gaan. Wij beantwoordden
de bezoeken ook te zijner tijd. Van den eerbied, dien wij hun
inboezemden, kregen we in dien tijd een schitterend bewijs. De
Itchjuachtorvik-Eskimo's hadden, toen wij in den vorigen winter op weg
naar de magnetische pool waren en aan de noordkust van Boothia Felix
een dépôt hadden geplaatst, een slede met proviand gestolen. In dit
jaar nu kwamen ze en leverden de slede weer in, omdat ze vreesden,
dat wij hun iets kwaads zouden aandoen. Zij bleven op eerbiedigen
afstand en zetten de slede bij het kamp der Netsjilli-Eskimo's op
het ijs neer. Hun angst moet werkelijk zeer groot geweest zijn, als
ze een zoo kostbaar voorwerp als een slede terugbrachten. De slede
had wel veel geleden, maar onder Lund's kundige behandeling werd ze
hersteld en was daarna nog sterker dan te voren.
Niet zelden kwamen de Eskimo's ons 's avonds bezoeken. Ik had dan
medelijden met hen in die vreeselijke koude en noodigde hen uit,
bij ons te overnachten. Ze mochten in de kajuit bij den luitenant en
mij slapen. Wij hadden soms tot dertien slaapgasten aan boord. Zij
legden zich eenvoudig op den grond en dekten zich met een rendiervel
toe, dicht aaneengesloten als haringen in een ton. De anderen in
de voorkajuit weigerden, zulke gasten op te nemen; ze trokken de
neuzen op en beweerden, dat de gasten een naren reuk achterlieten. Nu
vond de luitenant evenmin als ik, dat het juist naar eau de Cologne,
viooltjes of versch gemaaid hooi rook, als de Eskimo's 's avonds hun
groote kaplaarzen uittrokken; maar wij voelden, dat we met dit offer
op goedkoope en goede manier de echte gastvrijheid uitoefenden.
In den loop van den winter stichtten luitenant Hansen, Wiik, Ristvedt
en ik een verbond, welks leden zooveel mogelijk alle voortbrengselen
van het land zouden proeven. Ristvedt werd tot vereenigingskok
benoemd, daar Lindström zich liever in zee wilde storten dan zulke
vuiligheid klaar te maken. Een gebraden vos, waaraan de vereeniging
zich des avonds te goed deed, had onzen kok aan den rand van den
waanzin gebracht en hij verklaarde, dat wij de grootste vuiliken
van de wereld waren. Maar de vereeniging beweerde eenstemmig, dat
een vossengebraad het fijnste gerecht was, dat ons ooit aan boord
was voorgezet. Het vleesch der meeste vossen, die hier in menigte
waren, smaakte ook werkelijk zeer goed, het deed aan hazenvleesch
denken. Wij beproefden het ook met andere gerechten, als rendiermagen,
zeehondvinnen en dergelijke.
De winter was nu voorbij, en naar het scheen stond de lente voor de
deur. Bij het vorige jaar vergeleken, was er een groot onderscheid
merkbaar. Toen hadden we op het eind van Maart ongeveer 45 graden
Celsius onder nul gehad, en in dit jaar daarentegen slechts acht
graden. Dat was een goed voorteeken voor den zomer, die zoo groote
beteekenis voor ons had.
Al het winterwerk was nu voorbij, en het station weer omgeven door
een kring van observatoria. Onze reizigers, die met de slede naar
het Noorden wilden gaan, konden vertrekken zoodra het mooi weer
werd. Deze slede-expeditie had voor 75 dagen proviand bij zich,
in de veronderstelling dat het in het vorig jaar bij kaap Crozier
opgerichte dépôt in orde was; in het tegenovergestelde geval hadden
ze maar voor 50 dagen proviand bij zich.
Den 2den April 1905 brak de expeditie op. Onder wederzijdsch levendig
wuiven met de vlaggen gingen ze heen, en, begeleid door onze beste
en hartelijkste wenschen, wendden ze zich westwaarts naar Victorialand.
Met het vertrek van die expeditie begon naar onze berekening in dit
jaar het voorjaar. Wel hadden we later nog een geweldigen sneeuwstorm;
maar de koude van den winter was gebroken en keerde niet terug.
Er was veel te doen dat voorjaar, want wij zouden opbreken met al ons
hebben en houden en verder westwaarts trekken. In Juni 1905 werd na
19 maanden de loop der zelfregistreerende instrumenten veranderd;
ze moesten stilstaan, na zoo lang te hebben gewerkt onder Wiik's
leiding. Onze gebouwen werden afgebroken. Alles werd aan boord
gebracht, wat daar geschikt voor was, en toen werd de _Gjöa_ van onder
tot boven nieuw geverfd en geölied. Ook al onze booten ondergingen
een groote schoonmaak. Het kon immers wezen, dat wij dezen zomer
"menschen" ontmoetten, en dan mocht niemand kunnen zeggen, dat wij,
Noren, geen hart voor ons schip hadden. Toen was de _Gjöa_ weer net
zoo frisch en mooi, als den dag waarop ze de werf verliet.
Allen deden mee aan dit werk. Ristvedt en Lund hadden een valreeptrap
gemaakt van ijzer en hout, een mooie trap, die later zelfs in San
Francisco opgang maakte. "Niemand mag aan ons zien", zeiden we toen
in Juni 1905, "dat wij tweemaal overwinterd hebben!"
Wij hadden nu maar te wachten op den terugkeer der
slede-expeditie. Toen ze na verloop der eerste zeven weken niet
terug waren, besloot ik daaruit, dat ze het dépôt bij kaap Crozier
onbeschadigd hadden aangetroffen. Maar ook in dat geval hadden ze
den 16den Juni er weer moeten wezen. In den laatsten tijd waren veel
Eskimo's van verre gekomen, maar geen een had wat van de onzen gezien,
en ik werd langzamerhand een beetje angstig. Sinds de Eskimo's in zoo
grooten getale er weer waren, hadden wij een nachtwacht aan boord
ingesteld. Ik drukte de wacht nog ernstig op het hart, goed uit te
zien en mij dadelijk te wekken, als er iets in het gezicht kwam,
dat op onze sledevaarders geleek.
De 24ste Juni, Sint Jan, werd ook bij ons een feestdag, want
des morgens om half zeven kwam Lund, die de wacht had, bij mij
binnenstormen met den uitroep:
"Daar hebben we ze!"
Ik was dadelijk in mijn kleeren. Het was een heerlijke morgen,
volkomen windstil met stekenden zonneschijn. Ginds bij de uiterste
landpunt kwamen onze kameraden in het gezicht. Ik kan bijna niet
zeggen, hoe blij en verlicht ik mij voelde bij hun aanblik. En de
behandeling, die de honden nu ondergingen, toonde wel, dat de heeren
goed op krachten waren. In een wipje was de vlag geheschen, en met haar
verschenen alle anderen op dek. Dat was een jubel aan boord! Een beter
ontbijt dan anders werd opgedischt en daarbij hoorden wij terstond
de gewichtigste gebeurtenissen.
De tocht had zwaar en lichter werk gebracht, maar meestal was de arbeid
zwaar geweest. Het dépôt van kaap Crozier was door beren volkomen
vernield; maar toen ze daar waren, hadden ze al vier rendieren
geschoten. De overvaart naar de Victoriastraat was zeer bezwaarlijk
geweest. Het ijs was hoog opgetorend, en op sommige dagen waren ze
niet meer dan twee of drie zeemijlen vooruitgekomen. Om een weinig te
vorderen, hadden ze buitendien steeds groote omwegen moeten maken. Aan
den anderen kant van de straat hadden ze een nieuwen Eskimostam
aangetroffen, de Kiilnermium-Eskimo's van de Copperminerivier,
die op de zeehondenvangst waren. Terwijl nu deze Eskimo's bijna
niets hadden, dat van ijzer was, hadden ze veel meer voorwerpen
van hout dan de Netsjilli's. Veel beter waren o.a. de bogen en de
sleden. Onze beide reizigers ruilden voor spijkers en kleine messen
zooveel zeehondenvleesch als ze noodig hadden. Zij bleven bij die
menschen den nacht over, om een rustdag te hebben, die zoowel voor de
menschen als voor de honden noodig was na den harden trek door het ijs.
Toen werd de reis langs de onbekende oostkust van Victorialand
voortgezet. Het land was zoo laag en vlak, dat het over het grootste
deel der kust niet van de zee was te onderscheiden. Onder het voortgaan
maakten ze een kaart van de kust. Ook schoten ze geregeld zeehonden,
rendieren en beren, zoodat ze bijna altijd overvloed van levensmiddelen
hadden.
Op Vrijdag 26 Mei keerden ze om, nadat ze op het noordelijkste punt
dat ze bereikt hadden, een wachtpost gebouwd en een reisbericht erin
neergelegd hadden.
De terugweg ging vlugger, daar ze nu geen opmetingen meer te doen
hadden. Op dien terugweg werd het door Dr. Rae in de Victoriastraat
waargenomen land nauwkeurig onderzocht. Het bleek een groep van vele
kleine eilanden, The Royal Geographical Society-eilanden. Deze werden
zoo goed mogelijk geographisch opgenomen, wat later van groot belang
is gebleken voor ons verder doordringen. De Oglugi-zee tusschen
Amerika, Victorialand en King Williamsland was voor het grootste
deel met eilanden opgevuld en open, zooals op de oude kaarten is
aangegeven. Het was goed, dat wij dat wisten voor het geval, dat we
er in een donkeren nacht door wilden varen.
Op den terugweg naar kaap Crozier hadden de reizigers gelukkig beter
ijs gevonden, waar ze gemakkelijker op vooruit konden komen. Behalve
een paar zeere hondenpooten was alles in den besten welstand. De
reis had 84 dagen geduurd met een proviandvoorraad voor maar vijftig
dagen. De expeditie had dus een uitstekend gevolg gehad, ja, men kon
het succes bepaald schitterend noemen, als men aan het vele slechte
weêr dacht, dat ze hadden gehad en als men in aanmerking neemt welke
opmetingen ze hadden gedaan en hoeveel tijd ze aan de jacht hadden
moeten besteden, om zich van de noodige levensmiddelen te voorzien.
Dat alles vernamen we bij het eerste ontbijt. Verder verliep de dag
in feeststemming.